‘Je kunt niet van niets uitgaan’ – Het dwarse schildersleven van Nicolas de Staël (1914-1955)

Pas een kwart eeuw na de dood van Nicolas de Staël (1914-1955) ontstond er in Frankrijk weer belangstelling voor de veel te vroeg gestorven schilder van Russische afkomst. In Parijs was zijn werk toen op drie verschillende plaatsen te zien en bij de Zwitserse uitgeverij Ides et Calendes verscheen het eerste grote overzichtswerk over hem, La mésure de Nicolas de Staël. Daarna groeide de interesse in Staël. In 2003 trok een grote retrospectieve in het Centre Pompidou maar liefst 440.000 bezoekers en ook de tentoonstelling die tot vandaag in het Musée de l’Art Moderne in Parijs was te zien, trok maandenlang stampvolle zalen.
Tijd voor een terugblik op het artikel dat ik 43 jaar geleden voor op het Cultureel Supplement van NRC publiceerde: over de moderne schilder Staël die in een tijd dat dit volgens velen niet meer kon, weigerde met de traditie te breken en weer landschappen en stillevens schilderde.
Door Reinjan Mulder
In februari 1949 brengt de Russisch-Franse schilder Nicolas de Staël (1914-1955) een kort bezoek aan Amsterdam. Hij is hier al eens eerder geweest, in de zomer van 1933 had hij als 19-jarige student aan de Kunstacademie in Brussel de schilderijen van Rembrandt en Philips de Koninck ontdekt, en nu hij ouder is, wil hij zijn jeugdige idolen graag nog eens terugzien. Staël is op dat moment in de Franse kunstwereld van 1949 geen onbekende meer. Hij is abstract gaan werken en velen zien in hem een van meest veelbelovende jonge schilders. Hij heeft al eens in de galerie van Jeanne Bucher geëxposeerd, samen met Kandinsky en César Domela, hij is bevriend met een grote naam als Braque en er zijn vooraanstaande critici die hem een grote toekomst voorspellen.
In het Rijksmuseum aangekomen gaat hij meteen weer op zoek Rembrandt en De Koninck. Sinds kort is daar nu ook De Nachtwacht opgesteld en Nicolas de Staël analyseert bij de twee Nederlandse schilders langdurig de verhouding tussen licht en donker, hun gebruik van de kleur en de plaatsing van de verschillende vlakken tegenover elkaar.
Dan ontdekt hij in het museum nog een andere zeventiende-eeuwse kunstenaar: Hercules Seghers. Het wordt het begin van een jarenlange (meer…)

Beter zien met een ooglapje – Bij het 250ste geboortejaar van schilder Caspar David Friedrich (1774-1840)

De Duitse schilder Caspar David Friedrich (1774-1840) is vooral bekend geworden vanwege zijn romantische schilderijen, en terecht, maar in zijn jonge jaren maakte hij alleen nog maar tekeningen en aquarellen. In de Hamburgse Kunsthalle zag ik die in 1990, tegelijk met een paar van zijn latere schilderijen. Het contrast daartussen maakte mij eens te meer duidelijk hoe overwogen en doorgewerkt dat latere werk van Caspar David Friedrich is.
Door Reinjan Mulder
Op de kleine tentoonstelling waarmee in Hamburg in mei 1990 de 150ste sterfdag van Caspar David Friedrich werd  herdacht, waren tussen 36 andere werken vier getekende zelfportretjes te zien. Kleine portretjes, zonder veel pretentie, die een paar karakteristieke eigenschappen lieten zien van de schilder die inmiddels werd  beschouwd als een van de belangrijkste Duitse kunstenaars uit de geschiedenis.
Het eerste tekeningetje dat dank zij de net ingezette politieke ontspanning uit het prentenkabinet in Dresden was overgekomen, uit wat toen nog de DDR was, hing meteen bij de ingang. Het was de bovenste helft van een minuscuul schetsboekblaadje. Wat je erop zag was een snel krabbeltje, een potloodtekeningetje van een 25-jarige Friedrich die aan een tafel zit. Zo te zien is op tekeningetje niets in scene gezet. De nog jonge Caspar David werkt aan een tekening, aan de tekening. Voor hem ligt zijn schetsboek. In zijn ene hand heeft hij een grafietstift, en met de andere drukt hij het papier vlak waarop hij aan het tekenen is.
Mij trof het als een uiterst levendig zelfportret, dit eerste tekeningetje, dat iemand liet zien die druk met zichzelf in de weer was. Om zijn mond speelde een geëmotioneerde grijns, een huivering bijna, kennelijk opgewekt door het kijken naar zijn eigen aanblik. Je ziet al meteen dat hij (meer…)

