Zwavelwater – De geschiedenis van Adriaan Stoops kuuroord in Zuid-Duitsland (Voorpublicatie)

Op 18 april wordt in het Goethe Institut in Amsterdam het boek Zwavelwater gepresenteerd. Reinjan Mulder beschrijft daarin de reis die hij na zijn eindexamen gymnasium met zijn klas naar Duitsland maakte op uitnodiging van klasgenote wier familie in Bad Wiessee een groot chalet bezat. Later bleek het chalet bij een bekend Nederlands kuuroord te horen dat het decor was van een reeks beladen gebeurtenissen. SS-leider Heinrich Himmler woonde aan het meer, de Völkische Beobachter werd er uitgegeven en in het kuurhotel logeerde SA-leider Ernst Röhm toen Hitler hem in de Nacht van de Lange Messen van zijn bed lichtte en liet vermoorden.
Hieronder een (ingekort) fragment uit het eerste hoofdstuk.  

Door Reinjan Mulder
De eerste keer dat ik van Haus Jungbrunnen hoorde is meer dan een halve eeuw geleden. Het jaar dat ik voor het eerst naar Duitsland ging. Ik dacht er weer aan terug toen het huis van mijn moeder werd verkocht. Voor het eind van het jaar moest het worden opgeleverd. Samen met mijn zusje loop ik er nog één keer doorheen, als ik vlak voor we afsluiten in de achterkamer een vale, roze map vind die ik nooit eerder heb gezien. 

Het parkje voor het voormalige Gymnasium in Tiel

Op dat moment kan mijn verhaal over het zwavelwater van Bad Wiessee beginnen. ‘Suus Hulscher-Canté’ staat er op de map, de naam van mijn Amsterdamse oma. Ik sla hem open en ontdek dat mijn moeder na haar huwelijk in 1945 nog lang met haar gecorrespondeerd heeft. En omdat mijn oma alles altijd netjes wegborg, zijn mijn moeders brieven na mijn oma’s dood weer in Geldermalsen beland.
Die avond haal ik twee lange brieven uit de map die mijn moeder in juni 1966 heeft geschreven. Hoewel ze dan al twintig jaar het ouderlijk huis uit is, moet ze dan nog altijd wennen aan ons dorp. 

‘Lieve mama…’. Naast haar aanhef heeft ze een vergeeld krantenknipseltje geplakt. Hoeveel van die knipsels heb ik zelf niet gekregen toen ik in Amsterdam studeerde? Interviews, recensies, huwelijks- en doodsberichten. Maar dit is een ander knipsel. Dit gaat over mij. ‘Een zeldzame prestatie’, staat erboven. 
Het duurt even voor ik het herken. Dan herinner ik het me weer. De dag dat ik de krant haalde in Geldermalsen. De dag dat ik ophield kind te zijn:   

Een zeldzame prestatie

Aan het Stedelijk Gymnasium te Tiel legde onze plaatsgenoot, de 17-jarige Reinjan Mulder met goed gevolg het eindexamen B af.
Onze welgemeende gelukwensen. 

Ook de brief die eronder staat, gaat over mij. Maar tussen de regels zie ik mijn moeder weer, en herken ik haar opwinding over alles. ‘Hier is een klein krantenknipseltje uit het Nieuws- en Advertentieblad,’ schrijft ze mijn oma. ‘Mooi he!’ 
Daarna lees ik haar verslag van de dagen rond mijn eindexamen:

Mama, reuze bedankt voor je gezellige brief, hoor! 
Ik ben maar niet naar Groet gekomen met dat hete weer. We hebben weer een abonnement op ’t zwembad in Beesd, en daar hebben we heerlijk gezwommen. ’t Weer is nu een stuk frisser geworden, maar ik zit toch weer in de zon te schrijven.

‘Reuze’, ‘gezellig’, ‘heerlijk’, ik herken het meteen. Het niet stuk te krijgen enthousiasme waarmee ik ben grootgebracht. Ook als het frisser wordt, kun je buiten zitten.

