Zeven jonge gymnasiasten – een verjaardagsfoto uit 1961

Door Reinjan Mulder
In de jaren vijftig drong ook in Nederland door dat Amerikaanse fotografen hun modellen altijd vroegen om ‘cheese’ te zeggen als ze op de foto gingen. Toen er in 1961 op mijn twaalfde verjaardag een groepsfoto moest worden gemaakt, zei – op Henk na, die later dominee werd – iedereen op een teken van mijn vader dan ook heel braaf ‘cheese’ in koor.
Maar wat mij (tweede rij uiterst links) nu het meeste aan de foto opvalt die toen is gemaakt, is hoeveel jongens uit ons dorp in 1960 naar het 12 kilometer verder gelegen Gymnasium gingen. Van de zes klassevriendjes van het Tiels Gymnasium op mijn feestje kwamen er maar liefst vier (plus ikzelf) bij ons vandaan, Klaas, Anton, Richard en Wim, terwijl van de meisjes – nog – helemaal niemand op het Gymnasium zat. Alleen Brim, midden voor, zou ons jongens één of twee jaar later naar Tiel volgen.
Van die zes gymnasium-vriendjes heb ik er twee nog vorig jaar teruggezien, Klaas en Henk, en is een derde, Richard, in diezelfde periode in Amsterdam overleden, maar van al die zeven meisjes zie ik alleen mijn zusje nog geregeld, en is Roly, het meisje rechtsvoor, al weer veel te lang dood, net als mijn vader, die ons hier nog lachend en wel op de foto zette.

De Tweede Wereldoorlog in drie boeken: D.A. Kooimans Montyn, Oberski’s Kinderjaren en Tessa de Loo’s Tweeling

Door Reinjan Mulder
In de aanloop naar de 75ste bevrijdingsdag op 5 mei, valt bij Das Zahngold een sterke toename te zien in de belangstelling voor artikelen over de Tweede Wereldoorlog. Met name bij stukken over literaire boeken over deze periode is het aantal lezers de laatste maanden opvallend toegenomen.
Welke boeken waarin de Tweede Wereldoorlog een rol speelt, zijn daarbij het populairst?
Afgaande op de belangstelling voor recensies en interviews op Das Zahngold blijkt er de afgelopen vier maanden steeds meer belangstelling te zijn gekomen  voor:
1. Jona Oberski – Kinderjaren, uitg. Bzztohh, 1978 (+104%)
2. D.A. Kooiman – Montyn, De Harmonie, 1982 (+72%)
3. Tessa de Loo – De tweeling, De Arbeiderspers, 1993 (+67%)
Opmerkelijk aan deze drie artikelen is niet alleen dat ze sinds 1 januari 2020 vaker zijn gelezen dan het gemiddelde stuk, ook is het aantal lezers ervan de afgelopen maanden aanzienlijk sterker toegenomen dan van de andere stukken. Genoeg om de recensie te doen binnenkomen op de tiende plaats van de meest gelezen stukken sinds 2009.
Omdat Das Zahngold geen cookies registreert, zijn er geen cijfers van het absolute aantal bezoekers, maar wel zijn de onderlinge verhoudingen en de bezoekerstrends van alle stukken te achterhalen: terwijl het totale aantal door Google Analytics geregistreerde pageviews de afgelopen 4 maanden met 38% toenam ten opzichte van de voorafgaande vier maanden (op zichzelf al de sterkste stijging sinds het begin van Das Zahngold!), liet het aantal pageviews van de stukken over deze drie oorlogsboeken in totaal bijna een verdubbeling zien: van 67% stijging van het aantal pageviews van het interview met Tessa de Loo over haar geruchtmakende boek De Tweeling in vier maanden tijd, via 72% stijging bij Dirk Ayelt Kooiman’s boek over (meer…)

Samuel Beckett, Jean Paul Sartre en Simone de Beauvoir: ‘Alles behalve de geslachtsdaad’

