Blinde fotograaf Evgen Bavcar over kijken, W.F. Hermans en het zwarte licht: ‘We zien wat we weten’

Bavcarfoto

De blinde fotograaf Evcen Bavcar – boeken en brieven uit Parijs en Slovenië

‘Niemand kan meer in de landschappen van mijn jeugd komen,’ weet de blinde fotograaf Evgen Bavcar (1946). ‘Maar ik heb mijn innerlijke galerien. Ik kan niet tegen u zeggen: kom daar eens kijken. Maar daarom maak ik juist mijn foto’s.’ 
Door Reinjan Mulder
In het verhaal ‘De blinde fotograaf’ van W.F. Hermans – opgenomen in Een Landingspoging op Newfoundland – gaat een weekbladjournalist voor de rubriek Paradoxale Persoonlijkheden op zoek naar een fotograaf die blind is. Het is een absurd verhaal, maar het interessante is dat het een goed doordachte visie geeft op het verschijnsel fotografie. De blinde fotograaf blijkt een groot gedeelte van zijn tijd door te brengen in een donker achterhuis, en na enige verwikkelingen met zaklampen krijgt de journalist in de gaten waarom hij denkt dat hij fotograferen kan. Als jij fotografeert, heeft de blinde fotograaf tegen zijn moeder gezegd, komt dat (meer…)

De Hanna’s (fragment) – Bij het honderdste geboortejaar van Hanna Mulder-Hulscher

Honderd jaar geleden, op 30 mei 1922, werd in de Amsterdamse Vroedvrouwenschool in de Sarphatistraat de latere dansdocente Hanna Hulscher (1922-2013) geboren. Bijna veertig jaar lang gaf zij danslessen aan duizenden kinderen in Geldermalsen en Zaltbommel.
Als dansdocente leeft zij nog alleen voort in de herinneringen van haar Betuwse leerlingen, maar de honderden portretten die haar man Piet Mulder (1919-2001) van haar maakte, laten onverwacht een andere kant van haar zien. 
Een aantal van die portretten zijn nu gebundeld in het boekje ‘Piet Mulder – Hanna‘ dat ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag bij uitgeverij De Weideblik verscheen.
In dit fragment uit het boekje beschrijft haar zoon
Reinjan Mulder wie zijn moeder was en waarom zij in 1941 voor zijn vader bezweek.   
Door Reinjan Mulder
Voordat er livestreams bestonden, lieten de meeste dansers na hun dood weinig na. Bijzondere choreografieën kon je met ingewikkelde notatiesystemen nog voor het nageslacht bewaren en er waren een paar mooie films van beroemde dansers gemaakt, maar totdat de partner van Hans van Manen zich ging toeleggen op het integraal filmen van de balletten van zijn man, soms al meedansend, vanaf de dansvloer, verdween zelfs het werk van de meest gelauwerde choreografen vaak samen met de herinneringen van hun dansers. Wie kijkt er nog naar de balletten van Nijinsky, wat weten we nog van een Noerejev?

Piet Mulder, Hanna, 1955. Pentekening 24×32 cm

Die vergankelijkheid geldt eens te meer voor dansdocenten. Hun producten zijn hun leerlingen, en als die leerlingen niet heel veel talent hebben, of iets te weinig doorzettingsvermogen, blijft er na hun dood niet veel meer over dan een stuk of wat verhalen, hoe goed en inspirerend hun lessen aan de barre ook zijn geweest. Mijn moeder Hanna Hulscher (1922-2001) was zo’n bevlogen dansdocent. Vanaf het begin van de jaren vijftig tot ver in de jaren tachtig gaf ze in Geldermalsen danslessen, waar meisjes van 4 tot een jaar of 18, en soms een enkele jongen, naar muziek leerden luisteren en mochten bewegen op die muziek. In haar beste tijd kwamen er elke week meer dan 150 leerlingen bij haar langs, eerst tussen de trotse vaandels in Ons Huis, waar normaal de harmonie oefende, en later in het gebouwtje van de Geldermalsense postduivenvereniging of bij haar thuis. Hanna leerde haar kinderen daar (meer…)

