Bij het verschijnen van de biografie van Hugo Claus: een fabriek die niet te stuiten is – een interview uit 1983

Door Reinjan Mulder
Deze week verscheen van Marc Schaevers de lang verwachte biografie van Hugo Claus. Belangrijke plaats daarin neemt Claus’ Magum Opus Het verdriet van België in. Over dit boek interviewde ik de schrijver in 1994 in Antwerpen, maar 11 jaar jaar eerder sprak ik Claus daar ook al even over, in Gent, samen met mijn NRC-collega Hans Maarten van de Brink, met wie ik een grote reportage over Gent en zijn schrijvers maakte. Hieronder ons verslag van dat eerste, memorabele bezoek in 1983, aan de vooravond van het verschijnen van Het verdriet van België.

HUGO CLAUS: ‘IK BEN EEN FABRIEK DIE NIET TE STUITEN IS’

‘De God van Gent ‘wordt hij genoemd. Hugo Claus, die in 1983 tijdens de Nacht van de Poëzie een lang gedicht over de bandiet Jan de Lichte zal voorlezen, was op dat moment sinds een jaar of vijf weer terug in de stad die hij ‘mijn domein’ noemde. Zijn drie broers wonen er, zijn ouders, zijn wettige echtgenote, zijn zoon en veel van zijn kennissen, ‘al of niet debiel’. Zijn terugkeer, na verblijven in Amsterdam, Parijs en op het platteland, is volgens Claus dit keer definitief. ‘Ik heb het gevoel,’ zei hij, ‘dat ik hier niet aldoor op terrassen moet zitten, vrouwen achterna lopen, herrie zoeken en beschonken taal moet uitslaan met vrienden tot de dageraad. In een provinciestad als deze, waar betrekkelijk weinig gebeurt en men zich dus zal moeten vervelen — al ken ik dat begrip nauwelijks —  ben ik wel verplicht aan het werk te gaan. Grote steden halen het donkere en het kwalijke in mij naar boven, daar moet ik mezelf tegen beschermen. Niet dat het leuker is om met schrijven of schilderen be zig te zijn, maar als het af is geeft het meer voldoening. Terwijl ik natuurlijk best weet dat dat onzin is. Ik kan veel beter op het strand in Antibes gaan liggen en me laten toewuiven door een rosse Engelse verpleegster. Maar dan ga je je schuldig voelen, dat ls die besmetting van het katholicisme…’
Hugo Claus ontving ons in februari 1983 in zijn monumentale huis aan de Kasteellaan. Zijn zesde woning in de laatste vijf jaar. Het voorlaatste huis was net geheel naar zijn zin verbouwd toen hij het weer moest verkopen om een belastingaanslag te kunnen voldoen. Nu huurde hij, ‘als een eenvoudige kantoorklerk’. Ook wanneer we onze bewondering voor de smaakvol ingerichte, monumentale vertrekken uiten, blijft hij mismoedig rondkijken; het is niet de laatste verhuizing geweest.
Hij reageerde ironisch en verbaasd op onze indruk, dat Gent bruist van nieuw talent en interessante gebeurtenissen. Claus: ‘Zozo, jonge dichters, En wat doen die dan? Houden die soms jam-sessions met wat gedichten er tussendoor? Dat zou natuurlijk kunnen, maar daar weet ik niets van. En theater? Daar ga ik nooit heen. Hoogstens twee keer per jaar als er een vriend optreedt die daar prijs op stelt. Ik vind theater een zeer gênante bezigheid om te ondergaan. Ik maak het, als regisseur, maar ik kan het niet opbrengen om te gaan zitten kijken wat de boys nu weer uitgespookt hebben, hoe ze zich aanstellen. Volwassen mensen die doen of ze een ander zijn, meestal nog niet goed ook. Guido Lauwaert heb ik maar één keer zien optreden, in een adaptatie van Macbeth. Dat was beneden alle peil. Een ramp. Lijmen schijnt hij weer heel goed te doen, maar ik ken dat boek en ik weet hoe Guido toneelspeelt, ieder moment van de dag ook als hij hier zit met een glaasje Spa, dus wat zal ik naar hem gaan kijken?’

