‘Wie schafft er das?’ Reinjan Mulder, multitalent tussen strafrecht, literatuur en kunst (voorpublicatie)

Reinjan Mulders geboortehuis in Geldermalsen, nadat het buurpand in 1944 door de Duitsers was platgebrand uit wraak voor de Spoorwegstaking (foto Carl Hulscher / Verzetsmuseum)

Op 1 augustus verschijnt bij uitgeverij Volkverlag in München Schwefelwasser, de Duitse vertaling van Reinjan Mulders boek Zwavelwater (Boom, 2019). De historica dr. Ingvild Richardsen schreef het nawoord, waaruit hier als voorpublicatie een fragment over de achtergronden van de schrijver. Hoe kan iemand gelijktijdig jurist, journalist en kunstenaar zijn?
Door Ingvild Richardsen
Zusammengedrängt auf wenige Zeilen findet sich auf dem Umschlag des vorliegenden Buchs eine Zusammenfassung der beruflichen Tätigkeit von Reinjan Mulder, die doch einige Fragen aufwirft. Wie schafft es ein Jurist und Wissenschaftler, gleichzeitig als Journalist, Literaturkritiker, Verleger, Schriftsteller und Künstler zu arbeiten? Im folgenden seien einige Schlaglichter geworfen: auf seine Herkunft, Ausbildung und beruflichen Werdegang sowie auf prägende Geschehnisse, Personen und Jahre.
Dass der Niederländer Reinjan Mulder 1949 in Geldermalsen, einem Dorf in der Nähe der Kleinstadt Tiel, geboren wurde, hing mit der beruflichen Tätigkeit seines Vaters zusammen, der 1945, unmittelbar nach dem Ende des Zweiten Weltkriegs und der deutschen Besatzungszeit, von der niederländischen Eisenbahn, Nederlandse Spoorwegen (NS), für die er arbeitete, in die Gegend der Betuwe versetzt worden war.

Piet Mulder, Zelfportret als poppenspeler (fragment), olieverf op doek, ca. 1955.

Piet Mulder (1919-2001), im südlichen Sint Jansteen geboren, hatte in Amsterdam studiert an der dortigen Technischen Hochschule, und sich auf Bauwerke, den Neubau von Brücken und Häusern spezialisiert. Nachdem er 1942 eine Stelle als technischer Zeichner bei der niederländischen Eisenbahn im Hauptamt in Utrecht erhalten hatte, wurde er wenig später technischer Inspektor, mitverantwortlich für die Beaufsichtigung großer Bauwerke, Bahnhöfe, Viadukte und Brücken der Eisenbahn. Parallel dazu besuchte er in seiner Freizeit die Abendschule an der Kunstakademie (meer…)

Op bezoek bij het Oostduitse Ministerie van Justitie – Levensinstelling bepalend voor de strafmaat

In het boek Geestdrift met verstand memoreert Rob Hartmans hoe ik op 19-jarige leeftijd, net als Huub Beurskens, in De Groene Amsterdammer als dichter debuteerde. Belangrijker voor mij was echter dat ik niet zo veel later, op 26 juni 1971, als journalist en criminoloog in het blad debuteerde. Op verzoek van mijn Duitse redacteur zocht ik het oorspronkelijke stuk nog eens terug: ‘Levensinstelling bepalend voor de strafmaat‘.
In de aankondiging wordt vermeld hoe in
april 1971, kort voor de val van Walter Ulbricht, een groep Amsterdamse studenten onder leiding van hun hoogleraar Enschedé de toenmalige DDR bezocht, om daar een kijkje in het Oostduitse strafrecht te nemen. Een van die studenten was ik. De dooi had ingezet tussen Oost en West, en als eerste groep uit West-Europa werden wij op het voorheen zo gesloten ministerie van Justitie van de DDR ontvangen. Ook woonden we later die dag in het Paleis van Justitie nog een socialistische strafrechtszitting bij.
Over deze totaal nieuwe ervaring schreef ik een artikel voor De Groene, dat 49 jaar geleden in de krant verscheen, als opmaat voor het  proefschrift Misdaad en macht waarop ik op 1 juli 1980 aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde.
Door Reinjan Mulder
Over de hele voorgevel van het Oostduitse ministerie van Justitie aan de Clara Zetkinstrasse in Oost Berlijn hangt een rood spandoek. In witte letters staat er een tekst op met woorden als vrede, vooruitgang, socialisme en arbeid. Om tien uur gaan we door een glazen deur rechts onder de poort naar binnen. Een vriendelijke man geeft ons een hand en gaat ons voor naar de conferentiezaal. In de hal worden we zwijgend bekeken door nieuwsgierige mensen. Er hangt een levensgroot portret van Lenin aan de muur.
De conferentiezaal wordt gevuld door een grote u-vormige tafel, waarop flesjes limonade, bronwater, flesopeners en glazen, en bij iedere stoel liggen twee boeken. Das neue Strafrecht – bedeutsamer Schritt zur Festigung unseres sozialistischen Rechtsstaates en, in het Engels, The penal laws of the GDR. Aan het hoofd van de tafel zit een zevental heren, alle zeven met een partei-insigne in het knoopsgat tegen een achtergrond van witte reliëfs, een arbeider en een moeder met twee kinderen. Op een sokkel het bronzen hoofd van (meer…)

