‘Schwefelwasser’ – Reinjan Mulder über Armando, W.G. Sebald und Adriaan Stoop’s Jodschwefelbad in Bayern

Am 28. Oktober 2020 wird in Bad Wiessee Reinjan Mulders Buch ‘Schwefelwasser’ präsentiert. In diesem Interview spricht der Autor mit dr. Ingvild Richardsen, Herausgeberin der Reihe Vergessenes Bayern, über Erinnerungskultur, schuldige Landschaft und das deutsch-niederländische Verhältnis.

Von Ingvild Richardsen
Reinjan, dass du von dem niederländischen Künstler und Schriftsteller Armando beeinflusst bist, hängt damit zusammen, schreibst du, dass du als Redakteur in der Kunstredaktion der Tageszeitung NRC Handelsblad mit ihm zusammengearbeitet hast. Wie war das?
Ich war damals einer seiner Redakteure bei NRC. Von 1980 bis 1983 hatten wir oft Kontakt, bis ich zum Sozial und Culturel Planungs Buro (SCP) ging. Armando war im Sommer 1980 von der DAAD eingeladen ein Jahr nach Berlin zu kommen, wo er das Atelier von Arno Breker erhielt, der bekannte Nazi-Künstler, und als  wir dann mit ihm über eine Kolumne sprachen, hatten wir gesagt, er konnte frei über alles schreiben was er wollte, aber bitte NICHT über den Krieg. Da hat er gesagt: Ach, ich schreibe NUR über den Krieg. Wir haben dann gelacht, und geantwortet: Naja, das ist natürlich auch gut. Also schrieb Armando auch für uns weiter über den Krieg. Als Kind hatte er während die deutsche Besatzung in der Nähe des Polizeilagers Amersfoort gewohnt und wurde schon früh Augenzeuge der Einlieferungen und des Abtransports von Gefangenen. Ohne genau zu wissen, was sich hinter dem Stacheldraht abspielte, machte er sich so ein Bild von Krieg und Besatzung, von Täter- und Opferrolle. 1962 hat er dann zusammen mit Hans Sleutelaar, einem Kollega beim Magazin Haagse Post, das Buch De SS-ers veröffentlicht, eine Reihe von Interviews mit ehemaligen Angehörigen der Waffen-SS in den Niederlanden. Nur ihre Monologe, ohne beigegebenen Kommentar. Das hat direkt zu großem Aufsehen und heißen Diskussionen geführt, weil (meer…)

Een ander Auschwitz – Arnon Grunberg in Carré

Lunchpauze. Met Arnon Grunberg aan het redigeren in het Amstel Hotel. Ca. 2007.

Door Reinjan Mulder
UPDATE 13-9-20 Ik had van iemand met corona-verschijnselen een kaartje gekregen voor de late voorstelling van Arnon Grunberg in theater Carré en meldde me zoals opgegeven tussen 20.45 en 21.00, het aangegeven ‘tijdslot’, bij ingang B, links van de hoofdingang. Niet dat ik zelf geen kaartje had willen kopen, maar toen ik me daarvoor aanmeldde, waren alle eenpersoonskaartjes al op en mijn enige huisgenote had toen al andere plannen.
Het was nog even wennen, zei de portier bij ingang B, in zijn mooie, rode uniform. Carré was maandenlang dicht geweest, en de looproutes waren nog niet uitgekristatliseerd, en hij verwees me zo aardig mogelijk naar ingang A, wat de hoofingang van het theater bleek te zijn. Daar mocht ik bij binnenkomst mijn kaartje scannen, ‘go’ zei het schrempje op het apparaat, en kon ik meteen nog even mijn gezichtstemperatuur laten opmeten, 36.8, maar toen ik eindelijk bij de ingang van de zaal was aangekomen, werd ik daar weer teruggestuurd, terug de hal in en rechts de trappen op, waar ik nogmaals mijn groot uitgeprinte kaartje moest laten inscannen, dat – inderdaad – al een keer eerder was gescand.
‘Go, Reinjan, Go!’
Ja, het was allemaal nog even wennen, ook voor mij, toen ik bijna een uur lang met niemand aan mijn zijde op het balkon had zitten wachten totdat de enorme, hoge circus-zaal was volgelopen, of wat daar onder het coronabeleid van Carré voor door moest gaan, en een vriendelijke stem uit een luidspreker ons allen hartelijk welkom heette en vroeg of we wel onze mobieltjes wilden wegdoen, omdat die met hun lichtjes de nu snel beginnende voorstelling zouden kunnen verstoren.

