Ideeënman – Dirk Ayelt Kooiman als fotograaf en plotbedenker

Door Reinjan Mulder
Wat ik helaas nog mis in het mooie Kooiman-nummer van De Revisor dat deze week verscheen, is de betekenis van de Revisor-oprichter Dirk Ayelt Kooiman als fotograaf. In nummer VI/6 van De Revisor (dec. 1979) dat ik onlangs terugvond, staat een historische foto van een al even historisch proces dat voorop de omslag wordt aangeprezen als ‘de zaak Henneman vs. Océ’. De tekst bij die foto mocht ik als auteursrechtspecialist van de redactie leveren, maar de ietwat vage foto maakte Dirk Ayelt Kooiman, de hoofdredacteur van het roemruchte blad naar alle waarschijnlijkheid zelf.
Het ging in de zaak Henneman vs. Océ om het Kort Geding voor de Rechtbank Amsterdam dat de Revisor-coryfee Jeroen Henneman in 1979 had aangespannen tegen de ‘kunstenaar’, ja tussen aanhalingstekens, André Thijssen, die naar Hennemans mening een beschermenswaardig idee van hem had gestolen.
Wie wil weten wat dat idee was en hoe het allemaal afliep, moet (meer…)

U vraagt, wij draaien – De eeuwige jukebox van Nobelprijswinnaar 2019 Peter Handke

Uitgever Vic van de Reijt (40) bij zijn jukebox

Door Reinjan Mulder
Toen in 1990 Peter Handkes ‘vertelling’ Versuch über die Jukebox verscheen, was dat niet het eerste boek van de nieuwe Nobelprijsinnaar over de moeizame weg die naar de gelukzaligheid leidt. Ook in de jaren daarvoor had hij al aandacht besteed aan zijn zoektocht naar innerlijke rust. Maar nooit eerder wees hij de lezer daarbij op een route die zo dicht langs de afgrond van het alledaagse, het banale loopt als toen. In zijn Essay over de jukebox, zoals het later in vertaling ging heten, bracht Handke niet alleen een ode aan de Engelse en Amerikaanse popmuziek waarmee hij in de jaren zestig was opgegroeid, dat deden er meer, maar hij bezong ook in goed gekozen bewoordingen de gelegenheden  waar deze muziek naar zijn overtuiging het best tot zijn recht kwam. Na een lange aanloop vol aarzelingen en omtrekkende bewegingen zingt hij in zijn bescheiden boek opeens luidkeels de lof van de Amerikaanse jukeboxen. De lichtgevende altaren van merken met namen als als Wurlitzer en Seeburg, die lang geleden hun kunnen toonden in Handkes vroegere woonplaats Salzburg, maar die (meer…)

Met het dagblad Trouw langs de Betuwse locaties die Piet Mulder (1919-2001) op het schildersdoek vastlegde

Door Henny de Lange
Meer dan vijftig jaar lang legde de schilder en tekenaar Piet Mulder (1919-2001) het landschap van de Betuwe in zijn schetsboeken en op het linnen doek vast. Omdat hij honderd jaar geleden werd geboren is er in de zomer van 2019 een speciale kunstroute met elf tentoonstellingen georganiseerd. Het dagblad Trouw fietste met Piet Mulders zoon Reinjan langs enkele van zijn vaders favoriete schildersplekken. Een verslag van die tocht door Henny de Lange stond op 14 augustus in de krant: 

SCHILDER VAN EEN VERDWENEN LANDSCHAP
Als hij de alpinopet van zijn vader op zet, lijkt Reinjan Mulder op zijn vader Piet. Die pet draagt hij op deze stralende dag niet, als hij met zijn fiets staat te wachten bij het station van Beesd. Dat is een een mooi beginpunt voor een tochtje langs plekken die Piet Mulder (1919-2001) vaak heeft vastgelegd. Ruim vijftig jaar lang maakte hij ‘als een razende’ tekeningen en schilderijen van het landschap in de omgeving van zijn huis in Tuindorp in Geldermalsen. Altijd was hij op zoek naar schilderachtige plekken in de Betuwe waarvan hij vreesde dat ze zouden verdwijnen. Dat deed hij naast zijn baan bij het ‘spoor’. Honderd jaar na zijn geboorte zijn in de West-Betuwe nu elf tentoonstellingen te zien van (meer…)