Zeven jonge gymnasiasten – een verjaardagsfoto uit 1961

Door Reinjan Mulder
Al kort na de oorlog moet er in Geldermalsen zijn doorgedrongen dat Amerikaanse fotografen hun modellen vaak ‘cheese’ lieten zeggen als ze op de foto gingen, zodat er een ongewoon blije atmosfeer werd gesuggereerd. Toen er op mijn twaalfde verjaardag aan het eind van de feestelijkheden dan ook een groepsfoto van ons allen moest worden gemaakt, deed – op mijn klasgenoot Henk Meulink na – iedereen op een teken van mijn vader keurig tegelijk: ‘cheese!’
Nooit moet ik zo’n leuke verjaardag hebben gehad als mijn twaalfde. Maar wat mij, tweede rij uiterst links, nu als eerste aan de foto opvalt die bij de ontruiming van mijn ouderlijk huis tevoorschijn kwam,  is hoeveel jongens uit ons bescheiden dorp in 1960 naar het 12 kilometer verder gelegen Stedelijk Gymnasium in Tiel gingen. Alle zes jongens op mijn verjaardagsfeestje, plus ikzelf, zaten in dezelfde klas van dit gymnasium, maar drie van hen kende ik toen al de helft van mijn nog zo korte leven. Van mijn manlijke klasgenoten op gymnasium kwamen er ten minste drie van mijn Lagere School B in Geldermalsen: de grijnzende Klaas Versteegh, Richard Buyserd achter hem en met bril Wimpje Muijs van der Moer, die wij in dat gelukkige schooljaar 1960/1961 nog altijd Wimpje noemden, omdat zijn vader toen nog leefde, die mijn ouders altijd  kortweg Wim Muijs noemden, en ik: ‘oom Wim’.

(meer…)

De Tweede Wereldoorlog in drie boeken: D.A. Kooimans Montyn, Oberski’s Kinderjaren en Tessa de Loo’s Tweeling

Door Reinjan Mulder
In de aanloop naar de 75ste bevrijdingsdag op 5 mei, valt bij Das Zahngold een sterke toename te zien in de belangstelling voor artikelen over de Tweede Wereldoorlog. Met name bij stukken over literaire boeken over deze periode is het aantal lezers de laatste maanden opvallend toegenomen.
Welke boeken waarin de Tweede Wereldoorlog een rol speelt, zijn daarbij het populairst?
Afgaande op de belangstelling voor recensies en interviews op Das Zahngold blijkt er de afgelopen vier maanden steeds meer belangstelling te zijn gekomen  voor:
1. Jona Oberski – Kinderjaren, uitg. Bzztohh, 1978 (+104%)
2. D.A. Kooiman – Montyn, De Harmonie, 1982 (+72%)
3. Tessa de Loo – De tweeling, De Arbeiderspers, 1993 (+67%)
Opmerkelijk aan deze drie artikelen is niet alleen dat ze sinds 1 januari 2020 vaker zijn gelezen dan het gemiddelde stuk, ook is het aantal lezers ervan de afgelopen maanden aanzienlijk sterker toegenomen dan van de andere stukken. Genoeg om de recensie te doen binnenkomen op de tiende plaats van de meest gelezen stukken sinds 2009.
Omdat Das Zahngold geen cookies registreert, zijn er geen cijfers van het absolute aantal bezoekers, maar wel zijn de onderlinge verhoudingen en de bezoekerstrends van alle stukken te achterhalen: terwijl het totale aantal door Google Analytics geregistreerde pageviews de afgelopen 4 maanden met 38% toenam ten opzichte van de voorafgaande vier maanden (op zichzelf al de sterkste stijging sinds het begin van Das Zahngold!), liet het aantal pageviews van de stukken over deze drie oorlogsboeken in totaal bijna een verdubbeling zien: van 67% stijging van het aantal pageviews van het interview met Tessa de Loo over haar geruchtmakende boek De Tweeling in vier maanden tijd, via 72% stijging bij Dirk Ayelt Kooiman’s boek over (meer…)

