De laatste verzetsdaad – in memoriam Carl H.L. Hulscher (1900-1991)

Voorjaar 1945, het verzet plakt in de Lekstraat illegale bulletins aan. Foto van Carl Hulscher, op 15-1-2020 gekozen als een van de beste 25 foto’s van de oorlog in Noord Holland.

Door Reinjan Mulder
Het eerste verjaarscadeau dat ik me herinner, was een aap. Een slappe, stoffen aap in een leuk clownspak, die mijn oma en opa Hulscher uit Amsterdam meebrachten. Rond diezelfde tijd kreeg ik van mijn opa en oma Mulder een zware, opwinbare Märklintrein, met veel ijzeren rails, wissels en een voetbrug.
Niet veel later kwamen de eerste boeken. Gouden boekjes, verantwoorde kinderboeken van mijn grootouders zoals Wiplala enHet verloren koffertje, en als ze van mijn Geldermalsense vriendjes kwamen Prisma-pockets, omdat die op de Markt bij boekhandel Hoogstaden werden verkocht, voor 1,25, wat in die tijd het geijkte cadeau-bedrag was voor vriendjes van de Openbare Lagere School B. Op mijn tiende had ik al het enerverende De laatste reis van de Nightwatch gekregen, over een zeiltocht met een gammel, klein jacht over de atlantische oceaan, een jaar later Vijftig dagen oerwoud, over twee jongens die zonder eten de jungle introkken en zich vijftig dagen lang in leven hielden met bessen, paddenstoelen en knollen, en zelfs hun kauwgompje tegen een klapperboom plakten ze voor ze het bos ingingen, en het duurde niet lang of daar kwamen de geliefde Biggles-boeken bij, vol wilde avonturen van de sympathieke, Britse oorlogsvlieger James Bigglesworth.

Piet Mulder, Reinjan, 11 januari 1956

Al die boeken, een steeds langere rij naast mij bed, moeten mij op die leeftijd gevormd hebben tot wie ik ben, iemand die er graag op uittrekt, op avontuur, totdat ik op een verjaardag een pakje uit de speelgoedwinkel kreeg, waarin een zelf af te bouwen modelvliegtuig bleek te zitten.
Dat was andere koek. Een heus modelvliegtuig, met alles erop en eraan, dat kenden wij thuis nog niet.
Ook dat moet mij uiteindelijk hebben gevormd tot wie ik ben, maar op een andere manier dan de  Prisma-pockets. Uren lang zat ik het eerstvolgende weekend met Velpon de vele plastic onderdelen aan elkaar te lijmen, nadat ik ze voorzichtig van het dikke staafje plastic had losgewrikt waaraan ze vastzaten. En ja hoor, aan het eind van de zondagmiddag had ik een volledig, zelfgebouwd propellervliegtuigje in mijn handen, dat op een voetje op de plank boven het opklapbed in mijn kamer kwam te staan, alsof het daar voor het slapen gaan heel laag (meer…)

Meest gelezen in 2019 – Veel aandacht voor de slavernijroman van Cynthia Mc Leod en Betuwse schilders

Door onze mediaredactie
UPDATE 31-12-19. Op de top-tien met meest gelezen artikelen op Das Zahngold van de afgelopen 10 jaar was in 2019 de recensie van Cynthia Mc Leods roman Hoe duur was de suiker over de slaverij in Suriname de grootste stijger. Haar nog altijd actuele boek kwam begin dit jaar binnen op de top-tien en steeg tot en met december naar de 5de plaats, direct achter de nog altijd veel gelezen necrologie van Nanne Tepper en het (Engelse) stuk over de Betuwse schilder Piet Mulder (1919-2001) die in 2019 zijn 100ste geboortejaar had, en nog voor het grote stuk over de al even Betuwse plaatsvervangend leider van het nationaal-socialistische schildersgilde Jan van Anrooij en de necrologie van Joost Zwagerman, waarin verwerkt de recensie van zijn bekendste roman Gimmick! Deze stukken werden dit jaar aanzienlijk vaker dan vorig jaar opgevraagd, nu het aantal door Google geregistreerde lezers voor hen ten opzichte van 2018 met resp. 20%, 32%, 66% en 12% toenam.
Omdat er in 2019 van redacteur Reinjan Mulder kort na elkaar twee bewerkelijke boeken uitkwamen, verschenen er minder nieuwe stukken op Das Zahngold dan in eerdere jaren. Het aantal bezoekers bleef daardoor wat achter bij 2018, en zeker bij topjaar 2017. Google Analytics telde tot nu toe 18.092 pageviews, bijna een kwart minder dan in 2018, die vooral op de oudere stukken afkwamen.
Daar stond tegenover dat de gemiddelde leestijd, een goede indicatie voor de aandacht waarmee stukken gelezen worden, weer behoorlijk steeg: met 16%, zodat er in totale aandacht niet al te veel teruggang optrad. Minder lezers lazen ook in 2019 weer langer, en waarschijnlijk dus ook meer.