Maar het lange wachten in eenzaamheid loonde, uiteindelijk. Ik had aanvankelijk enige aarzeling gevoeld om te gaan luisteren naar 5 kwartier voorlezen voor veertig euro, daarom waren de kaartjes natuurlijk op, toen ik eindelijk over de brug wilde komen. Waarom zou ik iemand die ik door de week wel eens  (meer…)

Jip en Otto Sterman – zwarte pioniers bij het witte toneel

Jimmy Sterman en Reinjan Mulder, twee jongens met een gitaar(banjo), pauzenummer tijdens een balletuitvoering van Hanna Mulder-Hulscher.

Door Reinjan Mulder
In de hausse aan stukken over racisme en de onwennigheid die sommigen tegenover zwarte Nederlanders ervaren, mis ik één naam die voor mij en mensen van mijn generatie belangrijk is geweest: Otto Sterman (1913-1994).
Of er toen al bewust een diversiteitsbeleid werd gevoerd bij de Neeerlandse omroep, weet ik niet, maar voor veel kinderen in de jaren vijftig moet hij de eerste zwarte man zijn geweest die ze zagen. Otto Sterman droeg in de eerste jaren dat ik televisie keek, elke week (?) in een kinderprogramma een verhaal voor van ‘Broer Konijn’, en zijn prachtige retoriek en dictie hoor ik nog altijd wanneer ik nu Surinaamse of Antillianse schrijvers hoor declameren of voorlezen. Wat heel veel later Gerda Havertong was voor kinderen met een televisie, was in de jaren vijftig Otto Sterman.
Toevallig weet ik wat meer van Otto Stermans achtergronden, omdat mijn zusje een paar later een verhouding met een neefje van hem kreeg: Jimmy Sterman. Ook Jimmy Sterman zullen velen van mijn leeftijd zich misschien nog wel herinneren, omdat hij een of meer seizoenen aanwezig was in een ander razend populair televisieprogramma voor kinderen: Pipo de Clown.
Nee, een diversiteitsbeleid bij de omroep is zeker niet nieuw, als je het goed bekijkt, al was dat woord toen nog totaal onbekend.
Wat precies Jimmy’s rol was in het gezin van Pipo, Petra en de blonde Mammalou is me nooit helemaal duidelijk geworden, hij was een leuk, donker jongetje dat na een paar seizoenen opeens in de legendarische Pipowagen opdook, maar in ieder geval wende hij ons al vroeg aan (meer…)

‘Schwefelwasser: wie schafft er das?’ Reinjan Mulder, Multitalent zwischen Strafrecht, Literatur und Kunst

Am 2. September erschien im Volk-Verlag (München) Schwefelwasser, die deutsche Fassung von Reinjan Mulders Buch Zwavelwater (Boom, 2019). Die Historikerin dr. Ingvild Richardsen, die die Reihe ‘Vergessenes Bayern’ herausgibt in der Schwefelwasser erscheint, hat eine kurze Biografie über den Autor verfasst, in der sie seine Herkunft und sein vielfältiges berufliches Tun und Wirken beschreibt. Wie kann jemand gleichzeitig Rechtsgelehrter, Journalist und Künstler sein?

