Stijn van Rossem: De levende archieven van het Allard Pierson – bij de introductie van het Reinjan Mulder Fonds

15 december 2021 – Reinjan Mulder (m) tekent de oprichtingsakte in het Allard Pierson

Door Stijn van Rossem
Het Allard Pierson telt talrijke collecties. Flink wat van die collecties raken aan letterkunde, aan uitgeversgeschiedenis of aan beide tegelijk. De meeste zijn springlevend en worden veel geraadpleegd. Andere genieten minder bekendheid, en dan proberen wij het gebruik te stimuleren. Want wij willen levende collecties: collecties die inhoudelijk relevant zijn en relevant gevonden worden, collecties dus die gebruikt worden. In sommige gevallen is zo’n collectie bovendien nog niet afgesloten, simpelweg omdat de archiefvormer nog leeft en actief is, en dat maakt zo’n collectie naast relevant ook actueel. Wij spreken dan van een ‘levend archief’, met als bekendste voorbeelden het archief van vormgeefster Irma Boom, van wie tot en met 25 september 2022 een kleine maar fijne tentoonstelling te zien is, en het archief van schrijver – en P.C. Hooftprijs-winnaar – Arnon Grunberg.
Eveneens een levend archief is het archief van Reinjan Mulder. Hoewel het al in 2011 is binnengekomen, wordt het af en toe aangevuld, de laatste keer in januari 2022. Ook Reinjan Mulder is namelijk nog steeds alive and kicking, en dat op vele terreinen. Zo schreef hij in datzelfde jaar 2011 een roman, Coffee Company, en in 2019 een boek, Zwavelwater, over het historisch beladen kuuroord Haus Jungbrunnen, een boek dat inmiddels ook in Duitse vertaling verscheen.

Presentatie Objectief Nederland: Cleo Wächter en Reinjan Mulder met Rijksmuseum conservator Harm Stevens (r.)

Zijn schilderende vader Piet Mulder eerde Reinjan Mulder met drie boekpublicaties over zijn tekeningen en schilderijen. Samen met enkele jonge honden richtte hij de uitgeverij Babel & Voss op, die binnen het landschap van literaire uitgevers voor nieuwe aanplant zorgde. En in 2016 werd hij herontdekt als experimenteel fotograaf, wat resulteerde in een tentoonstelling in het Rijksmuseum en twee fraaie kunsthistorische publicaties over zijn fotoproject Objectief Nederland uit 1973. Dat project kreeg in 2017 zelfs een remake, uitgevoerd door de jonge fotografe Cleo Wächter.
Tot slot houdt Reinjan Mulder het weblog Das Zahngold in de lucht, waarop hij met grote regelmaat herinneringen ophaalt, een vinger aan de pols van cultureel Nederland houdt en zo nodig de polemiek niet schuwt.

Het archief van Reinjan Mulder weerspiegelt al deze recente activiteiten en zijn vele werkzaamheden die daaraan vooraf gingen. Zo documenteert het een stukje geschiedenis van het roemruchte studentenblad Propria Cures, waarvan Reinjan redacteur en bestuurder is geweest. Het bevat de bewijzen dat Reinjan – wat maar weinigen weten – ook een echt vak heeft geleerd, dat van criminoloog, een wetenschap waarin hij (meer…)

De Hanna’s (fragment) – Bij de honderdste geboortedag van Hanna Mulder-Hulscher

Honderd jaar geleden, op 30 mei 1922, werd in de Amsterdamse Vroedvrouwenschool in de Sarphatistraat de latere dansdocente Hanna Hulscher (1922-2013) geboren. Bijna veertig jaar lang gaf zij danslessen aan duizenden kinderen in Geldermalsen en Zaltbommel.
Als dansdocente leeft zij nog alleen voort in de herinneringen van haar Betuwse leerlingen, maar de honderden portretten die haar man Piet Mulder (1919-2001) van haar maakte, laten onverwacht een andere kant van haar zien. 
Een aantal van die portretten zijn recent gebundeld in het boekje ‘Piet Mulder – Hanna‘ dat ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag bij uitgeverij De Weideblik verscheen.
In dit fragment uit het boekje beschrijft haar zoon Reinjan Mulder wie zijn moeder was en waarom zij in 1941 voor zijn vader bezweek.   