Waarom schrijvers subsidiëren? Een reactie op Dick Hillenius’ artikel ‘De woedende eenling’ (1974)

Volksksrant interview met Dick Hillenius plus twee van zijn boeken

Door Reinjan Mulder
Mijn allereerste bijdrage aan het Algemeen Handelsblad schreef ik, 19 jaar oud, in 1968, maar het eerste stukje dat ik naar het kort daarop gefuseerde NRC Handelsblad stuurde, was iets waarvan ik vreesde dat het wel eens meteen het laatste kon zijn, als het al geplaatst werd, want erg aardig was het niet voor een van hun trouwe medewerkers.
Waar ging dat eerste stukje over? Het vrijdagse
Cultureel Supplement had op 26 april 1974 een groot openings-artikel van Dick Hillenius waarin hij met tal van argumenten het ruimhartig subsidiëren van schrijvers bepleitte. Aanleiding voor zijn pleidooi was een nummer van het studentenblad Propria Cures, waarin kort daarvoor het tegendeel was bepleit, het zogenaamde subsidienummer. In dat thema-nummer had de redactie een groot aantal met beurzen ondersteunde schrijvers en dichters onder de loep genomen en gekeken of zij echt wel zo goed waren dat de overheid ze moest gaan subsidiëren. En ook of ze allemaal wel zoveel geld nodig hadden, want sommigen van hen waren columnist (Renate Rubinstein) of zelfs redacteur (Rudy Kousbroek) van een krant of tijdschrift, en anderen hadden al jaren niets behoorlijks meer uit hun handen gekregen.
Dat artikel was niet onopgemerkt gebleven, om het zachtjes te zeggen, al keerde al snel, zoals te verwachten was, half schrijvend Nederland zich tegen PC. Zo was het voor Dick Hillenius, de eerste voorzitter van de Stichting Propria Cures, een mooie gelegenheid om uitgebreid, met voorbeelden uit de biologie, te gaan uitleggen waarom kunst – en ook schrijvers –  juist wel overheidsondersteuning verdienden.
Ik voelde me als redacteur van Propria Cures nogal aangesproken door zijn stuk, niet het minst omdat ik de auteur was van het (redactionele) openingsartikel tegen de overdreven schrijvers-subsidies. Daarom voelde ik me wel verplicht om erop te reageren, en uit te leggen wat ons bewogen had met ons nummer – en waarom wij natuurlijk gelijk hadden gehad.
Nu was Hillenius in het begin van de jaren zeventig een van de meest gewaardeerde auteurs van ons land, zeker in kringen rond het Cultureel Supplement, dus hield ik er rekening mee dat mijn reactie niet geplaatst zou worden. Maar mijn reactie werd onverkort afgedrukt, en dat niet alleen: de week daarop werd ik door K.L. Poll, de chef van het Cultureel Supplement,  gevraagd of ik niet eens wat vaker voor de krant wilde schrijven. De krant hield wel van wat leven in de kunstbrouwerij.  
Ja hoor, dat wilde ik wel. Ik was 25 jaar, net afgestudeerd, en ik had, afgezien van een kunstopdracht van CRM, nog geen vast werk. En dat deed ik sindsdien dus, schrijven voor het CS, in ieder geval tot eind vorige maand, toen mijn stuk over een nieuw ontdekte roman van Grete Weil in de krant verscheen.
Na bijna een halve eeuw schrijven voor NRC Handelsblad heb ik mijn allereerste bijdrage aan NRC Handelsblad deze week nog eens teruggezocht, en – nu als lid van een adviescommissie voor kunstsubsidies – gekeken hoe ik in mijn jonge jaren tegen dit nog altijd niet onomstreden fenomeen aankeek:      