Reinjan Mulder in de Tegernseer Zeitung over zijn boek ‘Zwavelwater’ – Op zoek naar Adriaan Stoop

De Tegernseer Zeitung opende vorige week met een interview met Reinjan Mulder over zijn boek Zwavelwater. Met dank aan de TZ-journaliste Cristina Jachert volgt hier de vertaling.
Door Christina Jachert-Maier
De Nederlander Reinjan Mulder (70) was 17 jaar toen de achterkleindochter van Adriaan Stoop haar halve schoolklas mee naar Bad Wiessee uitnodigde. Nu hij met pensioen is, is hij op zoek gegaan naar wat daar nog van over is. 
‘Zwavelwater’ heet het boek das Reinjan Mulder in april van dit jaar publiceerde. ‘Zwaveljodiumwater zou te lang zijn geweest,’ lacht hij. Hoe je in dat water kunt baden, heeft hij voor het eerst in 2012 uitgeprobeerd. De gemeente Bad Wiessee had het bekende zwaveljodumbad toen net van de Nederlandse eigenaren overgenomen.  Die ochtend was Mulder de enige gast in het ernorme, oude jodiumbad. ‘Een sterke vrouw heeft mij toen in bad gedaan, iets wat ik normaal altijd zelf doe,’ zegt Mulder, zodat hij zich al snel weer een kind voelde. ‘Het was een echte Jungbrunnen, een verjongende bron. En ik was weer 17, net als toen.’
Dat was in 1966. Mulder had zojuist zijn eindexamen op zak en hij werd uitgenodigd om mee op reis te gaan. Reinet van Haeften nodigde na dat examen tien klasgenoten uit voor een zomervakantie in Duitsland.
‘Mijn moeder was reuze trots op die uitnodiging,’ herinnert Mulder zich. Want terwijl de Mulders een eenvoudig leven leidden, was Reinets familie in hun dorp rijk en bekend. ‘Het verhaal ging dat zij in Duitsland een heel dorp bezaten.’
Dat dorp heette (meer…)

Je bent wat je zegt – Bij het lezen van Marco Balzano’s roman ‘Ik blijf hier’

Recensie van: Marco Balzano, Ik blijf hier. Vert. Edwin Krijgsman. Uitg. De Arbeiderspers, {rijs €19,99. .
Door Reinjan Miulder
Hoe belangrijk is een landschap voor de mensen die er wonen? De locatie, de plek, de fysieke verbinding tussen de bewoners, met hun huizen, hun wegen, hun velden. In de verrassende roman Ik blijf hiervan de Italiaanse schrijver Marco Balzano (1978) maken we kennis met zo’n geliefde plek: een meerdal in Zuid Tirol, niet ver van het drielandenpunt tussen Oostenrijk, Zwitserland en Italië, dat onder water dreigt te verdwijnen door de bouw van een stuwdam.
‘Onze dorpjes zouden worden begraven onder het water,’ heet het in het begin van het boek. ‘De boerderijen, de kerk, de werkplaatsen, de weiden waar de dieren graasden: alles onder water.’ Door de stuwdam zouden de inwoners hun huizen, hun dieren en hun werk kwijt raken, waardoor er niets meer ‘van ons’ overblijft.
Met dat dubbelzinnige ‘van ons’ wordt al meteen de grondigheid van de vernietiging geaccentueerd. Niet alleen zal er na de bouw van de stuwdam niets meer overblijven van wat ‘van ons’ was, de bezittingen, ook de bewoners zelf zouden kunnen verdwijnen. In ieder geval verdwijnen de mensen zoals ze nu zijn.
In Ik blijf hier is de plek waar mensen wonen zo goed als alles voor (meer…)