Eén komma kan een vel waardeloos maken – Interview met Frans Kusters, schrijver van ‘De reis naar Brabant’ (1975)

Truusje Goedings, Reinjan. Potloodtekening, mei 1975

In april 1975 moet ik mijn allereerste schrijversinterview voor NRC Handelsblad hebben gemaakt. Een jaar eerder was mij door mr. K.L.  Poll, de chef kunst van de nieuwe fusiekrant, gevraagd om over literatuur te gaan schijven, maar na een aantal recensies wilde ik ook wel eens kennis maken met de schrijvers wier boeken ik soms door hem toegestuurd kreeg.
Natuurlijk, ik kende al een aantal schrijvers, via Propria Cures, waarvan ik nu meer dan twee jaar redacteur was, Mensje van Keulen, Jan Donkers, Tim Krabbé, Hans Vervoort. Als  gastredacteuren hadden we daar bovendien grote namen als Karel van het Reve, W.F. Hermans, Heere Heeresma en J.M.A. Biesheuvel weten binnen te halen, bijna allemaal auteurs uit de zg. ‘realistische’ hoek, zoals neerlandici dat toen noemden. Maar zelf was ik eerder een bewonderaar geweest van auteurs als Sartre, Céline en Beckett, en ik dacht dat er ook in de Nederlandse letteren nog wel wat meer  moest zijn dan de literatuur van mijn vrienden.  

Mijn belangstelling ging ook veel verder dan alleen naar literatuur. In 1974 had ik maandenlang, zonder mijn mederedacteuren daar iets over te zeggen, mijn conceptuele fotoproject ‘Objectief Nederland’ uitgevoerd, dat later in het Rijksmuseum werd geëxposeerd, en overdag werkte ik op het Criminologisch Instituut ‘Bonger’ van de UvA, aan een proefschrift dat Misdaad en Macht (1980) zou gaan heten.
Het werd tijd voor een nieuw stap in onbekend gebied.
Op een mooie avond nam ik op goed geluk de trein naar mijn geliefde Nijmegen, om daar, in een miniem flatje aan de Sterrenschansweg – alleen die naam al – urenlang Frans Kusters (1949-2012)  te interviewen, een mij onbekende, jurist, bijna even oud als ik, die in zijn debuut
Reis naar Brabant iets had laten zien wat ik in het literaire landschap van die tijd nog niet kende. Daar wilde ik meer van weten, en NRC vond dat gelukkig prima. Het resultaat kwam op 2 mei 1975 in de krant, naast een vierkoloms foto die ik die avond zelf had gemaakt.
Ik ben nog – ten minste – tot 2023 voor NRC Handelsblad blijven schrijven, soms free-lance en meer dan tien jaar als literatuurredacteur, en ik moet meer dan honderd schrijversinterviews hebben gemaakt. Met debutanten, maar ook met Nobelprijswinnaars, en hen ‘die deze prijs ooit nog krijgen  zouden’.
Dank zij één van mijn facebook-vrienden kreeg ik mijn interview-debuut recent uit 1976 weer onder ogen.
Sommige dingen zou ik nu misschien anders – en beter – doen, hier en daar heb ik het ook nog iets geredigeerd, maar het is nog steeds een statement dat er zijn mag: weg van het vertellen en de anekdotes, en op naar de… ja, naar wat? (RjM) 

