Waarom Grete Weils roman ‘De weg naar de grens’ (1945) nooit eerder werd uitgebracht

Wat bewoog de Duitse schrijfster Grete Weil (1906-1999) om na de oorlog een paar sterk autobiografische boeken te publiceren maar ‘De Weg naar de grens’ haar eerste en dikste roman, die ze tijdens haar onderduik in Amsterdam schreef, tot haar dood in de la te houden? Bij het inventariseren van haar nalatenschap ontdekte de Duitse historica dr. Ingvild Richardsen tussen alle correspondentie en de foto’s uit Weils jaren als fotograaf in de Beethovenstraat het typoscript van deze roman, die deze maand in vertaling bij uitgeverij Meulenhoff verscheen.

Door Reinjan Mulder
Waarom publiceerde Grete Weil haar roman De weg naar de grens niet direct nadat ze hem in 1945 in Nederland had voltooid? Ook de Duitse historica dr. Ingvild Richardsen, die het boek twee jaar geleden ontdekte, heeft daarvoor geen sluitende verklaring. Richardsen geldt in Duitsland als een specialist op het gebied van vrouwengeschiedenis, judaica en Beierse cultuur, niet toevallig terreinen waar Grete Weil haar plek heeft verdiend, en zij noemt het nu opgedoken boek het beste wat Grete Weil geschreven heeft.
En dat zegt wat, want tegen het eind van haar leven behoorde Grete Weil tot de bekendste Joodse schrijfsters van Duitsland. Ze kreeg in Duitsland de Geschwister-Scholl-prijs, haar roman Mijn zuster Antigone (1980), die voor een deel in Nederland is gesitueerd, werd als paperback door Fischer uitgebracht, en ook in Nederland kregen haar boeken meerdere drukken, zoals Tramhalte Beethovenstraat (1963), waarin Weil haar traumatische herinneringen verwerkte aan de tijd dat ze op de hoek van de Beethovenstraat haar fotostudio had. Vanaf de bovenste verdieping zag ze daar hoe de nazi’s wekenlang op de tramhalte voor haar deur honderden joden bijeendreven die ze bij razzia’s hadden opgepakt:

Foto’s van Grete Weils 90ste verjaardag en een uitnodiging voor haar herdenking

Elke nacht behalve zaterdags en zondags – zelfs de duivel heeft recht op een vrij weekend – worden vierhonderd joden, mannen, vrouwen en kinderen, uit hun huizen gehaald, in trams geladen, naar het station gebracht en vandaar naar een Nederlands doorgangskamp getransporteerd,’ zegt in het boek de joodse arts uit de Beethovenbuurt tegen de Duitse journalist die twintig jaar later naar Amsterdam terugkeert om zich op zijn houding in die duistere jaren te bezinnen. En dan vervolgt hij zijn verslag met:
‘Uit het doorgangskamp gaat elke week een transport van duizend mensen naar het oosten. Oosten, daarbij kun je je van alles voorstellen, Hannover is het oosten, Berlijn, Breslau of Polen. Het oosten is een begrip dat niets betekent of liever het Niets betekent, eindstation dood. Ze zijn al zeven weken aan het deporteren, u kunt uitrekenen hoelang het zal duren: een kleine twee jaar.’