Dick Hillenius begint zijn toespraak ‘De woedende eenling’, afgedrukt in het ‘Cultureel Supplement’, met een kleine uitval tegen het subsidienummer van Propria Cures. Hoewel hij zegt dat hij het over de zin van kunstsubsidies wil hebben, gaat het grootste deel van zijn stuk niet daarover maar over de zin van kunst en over de moeilijkheden bij het selecteren van goede kunst. Veel lezers zouden daardoor de indruk kunnen krijgen dat PC zich heeft uitgesproken tegen kunst in het algemeen en tegen elke vorm van kunstsubsidie. Laat ik om te beginnen dit zeggen: als wij de kunst, en vooral de literatuur, niet zo belangrijk vonden, dan hadden we ons over die paar ton schrijverssubsidie (een bedrag waarvoor je nog geen vijftien ambtenaren aan het werk kunt zetten) niet hoeven opwinden. Wij meenden echter dat de literatuur door de gebruikelijke manier van subsidiëren eerder geschaad dan gebaat werd.

Sylvia Willink, Willem Frederik Hermans

Om aan te tonen hoe nuttig het is met gulle hand stipendia, beurzen en toelagen uit te delen vergelijkt Dick Hillenius de wereld van de schrijvers met die van de zeehazen, een soort slappe zeeslakken die zich met ontzagwekkende ijver voortplanten. Hoe meer er geschreven wordt, zo is zijn redenatie, des te groter is de kans dat er eens een uitschieter tussen zit. En hij haalt daarbij (ten onrechte, volgens mij) W. F. Hermans aan, die beweerd zou hebben dat er een verband bestaat tussen veel studenten en belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen.
Het is een theorie, die juist zou kunnen zijn. Propria Cures heeft er dan ook geen bezwaar tegen gemaakt dat men ooit met het subsidiëren van schrijvers begonnen is. De gelijkenis tussen sommige auteurs en slappe zeeslakken is inderdaad te treffend om onopgemerkt te blijven.
Maar in plaats van te laten zien wat de gevolgen zijn geweest van deze subsidies aan schrijvers, in plaats van te kijken of de theorie van de vruchtbare voedingsbodem juist is gebleken, schrijft Dick Hillenius vervolgens: ‘Als iemand (meer…)

‘De weg naar de grens’ – Onbekende roman van Grete Weil (1906-1999) ontdekt in Münchens archief

Door Reinjan Mulder
Toen de Duitse schrijfster Grete Weil-Dispeker in 1999 op 93-jarige leeftijd overleed, werd in NRC Handelsblad uitvoerig uit de memoires geciteerd die ze kort voor haar dood bij een Zwitserse uitgeverij publiceerde. Weil had een stuk of zeven boeken geschreven, waarvan de meeste ook in Nederland werden vertaald, en aan het eind van haar leven wilde ze laten zien uit wat voor een geassimileerde, joods-Duitse familie ze kwam en waarom ze als auteur uiteindelijk toch voor Duitsland koos. In 1935 was ze naar Amsterdam uitgeweken, waar ze een fotostudio in de Beethovenstraat overnam en waar haar man al tijdens een van de eerste razzia’s werd opgepakt om kort daarop in Mauthausen om te komen, maar in 1947 ging ze welbewust weer naar Duitsland terug, waar haar tweede man Walter Jokisch woonde, omdat ze in het Duits schreef, zei ze, en omdat ze dit toch als haar land beschouwde.
Hoeveel ze ook van Duitsland hield, Weils leven en werken werden in hoge mate bepaald door de nazi-tijd. In haar bekendste boek, Tramhalte Beethovenstraat (1963), bezoekt een Duitse schrijver en journalist die tijdens de oorlog in Amsterdam heeft gewerkt twintig jaar later de stad nog een keer, en herinnert zich dan hoe het er in 1942 in de Beethovenstraat aan toe ging. Weken achtereen werden daar toen op de tramhalte joden bijeengedreven om op transport gesteld te worden. Omdat Grete Weil in de oorlog zelf in de Beethovenstraat had gewoond, waar ze (meer…)

Stijn van Rossem: De levende archieven van het Allard Pierson – bij de introductie van het Reinjan Mulder Fonds