EéN KOMMA KAN EEN VEL WAARDELOOS MAKEN

door REINJAN MULDER
‘Literatuur is voor mij heilig. Wil je je daar als fatsoenlijk mens tegenover opstellen, dan zijn de eisen zwaar. Te zwaar vaak. Maar ik geloof dat ik in De reis naar Brabant af en toe aan die eisen heb voldaan. Het is natuurlijk moeilijk om je eigen lof te gaan zingen. Toch geloof ik dat mijn boek uniek is in de Nederlandse literatuur vanwege de veelheid aan thema’s die door elkaar heen lopen, die elkaar tegenspreken. Zo doet de wereld zich ook aan mij voor. In ieder mens zitten die irrationale krachten waardoor bestaande verbanden doorbroken worden. Waardoor herinneringen bovenkomen die verder nergens mee te maken hebben. Dat uit de diepte boven halen, dat heb ik willen doen. Het resultaat is een merkwaardig geheel geworden.’

Foto (van de foto) van Frans Kusters die op 2 mei 1975 in NRC Handelsblad stond (foto Reinjan Mulder)

Frans Kusters, de 26-jarige Nijmegenaar die twee jaar geleden de Reina Prinsen Geerligsprijs won, is ongewoon ernstig wanneer hij het heeft over literatuur en over zijn aandeel daarin. Hoewel hij in 1973 is afgestudeerd als jurist, heeft hij besloten zich voortaan full-time aan het schrijven te wijden. In een hoog gelegen deel van de stad, recht boven de grote weg naar Duitsland, bewoont hij een miniem zolderkamertje, dat maar 65 gulden in de maand kost. Door een klein, hoog raam kan hij overdag, als hij zich uitrekt, de Ooypolder zien liggen, in de bocht van de Waal. Een bed, een tafel, twee stoelen, een kast, vol.
Frans Kusters’ debuut, De reis naar Brabant, kwam in het voorjaar van 1975 bij de Bezige Bij uit. Naast de veertien verhalen die hij eerder inzond naar de Reina Prinsen Geerligsprijs, staan er nog dertien andere verhalen in. Wie weet dat deze zevenentwintig verhalen, groot gezet, nauwelijks meer dan honderd bladzijden beslaan, zou kunnen denken dat we hier weer een boekje met mooie, korte verhaaltjes hebben. Of dat Kusters een columnist is, die zijn stukjes gebundeld heeft. Dat is niet zo. Wat Frans Kusters maakt, verschilt alleen al van veel ander Nederlands werk door zijn uiterste concentratie. Dat wil zeggen: het zit even dicht bij poëzie als bij proza. Desondanks is het heel leesbaar. Hoewel de verhalen elke keer dat je ze overleest, iets nieuws Iaten zien, heb je vrij snel door wat erin staat. Ik bedoel, er staan geen duistere, hobbelige of geknutselde zinnen in. De reis naar Brabant is dan ook zeer zorgvuldig geschreven. Grappen, cynische opmerkingen, redeneringen zul je er niet in aantreffen. Evenmin uitdijende beschrijvingen van kleurrijke figuren of landschappen. Café’s en vergaderruimten ontbreken, revolutionairen en pastoors ook.
Maar dat maakt het boek juist tot iets wat sommigen veelbelovend, origineel, fris of verrassend zullen noemen. De omslag zegt erover: indringend, raadselachtig, sober. Dat mag ook.

Geen roman
Frans Kusters: ‘Mensen zeggen soms tegen me: jij gaat nog wel eens roman schrijven. Maar waarom zou dat moeten? Het is toch juist door zijn kwetsbaarheid en door zijn zeggingskracht dat een kort stukje mijlenver boven andere vormen van literatuur kan uitsteken. In mijn stukken is niets toevallig. Alles erin heeft (meer…)

Live in Your Head – Reinjan Mulder’s experimentele fotoproject ‘Objectief beeld van Nederland’ (1973-1974)

Door Ludo van Halem
Conservator Kunst 20ste Eeuw, Rijksmuseum Amsterdam

Reinjan Mulder werkt aan zijn project Objectief Beeld van Nederland. Smilde, 1974. Omslag Rijksmuseum catalogus (2016).