Wie was Grete Weil? Kort nadat uitgeverij Meulenhoff de titel Tramhalte Beethovenstraat in 1982 van De Tijdstroom in Lochem had overgenomen en Hans Keller voor de VPRO de televisiefilm De Ontstelde ruimte over haar maakte, kreeg zij in Nederland haar grootste bekendheid. Zeker toen Adriaan van Dis haar dat najaar nog eens groot voorop het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad interviewde over het verschijnen van een nieuw boek van haar, Mijn zuster Antigone.
Achterop de latere drukken van Tramhalte Beethovenstraat wordt uit dat interview een kort, veelzeggend fragment geciteerd: ‘De trams stonden hier, vier of vijf achter elkaar. Het was donker, er brandden alleen blauwe lichtjes. Het was griezelig en fascinerend. Het was eigenlijk zoals in de onderwereld. En ik stond hier iedere nacht en ik keek.’
Sinds ik die zinnetjes veertig jaar geleden als eindredacteur van de krant las, kan ik nooit meer door de Beethovenstraat rijden zonder even naar boven te kijken bij die tramhalte. Wat de Nederlandse lezers destijds vooral in Grete Weils boeken moet hebben getroffen, was dat de schrijfster nu eens geen simpel goed-kwaad schema hanteerde en zich ver hield van de gebruikelijke oorlogsretoriek uit die tijd. Nogmaals Adriaan van Dis:
‘[Weils] boeken vermijden het zwart-wit beeld van de oorlogsjaren: geen dreunende laarzen en heldhaftig verzet, maar nuances en twijfels, die beter dan clichés verklaren hoe mensen kunnen ontsporen en hoe haat de rede kan overwinnen. Ze beschrijft een wereld waarin mensen die onderduikers opnemen ‘schitterende nazi’s zouden zijn als ze het niet opportuun vonden om zich tegen de vijand van buiten te verzetten’, waarin Duitse soldaten soms met begrip worden bezien ‘omdat ze in een vreemd vijandig land zinloos rond moeten hangen’.

Een voorpublicatie van Reinjan Mulders artikel over de ontdekking van een onbekende Grete Weil verscheen eerder in NRC Handelsblad

Bij haar dood op 92-jarige leeftijd in 1999 kreeg Grete Weil van Anneriek de Jong onder kop ‘Scherp getuige’ dan ook een mooie necrologie in NRC Handelsblad, wat lang niet alle Duitse auteurs overkomt. Maar wat niemand toen nog kon vermoeden, was dat haar dikste en beste boek op dat moment nog altijd ongepubliceerd in haar huis bij München lag.
Daarna werd het geleidelijk aan stiller rond de schrijfster. Totdat Ingvild Richardsen ruim twintig jaar later in München de opdracht kreeg om de literaire geschiedenis in kaart te brengen van de streek rond de Beierse Tegernsee, in het kader van het project Telito (Tegernseer Literatouren). Daarbij stuitte ze onvermijdelijk weer op de naam van de inmiddels vrijwel vergeten schrijfster, die hier, in 1906, als Margareta Elisabeth Dispeker in het plaatsje Rottach-Egern aan het idyllische meer geboren was. Richardsen verdiepte zich daarop nog wat verder in Grete Weils nalatenschap, die zich in München bevond, en verwerkte haar bevindingen uiteindelijk in een literaire wandeling en een bescheiden tentoonstelling in het stadje Tegernsee, aan het gelijknamige meer. Grete Weil werd daar voor het eerst weer eens gepresenteerd in Duitsland: als de talentvolle, schrijvende dochter van de vooraanstaande Joodse advocaat dr. Siegfried Dispeker uit München.
Hoewel Weils vader voor de oorlog in het bestuur van de Joodse Gemeente van München zat, was zijn familie, zoals de namen Siegfried en Margaretha Elisabeth al aangeven, behoorlijk geassimileerd en aan het begin van de vorige eeuw had hij, zoals meer rijke Münchenaren, voor zijn vrouw een tweede huis aan het meer laten bouwen. In de daarachter oprijzende bergen, vlak tegen de Oostenrijkse grens, maakte hij met zijn familie voortaan grote bergwandelingen en skitochten.
Ook Grete zou haar leven lang de verwoede bergsporter blijven die ze op het Duitse omslag van haar nieuwe boek is.
Ondertussen had Ingvild Richardsen in het Weil-archief ook nog de nog altijd ongepubliceerde, eerste roman De weg naar de grens van Grete Weil gevonden. Het duurde even voor ze het slordige typoscript daarvan volledig ontcijferd had, maar toen ze het resultaat daarvan uiteindelijk liet lezen aan dr. Martin Hielscher, de met haar bevriende uitgever van het prestigieuze Beck Verlag, besloot hij het voor zijn literaire fonds te contracteren. Op 25 augustus 2022 kwam het daar in München van de pers, voorzien van een uitgebreid nawoord van Richardsen, waarna dit voorjaar ook de Nederlandse vertaling bij Grete Weil’s oude uitgever J.M. Meulenhoff verscheen.