Trots vertelt mijn moeder hoe ik na de uitslag van mijn eindexamen met een grote bos bloemen en een lauwerkrans op mijn hoofd als eerste de school uit ben komen lopen. In het parkje voor school was het een ‘handenschudden van iedereen met iedereen’ geweest, en thuisgekomen hadden ze de vlag voor me uitgestoken, met mijn schooltas ernaast. Diezelfde zaterdag nog, schrijft mijn moeder, is het hele gymnasium ‘in tien propvolle auto’s, luid toeterend met trompetten’ langs alle dorpen gereden waar geslaagden woonden, totdat iedereen zich in Tiel verzamelde voor het eindfeest.  

Ik herinner het me nu allemaal weer. Het eindfeest was bij twee schoolgenoten thuis die dat jaar géén eindexamen deden. Hun ouders bezaten een van de mooiste villa’s in de stad waar onze zwakkere leerlingen na schooltijd vaak huiswerk maakten, zodat het eindexamen ook hun verdienste was.  
Daarna komt mijn moeder met het laatste nieuws uit die junimaand van 1966 toen voor mij alles anders werd: 

Van Reinjan hebben we al 3 kaarten uit Bad Wiessee gehad!
De familie  van Van Haeften heeft daar een groot Kurort, waar allemaal schatrijke mensen geneeskrachtige baden nemen, tegen reuma, hart- en bloedvatenziekten, bronchiën, enz. 
Ze hebben daar hotels, een groot chalet met een echtpaar erin dat voor alles zorgt, eigen zwembaden, tennisbanen, een eigen orkest met leren broekjes, enfin, van alles en nog wat. 
En daar heeft Reinjan nu gelogeerd!
Ze hebben het enorm gehad!

‘Enorm’: zou ik zulke enthousiaste kaarten naar huis hebben gestuurd? Zelf herinner ik me van die vakantie vooral mijn verwarring en een licht gevoel van weemoed over mijn voorbije jeugd in de Betuwe. Maar misschien kon mijn moeder ook wel niet veel anders dan nog maar even door juichen na haar ook al zo opgewekte begin.  

Later vind ik twee van de drie ansichtkaarten terug die ik die week naar huis heb gestuurd. Achterop schrijf ik inderdaad niets wat ook maar op enig enthousiasme van mijn kant wijst. Op 6 juni 1966, de dag van mijn aankomst in Bad Wiessee, schrijf ik aan mijn ouders en zusje: 

Lieve allemaal,
Ik schrijf maar vast, want er is toch nog niet zoveel te doen. 
De anderen zullen vanmiddag wel aankomen. Het is hier een echte vakantieplaats. 
Ik ben nog niet helemaal rondgelopen.
Dag,
Reinjan

En een week later schrijf ik, zonder aanhef of groet: 

Ik heb jullie brief ontvangen. Morgen ga ik door naar Polen. 
De anderen blijven nog tot vrijdag. Het weer is nog altijd goed. 
Ik kan nog wat dingen niet vinden. Misschien ligt dat thuis. 
De ene helft van ons heeft gisteren een rot-end geklommen, maar ze hebben veel gezien: reeën, een hert en gemzen. 
Sturen jullie mijn evt. post door naar Polen (Warschau)?
Reinjan

Was er na die week in Duitsland nog steeds zo weinig te melden? In Bad Wiessee was toch genoeg reden voor wat meer vreugde geweest. Want alles wat mijn moeder over het Duitse kuuroord aan mijn oma schrijft, klopt. Toen ik na mijn eindexamen met de familie Van Haeften mee naar Duitsland mocht, kwam ik daar in een zomer én winter geopend jodium- en zwavelkuuroord terecht, waar je van je hart- en vaatziekten en je reuma genezen kon en dat kuuroord was inderdaad van hen. En er liepen heel wat rijke mensen rond, en waarschijnlijk ook wel schatrijke mensen. En alles wat daar was, in dat plaatsje, kon goed hun eigendom zijn geweest: de hotels, de tennisbanen, de zwembaden. Ja, wie weet was ook het kuurorkest met de mannen in leren broekjes waarover mijn moeder zich zo vrolijk maakt, wel van hen.  

