Beter zien met een ooglapje – Bij het 250ste geboortejaar van schilder Caspar David Friedrich (1774-1840)

De Duitse schilder Caspar David Friedrich (1774-1840) is vooral bekend geworden vanwege zijn romantische schilderijen, en terecht, maar in zijn jonge jaren maakte hij alleen nog maar tekeningen en aquarellen. In de Hamburgse Kunsthalle zag ik die in 1990, tegelijk met een paar van zijn latere schilderijen. Het contrast daartussen maakte mij eens te meer duidelijk hoe overwogen en doorgewerkt dat latere werk van Caspar David Friedrich is.
Door Reinjan Mulder
Op de kleine tentoonstelling waarmee in Hamburg in mei 1990 de 150ste sterfdag van Caspar David Friedrich werd  herdacht, waren tussen 36 andere werken vier getekende zelfportretjes te zien. Kleine portretjes, zonder veel pretentie, die een paar karakteristieke eigenschappen lieten zien van de schilder die inmiddels werd  beschouwd als een van de belangrijkste Duitse kunstenaars uit de geschiedenis.
Het eerste tekeningetje dat dank zij de net ingezette politieke ontspanning uit het prentenkabinet in Dresden was overgekomen, uit wat toen nog de DDR was, hing meteen bij de ingang. Het was de bovenste helft van een minuscuul schetsboekblaadje. Wat je erop zag was een snel krabbeltje, een potloodtekeningetje van een 25-jarige Friedrich die aan een tafel zit. Zo te zien is op tekeningetje niets in scene gezet. De nog jonge Caspar David werkt aan een tekening, aan de tekening. Voor hem ligt zijn schetsboek. In zijn ene hand heeft hij een grafietstift, en met de andere drukt hij het papier vlak waarop hij aan het tekenen is.
Mij trof het als een uiterst levendig zelfportret, dit eerste tekeningetje, dat iemand liet zien die druk met zichzelf in de weer was. Om zijn mond speelde een geëmotioneerde grijns, een huivering bijna, kennelijk opgewekt door het kijken naar zijn eigen aanblik. Je ziet al meteen dat hij dit niet lang zal volhouden. Zijn hoofd is al enigszins afgewend van de spiegel. Het laat een man zien die voor zichzelf op de vlucht is, die zichzelf niet recht in de ogen durft te kijken.
Zo was het ook op het tweede tekeningetje op de tentoonstelling, dat twee jaar later gedateerd was, maar dan nog wat sterker. Caspar David Friedrich is daar 27 jaar en hij draagt zijn dagelijkse tekentenue. Aan de knoop van zijn jasje bungelt een inktflesje. Op zijn hoofd staat, heel typerend voor hem, een muts waaraan met een gestrikte lap een oogklep is bevestigd.

Waarnemer
Dit tweede zelfportret is wel heel veelzeggend voor wie de schilderijen van Friedrich kent. Op dit tekeningetje laat Caspar David Friedrich zichzelf zien als een gedreven waarnemer van de buitenwereld. Hij poseert als observator. Een van zijn ogen is door de oogklep afgeschermd. Maar het andere oog ziet des te beter. En hoe! De oogklep heeft tot gevolg dat de diepte verdwijnt uit wat hij ziet. Zijn blik wordt tweedimensionaal, het beeld verstijft.
In plaats van de levendigheid ontstaat er zo een sterke concentratie op de compositie van zijn uitzicht, een grote aandacht voor de details. De ‘vizierklep’ stelt Friedrich in staat exact te zien hoe de voorwerpen en achtergronden in zijn gezichtsveld zich tot elkaar verhouden. Maar de wisselwerking tussen voorgrond en achtergrond die we gewoonlijk ondervinden, verdwijnt. Alles, of het nu dichtbij is of veraf, wordt door de afscherming van dat ene oog even scherp, en even belangrijk.
Het derde zelfportret van Caspar David Friedrich was op de tentoonstelling alleen in kopie aanwezig. Het bevond zich weliswaar in de collectie van het Hamburgse museum, maar volgens de toelichting was het zo kwetsbaar dat het niet te lang aan het daglicht blootgesteld mocht worden. Ook deze derde tekening was  uit 1802, toen Friedrich 27 was. Weer zie je hem aan een tafel zitten, met een tekenblad voor zich. Maar nu is er duidelijk iets in scene gezet. Caspar David Friedrich kijkt niet naar zichzelf, in een spiegel, maar naar buiten. Hij heeft zijn potlood deze keer ook in de goede hand, zijn rechter, en deze hand steunt met potlood en al zijn hoofd.
Op deze tekening is de jeugdige overmoed helemaal verdwenen, Caspar Davids Friedrich is weemoedig.Er is iets van contemplatie in het beeld gekomen. De schilder beeldt dan wel zichzelf af, maar hij is nog slechts een model. Hij beeldt zichzelf af als de man die naar buiten kijkt, naar de natuur, naar het licht.

