Live in Your Head – Reinjan Mulder’s experimentele fotoproject ‘Objectief beeld van Nederland’ (1973-1974)

Door Ludo van Halem
Conservator Kunsten 20ste Eeuw, Rijksmuseum Amsterdam

Reinjan Mulder aan het werk voor zijn project Objectief Beeld van Nederland. Smilde, 1974. Omslagbeeld van de Rijksmuseum catalogus uit 2016.

Op 31 januari 1974 maakte Reinjan Mulder in het Limburgse plaatsje Roosteren 24 een foto van een blinde muur. Er is vooral grauw pleisterwerk te zien, dat enigszins onregelmatig aangebracht lijkt te zijn en in de loop der tijd is verweerd. Rechts bevindt zich een steunbeer en links op de voorgrond zijn er wat kale takken van een struik in beeld gekomen. Aan de rechterbovenkant tekent zich een smalle strook lucht af, een witte driehoek die scherp contrasteert met het donkergrijze pleisterwerk. Prikkelend of spannend is de foto nauwelijks te noemen. Saai is misschien een beter woord.
De blinde muur is het onderwerp van een van de 208 foto’s die samen het project Objectief beeld van Nederland vormen: het ‘foto-experiment’ waarmee Mulder het Nederlandse landschap in beeld wilde brengen zonder dat daarbij subjectieve esthetische voorkeuren of pittoreske beeldconventies een rol zouden spelen die volgens hem vaak overduidelijk aanwezig waren in de weergave van het landschap. Het project werd in 1971 als voorstel voor een experimentele foto-opdracht bij de gemeente Amsterdam ingediend maar afgewezen. Een nieuwe aanvraag voor een artistieke experimentensubsidie bij het toenmalige Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk had meer succes en werd twee jaar later wel gehonoreerd.
Met het foto-experiment beoogde hij ‘een random beeld van Nederland te geven gedurende een jaar’, zoals hij het toen formuleerde: ‘Random, dat wil zeggen niet vertekend door de persoonlijke voorkeuren van de fotograaf, geen selectie van het materiaal op basis van belangrijkheid of schoonheid. (…) De te volgen methode zal een redelijke waarborg zijn dat het gemiddelde landschap, de gemid-delde weersgesteldheid en populatie wordt vastgelegd.’ Die methode laat zich kort samenvatten: over de kaart van Nederland legde hij een regelmatig raster dat 52 kruispunten opleverde die met openbaar vervoer bereikbaar zouden zijn. Gewapend met een analoge Rolleiflex twee- oogcamera die geladen was met Kodak Tri-X zwart-wit-negatieffilm reisde Mulder in de eerste helft van 1974 door Nederland, waarbij hij talloze keren in het open veld en  een enkele keer op een boot op open water of in een bos belandde. Daar stelde hij vervolgens zijn camera op, waarna hij op ooghoogte in de vier windrichtingen een opname maakte. Eén keer dicteerde het raster een opname in een huiskamer, in (meer…)

‘Gent Vooruit!’ – Op bezoek bij Guido Lauwaert en Tom Lanoye – bij de derde nacht van de Poëzie in Utrecht (1983)

Op 24 november 2023 bracht Guido Lauwaert (78) na meer dan 43 jaar nog altijd zijn versie van Célnes ‘Reis naar het einde van de nacht’ ten gehore, nu in Café Welling.

Op 12 maart 1983 begon in Muziekcentrum Vredenburg de derde Nacht van de Poëzie. Van zeven uur ’s avonds tot vier uur in de ochtend traden daar dichters uit Nederland en België op, afgewisseld door muzikale en visuele attracties. Een kleine drieduizend bezoekers konden zo kennismaken met hun werk. Het initiatief voor deze, toen al legendarische vorm van literair vermaak was afkomstig van de Gentse acteur en dichter Guido Lauwaert. In 1970 organiseerde hij voor het eerst zo’n nacht, in Brussel, en na twee succesvolle, maar niet altijd even ordelijk verlopen herhalingen besloot het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg om de manifestatie, inclusief Guido Lauwaert, naar Nederland te halen.
In 1983 presenteerde Lauwaert daar zijn Nacht voor het laatst, samen met Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen, waarna anderen het van hem overnamen. H.M. van den Brink en Reinjan Mulder reisden daarom aan de vooravond van deze derde Nacht naar Gent, de stad waar volgens Lauwaert en vele anderen de kunsten bloeien als nergens anders in België. In het naburige Deinze woonden ze een voorstelling bij van Lauwaerts bewerking van Elsschots ‘Lijmen’, ze bezochten het poëziecentrum van Willy Tibergien, waren bij een uitzending van de vrije zender Radio Toestel, spraken de toen nog jonge dichter Tom Lanoye, en gingen op zoek naar de geheimzinnige schilderende dichter Johan Joos. 