Reinjan Mulders Geburtshaus im Jahr 1945, nachdem das gegenüberliegende Haus von den Deutschen als Vergeltung für den Eisenbahnstreik niedergebrannt wurde (Foto Carl Hulscher / Widerstandsmuseum Amsterdam)

Von Ingvild Richardsen
Dass der Niederländer Reinjan Mulder 1949 in Geldermalsen, einem Dorf in der Nähe der Kleinstadt Tiel, geboren wurde, hing mit der beruflichen Tätigkeit seines Vaters zusammen, der 1945, unmittelbar nach dem Ende des Zweiten Weltkriegs und der deutschen Besatzungszeit, von der niederländischen Eisenbahn, für die er arbeitete, in die Gegend der Betuwe versetzt worden war. Piet Mulder (1919-2001), im südlichen Sint Jansteen (Zeeuws Vlaanderen) geboren, hatte in Amsterdam studiert an der Technischen Hochschule, und sich auf Bauwerke, den Neubau von Brücken und Häusern spezialisiert. Nachdem er 1942 eine Stelle als technischer Zeichner bei der niederländischen Eisenbahn im Hauptamt in Utrecht erhalten hatte, wurde er wenig später technischer Inspektor, mitverantwortlich für die Beaufsichtigung großer Bauwerke, Bahnhöfe, Viadukte und Brücken der Eisenbahn. Parallel dazu besuchte er in seiner Freizeit die Abendschule an der Kunstakademie (meer…)

Het debuut: Op bezoek bij het Oostduitse Ministerie van Justitie – Levensinstelling bepalend voor de strafmaat

In het boek Geestdrift met verstand memoreert Rob Hartmans hoe ik op 19-jarige leeftijd, net als Huub Beurskens, in De Groene Amsterdammer als dichter debuteerde. Belangrijker voor mij was echter dat ik daar op 26 juni 1971 als journalist en criminoloog debuteerde. Op verzoek van mijn Duitse redacteur zocht ik het oorspronkelijke stuk terug in de leggers: ‘Levensinstelling bepalend voor de strafmaat‘.
In de aankondiging wordt vermeld hoe in
april 1971, kort voor de val van Walter Ulbricht, een groep Amsterdamse studenten onder leiding van hun hoogleraar Enschedé de toenmalige DDR bezocht, om een kijkje in het Oostduitse strafrecht te nemen. Een van die studenten was ik. De dooi had ingezet tussen Oost en West, en als eerste groep uit West-Europa werden wij op het voorheen hermetisch gesloten ministerie van Justitie van de DDR ontvangen. Ook woonden we die dag in het Paleis van Justitie een socialistische strafrechtszitting bij.
Over deze totaal nieuwe ervaring voor ons schreef ik een artikel voor De Groene, dat 49 jaar geleden in de krant verscheen, als opmaat voor het  proefschrift Misdaad en macht waarop ik op 1 juli 1980 promoveerde.
Door Reinjan Mulder
Over de hele voorgevel van het Oostduitse ministerie van Justitie aan de Clara Zetkinstrasse in Oost Berlijn hangt een rood spandoek. In witte letters staat er een tekst op met woorden als vrede, vooruitgang, socialisme en arbeid. Om tien uur gaan we door een glazen deur rechts onder de poort naar binnen. Een vriendelijke man geeft ons een hand en gaat ons voor naar de conferentiezaal. In de hal worden we zwijgend bekeken door nieuwsgierige mensen. Er hangt een levensgroot portret van Lenin aan de muur.
De conferentiezaal wordt gevuld door een grote u-vormige tafel, waarop flesjes limonade, bronwater, flesopeners en glazen, en bij iedere stoel liggen twee boeken. Das neue Strafrecht – bedeutsamer Schritt zur Festigung unseres sozialistischen Rechtsstaates en, in het Engels, The penal laws of the GDR. Aan het hoofd van de tafel zit een zevental heren, alle zeven met een partei-insigne in het knoopsgat tegen een achtergrond van witte reliëfs, een arbeider en een moeder met twee kinderen. Op een sokkel het bronzen hoofd van (meer…)