Reinjan Mulder, Doeschka Meijsing in Laag Keppel, 1975.

Onder de veel gelezen reportages en artikelen op Das Zahngold deden zich, afgezien van de recensie van Hoe duur was de suiker, weinig spectaculaire veranderingen voor. Meest gelezen was in 2019, net als in 2018, de necrologie uit 2012 van schrijfster Doeschka Meijsing, met een piek na het TV interview met Maxim Februari, gevolgd door het nog altijd veel bezochte heftige gesprek met Connie Palmen na de dood van Ischa Meijer, dat weer op afstand werd gevolgd door de necrologie van de in 2017 gestorven etser Jan Montijn, de hoofdfiguur van D.A. Kooiman’s veelgelezen roman Montyn. Het aantal lezers van deze stukken, zoals geregistreerd door Google, lag in 2019 echter lager dan in het voorafgaande jaar: geen van deze drie kwam bij Google Analytics boven de duizend lezers en alleen van de Montijn-necrologie steeg het aantal geregistreerde lezers nog licht, met 6%, van 359 naar 376, wat nog net iets vaker is dan één keer er dag.
Na Cynthia Mc Leod deden zich de grootste stijgingen voor bij een tweede stuk over de NSB-schilder Jan van Anrooij (66%), waarin de resultaten van een gemeentelijke onderzoek bij het Nationaal Archief worden vermeld, bij het stuk over de dit jaar 75 jaar geleden geboren Duitse schrijver W.G. ‘Max’ Sebald (+50%), met name na de reportage over de tentoonstelling over hem die nu in Norwich is te zien, terwijl een interview met de enigszins in de vergetelheid geraakte schrijver M.M. Schoenmakers over zijn Surinaamse romancyclus Stroomafwaarts en stroomopwaarts nu zelfs aanzienlijk meer (meer…)

De ringen van Saturnus – Op zoek naar W.G. ‘Max’ Sebald

Door Reinjan Mulder
Vandaag is het 18 jaar geleden dat in Engeland de schrijver W.G. Sebald overleed, de Duitse auteur van gecompliceerde boeken als De emigrés,De ringen van Saturnus en Austerlitz. Het duurde toen nog even voordat dit nieuws in Nederland doordrong. Ik las het zelf pas half januari in een krant. Maar mijn eerste gedachte was toen dat Max Sebald, zoals hij zich noemde, waarschijnlijk zelf voor zijn dood had gekozen. Ik wist van de zware depressies waaraan hij leed, en als ik dat niet wist, dan had ik het wel uit zijn boeken afgeleid, die meestal vol onheilstijdingen en gevoelens van wanhoop staan.
Maar ik had me vergist. Mijn vermoeden werd tegengesproken door iemand van zijn Engelse uitgeverij die me vertelde dat Sebald met zijn auto was verongelukt, in de buurt van Norwich waar hij woonde, en dat dit beslist geen opzet was geweest. Zijn dochter Anna had naast hem in de auto gezeten, en zij was door het ongeluk zwaar gewond geraakt. Sebald zou nooit dat risico hebben genomen. Vermoedelijk was hij verblind geweest door de laag staande zon, die in Norfolk in deze tijd van het jaar nooit ver boven de horizon uit komt.
Sinds kort weet ik echter dat ook deze, veel vriendelijker versie van Sebalds dood niet klopt. De schrijver is niet met zijn auto verongelukt. Op die fatale 14de december 2001 werd Sebald  in zijn auto getroffen door een gescheurd aneurysma, een storing in de aorta. Sectie door een patholoog-anatoom heeft dat later uitgewezen. De auto waarin hij met zijn dochter zat, botste vervolgens tegen een tegemoetkomende vrachtauto, maar toen was Sebald al dood. Het ongeluk trof zo  (meer…)