Door H.M. van den Brink en Reinjan Mulder
Van een van de achterste rijen klinkt plotseling een snijdende stem: “Ik heb Boorman ontmoet in een café…” Het is zaterdagavond, negen uur. Even ten zuiden van Gent, in een smal zaaltje op de zolder van een jeugdcentrum in het plaatsje Deinze, is Guido Lauwaert begonnen aan zijn toneelversie van Willem Eisschots Lijmen. Elders in het gebouw vermaakt de Vlaamse plattelandsjeugd zich hoorbaar met de laatste discoplaten, maar Lauwaert heeft een krachtig stemgeluid. Voor een publiek van amper dertig geïnteresseerden brengt hij de zoveelste voorstelling van het stuk waarmee hij indertijd zijn solo-carrière is begonnen: het verhaal over het zo succesvolle ‘Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen’.
Het is een merkwaardige voorstelling. Lauwaert staat nu eens op of achter het toneel, dan weer loopt hij schmierend door de zaal. Hij wendt zich tot de afzonderlijke toeschouwers, wijst wanneer de tekst over oude zakkige gepensioneerden gaat een bejaarde aan, slaat bij de woorden ‘carrarisch marmer’ iemand boven op zijn hoofd en voortdurend voegt hij toespelingen van een plaatselijk en actueel karakter in.
Wanneer we Guido Lauwaert hier op dit zoldertje in Deinze bezig zien, zijn we al een week naar hem op zoek geweest. Dagen achtereen belden we zijn huis, maar daar was hoogstens een vriendin die zijn verblijfplaats niet kende. Oproepen, achtergelaten bij Muziekcentrum Vredenburg en de Hotsy Totsy Club — de privéclub waar Guido Claus (broer van Hugo) de artistieke en bestuurlijke chic van Gent ontvangt, hadden geen effect. De enige zekerheid was dat hij zaterdagavond om half negen in Deinze zou zijn, op verschillende plaatsen in Gent hingen de affiches. En inderdaad komt hij daar, al is het een half uur te laat, boven water.
Na afloop van de voorstelling rijden we in twee auto’s met hem mee naar Gent om daar over de komende Nacht van de Poëzie te praten. De route leidt over de Kortrijkse Baan, waar prostituees (meer…)

Antoni Mulder (1890-1963) – Douaneman in de IJhavens

Waar ooit de IJhavens waren, verrees na de oorlog het Muziekgebouw aan het IJ.

Door Reinjan Mulder
Eind september 1944, op de maandag na de slag om Arnhem, kreeg mijn opa, de 54-jarige douanebeambte Antoni Mulder, te horen dat hij niet meer welkom was op zijn werk in de Oostelijke IJhavens. De geallieerden hadden nog steeds geen bruggenhoofd kunnen vormen over de Rijn, maar de Duitsers zagen al aankomen dat dat ze hun langste tijd in Nederland hadden gehad. Niemand mocht meer de havenhoofden betreden, was de boodschap. In zijn memoires schreef de plichtsgetrouwe douaneman die mijn opa was een jaar na zijn pensioen in 1955:
De verbindingsdam naar de IJkade was afgesloten en een Duitse officier hield daarbij toezicht. Ik werd, toen ik zoals altijd ’s morgens naar de sectie wilde gaan, aangehouden en mij werd toegebulderd: “Zurück!”.
Als sectiechef van de douane had mijn opa altijd een pasje van de Ortskommandant in Amsterdam bij zich, waarmee hij dag en nacht de havens in mocht, maar toen hij die maandag van zijn fiets stapte om dat te laten zien, hoorde hij wat er op stapel stond: ‘De gehele kade zou binnen de kortst mogelijke tijd worden opgeblazen. Alles zou worden vernield, de kade, de muren, alles, terwijl de kranen in het IJ zouden verdwijnen.’
Na wat heen en weer gepraat mocht Antoni Mulder met een paar collega’s nog precies één uur het terrein op om orde op zaken te stellen maar dat lukte natuurlijk niet. ‘Wij sleepten  een paar handwagens bij de KNSM weg en de meest waardevolle zaken zoals het archief, wetboeken en instrumenten, en laadden die op de karren. Zo trokken wij daarmee in een begrafenisstoet naar het Oosterdok, bij de Schreierstoren, waar wij onderdak vonden.’
Diezelfde middag nog begonnen de Duitsers de haven te vernietigen. Kademuren werden opgeblazen, hijskranen gingen omver en het water in. Door de hevige ontploffingen bleef in de kantoren aan de kades geen ruit meer heel en werden alle deuren en ramen uit hun scharnieren geslagen.
‘Wij waren volkomen van slag,’ zou Antoni Mulder in zijn memoires over die desastreuze maandag schijven, ‘maar er was genoeg te doen, al was dat niet voor de invoerrechten en accijnzen.’
Doordat ook de spoorwegen staakten, kwamen er (meer…)

