W.G. Sebald en Duitsland – Een bedevaart naar Wertach, Sonthofen en Ostenrode
In een van de zuidelijkste stukjes Duitsland ligt dicht tegen de Oostenrijkse grens het plaatsje Wertach, dat in de literatuurgeschiedenis is beland als het dorp waar in 1944 de schrijver W.G. Sebald geboren werd. In 1987, schrijft hij in zijn prozadebuut Duizelingen, bezocht hij W., ‘waar ik sinds mijn kindertijd niet meer was geweest’.
Wat was dat voor een plek, die voor dit – half fictieve – ‘W.’ model heeft gestaan? En wat betekende het om aan het eind van de oorlog in het afgelegen Alpenland geboren te worden, als zoon van een Wehrmacht-officier?
Reinjan Mulder bezocht Sebald vijf jaar voor zijn dood in Engeland, en trok een jaar geleden, in mei 2024, tachtig jaar na zijn geboorte, naar de Beierse Allgäu, op zoek naar Sebalds geboortehuis, de scholen uit zijn jeugd en de oorsprong van zijn ongewone schrijverschap.
Waarom bleef niet alleen Sebald altijd met zijn Duitse afkomst worstelen, maar Duitsland omgekeerd ook met de inmiddels wereldberoemde W.G. Sebald?
Door Reinjan Mulder
‘U komt toch volgende keer ook naar Sonthofen?’ Na afloop van de jaarvergadering van de Deutsche Sebald Gesellschaft in Marbach vraagt de vicevoorzitter me om nu ook eens naar de stad te komen waar W.G. Sebald op school heeft gezeten, en waar nu geregeld bijeenkomsten plaatsvinden ter ere van wat Duitslands bekendste schrijver van de vorige eeuw zou zijn. Winfried Georg Sebald zoals hij voluit heette, woonde van zijn achtste tot de tijd dat hij in Freiburg germanistiek ging studeren in Sonthofen, in een eenvoudig appartement op eenhoog, vlak bij waar tot 1948 de spoorlijn uit Ulm eindigde.
Am alten Bahnhof heet het daar nog steeds. Nummer 3a. Dat station is allang verdwenen en ook aan de vroegere scholier die zich hier door zijn vrienden ‘Sebe’ liet noemen, herinnert niets meer. Voor het huis staat een grijze damesfiets en op eenhoog wonen nu een zekere Plähn en Lorenz.
Maar het vriendelijke Alpenstadje is inmiddels trots genoeg op de beroemde schrijver om het in 2019 opgerichte Deutsche Sebald-genootschap royaal te ondersteunen, zodat er een literaire ‘Sebald-prijs’ kon komen, van 10.000 euro, waarvoor dit jaar maar liefst 522 schrijvers een – geanonimiseerde – tekst inzonden. En omdat de schrijver op 18 mei 2024 tachtig geworden zou zijn, mocht er die maand in het luxueuze Allgäu Stern Hotel van Sonthofen een gratis toegankelijke conferentie georganiseerd worden over ‘natuur, verantwoordelijkheid en vernietiging’, thema’s die Sebald levenslang hebben gefascineerd.[1] Voorafgaand aan die conferentie werd in de moderne Stadthausgalerie een tentoonstelling over Sebalds Sonthofen in de jaren vijftig geopend, met oude foto’s en krantenknipsels, en met tekeningen en schilderijen van Jan Peter Tripp, een nog altijd levende schoolvriend van Sebald.[2]
Omdat W.G. Sebald mij al mijn halve leven fascineert, was ik op de uitnodiging van het Sebald-genootschap ingegaan en ook naar Sonthofen gekomen. Niet alleen vanwege de vier boeken die Sebald tussen 1990 en 2001 schreef, en de aardige mensen van zijn genootschap, maar ook vanwege Sebalds levensloop, als schuldbewuste tweedegeneratie-Duitser, die in 1966, op zijn 22ste voorgoed naar Engeland verhuisde, het land van Duitslands vroegere vijand.
Feindbeobachtung zou Armando het hebben genoemd. Kijken wat je oude tegenstander heeft bezield, om zo met het kwaad in het reine te komen.
Melancholische dwaalwegen
Sebalds naam moet ik voor het eerst in 1992 hebben gehoord, toen Van Gennep, de uitgeverij die zoveel mooie boeken uit Midden-Europa uitbracht, mij wees op zijn boek Melancholische dwaalwegen, later vertaald als Duizelingen. Leden van het Duitse Sebald genootschap die bij de presentatie van dit prozadebuut in Frankfurt waren, herinneren zich nog de opgewonden stemming die daar toen heerste. Max Sebald, zoals hij zich was gaan noemen omdat hij zijn Germaanse voornamen haatte, was in Duitsland nog slechts in kleine kring bekend, maar zijn redacteur Hans Magnus Enzensberger was destijds niets minder dan een icoon. De ‘grote’ Enzensberger was redacteur van het kritische Kursbuch geweest, hij had geruchtmakende romans en dichtbundels gepubliceerd, en voor het alternatieve Eichborn Verlag bestierde hij een fraaie, door Franz Greno vormgegeven boekenreeks, met titels die bijna altijd de aandacht trokken. Van Sebalds Schwindel. Gefühle. zoals de Duitse titel luidde, was meteen een eenmalige, beperkte luxe-editie (‘Buchdruck vom Bleisatz’) van tienduizend exemplaren gedrukt, en die ging vergezeld van een nog exclusievere ‘Vorzugsausgabe’, genummerd 1 tot en met 999.