Door Reinjan Mulder
Toen de gelauwerde Amerikaanse biografe Deirdre Bair in 1980 haar Samuel Beckett-biografie gepubliceerd had, schreef ze een kort briefje aan Simone de Beauvoir, met de vraag of ze ook over haar een biografie mocht schrijven. Dat mocht, schreef Beauvoir, al had ze zo haar voorwaarden.
Nu er een nieuwe Beauvoir-biografie van Kate Kirkpatrick verschenen is, ben ik maar eens gaan klijken hoe zij het werk van Deirdre Bair waardeert. Vaak geven biografen enorm af op hun voorgangers, als ze hen al niet doodzwijgen, maar Kirkpatrick doet dat gelukkig niet. Zo citeert ze met kennelijk genoegen Beauvoirs gedenkwaardige uitspraak tegenover Bair dat er tijdens haar eerste, lange ontmoeting met Sartre ‘alles’ was gebeurd, ‘behalve de geslachtsdaad’. Ik moet aan Clinton denken, en zie het voor me.
Maar ja, zo kan het dus ook. Kate Kirkpatrick waardeert het baanbrekende werk van haar voorganger Deirde Bair zelfs, als de eerste biografie waarin Beauvoir zelf veelvuldig aan het woord komt, al heeft dat haar boek wel sterk gekleurd. Volgens Kirkpatrick laat Bair te veel een Simone de Beauvoir zien zoals de schrijfster en filosofe die zelf het liefst gezien had. De biografie blijft volgens haar te dicht bij Beauvoirs eigen memoires, en ze kende ook nog veel vertrouwelijke stukken niet.
Die focus op Beauvoirs eigen visie was natuurlijk al duidelijk geworden uit de lange lijst met wensen, waarmee de inmiddels bejaarde schrijfster volgens Bair aan kwam zetten bij hun eerste ontmoeting. Had Samuel Beckett zich principieel nooit bemoeid met wat Bair in haar biografie over hem zou schrijven, Beauvoir kwam met een heel eisenpakket, zo vertelde Bair me in 1991 tijdens een interview: “Ik mocht dit niet, en ik mocht dat niet, en ik moest dit doen en ik moest dat doen.”
Maar Bair had die eisen lang niet allemaal ingewilligd, zei ze er direct bij. “Ik heb Beauvoir meteen gezegd dat ik nog niet zo zeker wist of ik dan nog wel een biografie van haar wilde schrijven.”
De schrijfster vroeg 
(meer…)

‘In de hongerwinter getekend’ – Bij een tekening van de boerderij de Anna Hoeve

Door Reinjan Mulder
Tijdens de hongerwinter zat mijn vader Piet Mulder 8 maanden ondergedoken in de Watergraafsmeer. De spoorwegstaking duurde langer dan verwacht en hij doodde de tijd met tekenen. Ook moet hij toen een keer een boom hebben omgehakt.
Bij Anna Hoeve, waar nu het Science Park is, maakte hij 75 jaar geleden, op 17 april 1945, deze tekening. Geen hoogtepunt in zijn oeuvre, zo te zien, hij was toen 25 jaar, maar de datum vertelt – achteraf – wel een sterk verhaal. Nog drie weken tot de bevrijding.
Deze week ben ik er in alle vroegte heen gewandeld. Naast het kippenhok liepen drie trotse kippen maar verder was het net zo stil als toen.
Ik vroeg me af wat mijn in 2001 overleden vader in 1945 naar Anna Hoeve bracht. Honger? In die tijd struinde half Amsterdam het omringende platteland af, in de hoop wat voedsel te bemachtigen. Boeide de landelijke omgeving hem, de natuur, zo vlak bij zijn ouderlijk huis? Of is het de constructie van de verschillende bouwsels, hun fragiliteit en hun functie?
Ik weet het niet. Wat ik wel kan zien, is dat er een paar onderschriften onder staan. Eerst heeft mijn vader er als gewoonoijk zijn naam en de datum onder gezet, rechts: ‘Piet Mulder 17-4-’45’. Daarna schreef hij links nog de locatie: ‘Kruislaan Amsterdam’. Daarna moet hij helemaal rechts met potlood of verf het jaartal nog eens voluit hebben gezet: ‘1945’. En ten slotte heeft hij alles in het midden van het vel nog eens uitgeschreven, als een onderschrift:
‘Boerderij Anna – Hoeve in de hongerwinter getekend 17-4-’45’.