15 december 2021 – Reinjan Mulder (m) tekent de oprichtingsakte in het Allard Pierson

Door Stijn van Rossem
Het Allard Pierson telt talrijke collecties. Flink wat van die collecties raken aan letterkunde, aan uitgeversgeschiedenis of aan beide tegelijk. De meeste zijn springlevend en worden veel geraadpleegd. Andere genieten minder bekendheid, en dan proberen wij het gebruik te stimuleren. Want wij willen levende collecties: collecties die inhoudelijk relevant zijn en relevant gevonden worden, collecties dus die gebruikt worden. In sommige gevallen is zo’n collectie bovendien nog niet afgesloten, simpelweg omdat de archiefvormer nog leeft en actief is, en dat maakt zo’n collectie naast relevant ook actueel. Wij spreken dan van een ‘levend archief’, met als bekendste voorbeelden het archief van vormgeefster Irma Boom, van wie tot en met 25 september 2022 een kleine maar fijne tentoonstelling te zien is, en het archief van schrijver – en P.C. Hooftprijs-winnaar – Arnon Grunberg.
Eveneens een levend archief is het archief van Reinjan Mulder. Hoewel het al in 2011 is binnengekomen, wordt het af en toe aangevuld, de laatste keer in januari 2022. Ook Reinjan Mulder is namelijk nog steeds alive and kicking, en dat op vele terreinen. Zo schreef hij in datzelfde jaar 2011 een roman, Coffee Company, en in 2019 een boek, Zwavelwater, over het historisch beladen kuuroord Haus Jungbrunnen, een boek dat inmiddels ook in Duitse vertaling verscheen.

Presentatie Objectief Nederland: Cleo Wächter en Reinjan Mulder met Rijksmuseum conservator Harm Stevens (r.)

Zijn schilderende vader Piet Mulder eerde Reinjan Mulder met drie boekpublicaties over zijn tekeningen en schilderijen. Samen met enkele jonge honden richtte hij de uitgeverij Babel & Voss op, die binnen het landschap van literaire uitgevers voor nieuwe aanplant zorgde. En in 2016 werd hij herontdekt als experimenteel fotograaf, wat resulteerde in een tentoonstelling in het Rijksmuseum en twee fraaie kunsthistorische publicaties over zijn fotoproject Objectief Nederland uit 1973. Dat project kreeg in 2017 zelfs een remake, uitgevoerd door de jonge fotografe Cleo Wächter.
Tot slot houdt Reinjan Mulder het weblog Das Zahngold in de lucht, waarop hij met grote regelmaat herinneringen ophaalt, een vinger aan de pols van cultureel Nederland houdt en zo nodig de polemiek niet schuwt.

Het archief van Reinjan Mulder weerspiegelt al deze recente activiteiten en zijn vele werkzaamheden die daaraan vooraf gingen. Zo documenteert het een stukje geschiedenis van het roemruchte studentenblad Propria Cures, waarvan Reinjan redacteur en bestuurder is geweest. Het bevat de bewijzen dat Reinjan – wat maar weinigen weten – ook een echt vak heeft geleerd, dat van criminoloog, een wetenschap waarin hij (meer…)

Karel van het Reve en de onvolkomen wetenschap – bij de bekroning van een uniek essayistisch oeuvre