Deirdre Bair (1935-2020) over Samuel Beckett, Sartre en Beauvoir: ‘Alles behalve de geslachtsdaad’

Door Reinjan Mulder
Toen de deze maand overleden gelauwerde Amerikaanse biografe Deirdre Bair in 1980 haar Samuel Beckett-biografie gepubliceerd had, schreef ze een kort briefje aan Simone de Beauvoir, met de vraag of ze ook over haar een biografie mocht schrijven. Dat mocht, schreef Beauvoir, al had ze zo haar voorwaarden.
Toen er recent een nieuwe Beauvoir-biografie van Kate Kirkpatrick verschenen is, ben ik maar eens gaan klijken hoe zij het werk van Deirdre Bair waardeert. Vaak geven biografen enorm af op hun voorgangers, als ze hen al niet doodzwijgen, maar Kirkpatrick doet dat gelukkig niet. Zo citeert ze met kennelijk genoegen Beauvoirs gedenkwaardige uitspraak tegenover Bair dat er tijdens haar eerste, lange ontmoeting met Sartre ‘alles’ was gebeurd, ‘behalve de geslachtsdaad’. Ik moet aan Clinton denken, en zie het voor me.
Maar ja, zo kan het dus ook. Kate Kirkpatrick waardeert het baanbrekende werk van haar voorganger Deirde Bair zelfs, als de eerste biografie waarin Beauvoir zelf veelvuldig aan het woord komt, al heeft dat haar boek wel sterk gekleurd. Volgens Kirkpatrick laat Bair te veel een Simone de Beauvoir zien zoals de schrijfster en filosofe die zelf het liefst gezien had. De biografie blijft volgens haar te dicht bij Beauvoirs eigen memoires, en ze kende ook nog veel vertrouwelijke stukken niet.
Die focus op Beauvoirs eigen visie was natuurlijk al duidelijk geworden uit de lange lijst met wensen, waarmee de inmiddels bejaarde schrijfster volgens Bair aan kwam zetten bij hun eerste ontmoeting. Had Samuel Beckett zich principieel nooit bemoeid met wat Bair in haar biografie over hem zou schrijven, Beauvoir kwam met een heel eisenpakket, zo vertelde Bair me in 1991 tijdens een interview: “Ik mocht dit niet, en ik mocht dat niet, en ik moest dit doen en ik moest dat doen.”
Maar Bair had die eisen lang niet allemaal ingewilligd, zei ze er direct bij. “Ik heb Beauvoir meteen gezegd dat ik nog niet zo zeker wist of ik dan nog wel een biografie van haar wilde schrijven.”
De schrijfster vroeg 
(meer…)