Zag da’s wat! – Bij de 85ste verjaardag van Marinus Boezem

In de Oude Kerk in Amsterdam is vanaf deze week ‘Into the air’ te zien, een bijzondere installatie van de nu 85-jarige conceptuele kunstenaar Marinus Boezem. De afgelopen jaren is mijn werk uit de jaren zeventig een paar keer met dat van Boezem vergeleken. Die vergelijking verraste mij de eerste keer nogal. Boezem en ik komen weliswaar allebei uit de Betuwe, hij uit Leerdam en ik uit Geldermalsen, maar de eerste keren dat ik van de 15 jaar oudere Boezem hoorde, was dat uit de mond van mijn vader, die maar weinig waardering voor hem op kon brengen. Sterker nog: in hekeldichten gingen de twee kunstenaars elkaar in 1960 zelfs zodanig te lijf dat de stukken eraf vlogen. In het recent verschenen boek ‘Piet Mulder – Schilder van het Betuws Landschap‘, schrijf ik hoe dat kwam. Hieronder een fragment:
Door Reinjan Mulder
Vanaf het midden van de jaren zestig was mijn vader lid van de Kunstenaarssociëteit in Tiel, een gezellige vereniging waar hij samen met kunstenaars als Jan Wieringa (1919-1994), Jan van Ham (1904-1989) en Johan Ponsioen exposeerde en naar model tekende. Maar vóór die tijd, van 1957 tot 1966 bestond er in de Betuwe een nog wat actievere vereniging voor kunstenaars: de Kontaktkring voor Beeldende Kunst tussen de Grote Rivieren, afgekort KBKGR. Veel leden had die vereniging niet, als je bedenkt hoeveel mensen er in dit gebied woonden: op zijn hoogtepunt een stuk of twintig. Kunst was in de jaren vijftig nog bijna contrabande in de Betuwe. Maar ze kwamen des te vaker samen en ze exposeerden ook veel, door de hele Betuwe heen, van Gorcum tot Culemborg en Tiel.
Vanaf de oprichtingsvergadering in Leerdam was mijn vader actief lid van de vereniging en vanaf 1959 was hij zelfs zowel voorzitter als redacteur van het gestencilde en in elkaar geniete mededelingenblad Kontakt, volgens de mode van die tijd met twee K’s geschreven, en komisch afgebroken tussen de ‘kont’ en de ‘akt’.
Voor zover ik me herinner waren bijna alle kunstenaars in de Betuwe in die tijd lid van de Kontaktkring, al was bijna niemand beroeps. Sommigen van hen waren als vormgever aan de glasfabriek in Leerdam verbonden, anderen zoals Ponsioen verdienden de kost met tekenlessen, er was een huisschilder uit Est die abstract werkte, en in Vianen woonde Ary Baggerman, de flamboyante gemeentesecretaris die alles van de Vlaamse houtsnijder Joseph Cantré af wist en ook zelf graag schilderde. Soms gingen mijn zusje en ik met onze ouders een dagje bij Ary en zijn vrouw in Vianen langs, op de fiets, en dan bewonderden we zijn prachtige, oude tuin tegen de stadsmuur en zijn grote, met kunst volgehangen stadshuis. Dat had hij niet met zijn schilderijen bij elkaar verdiend.

Pas in de jaren zestig kreeg je in de Betuwe kunstenaars die konden leven van hun werk. Een van de eerste leden van de Kontaktkring die dat lukte, was de stadsbeeldhouwer van Gorinchem, Marcus van Ravenswaay (1925-2003), een robuuste man met een ruige baard die van de eigenzinnige burgemeester Van Rappard de ene fel realistische opdracht na de ander kreeg. De stad stond er vol mee. Daarna kreeg je de Gorcummer Jan van Munster (1939), die in die tijd beeldhouwwerken begon te maken geïnspireerd door organische processen.
En dan had je nog Marinus van den Boezem (Leerdam, 1934), die later als de conceptuele kunstenaar ‘Boezem’ bekendheid zou krijgen. Met de laatste had mijn vader een minder florissante relatie. Marinus van den Boezem had, net als mijn vader, eerst bij Artibus in Utrecht cursussen gevolgd, maar daarna was hij naar de Academie in Den Haag gegaan, die een dagopleiding kende, en waar ze ook aan de actualiteit in de beeldende kunst veel aandacht besteedden.
Dat bleef niet zonder gevolgen. In het tweede nummer van het door mijn vader samengestelde Kontakt schreef Boezem als ‘Mar. van den Boezem’ een groot, enthousiast stuk over de nieuwste Amerikaanse kunststroming die hij had ontdekt: action painting.
Boezem toont zich in zijn stuk van die richting een fervent adept:
(meer…)