Het Cultureel Supplement van 9 april 1982

Door Reinjan Mulder
In zijn dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooftprijs verwees Arnon Grunberg uitvoerig naar het dankwoord dat Karel van het Reve veertig jaar eerder in het Muiderslot uitsprak, toen hij dezelfde prijs in ontvangst nam. Onwillekeurig herinnerde mij dat aan het stuk dat ik rond die tijd in NRC Handelsblad schreef over Van het Reves onvermoeibare strijd tegen achterhaalde opvattingen. 
Onder de kop ‘Waarom zingt de leeuwerik?’ verscheen het stuk  in het Cultureel Supplement van 9 april 1982, een paar weken voor de prijsuitreiking en daar leidde het al snel tot enige ophef onder leden van de hoofdredactie. In een evaluatiebijeenkomst op de krant haalde met name plaatsvervangend hoofdredacteur drs. Rob Soetenhorst die week hard uit. Alleen al het feit dat ik begon met een verwijzing naar een marginale figuur als Johnny van Doorn vond hij beneden peil. Mijn essay zou een groot schrijver als Karel van het Reve en een staatsprijs als de P.C. Hooftprijs onwaardig zijn.
Ik heb het stuk nooit meer terug durven lezen, maar nu Arnon Grunberg de bekroning van Van het Reve weer onder de aandacht heeft gebracht, heb ik het maar eens teruggezocht – om te concluderen dat ik het nu nauwelijks anders geformuleerd zou hebben. Ik houd van Karel van het Reve, laat dat duidelijk zijn, de keren dat ik persoonlijk met hem te maken had, was hij ook allerbeminnelijkst. Ik las bijna al zijn boeken en ken heel wat citaten van hem uit mijn hoofd. Maar weinig schrijvers, dood of levend, kunnen hem dat nazeggen. 
Ik ben alleen geen adept. Geen adept zoals er tegenwoordig zoveel rondlopen. Ik analyseer liever wat iemand  doet en hoe hij het doet dan dat ik iemand blind bewonder, ik ben benieuwd naar iemands overgangen, zijn retoriek, of, zoals bij Van het Reve, zijn anti-retoriek.
Ik geloof dat ik in dit geval ook wel enigszins wist waar ik het over had. Toen ik mijn beschouwing schreef, was ik niet zoveel eerder aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het marxistische denken over misdaad en straf, ik had me een paar jaar in de wetenschapsfilosofie verdiept en ik kende Reves opvattingen over leerstukken als het historisch-materialisme waarschijnlijk als weinig anderen. Dat is ook wel te merken aan mijn stuk, en ik zie dat niet als nadeel. Iedereen haalt weer andere dingen uit een boek, en ik plaatste Karel van het Reves betekenis in het kader van het marxisme-debat zoals dat jaren lang hevig woedde aan de universiteiten, en ik trek dat debat door naar een paar andere terreinen waarop Van het Reve actief was zoals de literatuurwetenschap en de evolutieleer.
Wat ik wilde aantonen, was dat Karel van het Reve, die zoals bekend uit een communistisch gezin kwam, van het marxisme de onhoudbaarheid had aangetoond, al had dat marxisme wel zijn wereldbeeld bepaald en kon hij er later weinig méér tegenover stellen dan dat hij zelf inmiddels niet zo goed meer wist hoe hoe de vork dan wél in de steel stak. Veel wan wat aanvankelijk op causaliteiten wees, bleek later net zo goed door het toeval bepaald te kunnen zijn.  
Ook ik wist – en weet – niet welk wereldbeeld we tegenover het marxisme kunnen stellen, en ik vind dat geen schande. Volgens mensen als Karl Popper is ook zulk niet weten een vorm van kennis, al kom je er natuurlijk niet altijd verder mee als je voor grote beslissingen staat.
Karel van het Reves belangrijkste bijdrage aan onze kennis is volgens mij nog steeds geweest dat hij ons liet zien wat we allemaal niet weten in plaats van hoe alles in elkaar past, en dat veel theorieën – of wat daarvoor doorgaat – op den duur toch niet houdbaar zijn gebleken.
Dat kun je voortschrijdend inzicht noemen, al is ook het woord ‘inzicht’ dan misschien wel weer wat te pretentieus. Dit is daarom hoe ik dat in 1982 in NRC formuleerde  toen ik net 33 was, nog niet half zo oud als ik nu ben maar zeker zo wijs:  

Waarom zingt de leeuwerik?