Het kon niet op.
Ik werkte dat jaar als literatuurredacteur bij NRC Handelsblad en was altijd op zoek naar nieuwe onderwerpen, maar eerlijk gezegd werd ik er nog niet meteen door gegrepen. Misschien was ik te weinig belezen om alle verwijzingen te doorgronden, en moest ik nog wat wennen aan de kleine zwart-wit fotootjes tussen de tekst, de vele uitweidingen en de combinatie van literatuurgeschiedenis, autobiografie en fictie die Sebald bedreef. Duizelingen gaat voor de helft over twee dode schrijvers, Kafka en Stendhal, terwijl de twee andere verhalen de vorm hebben van een autobiografisch reisverslag.
Ook werkte niet mee dat Michael Zeeman, de cultuurpaus van de Volkskrant, de nota bene door de Europese Commissie gesubsidieerde vertaling van Jos Valkengoed meteen na verschijnen de grond in boorde, omdat er ‘zoveel fouten’ in zouden zitten dat men ‘van de inhoud geen kennis kan nemen, zoveel moet er geschrapt, verbeterd of herschreven worden’. Als reactie had Van Gennep het boek al vrijwel meteen uit de handel gehaald en verscheen er pas een jaar later een nieuwe vertaling, weer van Jos Valkengoed, die uiteindelijk ook weer over moest.
Ramp op ramp op ramp.
Maar als eenmaal W.G. Sebalds tweede boek in vertaling uitkomt, De emigrés, en dat in heel Duitsland goed ontvangen wordt, laat ik de schrijver interviewen voor de krant als hij op bezoek in Nederland is.[3] Sebald ergert zich dan, in een gesprek met Anneriek de Jong, al meteen aan zijn Duitse landgenoten, die volgens hem maar niet met het verleden geconfronteerd willen worden. De emigrés bestaat net als zijn eerste boek weer uit vier lange verhalen, die voor een deel al eerder geschreven zijn, maar nu gaan ze over mensen van die in de twintigste eeuw Duitsland hebben moeten verlaten en daar nooit overheen gekomen zijn. Sommigen zien De emigrés daardoor als een boek over de holocaust.
Echt enthousiast word ik pas wanneer in 1995 in Duitsland Sebalds derde prozaboek verschijnt: Die Ringe des Saturn. In De ringen van Saturnus – Een Engelse pelgrimage, zoals het in Nederland gaat heten, beschrijft Sebald een dagenlange wandeltocht door het zuidoosten van Engeland waar hij woont, waarbij hij zijn verteller flink laat uitweiden over de woelige geschiedenis van dat prachtige landschap. Op de omslag zie je een foto van een wandelaar op de rug gezien. Het zou zo maar Sebald kunnen zijn.
Laat dit zuidoosten van Engeland nu precies het gebied zijn waar ik vrijwel al mijn vakanties doorbracht. Sinds mijn vader een maisonnette in Engeland kocht, op de cliffs bij Harwich, met zicht op het zware geschut boven de oude oorlogshaven, verkenden wij daar per fiets of met een luidruchtig dieseltreintje de wijde omgeving: Dedham, aan de schilderachtige Stour, de schattige kustplaatsjes Aldeburgh, Southwold en Lowestoft, en ook het middeleeuwse Orford, waar nog altijd een oud kasteel stond waaronder op vrijdag fish ‘n chips werden verkocht. Vlak voor de kust lag daar een geheimzinnig, plat eiland, waarop het Engelse leger atoomproeven zou doen. Met strenge waarschuwingsborden werd je daar op afstand gehouden. Ministerie van Defensie – Geen toegang!
Over al die plekken lees ik in De ringen van Saturnus, en over heel wat meer. Sebald laat in zijn boek zien hoe het schitterende Britse kustlandschap rond zijn huis overal sporen van verval en vernietiging vertoont. Vliegvelden vanwaar in de oorlog de bombardementsvluchten naar Duitsland opstegen – Douglas, onze gepensioneerde buurman in Harwich, kon daarover meepraten. Herinneringen aan massale haringvangsten, weggeslagen stukken kust, de vergane glorie van ooit zo trotse landgoederen, en niet te vergeten het geheimzinnige Orford Ness, met zijn ondergrondse laboratoria in de vorm van pagoden waar je nooit in de buurt mocht komen.