Op 31 januari 1974 maakte Reinjan Mulder in het Limburgse plaatsje Roosteren een foto van een blinde muur. Er is vooral grauw pleisterwerk te zien, dat enigszins onregelmatig aangebracht lijkt te zijn en in de loop der tijd is verweerd. Rechts bevindt zich een steunbeer en links op de voorgrond zijn er wat kale takken van een struik in beeld gekomen. Aan de rechterbovenkant tekent zich een smalle strook lucht af, een witte driehoek die scherp contrasteert met het donkergrijze pleisterwerk. Prikkelend of spannend is de foto nauwelijks te noemen. Saai is misschien een beter woord.
De blinde muur is het onderwerp van een van de 208 foto’s die samen het project Objectief beeld van Nederland vormen: het ‘foto-experiment’ waarmee Mulder het Nederlandse landschap in beeld wilde brengen zonder dat daarbij subjectieve esthetische voorkeuren of pittoreske beeldconventies een rol zouden spelen die volgens hem vaak overduidelijk aanwezig waren in de weergave van het landschap. Het project werd in 1971 als voorstel voor een experimentele foto-opdracht bij de gemeente Amsterdam ingediend maar afgewezen. Een nieuwe aanvraag voor een artistieke experimentensubsidie bij het toenmalige Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk had meer succes en werd twee jaar later wel gehonoreerd.

Januari-mei 1974. Documentatie bij Objectief Beeld van Nederland (collectie Rijksmuseum)

Met het foto-experiment beoogde hij ‘een random beeld van Nederland te geven gedurende een jaar’, zoals hij het toen formuleerde: ‘Random, dat wil zeggen niet vertekend door de persoonlijke voorkeuren van de fotograaf, geen selectie van het materiaal op basis van belangrijkheid of schoonheid. (…) De te volgen methode zal een redelijke waarborg zijn dat het gemiddelde landschap, de gemid-delde weersgesteldheid en populatie wordt vastgelegd.’ Die methode laat zich kort samenvatten: over de kaart van Nederland legde hij een regelmatig raster dat 52 kruispunten opleverde die met openbaar vervoer bereikbaar zouden zijn. Gewapend met een analoge Rolleiflex twee- oogcamera die geladen was met Kodak Tri-X zwart-wit-negatieffilm reisde Mulder in de eerste helft van 1974 door Nederland, waarbij hij talloze keren in het open veld en  een enkele keer op een boot op open water of in een bos belandde. Daar stelde hij vervolgens zijn camera op, waarna hij op ooghoogte in de vier windrichtingen een opname maakte. Eén keer dicteerde het raster een opname in een huiskamer, in (meer…)

De eenzaamheid van priemgetallen – de geschiedenis van mijn huisnummers

2015: 66 jaar na mijn geboorte wordt Tuindorp 48 gerenoveerd. Alleen mijn vaders naambordje zit er nog: J.P. Mulder.

Door Reinjan Mulder
Op 11 januari 1949, bijna 75 jaar geleden, ben ik geboren, op een ’tuindorp’ in een middelgroot Betuws dorp, op het uitgekiende huisnummer 48, in een twee-onder-één-kapwoning waar toen mijn vader en moeder woonden en mijn twee jaar oudere zusje.
Na 17 jaar verhuisde ik vandaar in mijn eentje naar de grote stad Amsterdam, waar ik na 3 maanden op een afgelegen studentenschip een heuse studentenkamer vond, op de meer dan prestigieuze Prinsengracht, op het ondeelbare nummer 241. Op Tuindorp woonden ze daarna verder met hun drieën, waarna mijn zusje vertrok, in 2001 mijn vader stierf, en, ten slotte, ook mijn moeder, in 2013.
Op de Prinsengracht woonde ik een jaar of zes, tot volle tevredenheid, tot ik rond mijn afstuderen met mijn vriendin kon intrekken bij een vroegere buurvrouw uit de studentenflat, die in onderhuur op de Paardenstraat woonde, op nummer 9 drie hoog, boven een knus, bruin homo-café, dat toepasselijk Cheval Neuf (‘paard negen’) heette.
Daar woonden we amper een klein half jaar met zijn drieën, tot de gemeente Amsterdam achter de onderhuur kwam, en het nodig vond om ons alle drie voor nieuwjaarsdag 1974 onder dreiging met ‘de sterke arm’ onze ontruiming aan te kondigen. Dat zou geen Gelukkig Nieuwjaar worden. Wij beschikten niet over een vereiste woonvergunning voor zo’n ruime woning, was het argument. Ons huis was een woning voor minstens drie personen, zei het CBH, maar met drie volwassenen ‘samenwonen’, wat wij daar deden, ‘dat kennen wij nog niet’.
Na ons vetrok bleef ons huis meer dan een half jaar leeg staan. Het was een oude woning in een niet zo rustige buurt, tegen het woelige Rembrandtplein aan, en gezinnen, voor wie hij officieel bestemd was, wilden zoiets niet.
Op het nippertje kon ik via via exact op oudjaar 1973 toch nog terecht op een 19de eeuwse etage in de Kinkerbuurt, op nummer 17, waarna al heel snel mijn vriendin vertrok, zodat ik daar bijna acht jaar lang in mijn eentje zou wonen, tot ik, alweer op precies op oudjaar, maar nu van 1981, met een (nieuwe) vriendin een groot, oud koophuis van drie verdiepingen kon betrekken, in de Jan Willem Brouwersstraat, schuin tegenover de artiesteningang van het Concertgebouw en precies tussen de literaire hang-outs van die tijd Bodega Keyzer en Café Welling, op het fraaie nummer 18, waar (meer…)