Zeven jonge gymnasiasten – een verjaardagsfoto uit 1961

Door Reinjan Mulder
Al kort na de oorlog moet er in Geldermalsen zijn doorgedrongen dat Amerikaanse fotografen hun modellen vaak ‘cheese’ lieten zeggen als ze op de foto gingen, zodat er een ongewoon blije atmosfeer werd gesuggereerd. Toen er op mijn twaalfde verjaardag aan het eind van de feestelijkheden dan ook een groepsfoto van ons allen moest worden gemaakt, deed – op mijn klasgenoot Henk Meulink na – iedereen op een teken van mijn vader keurig tegelijk: ‘cheese!’
Nooit moet ik zo’n leuke verjaardag hebben gehad als mijn twaalfde. Maar wat mij, tweede rij uiterst links, nu als eerste aan de foto opvalt die bij de ontruiming van mijn ouderlijk huis tevoorschijn kwam,  is hoeveel jongens uit ons bescheiden dorp in 1960 naar het 12 kilometer verder gelegen Stedelijk Gymnasium in Tiel gingen. Alle zes jongens op mijn verjaardagsfeestje, plus ikzelf, zaten in dezelfde klas van dit gymnasium, maar drie van hen kende ik toen al de helft van mijn nog zo korte leven. Van mijn manlijke klasgenoten op gymnasium kwamen er ten minste drie van mijn Lagere School B in Geldermalsen: de grijnzende Klaas Versteegh, Richard Buyserd achter hem en met bril Wimpje Muijs van der Moer, die wij in dat gelukkige schooljaar 1960/1961 nog altijd Wimpje noemden, omdat zijn vader toen nog leefde, die mijn ouders altijd  kortweg Wim Muijs noemden, en ik: ‘oom Wim’.

(meer…)

De Tweede Wereldoorlog in drie boeken: D.A. Kooimans Montyn, Oberski’s Kinderjaren en Tessa de Loo’s Tweeling

Door Reinjan Mulder
In de aanloop naar de 75ste bevrijdingsdag op 5 mei, valt bij Das Zahngold een sterke toename te zien in de belangstelling voor artikelen over de Tweede Wereldoorlog. Met name bij stukken over literaire boeken over deze periode is het aantal lezers de laatste maanden opvallend toegenomen.
Welke boeken waarin de Tweede Wereldoorlog een rol speelt, zijn daarbij het populairst?
Afgaande op de belangstelling voor recensies en interviews op Das Zahngold blijkt er de afgelopen vier maanden steeds meer belangstelling te zijn gekomen  voor:
1. Jona Oberski – Kinderjaren, uitg. Bzztohh, 1978 (+104%)
2. D.A. Kooiman – Montyn, De Harmonie, 1982 (+72%)
3. Tessa de Loo – De tweeling, De Arbeiderspers, 1993 (+67%)
Opmerkelijk aan deze drie artikelen is niet alleen dat ze sinds 1 januari 2020 vaker zijn gelezen dan het gemiddelde stuk, ook is het aantal lezers ervan de afgelopen maanden aanzienlijk sterker toegenomen dan van de andere stukken. Genoeg om de recensie te doen binnenkomen op de tiende plaats van de meest gelezen stukken sinds 2009.
Omdat Das Zahngold geen cookies registreert, zijn er geen cijfers van het absolute aantal bezoekers, maar wel zijn de onderlinge verhoudingen en de bezoekerstrends van alle stukken te achterhalen: terwijl het totale aantal door Google Analytics geregistreerde pageviews de afgelopen 4 maanden met 38% toenam ten opzichte van de voorafgaande vier maanden (op zichzelf al de sterkste stijging sinds het begin van Das Zahngold!), liet het aantal pageviews van de stukken over deze drie oorlogsboeken in totaal bijna een verdubbeling zien: van 67% stijging van het aantal pageviews van het interview met Tessa de Loo over haar geruchtmakende boek De Tweeling in vier maanden tijd, via 72% stijging bij Dirk Ayelt Kooiman’s boek over (meer…)