Het mooie aan De ringen van Saturnus is dat het tegelijk van een grote interesse getuigt in verder terug gelegen geschiedenissen, in Engeland maar ook elders, en van Sebalds vertwijfelde reactie daarop. Zijn veelbesproken ‘melancholie’.
In Engeland zal dit tot de dag van vandaag zijn bekendste boek worden, als het eenmaal is vertaald. Het is daar nu al verschillende keren verfilmd, de eerste keer met Robert MacFarlane als bevlogen verteller.[4] Alle reden voor mij om in de kerstvakantie van 1995, die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng, de schrijver thuis te gaan opzoeken, voor een interview, en maar meteen langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.
Poringland
Erg lang duurde dat interview helaas niet. Ik had de bus uit Norwich naar het dorpje Poringland genomen, een kilometer of tien zuidelijker, werd daar, op 22 Upgate, hartelijk in de voormalige pastorie ontvangen waar Sebald met zijn vrouw en dochter woonde en aan een gezellig, laag tafeltje spraken we over de ontstaansgeschiedenis en de motieven van De ringen van Saturnus. Sebald vertelde dat hij ongeveer een jaar lang in korte etappes door Zuidoost Engeland had gereisd en daarvan in zijn boek één lange wandeling van een paar weken had gemaakt.[5]
Als de dag van gisteren herinner ik me zijn prachtige, zangerige Duits, de taal waarin Sebald altijd was blijven schrijven, met een zwaar ‘alemanisch’ accent. Maar na anderhalf uur hield hij het opeens niet meer. Hij voelde zich niet goed worden, zei hij, en moest naar buiten. De schrijver zag er verslagen uit, en na wat gemompelde excuses verliet hij door de tuindeuren het huis om met zijn zwarte labrador Maurice door de weilanden achter de pastorie te gaan wandelen – terwijl zijn vrouw Ute mij met hun auto naar het station van het in oudjaarsstemming verkerende Norwich terugreed.
Onderweg vertelde ze dat haar man vaker last had van stemmingswisselingen, wat mij niet verbaasde. Had zijn debuut al niet als ondertitel Vom leisen Inferno der Depression und von der Unheimlichkeit des Glücks gehad? Boven de recensie in de Süddeutsche Zeitung had ‘Meisterhaft suggerierte Angstzustände’ gestaan. Angst, inzinkingen en melancholie hoorden bij Sebald, zijn boeken lieten daar geen misverstand over bestaan. Ook in De ringen van Saturnus lijdt de ik-figuur aan zo’n niet nader toegelicht ‘verlammend afgrijzen’, waarvoor hij zelfs in het ziekenhuis wordt opgenomen: ‘in een toestand van vrijwel volledige immobiliteit’.
Terug in Nederland werkte ik onze afgebroken conversatie toch maar uit. Met een boek als De ringen van Saturnus had ik stof genoeg.[6] Na ontvangst van de krant stuurde ‘Ihr W. Sebald’ mij een realistischekunstkaart toe van twee badmintonspelers op een grasveldje,[7] waarop hij mij in zijn mooie vulpenhandschrift ‘mit besten Grüßen’ voor mijn artikel dankte, en nogmaals zijn spijt betuigde dat hij op oudjaar ‘in so schlechter Verfassung’ was geweest.
Aneurysma
Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht. Natuurlijk schrok ik toen hij op 14 december 2001 vlak bij zijn huis in zijn auto overleed aan wat later een aneurysma bleek te zijn.[8] Maar ook raakte het me toen daarna de berichten doorkwamen dat hij kort voor zijn dood nog een nieuw boek had gepubliceerd, Austerlitz, zijn dikste, en dat de agentuur van Andrew Wylie dit had gecontracteerd om het daarna tot een van hun toptitels te bombarderen. Alle uitgevers van naam wilden hem daardoor in hun fonds hebben. In Nederland werd Van Gennep voor De Bezige Bij ingeruild, in Duitsland verdween hij naar Hanser, en al snel ontstond er een wild geruchtencircuit, waarin Sebald als een gedoodverfde kandidaat voor de Nobelprijs werd genoemd. Andrew Wylie maakte zijn reputatie van kingmaker weer eens waar.
In Austerlitz construeert Sebald het leven van een jongetje dat in Engeland opgroeit en pas gaandeweg erachter komt dat hij daar met een evacuatie van Joodse kinderen, een Kindertransport, is terechtgekomen. Onder critici werd het een ongekend succes. Bij een enquete van De Groene onder critici over ‘de beste boeken van deze eeuw’ kwam het in 2020 op nummer 1 te staan.[9]
Ondertussen kwam postuum Sebalds De natuurlijk historie van de verwoesting uit, een bundeling lezingen die hij in 1997 in Zürich had gegeven, over de zwijgzaamheid in Duitsland waar het de hevige bombardementen op de Duitse steden betrof. Hoe moeilijk hij het ook met zijn Duitse afkomst had als zoon van een Wehrmacht-officier, Sebald bleek zich ook in de miljoenen anonieme Duitse burgerslachtoffers te kunnen verplaatsen die de geallieerden hadden gemaakt.