Terug naar The Gables – Een Rolls voor mijn vader

The Gabels aan de Cliff Road: ‘Stunning views’ op zee

Door Reinjan Mulder
In 2020 is het vierhonderd jaar geleden dat uit Plymouth de Mayflower vertrok, met aan boord een groepje Engelse afvalligen dat in het verre Amerika een kolonie wilde stichten waar nog volgens Gods wil werd geleefd. Hun ideeën inspireerden eeuwen later nog later de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd, met als gevolg dat er nu al tien jaar lang in Harwich, de thuishaven van het schip en zijn roemruchte kapitein Jones, plannen worden gesmeed om die historische reis in het jubileumjaar 2020 groots te kunnen vieren.
Omdat mijn vader Piet Mulder tijdens de laatste kwart eeuw van zijn leven nogal wat geschilderd heeft in Harwich en omgeving, zit ik op een mooie zondagochtend om 8 uur in het Pier Hotel aan het ontbijt met Tony en Simon, twee leden van het comité dat de festiviteiten van volgend jaar moet vormgeven.
Dat blijkt nog niet mee te vallen, vertellen ze. Aanvankelijk was het plan om op ware grootte een zeewaardige Mayflower na te bouwen, die nog jaren over de hele wereld als Harwich-promotie te zien zou zijn, maar gezien de vele miljoenen die zoiets blijkt te kosten en een tegenvallende sponsoring wordt er vooralsnog volstaan met een Mayflower-replica op het land, maar wel op ware grootte. Voor zover dat nu te overzien is, is dat stukken veiliger en het is zeker minder duur. Het enorme, houten (meer…)

Ideeënman – Dirk Ayelt Kooiman als fotograaf en plotbedenker

Door Reinjan Mulder
Wat ik helaas nog mis in het mooie Kooiman-nummer van De Revisor dat deze week verscheen, is de betekenis van de Revisor-oprichter Dirk Ayelt Kooiman als fotograaf. In nummer VI/6 van De Revisor (dec. 1979) dat ik onlangs terugvond, staat een historische foto van een al even historisch proces dat voorop de omslag wordt aangeprezen als ‘de zaak Henneman vs. Océ’. De tekst bij die foto mocht ik als auteursrechtspecialist van de redactie leveren, maar de ietwat vage foto maakte Dirk Ayelt Kooiman, de hoofdredacteur van het roemruchte blad naar alle waarschijnlijkheid zelf.
Het ging in de zaak Henneman vs. Océ om het Kort Geding voor de Rechtbank Amsterdam dat de Revisor-coryfee Jeroen Henneman in 1979 had aangespannen tegen de ‘kunstenaar’, ja tussen aanhalingstekens, André Thijssen, die naar Hennemans mening een beschermenswaardig idee van hem had gestolen.
Wie wil weten wat dat idee was en hoe het allemaal afliep, moet (meer…)

U vraagt, wij draaien – De eeuwige jukebox van Nobelprijswinnaar 2019 Peter Handke

Uitgever Vic van de Reijt (40) bij zijn jukebox

Door Reinjan Mulder
Toen in 1990 Peter Handkes ‘vertelling’ Versuch über die Jukebox verscheen, was dat niet het eerste boek van de nieuwe Nobelprijsinnaar over de moeizame weg die naar de gelukzaligheid leidt. Ook in de jaren daarvoor had hij al aandacht besteed aan zijn zoektocht naar innerlijke rust. Maar nooit eerder wees hij de lezer daarbij op een route die zo dicht langs de afgrond van het alledaagse, het banale loopt als toen. In zijn Essay over de jukebox, zoals het later in vertaling ging heten, bracht Handke niet alleen een ode aan de Engelse en Amerikaanse popmuziek waarmee hij in de jaren zestig was opgegroeid, dat deden er meer, maar hij bezong ook in goed gekozen bewoordingen de gelegenheden  waar deze muziek naar zijn overtuiging het best tot zijn recht kwam. Na een lange aanloop vol aarzelingen en omtrekkende bewegingen zingt hij in zijn bescheiden boek opeens luidkeels de lof van de Amerikaanse jukeboxen. De lichtgevende altaren van merken met namen als als Wurlitzer en Seeburg, die lang geleden hun kunnen toonden in Handkes vroegere woonplaats Salzburg, maar die (meer…)

Met het dagblad Trouw langs de Betuwse locaties die Piet Mulder (1919-2001) op het schildersdoek vastlegde

Door Henny de Lange
Meer dan vijftig jaar lang legde de schilder en tekenaar Piet Mulder (1919-2001) het landschap van de Betuwe in zijn schetsboeken en op het linnen doek vast. Omdat hij honderd jaar geleden werd geboren is er in de zomer van 2019 een speciale kunstroute met elf tentoonstellingen georganiseerd. Het dagblad Trouw fietste met Piet Mulders zoon Reinjan langs enkele van zijn vaders favoriete schildersplekken. Een verslag van die tocht door Henny de Lange stond op 14 augustus in de krant: 