Doctor te moeten worden – kanttekeningen bij de doctorandus

Ik hoefde nooit nog iets te worden…

Door Reinjan Mulder
Er woei een eenzaam oranje luchtballonnetje over de tuin. Zestig jaar geleden liet ik net zo’n ballonnetje op tijdens de verjaardag van mijn nichtje en neefje Saskia en Ilex Wessel. Zij waren een tweeling en hun moeder had ons meegenomen naar Oud Valkeveen, waar we op het hoogtepunt van hun feestje luchtballonnen kregen waaraan we briefjes met onze namen hingen.
Wiens ballon het verste kwam, had gewonnen.
De meeste van die briefjes zagen we nooit meer terug, maar ik kreeg twee weken laten een briefkaart van drs. A. Hoekstra uit Lopik in de bus. Hij had mijn ballon gevonden, en als ik hem 16 cents aan postzegels stuurde, zou hij me zeggen waar. Die 16 cents waren bedoeld om zijn kosten te dekken, schreef hij: 8 cent voor zijn eerste briefkaart en 8 cent voor de volgende, waarop de vindplaats zou komen te staan.
‘Wat betekent “drs.”?’ vroeg ik mijn vader.
‘Dat betekent doctorandus, dat is iemand die nog doctor moet worden,’ zei mijn vader, terwijl hij van een groot vel 16 cent aan losse postzegels afscheurde.
Sindsdien begreep ik 
(meer…)

De brand erin – bij de ruïne van een stakershuis

Door Reinjan Mulder
Kort na de oorlog maakte mijn opa, de amateurfotograaf Carl Hulscher (1900-1991), in Geldermalsen een foto van mijn geboortehuis op Tuindorp. Wat nu op die foto als eerste opvalt, is niet ons huis, links, op nummer 48, en ook niet de boomgaarden die er toen nog achter lagen, maar de ruïne ertegenover, waar eerder de huisnummers 19 en 21 waren.
Daar stond tot voor kort het dubbele huis van de families Veldhuis en Hofhuis, waar op een heimelijke bijeenkomst in okober 1944 werd besloten dat ook het Geldermalsense spoorpersoneel op een teken van Londen het werk zou neerleggen.
De moedige stakers wisten daarna gelukkig aan de Duitsers te ontkomen, maar hun huis werd op 12 november wel als afschrikwekkend voorbeeld door de Wehrmacht in de as gelegd, en voorlopig niet meer opgebouwd.
Zo wisten mijn zusje en ik van jongsafaan dat er met Duitsers niet 
(meer…)

De stad uit – voorpublicatie uit: ‘Piet Mulder – Schilder van het Betuws landschap’

Piet Mulder: Zelfportret als poppenspeler (fragment), 1955

Bij uitgeverij De Weideblik in Varik verschijnt deze maand Piet Mulder – Schilder van het Betuws landschap, een met 160 afbeeldingen geïllustreerd boek over Piet Mulder (1919-2001). Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag beschrijft zijn zoon Reinjan Mulder daarin het leven van zijn schilderende vader. Hieronder als voorpublicatie: vertrek uit Amsterdam.
Door Reinjan Mulder

In de zomer van 1945 begon mijn vader, Piet Mulder (1919-2001), aan een tweede leven. Hij was bijna 26 en had al op heel wat adressen gewoond, in het Zeeuwse Sint Jansteen, waar hij op de Nederlands-Belgische grens als zoon van een douanecommieswas geboren, in grensplaatsen als Roosendaal en Winterswijk, en later in de havensteden Tiel, Leiden, Rotterdam en Amsterdam, maar in 1945 verhuisde hij met Hanna naar de plek waar hij nooit meer weg zou gaan: het Betuwse Geldermalsen.