Rotspartijen
Het laatste zelfportret kon al bijna niet meer de naam van zelfportret hebben. Het kwam weer uit het Prentenkabinet in Dresden en hing halverwege de eerste wand. Het was weer een minuscuul pentekeningetje dat zich onderaan een brief bevond. Op dit vierde zelfportret is Friedrich nog weer iets verder van zijn eerste zelfportret verwijderd. De schilder beeldt zichzelf nu helemaal van achteren af.
Caspar David Friedrich is nu een man die buiten op een rotsblok zit te tekenen. Hij is nu ook veel kleiner geworden, wat des te meer opvalt doordat hij zich heeft afgebeeld tegen een achtergrond van overweldigende rotspartijen.
Opvallend is nu ook de uitgebalanceerde compositie. Hoe klein en pretentieloos het tekeningetje ook is, het heeft de vorm van een strenge, geometrische compositie. De rotspartij maakt onderdeel uit van een driehoek. Een overhangende schuine wand is de ene zijde van de driehoek, een bergmassief op de achtergrond de andere, en als basis dient een grasveldje op de voorgrond en een liggende boom.
In dit laatste zelfportretje leek het karakter van Friedrich, zoals we dat van zijn schilderijen kennen, voltooid te zijn. Het was het zelfportret van de schilder Caspar David Friedrich. Toen hij het maakte, was hij inmiddels twaalf jaar ouder dan op het derde zelfportret en zoals we uit zijn biografie weten, had hij zich inmiddels bekwaamd in de grote doeken waardoor hij later bekend zou worden.

Wat de tentoonstelling in Hamburg duidelijk maakte, was dat Caspar David Friedrich terecht vanwege zijn schilderijen bekend is geworden. Niet ver van de tentoonstellingsruimte had het Hamburgse museum een zaaltje met schilderijen ingericht en die waren beslist veel boeiender dan de tekeningen.
Toch was ik blij dat ik de tekeningen ook had gezien. In de eerste plaats vanwege de vier zelfportretjes, maar ook omdat het teken- en aquarelwerk van Friedrich het enige is wat hij in zijn jonge jaren gemaakt heeft.
Caspar David Friedrich is vermoedelijk pas laat met het echte schilderen begonnen, op zijn 34ste. De tien jaar daarvoor, van 1798 tot 1807, heeft hij uitsluitend op papier gewerkt. In die jaren hield hij zich vooral bezig met het oefenen van de vorm en de compositie. Ook experimenteert hij dan met zijn later zo bekend geworden techniek van donker en licht.
Op de tentoonstelling in Hamburg kon je zien hoe Friedrich in die jaren de motieven verzamelde die hij later in zijn schilderijen zou gebruiken. Er hing bijvoorbeeld een op zichzelf weinig interessante tekening van een boom met een ooievaarsnest, die vele jaren later in een schilderij weer op zou duiken.
Verder was de tentoonstelling ook al de reis waard vanwege enkele tekeningen en sepia’s die er hingen en die Friedrich tegen het eind van zijn leven had gemaakt. In zijn laatste vijf jaar keerde hij heel opmerkelijk weer tot het medium van zijn jonge jaren terug. Het is dan geen angst meer voor de techniek of de onbekendheid, die hem van de olieverf afhoudt, maar zijn lichamelijke zwakte. Volgens de bronnen kon Friedrich het in die laatste jaren niet meer opbrengen om nog te lang achtereen de stugge kwasten te hanteren en verkoos hij tegen het eind van zijn leven weer het potlood en de sepiafles.

Late zeegezichten
Uit die latere tijd zijn er meer afbeeldingen bekend waarop je hem diep gebogen achter zijn ezel ziet zitten. Dat latere werk is in tegenstelling tot het werk uit het begin ook weer buitengewoon overwogen en ver doorgewerkt. Het zijn nog maar en paar tekeningen die bewaard zijn, maar die vertonen alle kenmerken van Friedrichs bekendste schilderijen: de vreemde compositie, de strakke symmetrie en de overwogen diagonalen. Werk waarover een leven lang kon worden nagedacht, over de indruk die een leeg landschap kan maken en over het effect dat het licht van een opkomende maan hierop heeft.
Het mooist zijn dan opeens Friederichs late zeegezichten, helemaal aan het eind van de tentoonstelling.  Werken die voor de gelegenheid uit de Hermitage in Leningrad overgekomen zijn: nachtelijke taferelen met een kust, en golven, en een lage maan daarboven.

Dit artikel is gebaseerd op het artikel dat eerder in het Cultureel Supplement van 11 mei 1990 verscheen, naar aanleiding van de tentoonstelling Caspar David Friedrich – Hohepunkte des zeichnerischen Werks in de Hamburger Kunsthalle. 

 

Geef een reactie