Deirdre Bair (1935-2020) over Samuel Beckett, Sartre en Beauvoir: ‘Alles behalve de geslachtsdaad’

Door Reinjan Mulder
Toen de deze maand overleden gelauwerde Amerikaanse biografe Deirdre Bair in 1980 haar Samuel Beckett-biografie gepubliceerd had, schreef ze een kort briefje aan Simone de Beauvoir, met de vraag of ze ook over haar een biografie mocht schrijven. Dat mocht, schreef Beauvoir, al had ze zo haar voorwaarden.
Toen er recent een nieuwe Beauvoir-biografie van Kate Kirkpatrick verschenen is, ben ik maar eens gaan klijken hoe zij het werk van Deirdre Bair waardeert. Vaak geven biografen enorm af op hun voorgangers, als ze hen al niet doodzwijgen, maar Kirkpatrick doet dat gelukkig niet. Zo citeert ze met kennelijk genoegen Beauvoirs gedenkwaardige uitspraak tegenover Bair dat er tijdens haar eerste, lange ontmoeting met Sartre ‘alles’ was gebeurd, ‘behalve de geslachtsdaad’. Ik moet aan Clinton denken, en zie het voor me.
Maar ja, zo kan het dus ook. Kate Kirkpatrick waardeert het baanbrekende werk van haar voorganger Deirde Bair zelfs, als de eerste biografie waarin Beauvoir zelf veelvuldig aan het woord komt, al heeft dat haar boek wel sterk gekleurd. Volgens Kirkpatrick laat Bair te veel een Simone de Beauvoir zien zoals de schrijfster en filosofe die zelf het liefst gezien had. De biografie blijft volgens haar te dicht bij Beauvoirs eigen memoires, en ze kende ook nog veel vertrouwelijke stukken niet.
Die focus op Beauvoirs eigen visie was natuurlijk al duidelijk geworden uit de lange lijst met wensen, waarmee de inmiddels bejaarde schrijfster volgens Bair aan kwam zetten bij hun eerste ontmoeting. Had Samuel Beckett zich principieel nooit bemoeid met wat Bair in haar biografie over hem zou schrijven, Beauvoir kwam met een heel eisenpakket, zo vertelde Bair me in 1991 tijdens een interview: “Ik mocht dit niet, en ik mocht dat niet, en ik moest dit doen en ik moest dat doen.”
Maar Bair had die eisen lang niet allemaal ingewilligd, zei ze er direct bij. “Ik heb Beauvoir meteen gezegd dat ik nog niet zo zeker wist of ik dan nog wel een biografie van haar wilde schrijven.”
De schrijfster vroeg 
(meer…)

‘In de hongerwinter getekend’ – Bij een tekening van de boerderij de Anna Hoeve

Door Reinjan Mulder
Tijdens de hongerwinter zat mijn vader Piet Mulder 8 maanden ondergedoken in de Watergraafsmeer. De spoorwegstaking duurde langer dan verwacht en hij doodde de tijd met tekenen. Ook moet hij toen een keer een boom hebben omgehakt.
Bij Anna Hoeve, waar nu het Science Park is, maakte hij 75 jaar geleden, op 17 april 1945, deze tekening. Geen hoogtepunt in zijn oeuvre, zo te zien, hij was toen 25 jaar, maar de datum vertelt – achteraf – wel een sterk verhaal. Nog drie weken tot de bevrijding.
Deze week ben ik er in alle vroegte heen gewandeld. Naast het kippenhok liepen drie trotse kippen maar verder was het net zo stil als toen.
Ik vroeg me af wat mijn in 2001 overleden vader in 1945 naar Anna Hoeve bracht. Honger? In die tijd struinde half Amsterdam het omringende platteland af, in de hoop wat voedsel te bemachtigen. Boeide de landelijke omgeving hem, de natuur, zo vlak bij zijn ouderlijk huis? Of is het de constructie van de verschillende bouwsels, hun fragiliteit en hun functie?
Ik weet het niet. Wat ik wel kan zien, is dat er een paar onderschriften onder staan. Eerst heeft mijn vader er als gewoonoijk zijn naam en de datum onder gezet, rechts: ‘Piet Mulder 17-4-’45’. Daarna schreef hij links nog de locatie: ‘Kruislaan Amsterdam’. Daarna moet hij helemaal rechts met potlood of verf het jaartal nog eens voluit hebben gezet: ‘1945’. En ten slotte heeft hij alles in het midden van het vel nog eens uitgeschreven, als een onderschrift:
‘Boerderij Anna – Hoeve in de hongerwinter getekend 17-4-’45’.