Door dat boek werd Sebald voor mij de stem van een nooit verdwenen Duits geweten. En met reden. De opa van mijn moeder, een Amsterdamse diamantslijper, was midden 19de eeuw in het Duitse Pforzheim geboren, als de zoon van een Nederlandse edelsmid en een Duitse dame uit die buurt, en het was dat oude Schmuck-stadje, boordevol edelsmeden, dat Sebald opvoert als de plaats waar in verhouding de meeste burgerslachtoffers uit de hele Tweede Wereldoorlog zijn gevallen. In 22 minuten doodden daar in de nacht van 23 februari 1945, tien weken voor de capitulatie, 367 bommenwerpers van de Britse Royal Air Force 17.600 inwoners: een derde van de bevolking. Als argument voor het massabombardement voerden de geallieerden aan dat veel edelsmeden in hun werkplaatsjes aan huis zouden zijn overgeschakeld op de montage van ontstekingsmechanismen. De hele stad was voor hen een ‘militair object’.
Tijdens een wandeltocht door het Zwarte Woud ben ik er nog eens lang gegaan, en gruwde van de lelijke nieuwbouw in het centrum van Pforzheim. We kwamen uit op een groot, leeg plein, bij een water, waar alleen slechts discreet naar de noodlottige datum van de aanval werd verwezen.
Nee, Duitsers lopen niet graag met hun tegenslag te koop. Sebald had dat goed gezien. In zijn lezingencyclus wees hij op het collectieve Duitse trauma, dat uit schuldgevoel over de verloren oorlog zou zijn ontstaan.
Patti Smith
Na Sebalds dood ben ik nog een paar keer teruggegaan naar zijn East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht. Door mijn bezoek, zijn wanhoop, door het aardige kaartje dat ik kreeg en door zijn plotseling overlijden in dezelfde, donkere periode als waarin ik bij hem was, had ik iets met Sebald dat niet overging. Alsof ik hem niet los mocht laten. Ik begon zijn boeken in de oorspronkelijke, Duitse versies te verzamelen. Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur. En tien jaar na zijn dood, in 2011, ging ik naar het literatuurfestival te zijner ere in Aldeburgh, waar niemand minder dan Patti Smith poëzie van Sebald zong.[10] De volgende ochtend vertelde de zangeres ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen. Ze was zijn lange gedicht Nach der Natur gaan lezen, en had het op muziek gezet.[11] Het klonk prachtig.
‘Steden zijn ruïnes’
In zijn naschrift bij de lezingen in De natuurlijke historie van de verwoesting vertelt Sebald hoe hij steden van kinds af aan met verwoesting associeert. Hoewel hij zijn eerste levensjaren in een landelijk gebied doorbracht waar nauwelijks gevochten was, had zijn moeder hem wel eens mee naar München genomen, waar hij zag dat steden ruïnes waren. En hij begreep dat hij, als Duitser, van een oorlog ‘afstamde’ die daarvoor gezorgd had. De veldtochten in Rusland en Frankrijk waarin zijn vader meevocht, hadden een schaduw over hem geworpen, schreef hij, waar hij nooit onderuit zou komen. De idyllische, wilde natuur van zijn Beierse geboortestreek bleef vermengd met beelden van ondergang en verwoesting. ‘Natuur, verantwoordelijkheid en vernietiging’, de titel van de conferentie.
Die associatie werd sterker toen het gezin in 1952 naar het lagergelegen Sonthofen verhuisde. Ook daar waren de huizenrijen onderbroken door stukken braakliggend land vol puin. Dit moest dus een stad zijn, wist Sebald. Drie maanden voor het eind van de oorlog was het plaatsje hevig door de geallieerden gebombardeerd, zodat er van het trotse kopstation niets meer over was, en van wat eens een fraaie villa moest zijn geweest, hing alleen nog het gietijzeren tuinhek half overeind, over een blootgelegde kelderverdieping. Als de kleine Sebald stiekem in die kelder kroop, was hij er altijd op voorbereid een halfvergaan lijk te vinden.
Net als in de oorlog bevinden zich in Sonthofen nog steeds veel kazernes, zie ik als ik de eerste ochtend naar de conferentie loop. Tien jaar lang zijn hierin militairen van de Amerikaanse bezettingsmacht ondergebracht die de Duitsers tot democraten moesten opvoeden, totdat Duitsland weer een eigen leger kreeg. Maar belangrijker was voor de geallieerden dat Hitler hier vanaf 1934 een enorm opleidingsinstituut voor leidinggevende nazi’s liet bouwen, de Ordensburg. Toen ik het stadje bij aankomst al even verkende, had ik het al van ver boven de huizen zien uitsteken: een pseudo-middeleeuws fort op een berg aan de zuidrand van het centrum. In deze ‘Hitler-burcht’ werd tien jaar lang de duizendkoppige elite van de nsdap klaargestoomd voor taken in het Derde Rijk.[12] En in de Adolf Hitler Schule die er later aan werd toegevoegd, werden de honderden kinderen van deze elite in de nieuwe leer doorkneed.