‘In de hongerwinter getekend’ – Bij een tekening van de boerderij de Anna Hoeve

Door Reinjan Mulder
Tijdens de hongerwinter zat mijn vader Piet Mulder 8 maanden ondergedoken in de Watergraafsmeer. De spoorwegstaking duurde langer dan verwacht en hij doodde de tijd met tekenen. Ook moet hij toen een keer een boom hebben omgehakt.
Bij Anna Hoeve, waar nu het Science Park is, maakte hij 75 jaar geleden, op 17 april 1945, deze tekening. Geen hoogtepunt in zijn oeuvre, zo te zien, hij was toen 25 jaar, maar de datum vertelt – achteraf – wel een sterk verhaal. Nog drie weken tot de bevrijding.
Deze week ben ik er in alle vroegte heen gewandeld. Naast het kippenhok liepen drie trotse kippen maar verder was het net zo stil als toen.
Ik vroeg me af wat mijn in 2001 overleden vader in 1945 naar Anna Hoeve bracht. Honger? In die tijd struinde half Amsterdam het omringende platteland af, in de hoop wat voedsel te bemachtigen. Boeide de landelijke omgeving hem, de natuur, zo vlak bij zijn ouderlijk huis? Of is het de constructie van de verschillende bouwsels, hun fragiliteit en hun functie?
Ik weet het niet. Wat ik wel kan zien, is dat er een paar onderschriften onder staan. Eerst heeft mijn vader er als gewoonoijk zijn naam en de datum onder gezet, rechts: ‘Piet Mulder 17-4-’45’. Daarna schreef hij links nog de locatie: ‘Kruislaan Amsterdam’. Daarna moet hij helemaal rechts met potlood of verf het jaartal nog eens voluit hebben gezet: ‘1945’. En ten slotte heeft hij alles in het midden van het vel nog eens uitgeschreven, als een onderschrift:
‘Boerderij Anna – Hoeve in de hongerwinter getekend 17-4-’45’.

(meer…)

Ik ga in quarantaine en neem mee…

De Grunberg-plankjes in de boekenkast (fragment)

Door Reinjan Mulder
In mijn quarantaine heb ik de afgelopen weken, goddank, nog een paar duizend boeken binnen handbereik gehad, die ik geen van alle missen kan, maar mocht ik onverhoopt aangestoken worden, en naar een zorginstelling gaan, dan weet ik inmiddels wat ik mee wil nemen:

Tien boeken die mij gevormd hebben:
1. Samuel Beckett, Molloy, Bezige Bij, 1963, dat me in de vertaling van Jacoba van Velde op mijn 16de leerde wat literatuur is;
2. L.F. Céline, Reis naar het einde van de nacht, Van Oorschot, 1968, dat me dank zij Em. Kummer als student leerde wat stijl is;
3. Remco Campert, Bij hoog en bij laag, Bezige Bij, 1965 (1959), dat me liet zien wat poëzie vermag;
4. Graham Swift, Last orders, Picador, 1996, dat me liet inzien wat de Engelsman bezielt;
5. W.G. Sebald, Die Ringen des Saturn, Eichborn, 1995, dat de dunne grens tussen non-fictie en fictie verkent;
6. F.B. Hotz, Dood weermiddel, Arbeiderspers, 1996, dat me de bijzondere wereld van de dingen liet beseffen;
7. Hans-Maarten van den Brink, Over het water, Meulenhoff, 1998, dat me de begeestering door het roeien bijbracht;
8.Oek de Jong, Pier en Oceaan, Augustus, 2012, dat me liet zien wat opgroeien in de provincie is;
9. J.B. Charles, Van het kleine koude front, Bezige Bij, 1962, dat me leerde hoe goed criminologen polemiseren kunnen;
10. Margriet de Moor, Eerst grijs dan wit dan blauw, Contact, 1991, dat me na 25 jaar opnieuw leerde lezen.

Met Carolijn Visser de wereld rond, samenstelling en inleiding Reinjan Mulder

Tien boeken die ik zelf mocht (helpen) vormen:
1. Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid, De Geus, 2000, dat een nieuwe Arnon Grunberg liet zien;
2. Vamba Sherif, Het land van de vaders, De Geus, 1999, dat Afrika zijn eigen Aenaeis gaf;
3. Kader Abdolah, Spijkerschrift, De Geus, 2000, dat de essentie van de migratie verbeeldt;
4. Sana Valiulina, Didar & Faroek, Meulenhoff, 2006, dat mij leerde hoe (auto)biografie literatuur wordt;
5. Thomas Heerma van Voss, Verdwenen boeken, Babel & Voss, zomer 2020, de opvolger van Onzichtbare boeken, over tien jaar Babel & Voss;
6. Sandra van Beek, De grote illusie, De Geus, 2000, dat in het echtpaar Waller de romantiek van de vroegere kunstjournalistiek eert;
7. Henna Goudzand, Hele dagen in de regen, De Geus, 2004, dat de tragiek van de dekolonisatie toont;
8. Elizabeth Nobel, Land van zal, Meulenhoff, 2006, dat het bestuurlijk dilemma van het kolonialisme verbeeldt;
9. Carolijn Visser, De hele wereld, Meulenhoff, 2003, dat een autobiografie in 49 reisverhalen werd;
10. Reinjan Mulder, Zwavelwater, Boom, 2019, dat