Piet Mulder, Waaldijk Opijnen, oil on canvas, 1974

Hij had wortelgeschoten. De Nederlandse Spoorwegen, waar hij op de tekenkamer werkte, had hem naar het Gelderse rivierengebied gestuurd om bij het herstel van de bruggen te helpen die daar waren opgeblazen, en daar is hij tot zijn dood blijven wonen. In de hongerwinter 1944/1945 hadden de Duitse bezetters de laatste nog resterende spoorverbinding met het zuiden lamgelegd zodat de kolentreinen uit Zuid Limburg nu door de Betuwe naar de randstad moesten rijden, via Nijmegen en Tiel, maar ook daar lag nog heel wat in de vernieling. Mijn vader kreeg die eerste maanden in Geldermlasen een auto met chauffeur en samen met de Britse Royal Engineers legde hij die zomer de ene noodbrug na de andere in de Betuwe.
Maar dat mijn vader daarna nooit meer is weggegaan uit de Betuwe, kwam doordat hij van de spoorwegen in 1945 na een paar maanden een eigen huis kreeg toegewezen, een huis dat hem beviel. Het Geldermalsense Tuindorp waar hij bij toeval terechtkwam, was in de jaren twintig in een aangename Amsterdamse Schoolstijl gebouwd voor mensen met lagere inkomens en dat paste wel bij hem: onopvallend wonen, in de luwte, met een grote tuin, vrij uitzicht op de velden en vlak bij (meer…)

Zwavelwater – De geschiedenis van Adriaan Stoops kuuroord in Zuid-Duitsland (Voorpublicatie)

Op 18 april werd in het Goethe Institut het boek Zwavelwater gepresenteerd. Reinjan Mulder beschrijft daarin de reis die hij na zijn eindexamen naar Duitsland maakte op uitnodiging van een klasgenote wier familie een chalet in Bad Wiessee bezat. Later bleek het chalet bij een bekend Nederlands kuuroord te horen dat het decor was van een reeks beladen gebeurtenissen. SS-leider Heinrich Himmler woonde er vlakbij, de Völkische Beobachter werd er uitgegeven en in het kuurhotel logeerde SA-leider Ernst Röhm toen Hitler hem in de Nacht van de Lange Messen van zijn bed lichtte en liet vermoorden. Hieronder een (ingekort) fragment: 

De eerste keer dat ik van Haus Jungbrunnen hoorde is meer dan een halve eeuw geleden. Het jaar dat ik voor het eerst naar Duitsland ging. Ik dacht er weer aan terug toen het huis van mijn moeder werd verkocht. Voor het eind van het jaar moest het worden opgeleverd. Samen met mijn zusje loop ik er nog één keer doorheen, als ik vlak voor we afsluiten in de achterkamer een vale, roze map vind die ik nooit eerder heb gezien. 

Het parkje voor het voormalige Gymnasium in Tiel

Op dat moment kan mijn verhaal over het zwavelwater van Bad Wiessee beginnen. ‘Suus Hulscher-Canté’ staat er op de map, de naam van mijn Amsterdamse oma. Ik sla hem open en ontdek dat mijn moeder na haar huwelijk in 1945 nog lang met haar gecorrespondeerd heeft. En omdat mijn oma alles altijd netjes wegborg, zijn mijn moeders brieven na mijn oma’s dood weer in Geldermalsen beland.
Die avond haal ik twee lange brieven uit de map die mijn moeder in juni 1966 heeft geschreven. Hoewel ze al twintig jaar het ouderlijk huis uit is, moet ze nog altijd (meer…)