Door Reinjan Mulder
Voordat er livestreams bestonden, lieten de meeste dansers na hun dood weinig na. Bijzondere choreografieën kon je met ingewikkelde notatiesystemen nog voor het nageslacht bewaren en er waren een paar mooie films van beroemde dansers gemaakt, maar totdat de partner van Hans van Manen zich ging toeleggen op het integraal filmen van de balletten van zijn man, soms al meedansend, vanaf de dansvloer, verdween zelfs het werk van de meest gelauwerde choreografen vaak samen met de herinneringen van hun dansers. Wie kijkt er nog naar de balletten van Nijinsky, wat weten we nog van een Noerejev?

Piet Mulder, Hanna, 1955. Pentekening 24×32 cm

Die vergankelijkheid geldt eens te meer voor dansdocenten. Hun producten zijn hun leerlingen, en als die leerlingen niet heel veel talent hebben, of iets te weinig doorzettingsvermogen, blijft er na hun dood niet veel meer over dan een stuk of wat verhalen, hoe goed en inspirerend hun lessen aan de barre ook zijn geweest. Mijn moeder Hanna Hulscher (1922-2001) was zo’n bevlogen dansdocent. Vanaf het begin van de jaren vijftig tot ver in de jaren tachtig gaf ze in Geldermalsen danslessen, waar meisjes van 4 tot een jaar of 18, en soms een enkele jongen, naar muziek leerden luisteren en mochten bewegen op die muziek. In haar beste tijd kwamen er elke week meer dan 150 leerlingen bij haar langs, eerst tussen de trotse vaandels in Ons Huis, waar normaal de harmonie oefende, en later in het gebouwtje van de Geldermalsense postduivenvereniging of bij haar thuis. Hanna leerde haar kinderen daar (meer…)

Karel van het Reve en de onvolkomen wetenschap – bij de bekroning van een uniek essayistisch oeuvre