Ook in de Ordensburg werden na het vertrek van de Amerikanen onderdelen van de Bundeswehr ondergebracht, onder wie Sebalds vader, die inmiddels weer zijn oude vak had opgenomen. In het nawoord van De Natuurlijke historie heeft Sebald een fotootje van het bouwsel opgenomen, afgetekend tegen het avondlicht, en herhaalt hij de vraag, die hij als kind aan zijn godsdienstonderwijzer op school had voorgelegd: ‘hoe het te rijmen viel met onze ideeën over de goddelijke voorzienigheid, dat bij de aanval [op Sonthofen] noch de kazernes noch de Hitler-burcht waren verwoest, maar als het ware in plaats daarvan de parochiekerk en de kerk van het ziekenhuis…’
Na de eerste conferentie-ochtend loop ik over een dijkje langs de rivier de stad in, op zoek naar meer plekken uit Sebalds jeugd. Van een oud-leraar van Sebalds gymnasium hoorde ik dat in zijn oude lagere school nu een bibliotheek is gevestigd. Het blijkt een mooi, eeuwenoud gebouw in het centrum te zijn, waarop fraaie muurschilderingen staan. Kinderen lopen er in en uit.
Hier moet meester Armin Müller hebben lesgegeven, de man die voor de Joodse Paul Bereyter uit De emigrés model heeft gestaan. Het is een aangrijpend verhaal dat begint met een foto van een gebogen spoorbaan, vanaf een heel laag standpunt, zodat het lijkt alsof de fotograaf op de rails heeft gelegen. Waarna de tekst begint die ik inmiddels uit mijn hoofd ken: ‘In januari 1984 bereikte mij vanuit S. het bericht dat Paul Bereyter, van wie ik op de lagere school les had gehad, op de avond van 30 december, dus een week na zijn 74ste verjaardag, een eind aan zijn leven had gemaakt door een klein stukje buiten S., daar waar de spoorlijn met een bocht uit het kleine wilgenbosje komt en het open veld bereikt, voor de trein te gaan liggen.’
Gymnasium Oberstdorf
De grootste schok moet de jonge Sebald te verwerken hebben gekregen toen hij eenmaal op het gymnasium in Oberstdorf zat, en zijn klas onverwacht naar een filmvoorstelling moest waar ze beelden te zien kregen van de bevrijding van Bergen-Belsen.
Paniek! Tot dat moment was over dit element van de Duitse oorlogsvoering in zijn omgeving gezwegen. De verwarring was totaal. Stapels lijken schoven over het scherm voorbij, van mensen die nog in de maand van hun geboorte in Duitsland waren gedood.
Om op dat gymnasium een kijkje nemen, neem ik eind van de middag op het nieuwe spoorstation een bus naar het zuidelijke grensplaatsje en rijd ik door prachtig groene alpenweiden naar wat nu het eindpunt van de alpenspoorlijn is. Vanaf hier gaan er alleen nog kabelbaantjes verder, hoog de besneeuwde bergen in, naar Oostenrijk.
Op Google Maps heb ik vlak bij het station, achter een nieuwbouwwijk, een ‘Gymnasium’ gevonden, en als daar aankom blijkt het een flinke school te zijn, die volledig in het teken van de wintersport staat. Tegen de achterkant van het oude gymnasium is een groter complex gebouwd, waar alles om het skiën lijkt te draaien.
Was dit de school die zijn leerlingen de Bergen-Belsen-film liet zien? Een plastic plaatje naast de voordeur bevestigt het:
Geschichte entdecken – literaten
Winfried Georg Sebald.
- Mai 1944 in Wertach
- Dezember 2001 in Norfolk/uk.
Literaturwissenschaftler und Schriftsteller
Ab 1955 besucht er das Gymnasium in Oberstdorf, heute Gertrud-von-le-Fort-Gymnasium, wo er 1963 das Abitur ablegt.
Geen Sebald-Gymnasium, maar een Gertrud-von-Le Fort-school, vernoemd naar een vergeten katholieke barones uit Minden die boeken schreef en aan het begin van de oorlog naar Oberstdorf verhuisde.
Door de glazen deur zie ik in de hal van de school een rij grote plaquettes hangen met namen van oud-leerlingen die bij de nationale, landelijke, Europese en Olympische kampioenschappen ski-medailles wonnen. De Allgäu mag dan met Sebald een schrijver van wereldniveau hebben voortgebracht, vergeleken met een barones die hier stierf en alle skikampioen uit Oberstdorf is hij maar een kleine jongen.