Nederlanders in Berlijn, februari 1982 – ‘Een wond die niet heelt’

Berlijn, Unter den Linden, 1970. Met zicht op de Brandburger Tor. Foto: Reinjan Mulder/De Groene Amsterdammer

In 1982 vond in Amsterdam de manifestatie ‘Berlijn-Amsterdam, 1920-1940, Wisselwerkingen‘ plaats. Van februari tot juli van dat jaar lieten tentoonstellingen, boeken, films en lezingen zien hoe zeer Nederland en Duitsland elkaar in de periode tussen de beide wereldoorlogen beïnvloed hebben. Welke Nederlanders gingen in de jaren twintig naar het swingende Berlijn? En welke Duitsers kwamen in de jaren dertig uit vrees voor het nationaal-socialisme naar Nederland?
Aan de vooravond van de manifestatie reisde Reinjan Mulder uit Amsterdam naar Berlijn om te zien wat de toen nog verdeelde stad in 1982 betekende voor de Nederlandse kunstenaars die er woonden. Hieronder zijn inmiddels historische – licht geredigeerde – reportage. 

Door Reinjan Mulder
Kan het culturele leven in een wereldstad in korte tijd van het ene uiterste’ omslaan in het andere? Zijn enkele maanden voldoende om van een springlevende stad een uitgebleekte mummie te maken? Veel verslagen van het Berlijnse leven tussen de beide wereldoorlogen wekken de indruk dat dit inderdaad kan. Daarbij noemen ze telkens één tijdstip, voorjaar 1933, toen de Duitse hoofdstad bijna über Nacht van een internationale trekpleister veranderde in een luguber oord, waaruit schrijvers, schilders, dansers en acteurs in allerijl wegvluchtten naar het buitenland.
Ook veel verslagen van het naoorlogse Berlijn laten zo’n korte periode van grote veranderingen zien, al zijn dat juist veranderingen in tegengestelde richting. Zij noemen vaak het eind van de jaren zestig, als een tijd waarin er plotseling een einde kwam aan het isolement waarin de stad sinds 1945 – en eigenlijk al sinds 1933 – verkeerde. De tijd van de grote studentenonlusten, van Rudi Dutschke, met eisen van democratisering, het begin van Willy Brandts nieuwe ‘Ostpolitik’, en een tijd van een groeiende waardering voor ‘levende kunst’ en literatuur.
Een van de vele buitenlanders die toen naar het weer oplevende Berlijn kwamen, was de na de oorlog naar Nederland verhuisde Japanner Shinkichi Tajiri. Helemaal achterin het immense vervallen gebouw van de Hochschule für Bildende Künste aan de Berlijnse Steinplatz heeft hij in 1982 een hoog, licht atelier gekregen, waar hij twee weken in de maand beeldhouwen doceert aan studenten die uit de hele wereld hierheen zijn gekomen. Tajiri kwam in 1969 naar Berlijn, als een van de eerste hoogleraren die in het kader van de democratisering door de studenten zelf waren benoemd. Een van hun leiders had zijn werk op de Vierde Dokumenta in Kassel gezien en hij was daar zo door gegrepen dat Tajiri boven aan een lijst met nieuw te benoemen docenten aan de Academie was terechtgekomen.
Dat werd hem door zijn toekomstige collega’s niet meteen in dank afgenomen, vertelt hij als ik hem op zijn atelier op school opzoek. Aanvankelijk ontstond er felle oppositie tegen zijn aanstelling. Zeven oudere hoogleraren verlieten, toen hun stem niet gehoord werd, zelfs verontwaardigd de school.
Shinkichi Tajiri: „Hoogleraren aan de Academie waren in Berlijn toen nog erg autoritair. Ze bekommerden zich weinig om (meer…)