SCHILDER VAN EEN VERDWENEN LANDSCHAP
Als hij de alpinopet van zijn vader op zet, lijkt Reinjan Mulder op zijn vader Piet. Die pet draagt hij op deze stralende dag niet, als hij met zijn fiets staat te wachten bij het station van Beesd. Dat is een een mooi beginpunt voor een tochtje langs plekken die Piet Mulder (1919-2001) vaak heeft vastgelegd. Ruim vijftig jaar lang maakte hij ‘als een razende’ tekeningen en schilderijen van het landschap in de omgeving van zijn huis in Tuindorp in Geldermalsen. Altijd was hij op zoek naar schilderachtige plekken in de Betuwe waarvan hij vreesde dat ze zouden verdwijnen. Dat deed hij naast zijn baan bij het ‘spoor’. Honderd jaar na zijn geboorte zijn in de West-Betuwe nu elf tentoonstellingen te zien van (meer…)

Reinjan Mulder in de Tegernseer Zeitung over zijn boek ‘Zwavelwater’ – Op zoek naar Adriaan Stoop

De Tegernseer Zeitung opende vorige week met een interview met Reinjan Mulder over zijn boek Zwavelwater. Met dank aan de TZ-journaliste Cristina Jachert volgt hier de vertaling.
Door Christina Jachert-Maier
De Nederlander Reinjan Mulder (70) was 17 jaar toen de achterkleindochter van Adriaan Stoop haar halve schoolklas mee naar Bad Wiessee uitnodigde. Nu hij met pensioen is, is hij op zoek gegaan naar wat daar nog van over is. 
‘Zwavelwater’ heet het boek das Reinjan Mulder in april van dit jaar publiceerde. ‘Zwaveljodiumwater zou te lang zijn geweest,’ lacht hij. Hoe je in dat water kunt baden, heeft hij voor het eerst in 2012 uitgeprobeerd. De gemeente Bad Wiessee had het bekende zwaveljodumbad toen net van de Nederlandse eigenaren overgenomen.  Die ochtend was Mulder de enige gast in het ernorme, oude jodiumbad. ‘Een sterke vrouw heeft mij toen in bad gedaan, iets wat ik normaal altijd zelf doe,’ zegt Mulder, zodat hij zich al snel weer een kind voelde. ‘Het was een echte Jungbrunnen, een verjongende bron. En ik was weer 17, net als toen.’
Dat was in 1966. Mulder had zojuist zijn eindexamen op zak en hij werd uitgenodigd om mee op reis te gaan. Reinet van Haeften nodigde na dat examen tien klasgenoten uit voor een zomervakantie in Duitsland.
‘Mijn moeder was reuze trots op die uitnodiging,’ herinnert Mulder zich. Want terwijl de Mulders een eenvoudig leven leidden, was Reinets familie in hun dorp rijk en bekend. ‘Het verhaal ging dat zij in Duitsland een heel dorp bezaten.’
Dat dorp heette (meer…)

Je bent wat je zegt – Bij het lezen van Marco Balzano’s roman ‘Ik blijf hier’

Recensie van: Marco Balzano, Ik blijf hier. Vert. Edwin Krijgsman. Uitg. De Arbeiderspers, {rijs €19,99. .
Door Reinjan Miulder
Hoe belangrijk is een landschap voor de mensen die er wonen? De locatie, de plek, de fysieke verbinding tussen de bewoners, met hun huizen, hun wegen, hun velden. In de verrassende roman Ik blijf hiervan de Italiaanse schrijver Marco Balzano (1978) maken we kennis met zo’n geliefde plek: een meerdal in Zuid Tirol, niet ver van het drielandenpunt tussen Oostenrijk, Zwitserland en Italië, dat onder water dreigt te verdwijnen door de bouw van een stuwdam.
‘Onze dorpjes zouden worden begraven onder het water,’ heet het in het begin van het boek. ‘De boerderijen, de kerk, de werkplaatsen, de weiden waar de dieren graasden: alles onder water.’ Door de stuwdam zouden de inwoners hun huizen, hun dieren en hun werk kwijt raken, waardoor er niets meer ‘van ons’ overblijft.
Met dat dubbelzinnige ‘van ons’ wordt al meteen de grondigheid van de vernietiging geaccentueerd. Niet alleen zal er na de bouw van de stuwdam niets meer overblijven van wat ‘van ons’ was, de bezittingen, ook de bewoners zelf zouden kunnen verdwijnen. In ieder geval verdwijnen de mensen zoals ze nu zijn.
In Ik blijf hier is de plek waar mensen wonen zo goed als alles voor (meer…)