Genegeerd in Duitsland
Voorafgaand aan de conferentie, op Hemelvaartsdag, is in de Stadthausgalerie van Sonthofen de tentoonstelling geopend over Sonthofen in de jaren vijftig: Wandel und Neuanfang. Teksten en beelden over de tijd van de wederopbouw. Tijdens de opening interviewde Kay Wolfinger van de Sebald Gesellschaft Sebalds vroegere schoolvriend van het Gymnasium, de schilder Jan Peter Tripp, met wie hij in de schoolkrant zat. Hun eerste kennismaking is vaker geboekstaafd.[13] ‘Ik hoor dat je tekent’, zou Sebald op een dag tegen de een jaar jongere Tripp hebben gezegd. ‘Dat komt mooi uit, want ik schrijf. Laten we een tijdschrift gaan maken’.
Na hun schooltijd verloren de twee elkaar uit het oog, totdat Sebald zoveel naam als schrijver maakte dat hij in zijn geboortestreek werd uitgenodigd. Het contact werd hervat en samen maakten zij kort voor Sebalds dood een paar gezamenlijke projecten, waarvan er één in de Stadhausgalerie is uitgestald. Een serie tekeningen van ogenparen van herkenbare mensen, waarbij Sebald korte teksten leverde.
Hij had het eens moeten meemaken, alle lovende woorden, de mensen van het stadsbestuur, de drukbezochte receptie, de aandacht voor zijn vriend Jan Peter en het personeel in klederdracht. Zou hij het hebben gewaardeerd? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Bij de begraafplaats van Wertach staat het beeld van Sint Joris, Sankt Georg, naar wie Sebald vernoemd zou zijn.
Er blijft iets wringen tussen Sebald en de Allgäu. Hoeveel Sonthofen ook uit de kast trekt om de grote schrijver te eren, met zijn reputatie is het in Duitsland nooit helemaal goed gekomen. Dat begon al met zijn debuut, waarin hij weinig vleiend over zijn geboortestreek schrijft. Maar nu hij postuum in Engeland en Amerika tot de groten van de Duits literatuur wordt gerekend, en er in Engeland een dikke biografie over hem verscheen,[14] lijkt de afkeer in Duitsland alleen maar toe te nemen. De voorzitter van de Sebald Gesellschaft had er tijdens de vergadering in Marbach al op gehint. De biografie had Sebald in Duitsland eerder kwaad dan goed gedaan, en het blijft afwachten of de Gemeente Sonthofen daar geen consequenties uit zal trekken.
In de binnenstad van Sonthofen ga ik op zaterdagmiddag twee grote boekwinkels in om te kijken wat ze daar van Sebald hebben. Niets! Zelfs de Duitse vertaling van de biografie, waarin heel wat Sonthofenaren aan het woord komen, zie ik niet.
Sebald debuteerde als prozaschrijver relatief laat, op zijn 46ste, nadat hij eerst alleen teksten over Duitstalige schrijvers had geschreven en Naar de natuur, een lang gedicht over de teloorgang van de Duitse beschaving. Zijn roem heeft hij te danken aan een schrijversloopbaan van amper tien jaar, waarin vier boeken verschenen. In Duitsland redt hij het daar niet mee en blijft men moeite houden met de koppige emigrant die na zijn studie germanistiek en een kort verblijf aan een Goethe Institut, voor Engeland koos.
In 2020, negentien jaar na zijn dood, verscheen er in Duitsland een eerste informatief overzichtswerk over de schrijver: W.G. Sebald – Leben und literarisches Werk. In mijn rugzak heb ik het als reisgids mee, om de theorie aan de praktijk te toetsen. Maar het is van de hand van Uwe Schütte (1967), een Duitser die net als Sebald naar Engeland is gegaan, om daar bij Sebald aan de Universiteit van East Anglia te studeren en op zijn werk te promoveren. Schütte schreef inmiddels acht boeken over zijn promotor, en in een overzicht heeft hij alle tot dan toe bekende secundaire studies samengevat. Maar of dat helpt?
Ook de biografie Speak, Silence die in 2021 verscheen, werd buiten Duitsland geschreven, door de Joods-Britse Carole Angier, wier eerste taal het Engels is. In haar voorwoord zegt ze een bewonderaar van Sebald te zijn, maar in Duitsland maakt dat weinig indruk. ‘Abrechnung mit W.G. Sebald’ zette Der Spiegel boven de recensie.[15] Er wordt eindelijk afgerekend met Sebald. Volgens Spiegel-criticus Wolfgang Höbel schept Angier weinig duidelijkheid over haar onderwerp maar heeft ze hem wel ‘onttoverd’, door hem als een ‘plunderaar van andermans levens’ en ‘leugenaar’ te ontmaskeren. Hem wordt verweten de levens van anderen te hebben gebruikt voor het construeren van zijn personages. Het mengen van waarheid en verzinsels mag dan een eeuwenoude traditie zijn in de literatuur, in deze tijd van ‘morele perpectieven’ kan dat kennelijk niet meer. Ook de Süddeutsche Zeitung en Die Zeit zien hun twijfels bevestigd: ‘De eerste Sebald-biografie roept veel vragen op over zijn leven’ meldt de laatste.[16]
Naar Wertach
Omdat ook Wertach, Sebalds geboortedorp, van zo veel invloed is geweest op zijn schrijven en het als ‘W’ in zijn prozadebuut voorkomt, ontkom ik er niet aan ook dit sacrosancte plekje te bezoeken, al is daarover, anders dan over Sonthofen, al vrij veel geschreven. Het overzichtswerk van Schütte gaat er uitgebreid op in,[17] Sebalds biografe heeft er goed rondgekeken, en er zijn verschillende Nederlanders naar Wertach afgereisd om te zien waar Sebalds sombere kijk op de wereld zijn oorsprong vindt.[18] Al valt dat reizen hun nooit er mee. Zo makkelijk als je in Sebalds Engeland komt, zo goed verstopt is Wertach. Daarover is iedereen het met Sebald eens.