Bij de dood van Tsjechische auteur Milan Kundera (1929-2023) – Het conflict tussen de twee Europa’s

De jeugd van een prediker

Ik kon al snel lezen…

Door Reinjan Mulder
Het Betuwse dorp waarin ik opgroeide, had maar een paar duizend inwoners maar wel vier lagere scholen. Een christelijke, die Prinses Marijke School heette, een gereformeerde Rehoboth school en twee openbare scholen, school A, die niet op voortgezet onderwijs voorbereidde, en school B, die dat wel deed. Mijn vader was een groot voorstander van openbaar onderwijs, hij was lid van het Humanistisch Verbond en overtuigd ongelovig, dus wij gingen uit principe naar school B. Daar bleek tot zijn ontzetting echter ook bijbel-les gegeven te worden, en in een stevige brief aan het schoolhoofd maakte mijn vader daar bezwaar tegen. Dat hoorde zo niet!
Sindsdien werd aan alle ouders eerst toestemming gevraagd om aan hun kind bijbelles te laten geven. Maar  die toestemming gaven mijn ouders onmiddellijk. Zo waren ze ook wel weer. Het ging hun om het principe. Alleen katholieke ouders weigerden die toestemming daarna nog, omdat zij toen nog een andere God hadden dan alle andere ouders. Tijdens bijbellessen werden hun kinderen wekelijks twee uur lang in een andere klas gezet, waar ze op de achterste banken (meer…)

‘En dan nu mijn fiets terug’ – bij twee NRC-recensies van ‘junkieprofessor’ René Stoute (1950-2000)

René Stoute in 1982. Omslagfoto van Bert Nienhuis

Door Reinjan Mulder
In het najaar van 1982 kregen we bij NRC Handelsblad een bijzonder boek ter bespreking: Op de rug van vuile zwanen‘. Auteur was René (later Renate) Stoute (1950-2000), die in zijn debuut zijn ervaringen als junk in het Amsterdam van de jaren zeventig had verwerkt. Ik werkte bij de krant op de kunstredactie, met literatuur als specialisatie, en ik vond het een behoorlijk goed boek. Het was direct uit het hart geschreven en bood tegelijk een ‘uniek’ inzicht van binnenuit in het leven van Nederlandse drugsgebruikers in die jaren. Op 29 oktober 1982 schreef ik dan ook een uiterst positieve recensie in ons Cultureel Supplement, die, dat kon toen nog, het boek en zijn auteur waarschijnlijk voorgoed op kaart zette:

GIDS IN JUNKLAND – VERHALEN VAN RENE STOUTE  
In zijn deze maand verschenen debuut Op de rug van vuile zwanen heeft René Stoute zeven verhalen bijeengebracht die zich afspelen tegen de achtergrond van de drugscene. Een paar van die verhalen kende ik al uit Maatstaf en ik had ze steeds met veel genoegen gelezen. Hier was iemand aan het woord die in veel opzichten het tegendeel was van de verstilde of academische schrijvers van zijn generatie. In snelle, stevige taal vertelt Stoute over de belevenissen van spuiters, slikkers en snuivers in hun biotoop: het opvangcentrum, het jeugdhonk, het huis van bewaring en de afkickboerderij. Veel tijd voor reflectie of getob hebben zijn personages niet, ze moeten telkens weer op pad: op zoek naar stuff, en op zoek naar middelen om de stuff te kunnen kopen.
Het bijzondere van René Stoute’s verhalen is dat ze weliswaar gesitueerd zijn in de gebruikerswereld, maar dat ze de taalarmoede en de leegte die in deze wereld zo veelvuldig voorkomen, missen. Het boek is nauwelijks in jargon geschreven. Wanneer verschillende spuiters met elkaar hun wensen bespreken, zijn hun woorden fris en verrassend. Hoe mistig hun brein ook mag zijn, hun gesprekken blijven helder en scherp.
De intentie van de verhalen is over het algemeen ook sympathiek. René Stoute idealiseert noch dramatiseert de door hem beschreven wereld. De verslaafde is bij hem niet een zielig geval, hij is geen gewetenloze schurk die de hele dag oude vrouwtjes berooft en hij is toch ook geen heilige die het licht heeft gezien. De junk is iemand die de genoegens van een shot opium of heroïne kent, en die, hoewel hij weet hoeveel narigheid er op het middel volgt, weigert de door hem beleefde genoegens te vergeten of te ontkennen. Niet voor niets kost het ontwennen zoveel moeite. De lichamelijke gevolgen van de onthouding zijn, hoe afschuwwekkend Stoute ze ook beschrijft, nog wel te overwinnen, maar dat verlangen naar een hevig moment van euforie zal nooit meer verdwijnen bij wie het kent.
In het eerste verhaal uit de bundel, ‘Op reis en nergens heen’, staat een mooie beschrijving van de haast die de druggebruiker van dag tot dag voortdrijft. De hoofdpersoon is in 1971 met een Spaans vriendenpaar en een sensuele, halve zigeunerin in een autootje naar Kopenhagen gereden, waar hij plotseling merkt wat het is om zonder betrouwbare adressen in een vreemde stad te zijn, al is het dan Kopenhagen. In een opvangcentrum voor drugverslaafden weet hij eindelijk morfine te bemachtigen en even verkeert hij in de waan een mens te zijn als ieder ander.
Die waan duurt maar kort. Het fragment dat volgt, relativeert zijn ’tevredenheid’ onmiddellijk:
‘Een mens als ieder ander? Ik had nog tot de volgende dag, dan zou ik het restant M(orfine) moeten aanspreken. Tijd is een raar fenomeen. Junktijd is een manier van leven. Dat maakt de mens anders. De junk. Hij is altijd op reis en gaat nergens heen. In zijn beweging staat hij stil.’
De junk kent maar één tijd: de tijd tot de volgende shot. Het paradoxale van deze voorstelling is dat hij voorkomt in een boek waarin ook een ander tijdsbegrip naar voren komt. Op de rug van vuile zwanen laat als geen ander boek zien hoe (meer…)

Waarom Grete Weils roman ‘De weg naar de grens’ (1945) nooit eerder werd uitgebracht

Wat bewoog de Duitse schrijfster Grete Weil (1906-1999) om na de oorlog een paar sterk autobiografische boeken te publiceren maar ‘De Weg naar de grens’ haar eerste en dikste roman, die ze tijdens haar onderduik in Amsterdam schreef, tot haar dood in de la te houden? Bij het inventariseren van haar nalatenschap ontdekte de Duitse historica dr. Ingvild Richardsen tussen alle correspondentie en de foto’s uit Weils jaren als fotograaf in de Beethovenstraat het typoscript van deze roman, die deze maand in vertaling bij uitgeverij Meulenhoff verscheen.

Door Reinjan Mulder
Waarom publiceerde Grete Weil haar roman De weg naar de grens niet direct nadat ze hem in 1945 in Nederland had voltooid? Ook de Duitse historica dr. Ingvild Richardsen, die het boek twee jaar geleden ontdekte, heeft daarvoor geen sluitende verklaring. Richardsen geldt in Duitsland als een specialist op het gebied van vrouwengeschiedenis, judaica en Beierse cultuur, niet toevallig terreinen waar Grete Weil haar plek heeft verdiend, en zij noemt het nu opgedoken boek het beste wat Grete Weil geschreven heeft.
En dat zegt wat, want tegen het eind van haar leven behoorde Grete Weil tot de bekendste Joodse schrijfsters van Duitsland. Ze kreeg in Duitsland de Geschwister-Scholl-prijs, haar roman Mijn zuster Antigone (1980), die voor een deel in Nederland is gesitueerd, werd als paperback door Fischer uitgebracht, en ook in Nederland kregen haar boeken meerdere drukken, zoals Tramhalte Beethovenstraat (1963), waarin Weil haar traumatische herinneringen verwerkte aan de tijd dat ze op de hoek van de Beethovenstraat haar fotostudio had. Vanaf de bovenste verdieping zag ze daar hoe de nazi’s wekenlang op de tramhalte voor haar deur honderden joden bijeendreven die ze bij razzia’s hadden opgepakt:

Foto’s van Grete Weils 90ste verjaardag en een uitnodiging voor haar herdenking

Elke nacht behalve zaterdags en zondags – zelfs de duivel heeft recht op een vrij weekend – worden vierhonderd joden, mannen, vrouwen en kinderen, uit hun huizen gehaald, in trams geladen, naar het station gebracht en vandaar naar een Nederlands doorgangskamp getransporteerd,’ zegt in het boek de joodse arts uit de Beethovenbuurt tegen de Duitse journalist die twintig jaar later naar Amsterdam terugkeert om zich op zijn houding in die duistere jaren te bezinnen. En dan vervolgt hij zijn verslag met:
‘Uit het doorgangskamp gaat elke week een transport van duizend mensen naar het oosten. Oosten, daarbij kun je je van alles voorstellen, Hannover is het oosten, Berlijn, Breslau of Polen. Het oosten is een begrip dat niets betekent of liever het Niets betekent, eindstation dood. Ze zijn al zeven weken aan het deporteren, u kunt uitrekenen hoelang het zal duren: een kleine twee jaar.’ (meer…)

Aan de wieg van een nieuwe poëzie: germanist Ad den Besten (1923-2015)

In 1969 zat Ad den Besten in de jury van de Poëzieprijs tgv de Culemborgse eeuwfeesten. Op de foto zit hij uiterst links, terwijl rechts de tweede prijswinnaar Reinjan Mulder zijn gedicht voorleest.

Kort na de oorlog ging het niet goed met de poëzie. In de boekwinkels bogen de planken door onder het gewicht van onverkoopbare bundels op oorlogspapier. Uitgevers meenden dat er geen jongeren met talent meer waren en brachten daarom nauwelijks nieuwe boeken uit. Voor een doorbraak zorgde de Windroos-reeks, die in 1950 begon te verschijnen bij de uitgeversmaatschappij Holland, tot dan toe onberispelijk christelijk. De reeks, waarin dichters als Remco Campert, Simon Vinkenoog, Paul Rodenko, Hans Andreus en Jan Hanlo debuteerden, bestond in de jaren tachtig nog steeds, maar bezat toen al geen schaduw meer van zijn vroegere glorie. Redacteur Ad den Besten (1923-2015) had zich dan ook al lang van het werk dat hij begon afgekeerd, net als van het het hele poëtische bedrijf. Reinjan Mulder sprak hem aan de vooravond van zijn pensionering in 1984, over De Windroos, dichtersavonden in de jaren vijftig en zijn ethische visie op de literatuur.
Door Reinjan Mulder
In het in 1983 verschenen derde deel van zijn Geheim Dagboek (1949-1951) beschrijft Hans Warren hoe hij op een literaire avond in Middelburg zijn gedichten mocht voorlezen. Op 13 oktober 1950 doet de vooraanstaande poëzie-promotor Ad den Besten de Zeeuwse hoofdstad aan. Als illustratie bij zijn lezing heeft hij enkele jonge dichters uitgenodigd om iets uit hun werk te laten horen. Een paar dagen nadien noteert Warren dat de avond, waar onder meer ook J. W. Schulte Nordholt optrad, een succes is geworden: „De zaal was vol, voornamelijk met meisjes van middelbare scholen; het was er gezellig en toch muisstil, ze luisterden werkelijk. Ik oogstte grote bijval, hoewel ik mijn Zeeuw-zijn niet uitspeelde en soberder in mijn optreden was dan de anderen.”
De literaire avond waar Hans Warren over schrijft, vond plaats in de tijd dat Ad den Besten bij uitgeverij Holland met zijn Windroos-reeks begon. Een reeks pretentieloze dunne dichtbundeltjes die zijn reputatie nog steeds dankt aan het grote aantal dichters van naam dat er in publiceerde, of vaak zelfs debuteerde. Tot die debutanten horen Remco Campert, Simon Vinkenoog, Paul Rodenko, Hans Andreus, Jan Hanlo en Mischa de Vreede, terwijl ook dichters als C. Buddingh’, Hans Warren, (meer…)

Bij de dood van Dubravka Ugresic: Wat blijft er van je over, als je niet meer kan bewijzen dat je hebt geleefd?