Het enige wat niet klopte in de brief van mijn moeder, was het echtpaar in het chalet dat voor alles zorgde. Dat echtpaar was er wel en het zorgde ook voor alles, maar het woonde niet op Jungbrunnen maar op zichzelf, in een kleiner huis, in wat daar een ‘bijgebouw’ van Haus Jungbrunnen werd genoemd. 

Het kuurbadcomplex van Adriaan Stoop in Bad Wiessee, met links de wandelhal, ca. 2014

Al op de avond van het afscheid van mijn moeders huis komt onze  eindexamenklas weer tot leven voor me. Onze school was maar een kleine school. Toen ik aankwam, waren er nog geen honderd leerlingen. Alle zesdeklassers pasten in één klaslokaal, maar na vier jaar samen optrekken werden we vanaf de vijfde klas toch in tweeën gesplitst, in een alfa-deel dat veel taal en geschiedenis kreeg, en een bèta-deel dat zich in de wis- en natuurkunde bekwaamde. Die specialisaties zag je terug in de samenstelling van de twee afdelingen. Zo waren de meisjes die met ons mee naar Duitsland gingen allemaal alfa’s, terwijl alle jongens daar bèta’s waren. Dat kon ook moeilijk anders, want in de alfa-zone zaten dat jaar alleen maar meisjes, zodat wij bèta’s wel voor de broodnodige jongens moesten zorgen. 

(Verscheen eerder in TOV Bulletin – maart 2019)

Reinjan Mulders Zwavelwater wordt op donderdagavond 18 april gepresenteerd in het Goethe Institut in Amsterdam. Klik hier voor nadere informatie.
Sprekers zijn dr. Hanco Jürgens van het Duitsland Instituut van de Universiteit van Amsterdam, Hella Rottenberg, schrijfster van
De sigarenfabriek van Isay Rottenberg en Bernard Hulsman, architectuurcriticus van NRC Handelsblad.
Aanvang 20.00 uur.  Toegang vrij.

De avond ervoor, op 17 april, praat Reinjan Mulder met Tijn Boon over zijn boek Zwavelwater en Adriaan Stoop in de Kennemer Boekhandel in Haarlem.
Aanvang 20.00 uur.

Jaaroverzicht 2018: minder lezers lazen langer- Recensie Jona Oberski’s Kinderjaren (1978) favoriet

Langst gelezen recensie in 2018: over Van der Heijden’s ‘Advocaat van de Hanen’

Door onze mediaredactie
UPDATE 1 januari 2019 – Het bezoek aan Das Zahngold is in 2018 iets achtergebleven ten opzichte van 2017. Belangrijkste oorzaak daarvan is dat er vorig jaar minder nieuwe stukken op de site stonden. Nieuwe stukken zorgden in de jaren daarvoor voor ongeveer de helft van het bezoek.
Google Analytics (die slechts een deel van het bezoek registreert) mat afgelopen jaar een daling in het bezoek van 17%. Daartegenover staat dat de gemiddelde bezoektijd in 2018 met 13% steeg, van 2:44 minuut naar 3:07 minuut. Daardoor is er in totaal bijna even lang van de site genoten als een jaar eerder: minder lezers lazen meer.
Meest gelezen nieuwe stukken waren dit keer die over Geerten en Doeschka Meijsing en Spoorkind, Reinjan Mulders herinnering aan zijn tijd als kind van een spoorman. Bij de oude stukken steeg het bezoek aan de necrologie van Doeschka Meijsing afgelopen jaar naar grote hoogten: van 255 naar 770. Ook Mulders herinnering aan zijn allereerste interview (met Aad Veldhoen in 1964) en zijn in de Volkskrant verschenen kritiek op de bekroning van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog ‘wegens verdiensten voor de Nederlandse taal’ scoorden goed. Het interview met de recent overleden Dirk Ayelt Kooiman kreeg vooral kort na zijn dood heel veel nieuwe lezers en facebook-likes.
Langst gelezen werd, verrassend, het stuk uit 2012 over de teloorgang van de literaire kritiek in NRC Handelsblad dat vooral in november veel werd opgevraagd.
Onder de meest gelezen stukken (> 500) van 2018 bevinden zich door het terugvallen van nieuwe stukken vooral recensies, plus een paar oude bekenden, met, na de necrologie van Doeschka Meijsing (770), als tweede en derde het interview van Connie Palmen na de dood van Ischa Meijer (596) en de terugblik van Tessa de Loo op de gemengde ontvangst van haar roman De Tweeling (502).
Meest gelezen recensies waren die van Kinderjaren (1978) van Jona Oberski ( 1.245 keer geregistreerd), van Doeschka Meijsing’s Robinson (558),  Connie Palmen’s De Wetten (466) en Cees Nooteboom’s Rituelen (386).
Opvallend is verder de grote belangstelling voor de recensie van Geerten Meijsings De Grachtengordel kort na het Volkskrant-interview met de schrijver en de langzame opmars van Jeroen Brouwers’ roman Zonsopgangen boven zee .
Vergeleken met een jaar eerder is Jona Oberski met de recensie van zijn Kinderjaren Meijsing’s Robinson nu royaal voorbij wat betreft leesfrequentie en leestijd. Langst gelezen recensie was (meer…)