Al een paar dagen voor de prijsuitreiking kregen we bij NRC Handelsblad het dankwoord van Karel van het Reve

In Mijn kleine hersentjes, een tien jaar geleden verschenen boekje met jeugdherinneringen van van Johnny van Doorn komt een intermezzo voor over een man die zojuist de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De ochtend na zijn afscheid op de zaak wordt hij vroeg wakker door de ‘ingebouwde wekker’ in zijn hoofd. Hij staat gedachteloos opdrinkt een glaasje melk, eet twee boterhammen en stipt om tien over half verlaat hij zijn huis.
Op dat moment wordt, door de klap van de deur, zijn vrouw wakker. Van Dorn beschrijft meeslepend hoe ze haar man ook het laatste moment tot de werkelijkheid probeert te brengen: ‘Nooit tevoren was ze zo vlug in de kleren geweest. Ze rende de straat op, hem achterna. Volkomen buiten adem was ze toen ze hem in het vizier kreeg. Op z’n dooie akkertje liep ie in de richting van zijn kantoor. Joop! riep ze met overslaande stem. Joop, je hoeft niet meer te werken! Je hoeft niet meer naar kantoor! Verbaasd, en niet begrijpend, draaide hij zich om.’
Het fragment van Johnny van Doorn is een treffende illustratie van wat in het moderne Sovjetrussische  marxisme bekend is geworden als de rudimentenleer. Het kan gebeuren dat in een land ‘de objectieve omstandigheden’ een bepaalde handeling overbodig maken, terwijl die handeling door gewoonte, die ingebouwde wekker, toch nog plaats vindt. Jarenlang hebben de inwoners noodgedwongen allerlei minder gewenste dingen gedaan en wanneer de nood en de dwang eindelijk verdwenen zijn, gaan zij met hun afkeurenswaardig gedrag door omdat de veranderde omstandigheden nog niet in hun denken en voelen zijn doorgedrongen.
Het gevolg is dat een socialistische revolutie alleen niet voldoende is om de oude vormen en gedachten te laten afsterven. Nog vele generaties later kunnen feodale of kapitalistische gedragingen aan de oppervlakte komen, doorgegeven van ouders op kinderen, van onderwijzers op leerlingen. Gedurende eeuwen heeft zich een grillig patroon in het menselijk argumenteren en redeneren vastgezet en het zou wel eens even veel tijd kunnen kosten voor dit ingeslepen patroon door een beter is vervangen.

Het lijkt op het eerst gezicht vreemd dat de enige man in Nederland die deze rudimententheorie met grote regelmaat verdedigt, geen uitgesproken aanhanger van het Sovjetmarxisme is. Integendeel, wie de verzamelde werken van de nu met de P.C. Hooftprijs bekroonde Karel van het Reve bekijkt, kan misschien nog even in de war worden gebracht door de titels (Lenin heeft echt bestaan, Rusland voor beginners, Het geloof der kameraden, Waarde kameraad, Marius wil niet in Joegoslavië wonen), maar uit de inhoud blijkt al snel dat we hier eerder te maken hebben met iemand die bij voorbaat liever alles ontkent wat in een marxistisch handboek te vinden is.
Het marxisme zelf is voor Van het Reve een van de achterhaalde denkgewoontes, die (meer…)

Jeroen Brouwers en de P.C. Hooftprijs – Bij de dood van een moeilijk mens

Berlijn, 2008. Vallende mastodonten…

Door Reinjan Mulder
In bijna alle necrologieën die ik vandaag over de schrijver Jeroen Brouwers las, komt het even aan de orde. Brouwers was een van die paar schrijvers die jaar in jaar uit werden ‘genoemd’ als mogelijke – of zelfs waarschijnlijke – winnaar (eig. verkrijger) van een van de volgende nationale oeuvreprijzen voor literatuur, de P.C. Hooftprijs, maar in al die jaren dat hij zo in brede kring werd opgevoerd, kreeg hij die fel begeerde prijs uiteindelijk nooit.
In NRC Handelsblad schrijft Thomas de Veen vandaag, in een tweede, wat bijgewerkte versie, dat Jeroen Brouwers zijn kansen op de P.C. Hooftprijs waarschijnlijk voorgoed verspeelde toen hij met veel misbaar een keer de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde omdat hij die te laag gedoteerd vond. Ik denk dat dit de waarheid niet helemaal dekt.
De Prijs der Nederlandse Letteren krijg je als Nederlandse schrijver of dichter doorgaans pas nadat je de P.C. Hooftprijs al in je bezit hebt. Het is een overkoepelende Nederlands-Vlaamse prijs voor de echte toppers uit beide landen, Reve, Mulisch, Hermans. Een eindpunt, en zeker geen tussenstation, zoals de Haagse Constantijn Huygensprijs.