(meer…)

Het Weense masker van Arnon Grunberg – De geschiedenis van Marek van der Jagt

Schliersee 1998. Reinjan Mulder ontmoet Arnon Grunberg alias Marek van der Jagt. Foto Claire Weeda – Bijzondere Collecties / Allard Pierson Museum

Twintig jaar geleden werd literair Nederland opgeschrikt door een opvallende, nieuwe schrijver die in één klap tot de voorste linies wist door te dringen: Marek van der Jagt. In het jubileumboek van De Geus (2008) beschreef Anneloes Timmerije hoe Arnon Grunberg en Reinjan Mulder in alle stilte hun geruchtmakende coup hadden voorbreid. Hier volgt haar tekst:
Door Anneloes Timmerije
‘Wie kent deze man?’ kopte het dagblad BN/De Stem in september 2000. De krant loofde een prijs uit aan degene die literatuurminnend Nederland het verlossende antwoord kon bezorgen. Maar de kans dat iemand de jongeling met het non-descripte gezicht zou herkennen, was miniem. Bovendien was de Amerikaan die zijn gezicht had geleend voor deze gelegenheid niet degene die wij wilden leren kennen – maar dat wist toen nog niemand. Wat lezers, en uitgevers, en krantenredacties wilden weten was: Wie is Marek van der Jagt?
`De manier waarop we De geschiedenis van mijn kaalheidin de markt hebben gezet, was een schoolvoorbeeld van hoe je een veelbelovende debutant pusht’, zegt Reinjan Mulder nu. `Alleen gaat dat meestal helemaal mis. Maar deze keer lukte alles, alles.’
Reinjan Mulder kende Arnon Grunberg al lang voor hij in maart 1998 van de krantenwereld overstapte naar uitgeverij De Geus. Hij kende de schrijver ook al voor die schrijver werd. Het moet rond 1992 zijn geweest dat Mulder, destijds literatuurredacteur van NRC Handelsblad, een persbericht aantrof over een nieuw opgerichte uitgeverij, genaamd Kasimir. De missie van de nieuwe uitgever was in het oog springend: `niet-arische literatuur’. Redacteur Lucas Ligtenberg werd erop uitgestuurd om de onbekende jonge uitgever te interviewen en zo leerde de redactie Arnon Grunberg kennen. Als uitgever. Later vroeg Mulder zijn medewerker Chris van Esterik nog een paginagroot stuk – de opening van het Cultureel Supplement – over een van Kasimirs eerste uitgaven te schrijven, een boek van Manès Sperber. Tijdens Vers voor de Pers vroeg Reinjan Mulder aan Grunberg of deze publiciteit nog iets voor de verkoop van het boek had gedaan. Die bleek verdubbeld: van zeventig naar honderddertig exemplaren.
`Dat schiep een band’, zegt Mulder.
Zijn tweede ontmoeting met Grunberg vond plaats (meer…)

Een boek met twee kanten – Oek de Jong’s Zwarte schuur

Zwarte schuur in Ovezande (Zeeland), die mogelijk model heeft gestaan voor Zwarte schuur. Foto © Herman Doeleman, 2020