Zag da’s wat! – Bij de 85ste verjaardag van Marinus Boezem

In de Oude Kerk in Amsterdam is vanaf deze week ‘Into the air’ te zien, een bijzondere installatie van de nu 85-jarige conceptuele kunstenaar Marinus Boezem. De afgelopen jaren is mijn werk uit de jaren zeventig een paar keer met dat van Boezem vergeleken. Die vergelijking verraste mij de eerste keer nogal. Boezem en ik komen weliswaar allebei uit de Betuwe, hij uit Leerdam en ik uit Geldermalsen, maar de eerste keren dat ik van de 15 jaar oudere Boezem hoorde, was dat uit de mond van mijn vader, die maar weinig waardering voor hem op kon brengen. Sterker nog: in hekeldichten gingen de twee kunstenaars elkaar in 1960 zelfs zodanig te lijf dat de stukken eraf vlogen. In het recent verschenen boek ‘Piet Mulder – Schilder van het Betuws Landschap‘, schrijf ik hoe dat kwam. Hieronder een fragment:
Door Reinjan Mulder
Vanaf het midden van de jaren zestig was mijn vader lid van de Kunstenaarssociëteit in Tiel, een gezellige vereniging waar hij samen met kunstenaars als Jan Wieringa (1919-1994), Jan van Ham (1904-1989) en Johan Ponsioen exposeerde en naar model tekende. Maar vóór die tijd, van 1957 tot 1966 bestond er in de Betuwe een nog wat actievere vereniging voor kunstenaars: de Kontaktkring voor Beeldende Kunst tussen de Grote Rivieren, afgekort KBKGR. Veel leden had die vereniging niet, als je bedenkt hoeveel mensen er in dit gebied woonden: op zijn hoogtepunt een stuk of twintig. Kunst was in de jaren vijftig nog bijna contrabande in de Betuwe. Maar ze kwamen des te vaker samen en ze exposeerden ook veel, door de hele Betuwe heen, van Gorcum tot Culemborg en Tiel.
Vanaf de oprichtingsvergadering in Leerdam was mijn vader actief lid van de vereniging en vanaf 1959 was hij zelfs zowel voorzitter als redacteur van het gestencilde en in elkaar geniete mededelingenblad Kontakt, volgens de mode van die tijd met twee K’s geschreven, en komisch afgebroken tussen de ‘kont’ en de ‘akt’.
Voor zover ik me herinner waren bijna alle kunstenaars in de Betuwe in die tijd lid van de Kontaktkring, al was bijna niemand beroeps. Sommigen van hen waren als vormgever aan de glasfabriek in Leerdam verbonden, anderen zoals Ponsioen verdienden de kost met tekenlessen, er was een huisschilder uit Est die abstract werkte, en in Vianen woonde Ary Baggerman, de flamboyante gemeentesecretaris die alles van de Vlaamse houtsnijder Joseph Cantré af wist en ook zelf graag schilderde. Soms gingen mijn zusje en ik met onze ouders een dagje bij Ary en zijn vrouw in Vianen langs, op de fiets, en dan bewonderden we zijn prachtige, oude tuin tegen de stadsmuur en zijn grote, met kunst volgehangen stadshuis. Dat had hij niet met zijn schilderijen bij elkaar verdiend.

Pas in de jaren zestig kreeg je in de Betuwe kunstenaars die konden leven van hun werk. Een van de eerste leden van de Kontaktkring die dat lukte, was de stadsbeeldhouwer van Gorinchem, Marcus van Ravenswaay (1925-2003), een robuuste man met een ruige baard die van de eigenzinnige burgemeester Van Rappard de ene fel realistische opdracht na de ander kreeg. De stad stond er vol mee. Daarna kreeg je de Gorcummer Jan van Munster (1939), die in die tijd beeldhouwwerken begon te maken geïnspireerd door organische processen.
En dan had je nog Marinus van den Boezem (Leerdam, 1934), die later als de conceptuele kunstenaar ‘Boezem’ bekendheid zou krijgen. Met de laatste had mijn vader een minder florissante relatie. Marinus van den Boezem had, net als mijn vader, eerst bij Artibus in Utrecht cursussen gevolgd, maar daarna was hij naar de Academie in Den Haag gegaan, die een dagopleiding kende, en waar ze ook aan de actualiteit in de beeldende kunst veel aandacht besteedden.
Dat bleef niet zonder gevolgen. In het tweede nummer van het door mijn vader samengestelde Kontakt schreef Boezem als ‘Mar. van den Boezem’ een groot, enthousiast stuk over de nieuwste Amerikaanse kunststroming die hij had ontdekt: action painting.
Boezem toont zich in zijn stuk van die richting een fervent adept:
(meer…)