(meer…)

Ik ga in quarantaine en neem mee…

De Grunberg-plankjes in de boekenkast (fragment)

Door Reinjan Mulder
In mijn quarantaine heb ik de afgelopen weken, goddank, nog een paar duizend boeken binnen handbereik gehad, die ik geen van alle missen kan, maar mocht ik onverhoopt aangestoken worden, en naar een zorginstelling gaan, dan weet ik inmiddels wat ik mee wil nemen:

Tien boeken die mij gevormd hebben:
1. Samuel Beckett, Molloy, Bezige Bij, 1963, dat me in de vertaling van Jacoba van Velde op mijn 16de leerde wat literatuur is;
2. L.F. Céline, Reis naar het einde van de nacht, Van Oorschot, 1968, dat me dank zij Em. Kummer als student leerde wat stijl is;
3. Remco Campert, Bij hoog en bij laag, Bezige Bij, 1965 (1959), dat me liet zien wat poëzie vermag;
4. Graham Swift, Last orders, Picador, 1996, dat me liet inzien wat de Engelsman bezielt;
5. W.G. Sebald, Die Ringen des Saturn, Eichborn, 1995, dat de dunne grens tussen non-fictie en fictie verkent;
6. F.B. Hotz, Dood weermiddel, Arbeiderspers, 1996, dat me de bijzondere wereld van de dingen liet beseffen;
7. Hans-Maarten van den Brink, Over het water, Meulenhoff, 1998, dat me de begeestering door het roeien bijbracht;
8.Oek de Jong, Pier en Oceaan, Augustus, 2012, dat me liet zien wat opgroeien in de provincie is;
9. J.B. Charles, Van het kleine koude front, Bezige Bij, 1962, dat me leerde hoe goed criminologen polemiseren kunnen;
10. Margriet de Moor, Eerst grijs dan wit dan blauw, Contact, 1991, dat me na 25 jaar opnieuw leerde lezen.

Met Carolijn Visser de wereld rond, samenstelling en inleiding Reinjan Mulder

Tien boeken die ik zelf mocht (helpen) vormen:
1. Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid, De Geus, 2000, dat een nieuwe Arnon Grunberg liet zien;
2. Vamba Sherif, Het land van de vaders, De Geus, 1999, dat Afrika zijn eigen Aenaeis gaf;
3. Kader Abdolah, Spijkerschrift, De Geus, 2000, dat de essentie van de migratie verbeeldt;
4. Sana Valiulina, Didar & Faroek, Meulenhoff, 2006, dat mij leerde hoe (auto)biografie literatuur wordt;
5. Thomas Heerma van Voss, Verdwenen boeken, Babel & Voss, zomer 2020, de opvolger van Onzichtbare boeken, over tien jaar Babel & Voss;
6. Sandra van Beek, De grote illusie, De Geus, 2000, dat in het echtpaar Waller de romantiek van de vroegere kunstjournalistiek eert;
7. Henna Goudzand, Hele dagen in de regen, De Geus, 2004, dat de tragiek van de dekolonisatie toont;
8. Elizabeth Nobel, Land van zal, Meulenhoff, 2006, dat het bestuurlijk dilemma van het kolonialisme verbeeldt;
9. Carolijn Visser, De hele wereld, Meulenhoff, 2003, dat een autobiografie in 49 reisverhalen werd;
10. Reinjan Mulder, Zwavelwater, Boom, 2019, dat

(meer…)

Het Weense masker van Arnon Grunberg – De geschiedenis van Marek van der Jagt

Schliersee 1998. Reinjan Mulder ontmoet Arnon Grunberg alias Marek van der Jagt. Foto Claire Weeda – Bijzondere Collecties / Allard Pierson Museum