In al die jaren dat ik de besloten discussies over de P.C. Hooftprijs een beetje kon volgen, hoorde ik echter dat er in elke proza-jury wel een paar fervente tegenstanders van Jeroen Brouwers’ bekroning zaten, zoals er, dat moet gezegd, ook bijna altijd overtuigde voorstanders van hem waren. Maar zoals dat gaat met literaire prijzen: alleen schrijvers die niet al te veel heftig verzet wekken, komen voor de hoogste onderscheiding in ons land in aanmerking.
In de Nederlandse literatuur zijn er in de laatste halve eeuw al heel wat heethoofden geweest die (in beginsel) voor de P.C. Hooftprjs in aanmerking zijn gekomen. Denk aan Gerard Reve, een W.F. Hermans, een Jan Wolkers, ja, zelfs een recalcitrant als Hugo Brandt Corstius kreeg hem uiteindelijk toch nog uitgereikt. Maar alleen Jeroen Brouwers kreeg de prijs in al die jaren dat hij werd genoemd, nooit.

Of dat terecht is, zou ik niet kunnen zeggen. Sinds hij mij (meer…)

W.F. Hermans en de biefstukken – de favoriete citaten

Sylvia Willink, Willem Frederik Hermans

Door Reinjan Mulder
Op 29 januari 1982 verscheen er in het betreurde ‘Cultureel Supplement’ oude stijl van het al even betreurde, oude NRC Handelsblad een intrigerend, nieuw verhaal van Willem Frederik Hermans: ‘Hoe de biefstuk smaakte’.
Ik deed in die tijd de redactie van dat gemixte supplement, en of het daarvoor komt, weet ik niet, maar ik ben het in ieder geval nooit vergeten.
Het ging over een man die vond dat je veel kunt registreren en kopiëren, maar nooit hoe iets smaakt. Hij herinnert zich hoe lekker vroeger de biefstuk was, maar kan daar verder weinig aan toe voegen.
Toen de redactie van Neerlandistiek.nl mij dan ook vroeg om mijn favoriete Hermans-citaten, besloot ik het terug te zoeken en na enig gepuzzel kwam ik uit bij Hermans’ verzamelbundel Malle Hugo (1994), waarin het verhaal ‘Hoe de biefstuk smaakte’ is opgenomen.
Maar toen er een citaat uit koos, had ik het gevoel niet klopte. Daarom ging er naar op zoek in Delpher, en snapte ik mijn bevreemding. Het verhaal was nogal veranderd.
In het CS schreef Hermans, in 1982:
Of we er op deze toon al eens eerder met hem over hadden gepraat, zou ik niet zeker weten, maar het leek me best mogelijk, want onder de indruk raakte hij niet. “Hoe uit te leggen hoe een ossehaas dertig jaar geleden smaakte? Op de hele wereld is geen plakje ossehaas van dertig jaar geleden meer te vinden. En net als de meeste smaken, was er geen tweede smaak op de wereld die erop leek.”
Maar in 1994, in Malle Hugo, was dat veranderd in:
‘Een mens wordt wel groot en oud, maar alle dagen jarig wordt hij nooit’, zei opa bitter. Op deze manier had hij het nog niet eerder geformuleerd en ik kreeg ineens erg met hem te doen. ‘Hoe uit te leggen hoe een ossehaas vroeger smaakte?’ vroeg hij zich bijna fluisterend af, ‘op de hele wereld is geen plakje ossehaas van dertig jaar geleden meer te vinden. En, net zoals het geval is met de meeste smaken, er bestaat geen tweede smaak ter wereld die erop lijkt.’
Mijn vraag nu, aan de geachte neerlandici, is: Welke  versie is beter, en waarom?
Toen ik die vraag op Facebook stelde, bleken beide versies hun aanhangers te hebben. Zodat er weinig anders op zit dan de hele verhalen uit 1982 en 1994 nog eens terug te gaan zoeken.
(wordt vervolgd)