Door Reinjan Mulder
Zwarte schuur, de prachtige, kloeke roman van Oek de Jong die eind vorig jaar op bijna alle eindejaarslijstjes terechtkwam, ziet er in mijn boekenkast uit als twee boeken. Rechts een opvallend, kleurig boek, met korte, blauwe penseelstrepen op de rug, en links een wat dunner en somberder werk, met een egaal zwarte rug waarop rode en blauwe kapitalen zijn uitgespaard: OEK DE JONG ZWARTE SCHUUR.
De symboliek van het boekontwerp van Tessa van der Waals laat aan duidelijkheid weinig te raden over. Behalve een boek over een kunstschilder – zijn portret staat ten voeten uit op de voorkant, met onder zijn arm een klein schilderij – is Zwarte schuureen boek vol duisternis, een roman over schuld, over de diepere gronden die de op het oog zo levenslustige schilder van de voorkant naar beneden trekken, de ondergang tegemoet. Haal je het boek uit de kast en leg je het op tafel, dan lijkt de schilder op een zwarte steen te liggen, opgebaard boven een graf.
De plot van het boek, als je dat zo kunt noemen, staat al op de binnenflap, dus ik  verklap geen geheim als ik zeg dat die zwarte achterkant van De Jongs hoofdpersoon alles te maken heeft met de ‘misdaad’ die hij op zijn 14debeging. Of je het dan nog wel een misdaad mag noemen, op die leeftijd, laat ik graag de rechtsgeleerden over die de schrijver volgens zijn ‘Verantwoording’ heeft geraadpleegd, maar het was (meer…)

De laatste verzetsdaad – in memoriam Carl H.L. Hulscher (1900-1991)

Voorjaar 1945, het verzet plakt in de Lekstraat illegale bulletins aan. Foto van Carl Hulscher, opgenomen in De Tweede Wereldoorlog in Honderd Foto’s (2020) en de collectie van het Verzetsmuseum.

Door Reinjan Mulder
Het eerste verjaarscadeau dat ik me herinner, was een aap. Een slappe, stoffen aap in een clownspak, die mijn oma en opa Hulscher uit Amsterdam meebrachten. Een jaar of twee later kreeg ik van mijn opa en oma Mulder een zware, opwinbare Märklintrein, met veel ijzeren rails, wissels en een voetbrug. Die beide kado’s heb ik mijn leven lang gekoesterd, maar niet veel later kwamen ook de eerste boeken. Gouden boekjes eerst, en al snel daarna verantwoorde kinderboeken van mijn Amsterdamse grootouders, een KrisKras-omnibus, Wiplala, Het verloren koffertje, en als ze van mijn Geldermalsense vriendjes kwamen Prisma-pockets. Op de Markt bij boekhandel Hoogstaden werden die verkocht voor 1,25, wat in die tijd het geijkte cadeau-bedrag was voor vriendjes van de Openbare Lagere School B. Rond mijn twaalfde had ik het enerverende De laatste reis van de Nightwatch gekregen, over een zeiltocht met een gammel, klein jacht over de atlantische oceaan, en Vijftig dagen oerwoud, over twee jongens die zonder eten de jungle introkken en zich vijftig dagen lang in leven hielden met bessen, paddenstoelen en knollen, en zelfs hun kauwgompje tegen een klapperboom plakten ze voor ze het bos ingingen, en het duurde niet lang of daar kwamen rond mijn veertiende de geliefde Biggles-boeken bij, vol wilde avonturen van de sympathieke, Britse oorlogsvlieger James Bigglesworth.

Piet Mulder, Reinjan, 11 januari 1956

Ook al die boeken, een steeds langere rij naast mij bed, moeten mij hebben gevormd hebben tot wie ik ben, iemand die er graag op uittrekt, op avontuur, totdat ik op mijn verjaardag een pakje uit de speelgoedwinkel kreeg, waarin een zelf af te bouwen modelvliegtuig bleek te zitten.
Dat was andere koek. Een modelvliegtuig, met alles erop en eraan, dat kenden wij thuis nog niet.
Ook dat moet mij behoorlijk hebben gevormd tot wie ik ben, maar op een andere manier dan de aap, de trein, en de Prisma-pockets. Uren lang zat ik het eerstvolgende weekend met Velpon de vele plastic onderdelen aan elkaar te lijmen, nadat ik ze voorzichtig van het dikke staafje plastic had losgewrikt waaraan ze vastzaten. En ja hoor, aan het eind van de zondagmiddag had ik een volledig, zelfgebouwd propellervliegtuigje in mijn handen, dat op een voetje op de plank boven het opklapbed in mijn kamer kwam te staan, alsof het daar voor het slapen gaan heel laag (meer…)