Twintig jaar geleden werd literair Nederland opgeschrikt door een opvallende, nieuwe schrijver die in één klap tot de voorste linies wist door te dringen: Marek van der Jagt. In het jubileumboek van De Geus (2008) beschreef Anneloes Timmerije hoe Arnon Grunberg en Reinjan Mulder in alle stilte hun geruchtmakende coup hadden voorbreid. Hier volgt haar tekst:
Door Anneloes Timmerije
‘Wie kent deze man?’ kopte het dagblad BN/De Stem in september 2000. De krant loofde een prijs uit aan degene die literatuurminnend Nederland het verlossende antwoord kon bezorgen. Maar de kans dat iemand de jongeling met het non-descripte gezicht zou herkennen, was miniem. Bovendien was de Amerikaan die zijn gezicht had geleend voor deze gelegenheid niet degene die wij wilden leren kennen – maar dat wist toen nog niemand. Wat lezers, en uitgevers, en krantenredacties wilden weten was: Wie is Marek van der Jagt?
`De manier waarop we De geschiedenis van mijn kaalheidin de markt hebben gezet, was een schoolvoorbeeld van hoe je een veelbelovende debutant pusht’, zegt Reinjan Mulder nu. `Alleen gaat dat meestal helemaal mis. Maar deze keer lukte alles, alles.’
Reinjan Mulder kende Arnon Grunberg al lang voor hij in maart 1998 van de krantenwereld overstapte naar uitgeverij De Geus. Hij kende de schrijver ook al voor die schrijver werd. Het moet rond 1992 zijn geweest dat Mulder, destijds literatuurredacteur van NRC Handelsblad, een persbericht aantrof over een nieuw opgerichte uitgeverij, genaamd Kasimir. De missie van de nieuwe uitgever was in het oog springend: `niet-arische literatuur’. Redacteur Lucas Ligtenberg werd erop uitgestuurd om de onbekende jonge uitgever te interviewen en zo leerde de redactie Arnon Grunberg kennen. Als uitgever. Later vroeg Mulder zijn medewerker Chris van Esterik nog een paginagroot stuk – de opening van het Cultureel Supplement – over een van Kasimirs eerste uitgaven te schrijven, een boek van Manès Sperber. Tijdens Vers voor de Pers vroeg Reinjan Mulder aan Grunberg of deze publiciteit nog iets voor de verkoop van het boek had gedaan. Die bleek verdubbeld: van zeventig naar honderddertig exemplaren.
`Dat schiep een band’, zegt Mulder.
Zijn tweede ontmoeting met Grunberg vond plaats (meer…)

Een boek met twee kanten – Oek de Jong’s Zwarte schuur

Zwarte schuur in Ovezande (Zeeland), die mogelijk model heeft gestaan voor Zwarte schuur. Foto © Herman Doeleman, 2020

Door Reinjan Mulder
Zwarte schuur, de prachtige, kloeke roman van Oek de Jong die eind vorig jaar op bijna alle eindejaarslijstjes terechtkwam, ziet er in mijn boekenkast uit als twee boeken. Rechts een opvallend, kleurig boek, met korte, blauwe penseelstrepen op de rug, en links een wat dunner en somberder werk, met een egaal zwarte rug waarop rode en blauwe kapitalen zijn uitgespaard: OEK DE JONG ZWARTE SCHUUR.
De symboliek van het boekontwerp van Tessa van der Waals laat aan duidelijkheid weinig te raden over. Behalve een boek over een kunstschilder – zijn portret staat ten voeten uit op de voorkant, met onder zijn arm een klein schilderij – is Zwarte schuureen boek vol duisternis, een roman over schuld, over de diepere gronden die de op het oog zo levenslustige schilder van de voorkant naar beneden trekken, de ondergang tegemoet. Haal je het boek uit de kast en leg je het op tafel, dan lijkt de schilder op een zwarte steen te liggen, opgebaard boven een graf.
De plot van het boek, als je dat zo kunt noemen, staat al op de binnenflap, dus ik  verklap geen geheim als ik zeg dat die zwarte achterkant van De Jongs hoofdpersoon alles te maken heeft met de ‘misdaad’ die hij op zijn 14debeging. Of je het dan nog wel een misdaad mag noemen, op die leeftijd, laat ik graag de rechtsgeleerden over die de schrijver volgens zijn ‘Verantwoording’ heeft geraadpleegd, maar het was (meer…)

De laatste verzetsdaad – in memoriam Carl H.L. Hulscher (1900-1991)

Voorjaar 1945, het verzet plakt in de Lekstraat illegale bulletins aan. Foto van Carl Hulscher, opgenomen in De Tweede Wereldoorlog in Honderd Foto’s (2020) en de collectie van het Verzetsmuseum.