Het Cultureel Supplement van 9 april 1982

Door Reinjan Mulder
In zijn dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs verwees Arnon Grunberg uitvoerig naar het dankwoord dat Karel van het Reve veertig jaar eerder in het Muiderslot uitsprak, toen hij dezelfde prijs in ontvangst nam. Onwillekeurig herinnerde mij dat aan het stuk dat ik rond die tijd in NRC Handelsblad schreef over Van het Reves onvermoeibare strijd tegen achterhaalde opvattingen. 
Onder de kop ‘Waarom zingt de leeuwerik?’ verscheen het stuk  in het Cultureel Supplement van 9 april 1982, een paar weken voor de prijsuitreiking en daar leidde het al snel tot enige ophef onder leden van de hoofdredactie. In een evaluatiebijeenkomst op de krant haalde met name plaatsvervangend hoofdredacteur drs. Rob Soetenhorst die week hard uit. Alleen al het feit dat ik begon met een verwijzing naar een marginale figuur als Johnny van Doorn vond hij beneden peil. Mijn essay zou een groot schrijver als Karel van het Reve en een staatsprijs als de P.C. Hooftprijs onwaardig zijn.
Ik heb het stuk nooit meer terug durven lezen, maar nu Arnon Grunberg de bekroning van Van het Reve weer onder de aandacht heeft gebracht, heb ik het maar eens teruggezocht – om te concluderen dat ik het nu nauwelijks anders geformuleerd zou hebben. Ik houd van Karel van het Reve, laat dat duidelijk zijn, de keren dat ik persoonlijk met hem te maken had, was hij ook allerbeminnelijkst. Ik las bijna al zijn boeken en ken heel wat citaten van hem uit mijn hoofd. Maar weinig schrijvers, dood of levend, kunnen hem dat nazeggen. 
Ik ben alleen geen adept. Geen adept zoals er tegenwoordig zoveel rondlopen. Ik analyseer liever wat iemand  doet en hoe hij het doet dan dat ik iemand blind bewonder, ik ben benieuwd naar iemands overgangen, zijn retoriek, of, zoals bij Van het Reve, zijn anti-retoriek.
Ik geloof dat ik in dit geval ook wel enigszins wist waar ik het over had. Toen ik mijn beschouwing schreef, was ik niet zoveel eerder aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het marxistische denken over misdaad en straf, ik had me een paar jaar in de wetenschapsfilosofie verdiept en ik kende Reves opvattingen over leerstukken als het historisch-materialisme waarschijnlijk als weinig anderen. Dat is ook wel te merken aan mijn stuk, en ik zie dat niet als nadeel. Iedereen haalt weer andere dingen uit een boek, en ik plaatste Karel van het Reves betekenis in het kader van het marxisme-debat zoals dat jaren lang hevig woedde aan de universiteiten, en ik trek dat debat door naar een paar andere terreinen waarop Van het Reve actief was zoals de literatuurwetenschap en de evolutieleer.
Wat ik wilde aantonen, was dat Karel van het Reve, die zoals bekend uit een communistisch gezin kwam, van het marxisme de onhoudbaarheid had aangetoond, al had dat marxisme wel zijn wereldbeeld bepaald en kon hij er later weinig méér tegenover stellen dan dat hij zelf inmiddels niet zo goed meer wist hoe hoe de vork dan wél in de steel stak. Veel wan wat aanvankelijk op causaliteiten wees, bleek later net zo goed door het toeval bepaald te kunnen zijn.  
Ook ik wist – en weet – niet welk wereldbeeld we tegenover het marxisme kunnen stellen, en ik vind dat geen schande. Volgens mensen als Karl Popper is ook zulk niet weten een vorm van kennis, al kom je er natuurlijk niet altijd verder mee als je voor grote beslissingen staat.
Karel van het Reves belangrijkste bijdrage aan onze kennis is volgens mij nog steeds geweest dat hij ons liet zien wat we allemaal niet weten in plaats van hoe alles in elkaar past, en dat veel theorieën – of wat daarvoor doorgaat – op den duur toch niet houdbaar zijn gebleken.
Dat kun je voortschrijdend inzicht noemen, al is ook het woord ‘inzicht’ dan misschien wel weer wat te pretentieus. Dit is daarom hoe ik dat in 1982 in NRC formuleerde  toen ik net 33 was, nog niet half zo oud als ik nu ben maar zeker zo wijs:  

Waarom zingt de leeuwerik?

Al een paar dagen voor de prijsuitreiking kregen we bij NRC Handelsblad het dankwoord van Karel van het Reve