Twee dagen voor de conferentie begon, had ik al een eerste poging ondernomen. Thuis heb ik een pension geregeld, op 100 meter van Sebalds geboortehuis, om de hoek van de Bahhofstrasse. Maar die Bahnhoffstrasse blijkt 6 kilometer lang en ’s avonds onverlicht, zodat ik uiteindelijk pas om half 11 in het stikkedonker en door en door verregend bij het sleutelkastje van pension Berg und Bleib aankom en in heel Wertach niets meer te eten is.
Sebald had het kunnen schrijven. Omdat ik volgende dag in Sonthofen wordt verwacht, keer ik na afloop van de conferentie terug naar Wertach, onder een beter gesternte. Nu loop ik de ‘Sebaldweg’ af, die de plaatselijke vvv ‘ter nagedachtenis aan de schrijver W.G. Sebald’ heeft uitgezet. De geboren Wertacher zou volgens de routebeschrijving ‘een belangrijke naoorlogse Duitse schrijver zijn, van wie vele werken internationale bekendheid hebben gekregen’ en de weg, gebaseerd op Sebalds verhaal ‘Il ritorno in patria’ waarmee zijn prozadebuut afsluit, begint in Oberjoch en loopt dan door ‘abwechselungsreiche Naturräume’.
Op het treinstation van Sonthofen heb ik een vroege bus genomen naar dat Oberjoch, met in mijn achterzak het kaartje Wandern in Wertach en een paar honderd meter na het eerste bordje ‘Sebaldweg’ loop ik van de hoofdweg af, langs een landweggetje waar niets aan de schrijver herinnert. Ook de borden die volgens het kaartje bij de Originalschauplätze langs de weg moeten staan, met toepasselijke citaten uit Sebalds werk, zie ik niet.
Halverwege, bij het Hotel Pfeiffermühle uit Sebalds verhaal, buigt de weg sterk naar rechts, en gaat hij een stukje de Oostenrijkse grens over die hier steeds heen en weer blijkt te slingeren. Het hotel is duidelijk niet meer in bedrijf, er hangt een poster van meer dan een jaar geleden, en ik besluit een kijkje bij de watermolen te nemen waaraan het zijn naam ontleent. Maar daar word ik weggestuurd: ‘Dies ist privat.’
Beneden in het dorp aangekomen zie ik dat daar heel wat meer hotels zijn dan ik op mijn eerste dag doorhad, al staan een aantal ervan leeg, al dan niet met een bordje te koop. Wertach heeft betere tijden gekend. Gelukkig stuit ik nu snel op het café Der Engelwirt uit Sebalds verhaal, dat in werkelijkheid Gasthof Engel heet. ‘Geschlossen’ zegt een bordje in de vitrine.
In Sebalds verhaal vindt de ik-figuur hier na zijn terugkeer tijdelijk onderdak en wordt hij overvallen door herinneringen aan de tijd dat hij hier met zijn opa en zijn beide ouders op de tweede verdieping woonde. Uit de biografie weet ik dat hij dit laatste verzonnen heeft, hij woonde een straatje verder.
Tegen een houten loods achter het hotel heeft de gemeente uitvergrote foto’s hangen van het dorp in betere tijden. Een feestavond met jodelmuziek. En oude poster voor het Luftkuort.
Dan bereik ik geholpen door een wegwijzer op een straathoek het eindpunt van de Sebald-route: het geboortehuis van de schrijver. Ik herken het van foto’s. Op de muur staat de schildering van een besmette streekschilder over wie ik thuis gelezen heb, voorstellende de middeleeuwse ridder Götz von Berlichingen, naast een kanon met een berg kogels.
Götz is de man met ‘de ijzeren vuist’. Hij zal maar op je geboortehuis staan. Veel krijgshaftiger dan dit beeld vind je ze niet in Beieren. Niet voor niets werd er in de nazitijd een beruchte SS-compagnie naar hem vernoemd. Toen bijna het hele Duitse leger zich in mei 1945 eindelijk had overgegeven, hield de Götz von Berlichingen-compagnie nog dapper stand in de Beierse alpen.
Naast de schildering meldt een bordje dat in dit huis de schrijver W.G. Sebald geboren werd, op 18 mei 1944, deze week tachtig jaar geleden.