Door Reinjan Mulder
Het eerste verjaarscadeau dat ik me herinner, was een aap. Een slappe, stoffen aap in een clownspak, die mijn oma en opa Hulscher uit Amsterdam meebrachten. Een jaar of twee later kreeg ik van mijn opa en oma Mulder een zware, opwinbare Märklintrein, met veel ijzeren rails, wissels en een voetbrug. Die beide kado’s heb ik mijn leven lang gekoesterd, maar niet veel later kwamen ook de eerste boeken. Gouden boekjes eerst, en al snel daarna verantwoorde kinderboeken van mijn Amsterdamse grootouders, een KrisKras-omnibus, Wiplala, Het verloren koffertje, en als ze van mijn Geldermalsense vriendjes kwamen Prisma-pockets. Op de Markt bij boekhandel Hoogstaden werden die verkocht voor 1,25, wat in die tijd het geijkte cadeau-bedrag was voor vriendjes van de Openbare Lagere School B. Rond mijn twaalfde had ik het enerverende De laatste reis van de Nightwatch gekregen, over een zeiltocht met een gammel, klein jacht over de atlantische oceaan, en Vijftig dagen oerwoud, over twee jongens die zonder eten de jungle introkken en zich vijftig dagen lang in leven hielden met bessen, paddenstoelen en knollen, en zelfs hun kauwgompje tegen een klapperboom plakten ze voor ze het bos ingingen, en het duurde niet lang of daar kwamen rond mijn veertiende de geliefde Biggles-boeken bij, vol wilde avonturen van de sympathieke, Britse oorlogsvlieger James Bigglesworth.

Piet Mulder, Reinjan, 11 januari 1956

Ook al die boeken, een steeds langere rij naast mij bed, moeten mij hebben gevormd hebben tot wie ik ben, iemand die er graag op uittrekt, op avontuur, totdat ik op mijn verjaardag een pakje uit de speelgoedwinkel kreeg, waarin een zelf af te bouwen modelvliegtuig bleek te zitten.
Dat was andere koek. Een modelvliegtuig, met alles erop en eraan, dat kenden wij thuis nog niet.
Ook dat moet mij behoorlijk hebben gevormd tot wie ik ben, maar op een andere manier dan de aap, de trein, en de Prisma-pockets. Uren lang zat ik het eerstvolgende weekend met Velpon de vele plastic onderdelen aan elkaar te lijmen, nadat ik ze voorzichtig van het dikke staafje plastic had losgewrikt waaraan ze vastzaten. En ja hoor, aan het eind van de zondagmiddag had ik een volledig, zelfgebouwd propellervliegtuigje in mijn handen, dat op een voetje op de plank boven het opklapbed in mijn kamer kwam te staan, alsof het daar voor het slapen gaan heel laag (meer…)

Meest gelezen in 2019 – Veel aandacht voor de slavernijroman van Cynthia Mc Leod en Betuwse schilders

Door onze mediaredactie
UPDATE 31-12-19. Op de top-tien met meest gelezen artikelen op Das Zahngold van de afgelopen 10 jaar was de recensie van Cynthia Mc Leods roman Hoe duur was de suiker over de slaverij in Suriname in 2019 de grootste stijger. Haar nog altijd actuele boek kwam begin dit jaar binnen op de top-tien en steeg binnene een jaar naar de 5de plaats, direct achter de veel gelezen necrologie van Nanne Tepper en het Engelse stuk over de Betuwse schilder Piet Mulder (1919-2001) die in 2019 zijn 100ste geboortejaar had, en nog voor het artikel over de al even Betuwse plaatsvervangend leider van het nationaal-socialistische schildersgilde Jan van Anrooij en de necrologie van Joost Zwagerman, Maar ook deze laatste stukken werden dit jaar aanzienlijk vaker opgevraagd, het aantal door Google geregistreerde lezers nam daar ten opzichte van 2018 met 20% (Tepper), 32% (Piet Mulder), 66% (Van Anrooy) en 12% (Zwagerman) toe.
Omdat er in 2019 van redacteur Reinjan Mulder twee bewerkelijke boeken uitkwamen, verschenen er minder nieuwe stukken op Das Zahngold dan in eerdere jaren. Het totale aantal bezoekers bleef daardoor achter bij 2018, en zeker bij topjaar 2017. In 2019 telde Google Analytics 18.092 pageviews, bijna een kwart minder dan in 2018, vooral dank zij de veel gelezen oudere stukken.
Daar stond tegenover dat de gemiddelde leestijd, een indicatie voor de aandacht waarmee stukken gelezen worden, nog behoorlijk steeg: met 16%, zodat er in totale aandacht niet veel teruggang optrad. Minder lezers lazen ook in 2019 weer langer, en waarschijnlijk ook meer.