‘Gent Vooruit!’ – Op bezoek bij Guido Lauwaert en Tom Lanoye – bij de derde nacht van de Poëzie in Utrecht (1983)

Op 24 november 2023 bracht Guido Lauwaert (78) na meer dan 43 jaar nog altijd zijn versie van Célnes ‘Reis naar het einde van de nacht’ ten gehore, nu in Café Welling.

Op 12 maart 1983 begon in Muziekcentrum Vredenburg de derde Nacht van de Poëzie. Van zeven uur ’s avonds tot vier uur in de ochtend traden daar dichters uit Nederland en België op, afgewisseld door muzikale en visuele attracties. Een kleine drieduizend bezoekers konden zo kennismaken met hun werk. Het initiatief voor deze, toen al legendarische vorm van literair vermaak was afkomstig van de Gentse acteur en dichter Guido Lauwaert. In 1970 organiseerde hij voor het eerst zo’n nacht, in Brussel, en na twee succesvolle, maar niet altijd even ordelijk verlopen herhalingen besloot het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg om de manifestatie, inclusief Guido Lauwaert, naar Nederland te halen.
In 1983 presenteerde Lauwaert daar zijn Nacht voor het laatst, samen met Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen, waarna anderen het van hem overnamen. H.M. van den Brink en Reinjan Mulder reisden daarom aan de vooravond van deze derde Nacht naar Gent, de stad waar volgens Lauwaert en vele anderen de kunsten bloeien als nergens anders in België. In het naburige Deinze woonden ze een voorstelling bij van Lauwaerts bewerking van Elsschots ‘Lijmen’, ze bezochten het poëziecentrum van Willy Tibergien, waren bij een uitzending van de vrije zender Radio Toestel, spraken de toen nog jonge dichter Tom Lanoye, en gingen op zoek naar de geheimzinnige schilderende dichter Johan Joos. 