Door Reinjan Mulder
Gisteren kreeg ik bericht dat de Joegoslavische schrijfster Dubravka Ugresic (1949-2023) is overleden. Ik had dat niet zien aankomen, al had ik het kunnen weten. Ze was ziek. Een tijdje terug belde ze me plotseling op omdat ze met me praten wilde. We maakten een afspraak en ik fietste naar haar huis in Nieuw West, nog altijd hetzelfde, vlak bij de Moskee.
Ik was daar een paar keer eerder geweest, en er was weinig veranderd. Dubravka gaf me haar laatste in het Engels vertaalde  boek, vol stukken die 25 jaar eerder in ons Cultureel Supplement hadden gestaan, en zei zich zorgen te maken over haar archief. Dat had ze naar de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam gebracht, maar ze hoorde daar maar niets van.
Ik beloofde er eens naar te informeren en al een paar maanden later kreeg ik het voorstel te zien dat de Bijzondere Collecties haar archief nu, in 2023, al wil laten inventariseren. Dat  leek me een goed teken. Haar archief was, net als het mijne, een ‘levend archief’, vol met teksten en correspondenties en vatbaar voor aanvullingen en uitbreidingen, maar die naam is nu helaas verouderd. Al zijn er vast nog genoeg zaken in haar huis, die het verdienen bewaard te worden, leven doet haar archief niet meer.

Dubravka was een bijzondere schrijver, bekend over de halve wereld, maar overal zonder groot publiek. Daarbij had ze voor ons het nadeel dat ze geen Nederlands sprak. Ze was een talenwonder, afgestudeerd als slaviste, en sprak vele talen, maar toen ze eenmaal naar Nederland verhuisde, waren haar leerjaren kennelijk voorbij. Ze begreep het Nederlands een beetje, maar spreken deed ze het niet, althans niet in mijn bijzijn. Dat maakte het lastig om je geliefd te maken in je nieuwe vaderland. 
Ik leerde haar kennen via haar uitgever Henk Figee, in het begin van de jaren negentig, toen de burgeroorlog in Joegoslavië op zijn hevigst woedde. Die oorlog zou tot haar ontzetting meteen ook het einde van dat mooie land inluiden.
Dubravka voelde zich Joegoslaaf, en daarnaast wereldburger, maar geen Kroatische, wat voortaan haar officiële identiteit zou worden. Ze was, ontsnapt aan alle haat en het geweld, voor even neergestreken in Amsterdam, die dag, en beloofde een actueel stuk voor ons Cultureel Supplement te schrijven. En toen dat eenmaal binnen was, vond de kunstredactie dat we haar dan ook maar een column moesten geven, al vertrok ze kort daarop naar Amerika. Een stem uit een land dat bezig was op te houden met bestaan en voor mij een land waar ik sinds 1963 de gelukkigste vakanties van mijn leven doorbracht, dat  kon alleen maar interessant zijn.

In haar boek Nationaliteit: geen (1993) kijkt Dubravka Ugresic met vleiende dankbaarheid terug op die verwarrende tijd:
‘Ik kon toen nog niet weten dat zij – de mensen van de redactie, die ik niet kende – mij het leven hebben gered. Misschien is dat wat te sterk uitgedrukt, ik bedoel eigenlijk: dat ze me in zeker zin het leven hebben gered. (…) Hoe kunnen duizend woorden een leven redden? … Wat mij het leven redde waren die gewone, dagelijkse handelingen: een vel papier in de schrijfmachine draaien, een tekst schrijven, het geschrevene naar Amsterdam sturen, naar Zagreb bellen…’