Reinjan Mulder, Doeschka Meijsing in Laag Keppel, 1975.

Onder de veel gelezen reportages en artikelen op Das Zahngold deden zich, afgezien van de recensie van Hoe duur was de suiker, weinig spectaculaire veranderingen voor. Meest gelezen was in 2019, net als in 2018, de necrologie uit 2012 van schrijfster Doeschka Meijsing, met een piek na het TV interview met Maxim Februari, gevolgd door het nog altijd veel bezochte heftige gesprek met Connie Palmen na de dood van Ischa Meijer, dat op enige afstand werd gevolgd door de necrologie van de in 2017 gestorven etser Jan Montijn, de hoofdfiguur van D.A. Kooiman’s veelgelezen roman Montyn. Het aantal lezers van deze laatste stukken, zoals geregistreerd door Google, lag in 2019 echter lager dan in het voorafgaande jaar: geen van deze drie kwam nu bij Google Analytics boven de duizend lezers en alleen van de Montijn-necrologie steeg het aantal geregistreerde lezers nog licht, met 6%, van 359 naar 376, net iets vaker dan één keer per dag.
Na Cynthia Mc Leod deden zich de grootste stijgingen voor bij een tweede stuk over de NSB-schilder Jan van Anrooij (+66%), waarin de resultaten van een gemeentelijke onderzoek bij het Nationaal Archief naar hem worden vermeld, bij het stuk over de dit jaar 75 jaar geleden geboren Duitse schrijver W.G. ‘Max’ Sebald (+50%), met name na de reportage over de tentoonstelling over hem die nu in Norwich is te zien, terwijl een interview met wat in de vergetelheid geraakte schrijver M.M. Schoenmakers over zijn Surinaamse romancyclus Stroomafwaarts en stroomopwaarts nu zelfs aanzienlijk meer (meer…)

De ringen van Saturnus – Op zoek naar W.G. ‘Max’ Sebald

Door Reinjan Mulder
Vandaag is het 18 jaar geleden dat in Engeland de schrijver W.G. Sebald overleed, de Duitse auteur van gecompliceerde boeken als De emigrés,De ringen van Saturnus en Austerlitz. Het duurde toen nog even voordat dit nieuws in Nederland doordrong. Ik las het zelf pas half januari in een krant. Maar mijn eerste gedachte was toen dat Max Sebald, zoals hij zich noemde, waarschijnlijk zelf voor zijn dood had gekozen. Ik wist van de zware depressies waaraan hij leed, en als ik dat niet wist, dan had ik het wel uit zijn boeken afgeleid, die meestal vol onheilstijdingen en gevoelens van wanhoop staan.
Maar ik had me vergist. Mijn vermoeden werd tegengesproken door iemand van zijn Engelse uitgeverij die me vertelde dat Sebald met zijn auto was verongelukt, in de buurt van Norwich waar hij woonde, en dat dit beslist geen opzet was geweest. Zijn dochter Anna had naast hem in de auto gezeten, en zij was door het ongeluk zwaar gewond geraakt. Sebald zou nooit dat risico hebben genomen. Vermoedelijk was hij verblind geweest door de laag staande zon, die in Norfolk in deze tijd van het jaar nooit ver boven de horizon uit komt.
Sinds kort weet ik echter dat ook deze, veel vriendelijker versie van Sebalds dood niet klopt. De schrijver is niet met zijn auto verongelukt. Op die fatale 14de december 2001 werd Sebald  in zijn auto getroffen door een gescheurd aneurysma, een storing in de aorta. Sectie door een patholoog-anatoom heeft dat later uitgewezen. De auto waarin hij met zijn dochter zat, botste vervolgens tegen een tegemoetkomende vrachtauto, maar toen was Sebald al dood. Het ongeluk trof zo  (meer…)