Door H.M. van den Brink en Reinjan Mulder
Van een van de achterste rijen klinkt plotseling een snijdende stem: “Ik heb Boorman ontmoet in een café…” Het is zaterdagavond, negen uur. Even ten zuiden van Gent, in een smal zaaltje op de zolder van een jeugdcentrum in het plaatsje Deinze, is Guido Lauwaert begonnen aan zijn toneelversie van Willem Eisschots Lijmen. Elders in het gebouw vermaakt de Vlaamse plattelandsjeugd zich hoorbaar met de laatste discoplaten, maar Lauwaert heeft een krachtig stemgeluid. Voor een publiek van amper dertig geïnteresseerden brengt hij de zoveelste voorstelling van het stuk waarmee hij indertijd zijn solo-carrière is begonnen: het verhaal over het zo succesvolle ‘Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen’.
Het is een merkwaardige voorstelling. Lauwaert staat nu eens op of achter het toneel, dan weer loopt hij schmierend door de zaal. Hij wendt zich tot de afzonderlijke toeschouwers, wijst wanneer de tekst over oude zakkige gepensioneerden gaat een bejaarde aan, slaat bij de woorden ‘carrarisch marmer’ iemand boven op zijn hoofd en voortdurend voegt hij toespelingen van een plaatselijk en actueel karakter in.
Wanneer we Guido Lauwaert hier op dit zoldertje in Deinze bezig zien, zijn we al een week naar hem op zoek geweest. Dagen achtereen belden we zijn huis, maar daar was hoogstens een vriendin die zijn verblijfplaats niet kende. Oproepen, achtergelaten bij Muziekcentrum Vredenburg en de Hotsy Totsy Club — de privéclub waar Guido Claus (broer van Hugo) de artistieke en bestuurlijke chic van Gent ontvangt, hadden geen effect. De enige zekerheid was dat hij zaterdagavond om half negen in Deinze zou zijn, op verschillende plaatsen in Gent hingen de affiches. En inderdaad komt hij daar, al is het een half uur te laat, boven water.
Na afloop van de voorstelling rijden we in twee auto’s met hem mee naar Gent om daar over de komende Nacht van de Poëzie te praten. De route leidt over de Kortrijkse Baan, waar prostituees (meer…)

‘Zuivere koffie’ – Bij de herdruk van Hannes Meinkema’s ‘En dan is er koffie’ (1976)

De ‘swingende’ jaren zestig

Door Reinjan Mulder
In het voorjaar van 1976 verscheen er een boek van de mij onbekende Hannes Meinkema. Ik las het en stond perplex. Erg goed geschreven was het niet, en erg inspirerend was het ook niet, maar ik zou zweren dat het door een van mijn buurvrouwen in dezelfde studentenflat was geschreven als waarin ik in 1967 introk. Dezelfde kleinzieligheid, hetzelfde getob.
Ik schreef ik er daarom onder kop ‘Zuivere koffie’ een behoorlijk positieve recensie over voor NRC Handelsblad, waarvan ik dank zij Delpher nog het grootste deel heb kunnen terugvinden.
Nu het boek eindelijk opnieuw is herdrukt een flink fragment eruit:

‘Wat zijn de gesprekken saai. Er is helemaal niemand met één originele gedachte, het ene cliché na het andere rolt uit ieders mond. De weergave van dit troosteloze bestaan is zo consequent volgehouden dat het boek een waardevolle bijdrage aan het genre is. Een leuk, vlot type komt niet voor. Nee, het hele boek zit vol leuke vlotte mensen. De vlotheid is middelmatigheid geworden. De vlotheid wordt gesymboliseerd door de hartelijke koffiezetterij die het boek van het begin tot het eind vult. Mensen die een beetje swingen, die wat van hun leven maken, een borrel op zijn tijd, een stickie. Maar het loopt nooit uit de hand.
Werkelijk elk type waarvan er in ons land vijfduizend rondlopen, is vertegenwoordigd. Allereerst de ouderwetse corpsbal, die medicijnen studeert, net als zijn vader vroeger. Die in het weekend thuis ook wei eens een verstandig gesprek met die vader wil voeren. Hij gaat goed gekleed, een pak, zwarte schoenen en hij wil voor de buitenwereld niet weten dat hij met een meisje samenwoont. Een keurig meisje, dat wel. Ze zet zich helemaal voor haar vriend, haar aanstaande man, in. Kookt en zet koffie, maar leest niet. Arme Josien!
Daar is ook de vlotte boy, Douwe, die wel eens bij een vreemd meisje blijft slapen, die een te gek goede flipperkast koopt. Werkelijk een hele geschikte jongen. Maar er zijn ook (meer…)

‘Live in your head’ – Reinjan Mulder and his 1974 photo-experiment ‘Objective Netherlands’

By Ludo van Halem
Curator 20th Century Art at the Rijksmuseum Amsterdam 

In 2019 Reinjan Mulder and Cleo Wächter presented their photo-experiment ‘Objective Netherlands’ at the Dutch Department of Culture. Minister Ingrid van Engelshoven (left) with Reinjan Mulder (m) and Cleo Wächter (r)