Het Parool gaat vreemd – de outplacement van een Amsterdamse krant

Door Reinjan Mulder
Van 1945 tot 1948 (‘Praag’) had mijn vader een natuurrubriek in de voormalige verzetskrant De Waarheid, maar ik ben van 1949 en toen lazen we thuis al lang en breed die andere verzetskrant, Het Parool. Ik ben groot geworden met Carmiggelt, Kapitein Rob, Jeanne Roos en Willem Wittkampf –  totdat ik in Amsterdam ging studeren en besloot over te stappen op De Groene en het Algemeen Handelsblad, al was het maar omdat we die thuis juist niet lazen. Waarom ga je anders op kamers wonen?
Maar ook toen bleef Het Parool een bijzonder plaatsje in mijn hart houden en van tijd nam ik toch maar weer eens een abonnement op die prachtkrant erbij. Hoe vaak kocht ik niet for old times sake op de valreep, vlak voor de sigarenboer ging sluiten, toch nog even snel een Parool.
Ook dit weekend genoot ik weer optimaal van onze oude krant. Springlevend als altijd. Leuke interviews, veel nieuws over mijn eigen stad, een uitgebreide agenda, het wekelijkse kind met zijn huisdier (een grote, witte kip!) en een gedegen kennismaking met onze nieuwe Stadsdichter, Marjolijn van Heemstra dit keer.
Interessant allemaal, en allemaal zo goed geschreven!
Maar als ik op de laatste bladzijde ben, schrik ik. Ik zie nu waar de bijlage PS die ik zo juist gelezen heb, gedrukt is. In België!
Amsterdam leunt voor zijn kwaliteitspers nu op Belgen. Niets ten nadele van (meer…)

Van belangrijke mannen en dwergen – Herinneringen aan Renate Rubinstein, Guusje Morriën en Propria Cures

‘Tot 1972 was ik nog te druk met andere dingen bezig…’

Door Reinjan Mulder
Als Renate Rubinstein in 1954 uit Israël terug in Amsterdam komt, vindt ze bij haar moeder in de Wielingenstraat een pak nummers van ‘het beruchte studentenblad’ Propria Cures. PC-redacteur Richter (‘Rik’) Roegholt had die nummers jaren naar haar ouderlijk adres laten sturen. Zo komt het dat Rubinstein in PC een bijdrage van redacteur Piet Borst leest over een ‘Diets’ Studentencongres.
In haar kroniekenreeks in Hollands Maandblad* over het leven van oud PC-redacteur Renate Rubinstein noemt Charlotte Goulmy deze vondst in een oude PC een ‘beslissend moment’ in Rubinsteins wispelturige leven. Voortaan, denkt de latere schrijfster, wil ik ook bij ‘die jongens’ horen.
‘Ik schreef omdat ik vrienden zocht,’ zo herinnert Rubinstein zich later over haar PC-tijd, ‘en toen ik ze gevonden had, bleef ik doen wat ik nog steeds doe: schrijven voor vrienden.’ Ze voelt zich bij het blad als een vis in het water, merkt Charlotte Goulmy op, en ze beleeft de leukste tijd van haar leven. Bij PC ontmoet ze de socioloog Joop Goudsblom, die later in haar huis zou wonen, de latere Vrij Nederland-redacteur en dichter Jan Eijkelboom, de eminente medicus Piet Borst, en natuurlijk Aad Nuis, die nog haar eerste echtgenoot zal worden.
Ook komt Rubinstein bij PC haar latere mede-columnist bij Vrij Nederland Hugo Brandt Corstius nog even tegen, maar hem (meer…)