Een paar jaar spraken we elkaar nog geregeld, en leverde ze trouw haar prachtige stukken voor ons in bij haar vaste vertaler Roel Schuijt, tot ze voor een tijdje naar Berlijn verhuisde, in 1995, en er bij Nijgh & Van Ditmar een boek van haar met korte stukken verscheen, ‘De cultuur van leugens’.
Ik reisde haar toen voor een weekendje na, en maakte een interview met haar, tijdens een maaltijd in een Berlijns restaurant, waar we, toevallig of niet, Frank Berberich tegen het lijf liepen, de hoofdredacteur van het befaamde ‘Lettre International,’ waarvan Dubravka inmiddels regelmatig medewerker was.
Die kennismaking leidde voor mij weer naar nieuwe interviews, met onder anderen Lettre Internationals beminnelijke oprichter Antonin Liehm, en voor haar uiteindelijk naar een paar contracten met uitgeverij De Geus, waar ik in 1998 uitgever werd, en waar ik ik maar al te graag instemde met het voorstel van onze royale directeur Eric Visser om Dubravka een onderdak te geven, toen ze zich bij Nijgh & Van Ditmar niet meer thuis voelde. Bij De Geus stond winst maken niet voorop, zoals op het Singel, destijds. 
Dat leidde wat mij betreft tot een paar mooie, nieuwe boekprojecten van Dubravka Ugresic, waarvan ik me vooral ‘Amsterdam, Amsterdam’ herinner, in opdracht van Felix Meritis, met een door haar aangedragen omslag, waarop ik meende haarzelf te ontwaren, terwijl ze met haar enorme lijf tegen een steile Amsterdamse brug op fietst.
Dat beeld was achteraf gezien heel treffend voor haar situatie. Ze deed haar uiterste best zich te redden in ons lastige Amsterdam, waar ze nu ook een huis had gekocht, een galerijflat in Nieuw West, maar vanzelf ging dat niet. Ze moest hard trappen. 
Toen ik daarna, in 2003, naar Meulenhoff overstapte, verflauwde het contact weer enigszins, maar toch hielden we contact. Zo kwam ze een paar jaar geleden nog bij ons in ons nieuwe huis aan de Gijsbrecht van Aemstelstraat eten.
Haar leus, ooit genoteerd op een ansichtkaart uit Boston, was: ‘
Keep in touch with the Dutch’.
Vandaag zocht ik het NRC-interview met Dubravka Ugresic terug dat ik in 1995 met haar in Berlijn maakte, over het voorgoed uiteenvallen van Joegoslavië, en haar boek ‘De cultuur van leugens‘.
De titel boven mijn interview is actueler dan ooit: ‘Wat blijft er van je over, als je niet meer kan bewijzen dat je hebt geleefd?’
Haar archief blijft nu van haar over, maar ook al haar boeken. Dubravka Ugresic werd inmiddels in heel wat talen vertaald. En bij mij blijft boven al over: de herinneringen.
Ik ga nog één keer naar mijn mailbox om te zoeken naar berichtjes van haar. Van tien jaar geleden stamt dit korte, lieve mailtje:

Dear Reinjan
It is so nice to be remembered by friends (and forgotten by enemies).
We have to meet in order to catch up!
I am here in Amsterdam, yes, I am also traveling quite a bit.
And my phone is the same:
020-6693756
All my best to you,
Dubravka

WAT BLIJFT ER VAN JE OVER ALS JE NIET MEER KAN BEWIJZEN DAT JE HEBT GELEEFD? – een interview uit 1995   

VOOR DE OORLOG IN HET het voormalige Joegoslavië was de Kroatische schrijfster Dubravka Ugresic (1949) voornamelijk geïnteresseerd in autonome, formalistische literatuur. Maar door de oorlog voelde ze zich gedwongen om over politiek te gaan schrijven. Al snel werd ze daarom door Kroatische kranten tot een ‘vijand van het volk’ uitgeroepen en week ze uit naar Berlijn.
Haar nieuwste essaybundel, De cultuur van leugens, is op dit moment alleen nog maar in het Nederlands te lezen. Maar over een half jaar verschijnt bij uitgeverij Suhrkamp de Duitse vertaling en daarna komt er een Engelse en Amerikaanse editie. Maar Ugresic’ landgenoten zullen – als ze geen vreemde talen lezen – voorlopig moeten gissen wat de schrijfster over haar geboorteland te beweren heeft. Dat is, zegt ze, haar eigen wens. De schrijfster is bang de reacties in Kroatië niet goed aan te kunnen. De cultuur van leugens bevat een reeks kritische artikelen over de veranderingen die de afgelopen jaren in het vroegere Joegoslavië hebben plaatsgevonden en Ugresic vreest dat deze aanleiding zullen zijn voor een heksenjacht. Ze heeft daar voorlopig geen behoefte meer aan. Nadat ze in 1992 op een PEN-congres de aandacht had gevraagd voor de verkrachtingen in haar land heeft ze, naar ze zegt, al het nodige over zich heen gekregen. Een Kroatische krant drukte verschillende keren haar privé-telefoonnummer in zijn kolommen af, waarna ze in Zagreb geen rustig ogenblik meer heeft gehad. ‘Zagreb is een kleine stad. Iedereen kent je. Zo’n actie betekent dat iedere idioot je wat kan aandoen.’
Soms denkt ze dat ze er misschien toch voor moet zorgen dat mensen in Kroatië, al zijn het er maar tien, of twintig, haar boek kunnen lezen en begrijpen. Maar dan (meer…)