On 31 January 1974, in the Limburg village of Roosteren 24, Reinjan Mulder took a picture of a blank wall. We mostly see grayish plaster, which seems to have been ap-plied somewhat irregularly and has weathered over time. To the right is a buttress, and to the left, in the foreground, a few bare branches of a bush have come into view. At upper right a narrow strip of sky stands out, a white triangle that contrasts sharply with the dark-gray plaster. It would be difficult to call the photo stimulating or exciting. Boring is probably a better word.
The blank wall is the subject of one of the 208 photographs that together comprise the project Objective View of the Netherlands: the ‘photo experiment’ with which Mulder aimed to visualize the landscape of the Netherlands with-out letting subjective aesthetic preferences or picturesque visual conventions play a role; in his view, these were often too emphatically present in the representation of the land-scape. The project was submitted to the Amsterdam municipal government as a proposal for an experimental photo commission in 1971, but it was turned down. A new application to the then-Ministry of Culture, Recreation and Social Work for an artistic experiment subsidy was more successful and was approved two years later.
With the photo experiment he intended to ‘provide a random view of the Netherlands over the course of a year’, as he formulated it at the time: ‘Random, that is to say not deformed by the personal preferences of the photographer, no selection of the material based on importance or beauty. (…) The method followed will be a reasonable guarantee that the average landscape, the average weather conditions and populations are recorded.’
This method can be briefly summarized: over the map of the Netherlands, he laid a uniform grid that produced 52 intersections, which would be reachable by public transport [fig. 2]. Armed with an analogue Rolleiflex twin-lens camera, loaded with Kodak Tri-X black-and-white negative film, Mulder spent the first half of 1974 travelling across the Netherlands, ending up countless times in an open field and a few times in a boat on open water or in a wood. There he would set up his camera and then (meer…)

Antoni Mulder (1890-1963) – Douaneman in de IJhavens

Waar ooit de IJhavens waren, verrees na de oorlog het Muziekgebouw aan het IJ.

Door Reinjan Mulder
Eind september 1944, op de maandag na de slag om Arnhem, kreeg mijn opa, de 54-jarige douanebeambte Antoni Mulder, te horen dat hij niet meer welkom was op zijn werk in de Oostelijke IJhavens. De geallieerden hadden nog steeds geen bruggenhoofd kunnen vormen over de Rijn, maar de Duitsers zagen al aankomen dat dat ze hun langste tijd in Nederland hadden gehad. Niemand mocht meer de havenhoofden betreden, was de boodschap. In zijn memoires schreef de plichtsgetrouwe douaneman die mijn opa was een jaar na zijn pensioen in 1955:
De verbindingsdam naar de IJkade was afgesloten en een Duitse officier hield daarbij toezicht. Ik werd, toen ik zoals altijd ’s morgens naar de sectie wilde gaan, aangehouden en mij werd toegebulderd: “Zurück!”.
Als sectiechef van de douane had mijn opa altijd een pasje van de Ortskommandant in Amsterdam bij zich, waarmee hij dag en nacht de havens in mocht, maar toen hij die maandag van zijn fiets stapte om dat te laten zien, hoorde hij wat er op stapel stond: ‘De gehele kade zou binnen de kortst mogelijke tijd worden opgeblazen. Alles zou worden vernield, de kade, de muren, alles, terwijl de kranen in het IJ zouden verdwijnen.’
Na wat heen en weer gepraat mocht Antoni Mulder met een paar collega’s nog precies één uur het terrein op om orde op zaken te stellen maar dat lukte natuurlijk niet. ‘Wij sleepten  een paar handwagens bij de KNSM weg en de meest waardevolle zaken zoals het archief, wetboeken en instrumenten, en laadden die op de karren. Zo trokken wij daarmee in een begrafenisstoet naar het Oosterdok, bij de Schreierstoren, waar wij onderdak vonden.’
Diezelfde middag nog begonnen de Duitsers de haven te vernietigen. Kademuren werden opgeblazen, hijskranen gingen omver en het water in. Door de hevige ontploffingen bleef in de kantoren aan de kades geen ruit meer heel en werden alle deuren en ramen uit hun scharnieren geslagen.
‘Wij waren volkomen van slag,’ zou Antoni Mulder in zijn memoires over die desastreuze maandag schijven, ‘maar er was genoeg te doen, al was dat niet voor de invoerrechten en accijnzen.’
Doordat ook de spoorwegen staakten, kwamen er (meer…)