Pimmetje, de geschiedenis van een bokje

Pimmetje bereden door de auteur, Geldermalsen, 1954 (foto Piet Mulder)

Door Reinjan Mulder
Sommige kinderen in ons dorp hadden een hondje, andere een poes, en er waren ook buren die duiven hadden of vissen. Maar wij hadden dat op Tuindorp allemaal, en ook allemaal tegelijk: een hond, een poes, een tamme kraai, twee duifjes, een hamster, kippetjes, vissen, en een Griekse schildpad die Hebe heette.
En dan hadden we ook nog een tijd een bokje: Pimmetje. Mijn vader stond een keer op het Laageinde te tekenen toen er iemand met een drachtige geit voorbij kwam lopen. ‘Als je volgende maand terugkomt, kun je een bokje kopen,’ zei de vrouw.
Dat deden 
we. Pimmetje kostte één gulden, en toen we hem gingen halen, liet de vrouw meteen nog even al zijn broertjes en zusjes aan me zien.
Ik schrok.
Ze stonden al ingemaakt en wel in vijf hoge weckflessen op een plank in de voorkamerkast.
(meer…)

De oude Revisor leeft weer – Veel belangsteling voor de overleden auteurs Kooiman en Doeschka Meijsing

Reinjan Mulder, Doeschka Meijsing, uit ‘De Revisor’ III-3.

Door onze mediaredactie
Het tijdschrift De Revisor leeft als nooit tevoren. Na het bericht over de dood van De Revisor-oprichter Dirk Ayelt Kooiman was er bij Das Zahngold afgelopen maand al direct een toeloop te signaleren van belangstellenden in het interview uit 1975 met de schrijver en tijdschrift-leider. Ook de necrologie van Jan Montyn, gebaseerd op een recensie van Kooiman’s boek Montyn kreeg vanaf dat moment weer veel lezers.
Voor een andere Revisor-auteur, Doeschka Meijsing, was de belangstelling de afgelopen maanden zo mogelijk nog groter. Meteen na het Zomergasten-programma met Marleen Stikker, de dochter van Meijsing’s vroegere partner Gerda Meijerink, was er een record aantal bezoekers van haar necrologie: 525 binnen 24 uur, en die interesse kreeg een nieuwe impuls rond de verschijning van het brievenboek Liefdevolle rivaliteit van Doeschka en haar broer Geerten Meijsing.
Ondertussen was de recensie van Meijsing’s roman Robinson net als in de maanden daarvoor – na die van Oberski’s Kinderjaren – de meest gelezen recensie op de site. Niet alleen De Revisor leeft, ook Kooimans en Meijsings werk. Meest gelezen in Das Zahngold waren tussen 1 augustus en 1 november 2018:
1. The first cut, necrologie van Doeschka Meijsing
2. Het beste debuut van 1978 – Recensie van Jona Oberski’s Kinderjaren
3. Interview met Connie Palmen over Ischa Meijer en De vriendschap
4. ‘Je kunt niet pretentieus genoeg zijn‘ – Interview met Dirk (meer…)

‘Een absolute succes story’ – bij de overhandiging van ‘Objectief Nederland – Veranderend Landschap’ (2)

Cleo Wächter en Reinjan Mulder met Rijksmuseum conservator Harm Stevens (r.)