In Mijn kleine hersentjes, een tien jaar geleden verschenen boekje met jeugdherinneringen van van Johnny van Doorn komt een intermezzo voor over een man die zojuist de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De ochtend na zijn afscheid op de zaak wordt hij vroeg wakker door de ‘ingebouwde wekker’ in zijn hoofd. Hij staat gedachteloos opdrinkt een glaasje melk, eet twee boterhammen en stipt om tien over half verlaat hij zijn huis.
Op dat moment wordt, door de klap van de deur, zijn vrouw wakker. Van Dorn beschrijft meeslepend hoe ze haar man ook het laatste moment tot de werkelijkheid probeert te brengen: ‘Nooit tevoren was ze zo vlug in de kleren geweest. Ze rende de straat op, hem achterna. Volkomen buiten adem was ze toen ze hem in het vizier kreeg. Op z’n dooie akkertje liep ie in de richting van zijn kantoor. Joop! riep ze met overslaande stem. Joop, je hoeft niet meer te werken! Je hoeft niet meer naar kantoor! Verbaasd, en niet begrijpend, draaide hij zich om.’
Het fragment van Johnny van Doorn is een treffende illustratie van wat in het moderne Sovjetrussische  marxisme bekend is geworden als de rudimentenleer. Het kan gebeuren dat in een land ‘de objectieve omstandigheden’ een bepaalde handeling overbodig maken, terwijl die handeling door gewoonte, die ingebouwde wekker, toch nog plaats vindt. Jarenlang hebben de inwoners noodgedwongen allerlei minder gewenste dingen gedaan en wanneer de nood en de dwang eindelijk verdwenen zijn, gaan zij met hun afkeurenswaardig gedrag door omdat de veranderde omstandigheden nog niet in hun denken en voelen zijn doorgedrongen.
Het gevolg is dat een socialistische revolutie alleen niet voldoende is om de oude vormen en gedachten te laten afsterven. Nog vele generaties later kunnen feodale of kapitalistische gedragingen aan de oppervlakte komen, doorgegeven van ouders op kinderen, van onderwijzers op leerlingen. Gedurende eeuwen heeft zich een grillig patroon in het menselijk argumenteren en redeneren vastgezet en het zou wel eens even veel tijd kunnen kosten voor dit ingeslepen patroon door een beter is vervangen.

Het lijkt op het eerst gezicht vreemd dat de enige man in Nederland die deze rudimententheorie met grote regelmaat verdedigt, geen uitgesproken aanhanger van het Sovjetmarxisme is. Integendeel, wie de verzamelde werken van de nu met de P.C. Hooftprijs bekroonde Karel van het Reve bekijkt, kan misschien nog even in de war worden gebracht door de titels (Lenin heeft echt bestaan, Rusland voor beginners, Het geloof der kameraden, Waarde kameraad, Marius wil niet in Joegoslavië wonen), maar uit de inhoud blijkt al snel dat we hier eerder te maken hebben met iemand die bij voorbaat liever alles ontkent wat in een marxistisch handboek te vinden is.
Het marxisme zelf is voor Van het Reve een van de achterhaalde denkgewoontes, die (meer…)

Jeroen Brouwers en de P.C. Hooftprijs – Bij de dood van een moeilijk mens

Berlijn, 2008. Vallende mastodonten…

Door Reinjan Mulder
In bijna alle necrologieën die ik vandaag over de schrijver Jeroen Brouwers las, komt het even aan de orde. Brouwers was een van die paar schrijvers die jaar in jaar uit werden ‘genoemd’ als mogelijke – of zelfs waarschijnlijke – winnaar (eig. verkrijger) van een van de volgende nationale oeuvreprijzen voor literatuur, de P.C. Hooftprijs, maar in al die jaren dat hij zo in brede kring werd opgevoerd, kreeg hij die fel begeerde prijs uiteindelijk nooit.
In NRC Handelsblad schrijft Thomas de Veen vandaag, in een tweede, wat bijgewerkte versie, dat Jeroen Brouwers zijn kansen op de P.C. Hooftprijs waarschijnlijk voorgoed verspeelde toen hij met veel misbaar een keer de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde omdat hij die te laag gedoteerd vond. Ik denk dat dit de waarheid niet helemaal dekt.
De Prijs der Nederlandse Letteren krijg je als Nederlandse schrijver of dichter doorgaans pas nadat je de P.C. Hooftprijs al in je bezit hebt. Het is een overkoepelende Nederlands-Vlaamse prijs voor de echte toppers uit beide landen, Reve, Mulisch, Hermans. Een eindpunt, en zeker geen tussenstation, zoals de Haagse Constantijn Huygensprijs.