Nederlanders in Berlijn, februari 1982 – ‘Een wond die niet heelt’

Berlijn, Unter den Linden, 1970. Met zicht op de Brandburger Tor. Foto: Reinjan Mulder/De Groene Amsterdammer

In 1982 vond in Amsterdam de manifestatie ‘Berlijn-Amsterdam, 1920-1940, Wisselwerkingen‘ plaats. Van februari tot juli van dat jaar lieten tentoonstellingen, boeken, films en lezingen zien hoe zeer Nederland en Duitsland elkaar in de periode tussen de beide wereldoorlogen beïnvloed hebben. Welke Nederlanders gingen in de jaren twintig naar het swingende Berlijn? En welke Duitsers kwamen in de jaren dertig uit vrees voor het nationaal-socialisme naar Nederland?
Aan de vooravond van de manifestatie reisde Reinjan Mulder uit Amsterdam naar Berlijn om te zien wat de toen nog verdeelde stad in 1982 betekende voor de Nederlandse kunstenaars die er woonden. Hieronder zijn inmiddels historische – licht geredigeerde – reportage. 

Door Reinjan Mulder
Kan het culturele leven in een wereldstad in korte tijd van het ene uiterste’ omslaan in het andere? Zijn enkele maanden voldoende om van een springlevende stad een uitgebleekte mummie te maken? Veel verslagen van het Berlijnse leven tussen de beide wereldoorlogen wekken de indruk dat dit inderdaad kan. Daarbij noemen ze telkens één tijdstip, voorjaar 1933, toen de Duitse hoofdstad bijna über Nacht van een internationale trekpleister veranderde in een luguber oord, waaruit schrijvers, schilders, dansers en acteurs in allerijl wegvluchtten naar het buitenland.
Ook veel verslagen van het naoorlogse Berlijn laten zo’n korte periode van grote veranderingen zien, al zijn dat juist veranderingen in tegengestelde richting. Zij noemen vaak het eind van de jaren zestig, als een tijd waarin er plotseling een einde kwam aan het isolement waarin de stad sinds 1945 – en eigenlijk al sinds 1933 – verkeerde. De tijd van de grote studentenonlusten, van Rudi Dutschke, met eisen van democratisering, het begin van Willy Brandts nieuwe ‘Ostpolitik’, en een tijd van een groeiende waardering voor ‘levende kunst’ en literatuur.
Een van de vele buitenlanders die toen naar het weer oplevende Berlijn kwamen, was de na de oorlog naar Nederland verhuisde Japanner Shinkichi Tajiri. Helemaal achterin het immense vervallen gebouw van de Hochschule für Bildende Künste aan de Berlijnse Steinplatz heeft hij in 1982 een hoog, licht atelier gekregen, waar hij twee weken in de maand beeldhouwen doceert aan studenten die uit de hele wereld hierheen zijn gekomen. Tajiri kwam in 1969 naar Berlijn, als een van de eerste hoogleraren die in het kader van de democratisering door de studenten zelf waren benoemd. Een van hun leiders had zijn werk op de Vierde Dokumenta in Kassel gezien en hij was daar zo door gegrepen dat Tajiri boven aan een lijst met nieuw te benoemen docenten aan de Academie was terechtgekomen.
Dat werd hem door zijn toekomstige collega’s niet meteen in dank afgenomen, vertelt hij als ik hem op zijn atelier op school opzoek. Aanvankelijk ontstond er felle oppositie tegen zijn aanstelling. Zeven oudere hoogleraren verlieten, toen hun stem niet gehoord werd, zelfs verontwaardigd de school.
Shinkichi Tajiri: „Hoogleraren aan de Academie waren in Berlijn toen nog erg autoritair. Ze bekommerden zich weinig om (meer…)