Vorige week boden Cleo Wächter en Reinjan Mulder hun fotoboek Objectief Nederland – Veranderend Landschap 1974-2018 aan het Rijksmuseum in Amsterdam aan (Uitgeverij nai010, €34,95). Museumconservator Harm Stevens haalde bij die gelegenheid op hoe dit project in 1979 bijna was gesneuveld. Reinjan Mulder in een brief aan minister Til Gardeniers: ‘Het fotoproject kan NIET als beëindigd worden beschouwd.’ 

Beste Cleo, beste Reinjan,
Heel veel dank voor jullie vriendelijke gebaar om dit boek aan te bieden aan het Rijksmuseum. Ik voel me zeer vereerd dat ik het eerbiedwaardige Instituut mag representeren hier in deze prachtige kerk te Schiedam! En – Reinjan! – dan te bedenken dat jij het Rijksmuseum eerder al zo veel hebt gegeven. Te weten: de 208 vintage zwart wit afdrukken en even zoveel kleurendia’s uit het magische jaar 1974 die het originele resultaat waren van het fotografisch experiment dat jij ten uitvoer bracht in de late winter van dat jaar.
Die zeer gewaardeerde schenking is indertijd in gang gezet met een emailtje van Reinjan aan het Rijksmuseum. In het onderwerpveld staat getikt: ‘Aanbod van 208 foto’s ‘objectief beeld van Nederland’. Reinjan eindigt zijn mail met deze zin: ‘Wat mij mooi lijkt , is om het materiaal nog één keer te kunnen tonen. Het jaar 2014, [veertig] jaar na dato, zou daarvoor een ideaal moment kunnen zijn.’
Lang verhaal kort: aanbod in dank aanvaard door Rijks, zwart wit foto’s, dia’s en een pak van sjaalman aan documentatiemateriaal, keurig in zuurvrijemapjes opgeborgen in depot. En – verdomd! – in 2016 werden inderdaad alle 208 zwart wit foto’s getoond in het Rijksmuseum in (meer…)

‘Alles is mooi’ – bij de presentatie van het boek ‘Objectief Nederland – Veranderend Landschap 1974 – 2018’

Fotografe Cleo Wächter op de tentoonstelling Objectief Nederland in de Grote Kerk in Schiedam

Door Reinjan Mulder
Ik ben fotograaf. Dat wil zeggen, vijftig jaar geleden heb ik een tweedehands Rolleifex gekocht en ik ben toen een aantal jaren druk aan het fotograferen geslagen. Mijn vader leerde mij op zijn zolder films ontwikkelen en afdrukken, en later richtte ik in mijn  voorkamertje in de Hasebroekstraat een eigen, stoffige doka in.
Maar misschien ben ik nooit een echte fotograaf geweest, want toen ik eenmaal aan het fotograferen was, merkte ik dat ik ‘het fotografisch oog’ miste. Een echte fotograaf, begreep ik, heeft een fotografisch oog. Die ziet meteen wat fotografeerwaardig is, en wat niet, maar als ik door de zoeker van mijn Rolleiflex keek, zag ik op het matglas alleen maar  mooie beelden, bijna allemaal even mooi. Ik kon maar niet niet kiezen.
En als ik eenmaal een foto van zo’n beeld had gemaakt, keerde ik me soms 180 graden om, en kon ik zo weer een tweede foto maken, die dan ook weer heel erg mooi was: net zo mooi, naar mijn gevoel, als de eerste. Kon dat wel?
Ook ‘het beslissende moment’ waar veel echte fotografen de mond van vol hebben, herkende ik (meer…)

Uit de oude doos – Bij drie tekeningen van Piet Mulder (1919-2001)