In al die jaren dat ik van nabij de besloten discussies over de P.C. Hooftprijs een beetje mocht volgen, hoorde ik echter altijd dat er in elke proza-jury wel een paar fervente tegenstanders van Jeroen Brouwers’ bekroning zaten, zoals er, dat moet gezegd, ook altijd overtuigde voorstanders van hem waren. Maar zoals dat gaat met literaire prijzen: alleen schrijvers die niet al te veel heftig verzet wekken, komen voor de hoogste onderscheiding in ons land in aanmerking.
In de Nederlandse literatuur zijn er in de laatste halve eeuw al heel wat heethoofden geweest die (in beginsel) voor de P.C. Hooftprjs in aanmerking zijn gekomen. Denk aan Gerard Reve, een W.F. Hermans, een Jan Wolkers, ja, zelfs een recalcitrant als Hugo Brandt Corstius kreeg hem uiteindelijk toch nog eens uitgereikt. Maar alleen Jeroen Brouwers kreeg de prijs in al die jaren dat hij werd genoemd, nooit toegekend.
Of dat terecht is, zou ik niet kunnen zeggen. Sinds hij mij (meer…)

W.F. Hermans en de biefstukken – de favoriete citaten

Sylvia Willink, Willem Frederik Hermans

Door Reinjan Mulder
Op 29 januari 1982 verscheen er in het betreurde ‘Cultureel Supplement’ oude stijl van het al even betreurde, oude NRC Handelsblad een intrigerend, nieuw verhaal van Willem Frederik Hermans: ‘Hoe de biefstuk smaakte’.
Ik deed in die tijd de redactie van dat gemixte supplement, en of het daarvoor komt, weet ik niet, maar ik ben het in ieder geval nooit vergeten.
Het ging over een man die vond dat je veel kunt registreren en kopiëren, maar nooit hoe iets smaakt. Hij herinnert zich hoe lekker vroeger de biefstuk was, maar kan daar verder weinig aan toe voegen.
Toen de redactie van Neerlandistiek.nl mij dan ook vroeg om mijn favoriete Hermans-citaten, besloot ik het terug te zoeken en na enig gepuzzel kwam ik uit bij Hermans’ verzamelbundel Malle Hugo (1994), waarin het verhaal ‘Hoe de biefstuk smaakte’ is opgenomen.
Maar toen er een citaat uit koos, had ik het gevoel niet klopte. Daarom ging er naar op zoek in Delpher, en snapte ik mijn bevreemding. Het verhaal was nogal veranderd.
In het CS schreef Hermans, in 1982:
Of we er op deze toon al eens eerder met hem over hadden gepraat, zou ik niet zeker weten, maar het leek me best mogelijk, want onder de indruk raakte hij niet. “Hoe uit te leggen hoe een ossehaas dertig jaar geleden smaakte? Op de hele wereld is geen plakje ossehaas van dertig jaar geleden meer te vinden. En net als de meeste smaken, was er geen tweede smaak op de wereld die erop leek.”
Maar in 1994, in Malle Hugo, was dat veranderd in:
‘Een mens wordt wel groot en oud, maar alle dagen jarig wordt hij nooit’, zei opa bitter. Op deze manier had hij het nog niet eerder geformuleerd en ik kreeg ineens erg met hem te doen. ‘Hoe uit te leggen hoe een ossehaas vroeger smaakte?’ vroeg hij zich bijna fluisterend af, ‘op de hele wereld is geen plakje ossehaas van dertig jaar geleden meer te vinden. En, net zoals het geval is met de meeste smaken, er bestaat geen tweede smaak ter wereld die erop lijkt.’
Mijn vraag nu, aan de geachte neerlandici, is: Welke  versie is beter, en waarom?
Toen ik die vraag op Facebook stelde, bleken beide versies hun aanhangers te hebben. Zodat er weinig anders op zit dan de hele verhalen uit 1982 en 1994 nog eens terug te gaan zoeken.
(wordt vervolgd)