Monnikenbestaan
Het ‘monnikenbestaan’ dat Hugo Claus leidt, afgezien van de bezoeken aan de club van zijn broer Guido, zou garant staan voor een grote literaire produktie. De volgende week zou Het verdriet van België verschijnen, een familieroman van bijna achthonderd pagina’s. Claus daarover: ;Ik zag laatst in een bundel interviews dat ik dat boek twintig jaar geleden met veel panache en protserigheid al had aangekondigd. Zes jaar geleden heb ik pas een eerste lijvige versie gemaakt, maar die heb ik weggegooid op een paar stukjes na. Eén daarvan is het verhaal ‘De verzoeking’ geworden, over een oude non. Maar twee jaar geleden ben ik opnieuw aan Het Verdriet begonnen, ik had beloofd het in 1982 in te leveren. Op 31 december heb ik dat dan ook gedaan, in een Amsterdams hotel aan het voltallige gezelschap van de uitgeverij. Met champagne erbij, zoals dat hoort; zoiets moet met een beetje flauwekul gepaard gaan.’
Wat het voor boek is? ‘Schrijf maar op: het is om te lachen. Nee, serieus, ik weet het niet. Ik zit nog in de postnatale depressie, dat licht comateuze gevoel waarbij je niet weet wat je afgeleverd hebt. Als ik het vergelijk met het werk van andere auteurs in de afgelopen vijftig jaar dan vind ik het het beste wat er geschreven is. Maar vergeleken met mijn meesters — Dante, Shakespeare, Faulkner? Ik weet het niet, ik moet wachten op het oordeel van die paar mensen die ik min of meer vertrouw. Veel tijd voor mijn gewetensonderzoek heb ik gelukkig niet. Op 1 januari begon ik alweer te wennen aan de gedachte dat Polonius met zijn dochter naar bed moest; ik ben bezig met een Hamlet-vertaling. Daarnaast bereid ik de verfilming van De Leeuw van Vlaanderen, van Hendrik Conscience, voor. Dat wordt een speelfilm en daarna een serie van vier televisieprogramma’s, in opdracht van de BRT en de KRO.’
Naast proza en toneel schreef Claus ook nog altijd gedichten, vettende hij. ‘Dat is één van de vreugden die mij gegeven is: het apparaatje van de dichter dat zich blijft opladen en, als hij niet al te lui is, regelmatig produceert. Dat werkt congenitaal, al vanaf mijn twaalfde. Na mijn dood zal blijken dat ik een groot dichter was. Publiceren hoeft niet. Ik schilder ook zonder dat er tentoonstellingen zijn. Ik ben een fabriek die niet te stuiten is.’
Het lange gedicht dat Hugo Claus in Utrecht wilde voorlezen was al drie jaar eerder verschenen in een beperkte oplage, bij de Antwerpse luxe-uitgeverij Ziggurath. ‘Ik geloof niet zo erg in het regelmatig laten verschijnen van dichtbundels. Als je gedichten publiceert bast er toch geen hond naar. Dan kan ik het maar beter helemaal elitair doen: bibliofiel, tegen een hoge prijs, met een ets van één van mijn vrienden.’ Als voorbeeld haalde hij zijn in oktober 1982 verschenen bundel Almanak aan, die 366 knittelverzen bevat. ‘Daar is in de Nederlandse pers geen letter over verschenen. Ja, op één strookje in NRC Handelsblad na.’ Verontwaardigd mat Claus voor ons op het tafelblad uit hoeveel ruimte Wiel Kusters in deze recensie besteedde aan achtereenvolgens een behandeling van het begrip knittelvers, een oude almanak van zijn grootmoeder, een gedicht uit die almanak, een commentaar op dat gedicht, het motto van Claus’ bundel (van Baudelaire) en tenslotte — angstig dicht bij de rand van het tafelblad — ‘een paar regels van mij’.

Totale stilte
‘Dat is dus wat letterlievend Nederland mij te bieden heeft, na zes maanden werk. Totale stilte. Dat is onbeschoft, onbehoorlijk, onbeschaamd. In je hart blijf je immers altijd het jongetje van vijftien met de ontvankelijke ziel: je denkt dat er iemand iets tegen je zal zeggen als je iets publiceert, al is het negatief.’ Hoewel Hugo Claus het voordragen van zijn werk eigenlijk geen zinvolle bezigheid vindt, was de behoefte aan een reactie wel één van de motieven om tijdens de Nacht van de Poëzie aan te treden. ‘Je verbeeldt je dan toch dat je contact hebt met de 2000 of 3000 mensen die daar zitten. Het is de zelfde reflex die je toneel doet schrijven: als de mensen niet al te beestachtig reageren weet je meteen dat het werkt. Bij een roman kom je daar nooit achter. Ik weet nu al hoe er over Het Verdriet geschreven gaat worden. De kernwoorden zijn: autobiografie, Louis Paul Boon, Belgische politiek tijdens de oorlog — allemaal dingen die met het boek als zodanig niets te maken hebben.’
Tot slot van ons bezoek spraken we nog wat door over Gent. Hugo Claus wilde wel verraden dat het niet alleen het provinciale is, dat hem er trok. ‘Het is natuurlijk ook een leuke stad. Net iets groter dan Brugge en niet zo popperig-toeristisch. Vrijer, prettiger dan Antwerpen. Daar heb ik een maand of zes geprobeerd te wonen, dat ging niet. Net zo min als in Brussel.’
Hugo Claus benadrukte nog eens dat hij met België — de staat, de kerk, de burgerij — niets te maken had.  Hij was geen man van clubjes. ‘Natuurlijk erger ik me nog steeds aan dit land, maar minder dan vroeger en nu vooral om egoïstische redenen. Het bevordert de adrenaline. Zo’n zaak-Jespers, de folklore van kleine corruptie in een provinciestad, is natuurlijk heerlijk. Maar me werkelijk engageren? Nee, dat is de werkelijkheid — ik schrijf boeken over wensdromen.’

Het interview van H. M. van de Brink en Reinjan Mulder met Hugo Claus waarop bovenstaand verslag is gebaseerd, verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 11 maart 1983. Click hier voor het interview over Het verdriet van België in het speciale Hugo Claus nummer van het Cultureel Supplement. 

Geef een reactie