Niets wijst erop dat Wertach daar vandaag erg blij mee is.
Verscheen eerder in februari 2025 in De Parelduiker
Vertaalde boeken van W.G. Sebald
Naar de natuur (2006; Nach der Natur. Ein Elementargedicht. Frankfurt, 1989)
Duizelingen (2008; Schwindel. Gefühle. Frankfurt, 1990. Aanvankelijk vertaald door Jos Valkengoed, onder de titel Melancholische dwaalwegen, Van Gennep, 1992)
De emigrés (Van Gennep, 1993; Die Ausgewanderten. Vier lange Erzählungen. Frankfurt, 1992)
De ringen van Saturnus. Een Engelse pelgrimage (Van Gennep, 1996; Die Ringe des Saturn. Eine englische Wallfahrt. Frankfurt, 1995)
Logies in een landhuis (2012; Logis in einem Landhaus. München, 1998)
Austerlitz (2003; Austerlitz. München, 2001)
De natuurlijke historie van de verwoesting (2008; Luftkrieg und Literatur. Berlijn, 2003)
Campo Santo (2010; Campo Santo. München, 2003)
Over het land en het water (2015; Über das Land und das Wasser, Ausgewählte Gedichte 1964-2001. München 2008)
Onverteld (met Jan Peter Tripp. Poëziecentrum, Gent, 2019; Unerzählt. München, 2003)
In Nederland worden Sebalds boeken uitgeven door De Bezige Bij (behalve Onverteld) in vertalingen van Ria van Hengel, nadat Van Gennep in de jaren negentig als eerste drie vertalingen uitgaf.
Onvertaald
For years now. Poems by W.G. Sebald, with images by Tess Jaray (London, 2001)
Auf ungeheuer dünnem Eis. Gespräche 1971 bis 2001 (Frankfurt, 2011)
Over W.G. Sebald (o.a.)
Carole Angier, Speak, silence. In search of W.G. Sebald (London/Dublin, 2021)
Dorothea Hauser e.a. (red.), Nebelflecken und das Unbeobachtete (Würzburg, 2023)
Thomas Honickel, Curriculum Vitae. Die W.G. Sebaldinterviews (Würzburg, 2021)
Ton Naaijkens e.a., ‘Geheugenteksten. W.G. Sebald en de poëtica van de herinnering’. Sebald-nummer van Armada no. 40 (oktober 2005)
Lise Patt (red.), Searching for Sebald, Photography after W.G. Sebald (Los Angeles, 2007)
Uwe Schütte, W.G. Sebald. Leben und Literarisches Werk (Berlijn/Boston, 2020)
Uwe Schütte, W.G. Sebald in Context (Cambridge, 2022)
Noten
[1] Natur, Verantwortung, Zerstörung. Facetten des Nature Writing bei Thomas Bernhard und W.G. Sebald. Tagung anlässlich von W.G. Sebalds 80. Geburtstag, 9-11.5.2024.
[2] J.P. Tripp, Sebalds Spuren. Sonthofen in den 1950er Jahren. Wandel und Neuanfang, Stadthausgalerie, 10.5-23.6.2024.
[3] Anneriek de Jong, ‘“Het fascisme heeft me gemaakt”. W.G. Sebald over joden, Duitsers en migranten’. In: NRC Handelsblad, 2.7.1993.
[4] Patience (after Sebald), regie Grant Gee, 2012.
[5] Reinjan Mulder, ‘Sebald, “Ik ben niet aan rampen verslaafd”’. In: NRC Handelsblad, 18.1.1996.
[6] www.reinjanmulder.nl/2011/01/in-memoriam-w-g-sebald-1944-2001-ik-ben-geen-pessimist/.
[7] David Inshaw, The Badminton Game.
[8] Nog altijd gaat het verhaal dat hij bij een verkeersongeluk om het leven gekomen zou zijn, vergelijk de flapteksten van De Bezige Bij-edities.
[9] Joost de Vries, ‘Een spel met het zelf’. In: De Groene Amsterdammer, 4.3.2020.
[10] Reinjan Mulder, ‘Een prehistorische dodenakker. W.G. Sebald (1944-2001) in Engeland‘. In De Groene, 9.3.2011.
[11] Reinjan Mulder, ‘Dit boek van Sebald moet je lezen!’ In: NRC Handelsblad, 31.1.2011.
[12] De natuurlijke historie…, p. 83.
[13] Bijvoorbeeld Thomas Honickel, 2021, p. 55-69.
[14] Carole Angier, Speak, silence. >
[15] Der Spiegel, 4.11.2022.
[16] Ulrich Greiner, ‘Schatten über seinem Ruhm’. In: Die Zeit, 20.11.2022.
[17] Schütte (2020), p. 153 e.v.
[18] Bijvoorbeeld Joris van Casteren, in de Volkskrant, 22.10.2013; id. Ton Naaijkens, in Filter 2016, week 33.