Het Parool gaat vreemd – de outplacement van een Amsterdamse krant

Door Reinjan Mulder
Van 1945 tot 1948 (‘Praag’) had mijn vader een natuurrubriek in de voormalige verzetskrant De Waarheid, maar ik ben van 1949 en toen lazen we thuis al lang en breed die andere verzetskrant, Het Parool. Ik ben groot geworden met Carmiggelt, Kapitein Rob, Jeanne Roos en Willem Wittkampf –  totdat ik in Amsterdam ging studeren en besloot over te stappen op De Groene en het Algemeen Handelsblad, al was het maar omdat we die thuis juist niet lazen. Waarom ga je anders op kamers wonen?
Maar ook toen bleef Het Parool een bijzonder plaatsje in mijn hart houden en van tijd nam ik toch maar weer eens een abonnement op die prachtkrant erbij. Hoe vaak kocht ik niet for old times sake op de valreep, vlak voor de sigarenboer ging sluiten, toch nog even snel een Parool.
Ook dit weekend genoot ik weer optimaal van onze oude krant. Springlevend als altijd. Leuke interviews, veel nieuws over mijn eigen stad, een uitgebreide agenda, het wekelijkse kind met zijn huisdier (een grote, witte kip!) en een gedegen kennismaking met onze nieuwe Stadsdichter, Marjolijn van Heemstra dit keer.
Interessant allemaal, en allemaal zo goed geschreven!
Maar als ik op de laatste bladzijde ben, schrik ik. Ik zie nu waar de bijlage PS die ik zo juist gelezen heb, gedrukt is. In België!
Amsterdam leunt voor zijn kwaliteitspers nu op Belgen. Niets ten nadele van (meer…)

Van belangrijke mannen en dwergen – Herinneringen aan Renate Rubinstein, Guusje Morriën en Propria Cures

‘Tot 1972 was ik nog te druk met andere dingen bezig…’

Door Reinjan Mulder
Als Renate Rubinstein in 1954 uit Israël terug in Amsterdam komt, vindt ze bij haar moeder in de Wielingenstraat een pak nummers van ‘het beruchte studentenblad’ Propria Cures. PC-redacteur Richter (‘Rik’) Roegholt had die nummers jaren naar haar ouderlijk adres laten sturen. Zo komt het dat Rubinstein in PC een bijdrage van redacteur Piet Borst leest over een ‘Diets’ Studentencongres.
In haar kroniekenreeks in Hollands Maandblad* over het leven van oud PC-redacteur Renate Rubinstein noemt Charlotte Goulmy deze vondst in een oude PC een ‘beslissend moment’ in Rubinsteins wispelturige leven. Voortaan, denkt de latere schrijfster, wil ik ook bij ‘die jongens’ horen.
‘Ik schreef omdat ik vrienden zocht,’ zo herinnert Rubinstein zich later over haar PC-tijd, ‘en toen ik ze gevonden had, bleef ik doen wat ik nog steeds doe: schrijven voor vrienden.’ Ze voelt zich bij het blad als een vis in het water, merkt Charlotte Goulmy op, en ze beleeft de leukste tijd van haar leven. Bij PC ontmoet ze de socioloog Joop Goudsblom, die later in haar huis zou wonen, de latere Vrij Nederland-redacteur en dichter Jan Eijkelboom, de eminente medicus Piet Borst, en natuurlijk Aad Nuis, die nog haar eerste echtgenoot zal worden.
Ook komt Rubinstein bij PC haar latere mede-columnist bij Vrij Nederland Hugo Brandt Corstius nog even tegen, maar hem (meer…)

Meest gelezen in 2021: het plagiaat bij NRC Handelsblad, Jan van Anrooij’s collaboratie en (alweer) Connie Palmen