(meer…)

Ik ga in quarantaine en neem mee…

De Grunberg-plankjes in de boekenkast (fragment)

Door Reinjan Mulder
In mijn quarantaine heb ik de afgelopen weken, goddank, nog een paar duizend boeken binnen handbereik gehad, die ik geen van alle missen kan, maar mocht ik onverhoopt aangestoken worden, en naar een zorginstelling gaan, dan weet ik inmiddels wat ik mee wil nemen:

Tien boeken die mij gevormd hebben:
1. Samuel Beckett, Molloy, Bezige Bij, 1963, dat me in de vertaling van Jacoba van Velde op mijn 16de leerde wat literatuur is;
2. L.F. Céline, Reis naar het einde van de nacht, Van Oorschot, 1968, dat me dank zij Em. Kummer als student leerde wat stijl is;
3. Remco Campert, Bij hoog en bij laag, Bezige Bij, 1965 (1959), dat me liet zien wat poëzie vermag;
4. Graham Swift, Last orders, Picador, 1996, dat me liet inzien wat de Engelsman bezielt;
5. W.G. Sebald, Die Ringen des Saturn, Eichborn, 1995, dat de dunne grens tussen non-fictie en fictie verkent;
6. F.B. Hotz, Dood weermiddel, Arbeiderspers, 1996, dat me de bijzondere wereld van de dingen liet beseffen;
7. Hans-Maarten van den Brink, Over het water, Meulenhoff, 1998, dat me de begeestering door het roeien bijbracht;
8.Oek de Jong, Pier en Oceaan, Augustus, 2012, dat me liet zien wat opgroeien in de provincie is;
9. J.B. Charles, Van het kleine koude front, Bezige Bij, 1962, dat me leerde hoe goed criminologen polemiseren kunnen;
10. Margriet de Moor, Eerst grijs dan wit dan blauw, Contact, 1991, dat me na 25 jaar opnieuw leerde lezen.

Met Carolijn Visser de wereld rond, samenstelling en inleiding Reinjan Mulder

Tien boeken die ik zelf mocht (helpen) vormen:
1. Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid, De Geus, 2000, dat een nieuwe Arnon Grunberg liet zien;
2. Vamba Sherif, Het land van de vaders, De Geus, 1999, dat Afrika zijn eigen Aenaeis gaf;
3. Kader Abdolah, Spijkerschrift, De Geus, 2000, dat de essentie van de migratie verbeeldt;
4. Sana Valiulina, Didar & Faroek, Meulenhoff, 2006, dat mij leerde hoe (auto)biografie literatuur wordt;
5. Thomas Heerma van Voss, Verdwenen boeken, Babel & Voss, zomer 2020, de opvolger van Onzichtbare boeken, over tien jaar Babel & Voss;
6. Sandra van Beek, De grote illusie, De Geus, 2000, dat in het echtpaar Waller de romantiek van de vroegere kunstjournalistiek eert;
7. Henna Goudzand, Hele dagen in de regen, De Geus, 2004, dat de tragiek van de dekolonisatie toont;
8. Elizabeth Nobel, Land van zal, Meulenhoff, 2006, dat het bestuurlijk dilemma van het kolonialisme verbeeldt;
9. Carolijn Visser, De hele wereld, Meulenhoff, 2003, dat een autobiografie in 49 reisverhalen werd;
10. Reinjan Mulder, Zwavelwater, Boom, 2019, dat

(meer…)