Door Reinjan Mulder
Het eerste wat mij aan deze tekening van mijn vader opvalt, is de grammofoon. Die hadden we in 1960 dus nog. De eerste grammofoon van  mijn ouders, nog van voor de oorlog.
Aanvankelijk konden er alleen 78-toerenplaten op, maar toen de 45 en 33 toeren hun intree deden, hebben ze hem laten ombouwen voor drie snelheden.
Ook de eerste grammofoonplaten die we erop draaiden, waren nog van voor de oorlog. De mooiste vond ik Arkan Darkan, een Russische schellakplaat met snelle Hoempamuziek die waarschijnlijk door Jef Last mee naar Nederland was meegenomen. Mijn grootouders waren voor de oorlog nogal dik met Jef en Ida (‘Ied’) Last geweest, en mijn moeder trok veel met hun dochter Femke op,  en als Jef Last weer eens uit de Sovjet Unie terugkwam, vertelde mijn moeder, nam hij altijd kadootjes voor iedereen mee.
Op het donkerblauwe etiket stonden cyrillische letters, herinner ik me, maar door goed naar de aankondiging op de plaat te luisteren, wist ik na enige tijd dat het Arkan Darkan moest zijn, die deze heerlijke muziek maakte.
Het etiket van Arkan Darkan werd zo mijn eerste Russische les, door zelfstudie kende ik nu al vijf letters van het alfabet.

*

Bij ons op Tuindorp werd de provisorische badkamer pas rond 1960 aangelegd. Maar dat mocht te pret niet drukken. Tot die tijd voldeed de keuken uitstekend.
Ik herinner me uit de vroege jaren vijftig nog vooral de zalige stoom die dan aan het eind van de middag in de keuken hing. Het water werd in twee hoge pannen op het electrische stel aan de kook gebracht en dan met koud kraanwater aangelengd. De hele keuken dampte ervan.
Soms mochten ook andere kinderen bij ons in bad. Als mijn achterbuurmeisje was komen spelen, poedelden we na afloop op vrijdagavond soms samen in het ovale, zinken bad.
Puur geluk.

*

September 1966. Ik ging,17 jaar oud, in Amsterdam (meer…)

Haarlem: Briefwisseling Geerten Meijsing en Doeschka Meijsing in zwaar beveiligd stadhuis gepresenteerd

Reinjan Mulder: Doeschka Meijsing, 1975, uit: De Revisor III-3

Door Reinjan Mulder
Zou de Nederlandse literatuur dan toch nog gevaarlijk worden? Wie donderdag naar het Stadhuis van Haarlem ging om daar de presentatie bij te wonen van de briefwisseling tussen Geerten en Doeschka Meijsing moest even schrikken. Eerst moest je tussen een paar zwaarbewapende, gehelmde politiemannen in kogelvrije vesten door, die met de hand aan de trekker van hun mitrailleur elke bezoeker aan een kritische blik onderwierpen.
Binnen bleek het echter niet de schrijver Geerten Meijsing te zijn, die door de tot de tanden bewapende macht beveiligd moest worden, maar de Haarlemse CDA-burgemeester Jos Wienen. Eenzaam zat hij op de eerste rij van de monumentale Gravenzaal tussen allemaal lege stoelen te wachten tot Meijsing hem aan het eind van de middag het eerste exemplaar zou overhandigen van Liefdevolle rivaliteit, de correspondentie die Geerten Meijsing en zijn zuster Doeschka tussen 1979 en 2009 voerden. De burgemeester wordt op dit moment ernstig bedreigd en om hem, zijn ambtenaren en de bezoekers van zijn  Stadhuis te beschermen, is de Haarlemse politie deze week in volle staat van paraatheid gebracht.

Of het door deze zichtbare dreiging kwam, weet ik niet, maar veel mensen die op een presentatie als deze verwacht zouden mogen worden, waren er helaas niet. Om te beginnen ontbrak Nop Maas, die de briefwisseling inleidt en hem met steun van Geerten ruimschoots van noten heeft voorzien.
Ook van de erven van de in 2012 overleden Doeschka Meijsing ontbrak de belangrijkste vertegenwoordiger Xandra Schutte. En (meer…)