Door onze mediaredactie
Twee al wat oudere onderwerpen trokken het afgelopen jaar de meeste  belangstelling onder de lezers van Das Zahngold: de 8 jaar oude, woelige geschiedenis van de omstreden Betuwse schilder Jan van Anrooij, het plaatsvervangend hoofd van het NSB-schildersgilde tijdens de Bezetting van wie afgelopen zomer in Tricht een tentoonstelling werd geopend, en een terugblik op de geïmproviseerde manier waarop in januari 1991 de grote recensie tot stand kwam die NRC Handelsblad aan De wetten, het debuut van Connie Palmen wijdde.
En niet alleen werden deze stukken veel opgevraagd, ze werden afgelopen jaar ook opvallend lang gelezen en door veel meer lezers dan in het jaar ervoor, resp. 65% (Van Anrooij) en 17% (over de recensie van De wetten) meer. Ze zijn in verhouding in 2021 het snelst in de belangstelling gestegen van alle stukken op Das Zahngold.
Absolute aantallen lezers zijn helaas niet te achterhalen voor ons sinds Das Zahngold van provider is gewisseld en geen cookies registreert, maar ook de tendensen in het (geregistreerde) gebruik die Google Analytics levert, zijn interessant. Die laten zien dat het totale aantal ‘pageviews’ in 2021 12% hoger was dan in 2020, dat het aantal ‘unieke’ pageviews, dus nieuwe lezers, steeg met 17%, terwijl de stukken die het betrof, gemiddeld 7% langer gelezen werden dan in 2020: 3.56 minuut.
Andere onderwerpen waarover het afgelopen jaar aanmerkelijk meer en langer werd gelezen dan in de jaren daarvoor, zijn het boottochtje over de Vecht in 1996, in gezelschap van de dochters van Nescio (+179%), vooral na de verschijning van de veel geprezen Nescio-biografie van Lieneke Frerichs, de necrologie van de voortijdig overleden schrijver Nanne Tepper uit 2012 (+28%) en het Engelse werk van de schilder Piet Mulder (+75%).
Ook kwam er in 2021 opeens weer interesse in twee al wat oudere stukken over de geschiedenis van Uitgeverij Meulenhoff: een analyse van de tien jaren durende worsteling met het inmiddels verdwenen PCM concern (+248%, bijna een verdrievoudiging in één jaar) en de reactie op het plotselinge ontslag van Meulenhoff/Boekerij-directeur Sander Knol, die daarna onder de naam Xander zijn eigen bestseller-fonds zou beginnen (+112%, een verdubbeling). Kennelijk reden genoeg om zijn Werdegang nog maar eens te bestuderen.
De aparte ‘pagina’s’ van Das Zahngold over resp. Reinjan Mulder en Uitgeverij Babel & Voss scoorden als gebruikelijk het hoogst, waarbij de Babel & Voss pagina vreemd genoeg nauwelijks te lijden heeft onder het opheffen van de uitgeverij in 2020. Van actieve uitgeverij heeft het bedrijf zich inmiddels tot legende ontwikkeld.

In Engeland verdubbelde de belangstelling voor Piet Mulder in 2021. Hier: Zelfportret als spoorweginspecteur.

Minder lezers dan in 2020 kregen in 2021 een aantal nog altijd populaire, oudere literatuurrecensies uit NRC Handelsblad die op de site zijn terug te vinden, zoals die over Jona Oberski’s Kinderjaren (-36%), Doeschka Meijsing’s Robinson (-33%) en Cees Nooteboom’s Rituelen (-38%).
Deze recensies worden nog altijd elke week opgevraagd, maar niet meer zo vaak als in de jaren daarvoor, hoewel de recensie van Kinderjaren voor het derde jaar op rij nog steeds de meest gelezen recensie is op de site, ruim voor die van Robinson en Rituelen, en wordt hij minstens drie keer zo vaak gelezen als bekende top-recensies uit eerdere jaren: van Cynthia McLeods Hoe duur was de suiker tot Connie Palmens De Wetten.
De recensie van Connie Palmen’s debuut De wetten trok als gevolg van de TV serie over Ischa en haar in december 2021 wel weer veel meer lezers dan in de jaren daarvoor, 41% meer dan in 2020, net als het inmiddels historisch geworden interview met de hooggeleerde boekwetenschapper prof. Frans Janssen over de Joost Ritman-collectie en zijn relatie met de nu honderd jaar geleden geboren schrijver W.F. Hermans (+125%). Een interview, zo weten we uit Willem Otterspeers Hermans-biografie, dat uiteindelijk tot een nooit meer geheelde breuk leidde tussen de gekwetste auteur en zijn trouwe bibliograaf.
Van de (schaarse) nieuwe stukken op de site kreeg met name (meer…)

De kracht van Criterium – 75 jaar na ‘De Ondergang van de familie Boslowitz’ van Gerard Reve

Door Reinjan Mulder
Toen literaire tijdschriften nog geschiedenis schreven…
Half december 1946, vandaag 75 jaar geleden, verscheen bij uitgeverij Meulenhoff van John Meulenhoff een  historisch geworden nummer van het Algemeen Cultureel Maandblad Criterium, omdat daarin zowel een zekere ‘Simon’ van het Reve debuteerde, met het – toch nog heel lange – korte verhaal ‘De ondergang van de familie Boslowitz’, als waarin een dan net 25-jarige W. F. Hermans zijn – enigszins gekuiste – voorpublicatie vervolgt vande roman ‘De tranen der acacia’s’.
En of dat nog niet genoeg is maakt dezelfde Hermans in de ‘kronieken’, achterin het blad, nog even gehakt van het oorlogsdagboek ‘Doortocht’, van de dichter en latere vertaler Bert Voeten. Niet omdat die daarin, zoals wij nu weten, zijn activiteiten voor de fascistische jeugdbeweging verzwijgt, dat wist Hermans toen nog niet, maar omdat Hermans denkt dat (meer…)

En ‘t vendel trok voort – Bij de aankoop van Rembrandt’s ‘Vaandeldrager’

Mijn twaalfde verjaardag, met van links naar rechts, voor de meisjes: ikzelf, mijn medegymnasiasten Wim Muijs van de Moer, Klaas Versteegh, Richard Buyserd, Anton van der Giessen, Jaap van Silfhout en Henk Meulink. Helemaal vooraan Brim Tolhuijsen en Roly Franke

Door Reinjan Mulder
Vaandeldrager. Toen ik in het najaar van 1960 op het Stedelijk Gymnasium in Tiel was begonnen, werd ik op een dag door de praeses (voorzitter) van de Tielse Gymnasiasten Vereniging ontboden voor een tete a tete (onderhoud onder vier ogen). Wat bleek? Mij viel de eer de beurt om signifer (vaandeldrager) te worden van de illustere schoolvereniging.
Ik was net elf jaar, jonger dan de meeste van mijn klasgenoten en ik was een van de kleinsten van de school maar juist daarom zou het mijn taak nu worden om een jaar lang de zorg voor het fraai versierde Gymnasium-vaandel op me te nemen. Ik voelde me diep gevleid en stemde stotterend toe. Mijn eerste baantje!
Ik kreeg ook al meteen mijn eerste opdracht van onze praeses (voorzitter), een wat ouwelijke jongen die later nog aan het hoofd zou komen te staan van de Keizerlijke (!) Loges van Huis Doorn: bij de aanstaande inauguratie (inhuldiging) van de nieuwe leden zou ik een paar minuten met het vaandel boven de hoofden van de eerste klassers heen en weer moeten wuiven, terwijl iedereen uit volle borst het Tielse Gymniasiastenlied ten gehore bracht, totdat in de laatste regel het trotse ‘Vivat (leve) ‘t Gymnasium, vivat (leve)/ Lang leve het Gym in Tiel’ had geklonken.
Een paar jaar geleden meldde het blad van de Tielse Oudleerlingenvereniging dat het oude vaandel van het Gymnasium waarvoor ik steeds zo goed had gezorgd, inmiddels, na bijna honderd jaar trouwe dienst, in een vergaande staat van ontbinding verkeerde. Ik voelde meteen weer zwaar de verantwoordelijk op mijn schouders drukken en stelde onmiddellijk honderd euro ter beschikking.
Het spreekt vanzelf dat ik (meer…)