‘Opgeruimd staat netjes’ – Bij de dood van de schilder, schrijver en dichter Armando (1929-2018)

ssersimg_1072Door Reinjan Mulder
Wat betekent de uitdrukking ‘Opgeruimd staat netjes’? Is daar een Duitse uitdrukking voor? En wat bedoelde de gisteren overleden Armando toen hij dit zinnetje liet volgen op zijn mededeling dat alle SS’ers die hij voor zijn boek De SS’ers (1967) had geïnterviewd, nu dood en begraven zijn?
In het college Kulturelle Beziehungen Deutschland Niederlande aan de Universiteit van Amsterdam leidde het anderhalf jaar geleden tot uiteenlopende speculaties.
Was meint der Schriftsteller? Is het een vorm van ironie? Of is het de schrijver ernst, en vindt hij echt dat elke SS’er maar beter dood kan zijn?
Over de achtergronden van zijn geruchtmakende boek had Armando de studenten tijdens zijn gastcollege verteld dat hij als schooljongen lang een fysieke afkeer had gehad van de mensen die hij tijdens de bezetting vaak door zijn woonplaats Amersfoort zag marcheren, en ‘die Hollands praatten in Duitse uniformen’. Hij begreep niet hoe ze hun leven voor hun kennelijke idealen in de waagschaal konden stellen. Later kon hij daar meer begrip voor opbrengen. Volgens Armando moest het een soort geloof zijn geweest dat ze hadden, dat nazisme, al wist hij niet zo zeker wat de SS’ers dachten wanneer ze ‘s nachts droomden. ‘Mensen willen graag weten waarom (meer…)

(Eerste) Oosterparkprijs voor Sacha Voogd’s verhaal Nieuwbouw: ‘echt héél goed…’

Winnaar Sacha Voogd (l.), met uitgever Reinjan Mulder en juryvoorzittter Persis Bekkering (r.) tijdens het Festival Boeken door Oost (Foto Bob Bronshoff)

Door onze literatuurredactie
De Eerste Oosterparkprijs is gisteren gewonnen door Sacha Voogd met haar verhaal ‘Nieuwbouw’, dat is opgenomen in de recent verschenen bundel Door Oost. Een jury bestaande uit de critici en romanschrijvers Joyce Roodnat, Arie Storm en Persis Bekkering zag Voogds kracht in haar grote vaardigheid om verschrikkelijke ervaringen op een subtiele manier onder woorden te brengen, in observaties die een waar begrip van haar personage tonen.’ Het verhaal Nieuwbouw is maar een kort en klein verhaal, vond de jury, nog geen duizend woorden lang, maar het toont ‘bijna een heel leven.’
De Eerste Oosterparkprijs is een nieuwe prijs voor verhalen over Amsterdam Oost, beschikbaar gesteld door een particulier, en bestaat uit een bedrag van €500,- plus een plantenbak van eikenhout uit het Oosterpark. In aanmerking voor de prijs kwamen verhalen die werden ingezonden voor een schrijfwedstrijd georganiseerd door Schrijvers uit Oost en de krant Dwars door de Buurt.
De verhalenbundel Door Oost met 24 nieuwe verhalen over Amsterdam Oost (van Alma Mathijsen, Roman Helinski, Erik Rozing, Marijn Sikkenm, Henk Spaan, Eva Posthuma de Boer en anderen) is vanaf heden te koop bij de Linnaeus Boekhandel, Athenaeum Roeterseiland, Van Pampus, de Java Bookshop, het Faire Oosten, Ekodis Beukenplein en de Bruna op Oostpoort. De omvang is 192 blz, de prijs €10,-

Juryverslag  

Afgelopen week heeft de jury van de Eerste Oosterparkprijs zich beraden over de tien inzendingen die zijn genomineerd voor deze nieuwe literaire prijs. Daarbij werden wij – Joyce Roodnat, Arie Storm en ik – meteen getroffen door het hoge niveau. Meer dan de helft van de inzendingen zou zeker voor de prijs in aanmerking zijn gekomen, als er niet zoveel sterke concurrentie van anderen was geweest. De verhalen wisten stuk voor stuk Amsterdam Oost haarscherp tot leven te wekken. Veelal de mensen die we geneigd zijn over het hoofd te zien, in onze kleine bubbel van gelijkgestemden, kregen hierin een stem.
Zoals de jonge moeder Hala in (meer…)