Berlijn
Toen ik in juli van 2022 in Berlijn aan de 88-jarige stiefdochter van Grete Weil vroeg hoe het toch kwam dat het nu toch behoorlijk succesvolle boek in al die jaren nooit eerder werd uitgegeven, wist zij het ook niet goed. Ze kende het hele boek toen zelfs nog niet. De decorontwerpster was destijds door Grete Weil als haar enige erfgename aangewezen, omdat zijzelf geen kinderen had en sinds haar dood beheerde zij al de rechten op haar werk. In haar modern ingerichte appartement in het Bayrische Viertel liet ze me de bescheiden lijst met boeken zien die in de loop der jaren bij haar Zwitserse uitgeverij Nagel & Kimche zijn verschenen. De pas vorig jaar ontdekte titel kwam daar nog niet op voor.

Recent zijn twee oude titels van Grete Weil opnieuw bij een kleine Berlijnse uitgeverij verschenen

Samen bekeken we de foto’s die ze nog van Grete Weil in huis had, en ook een uitnodiging voor een herdenking kort na haar dood. Van mijn kant liet ik haar maar vast het vooruit-exemplaar zien, dat ik van de Duitse uitgever Beck meegekregen had. Ze bekeek het nieuwsgierig. Dat zag er goed uit.
In de diverse interviews met haar stiefmoeder die ik had gelezen, had de schrijfster het nu opgedoken boek  vreemd genoeg nooit als zodanig genoemd, alsof ze het verzwijgen wilde. Tegen Adriaan van Dis noemde ze in 1982 in NRC alleen nog een ongepubliceerde ‘novelle’ die ze op vrij jonge leeftijd had geschreven, nog voordat Hitler aan de macht kwam, maar dat boek, zei ze, was ‘niet politiek’.
Dat kon je van De weg naar de grens niet zeggen. In tegendeel. Grete Weil laat daarin van jaar tot jaar zien hoe zich de politieke situatie in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde.

Duitse editie van Der Weg zur Grenze, München, 2022.

Uit Weils kort voor haar dood gepubliceerde memoires Leb ich denn, wenn ander leben (1998) wist ik al dat Grete Weil sinds haar huwelijk met haar tweede man, de acteur en schouwburgdirecteur Walter Jokisch, zijn dochter, ‘Michele, als haar ‘boven alles geliefde’ eigen kind beschouwde. Maar als Weil zelfs met haar nooit over haar eerste roman gesproken had, dan moest ze de herinneringen eraan wel heel diep hebben weggestopt. In haar  memoires – ‘Noch  einmal meldet sich Grete Weil zu Wort’, aldus de flaptekst – kwamen Grete Weils vooroorlogse jaren in Rottach Egern en München uitgebreid ter sprake, inclusief haar liefde voor Edgar Weil, en haar vlucht naar Nederland. Ja, zelfs de complete tekst van haar poppenspel Weihnachtslegende, dat ze hier op kerstavond 1943 op haar onderduikadres voorlas, heeft ze daarin opgenomen. Maar over het dikke boek waaraan ze in al die tijd werkte, het boek waarin die hele vooroorlogse tijd in Duitsland zijn weerslag vond, zweeg ze toen in alle talen.
Grete Weil beschreef daarin alleen, heel kort, in een paar zinnen, hoe ze tijdens de laatste jaren van de Bezetting onder moeilijke omstandigheden op haar onderduikadres aan een ‘liefdesgeschiedenis’ werkte: een verhaal over de liefde tussen haarzelf en haar man Edgar Weil.
Maar of ze dat verhaal heeft afgemaakt, en zo ja, wanneer, en of ze het daarna nog aan uitgevers heeft aangeboden, dat lazen we niet. ‘Ik heb er jarenlang niet over gesproken,’ schrijft Grete Weil ergens, ‘dat ik schrijf. Het leek me niet het vermelden waard om over iets te praten wat zo lang geen succes had. En succes of niet, ik had nog altijd de verhalen die aan mij waren verteld.’

Herdenkingssteen van Edgar Weil het het Holocaust Namenmonument in Amsterdam

Edgar Weil (1908-1941), de hoofdfiguur uit De weg naar de grens, moet op het moment dat ze het boek schreef, drie jaar na zijn dood, nog altijd haar grote liefde zijn geweest. Het boek is ook aan hem opgedragen. Edgar Weil was Gretes twee jaar jongere Joodse achterneef uit Frankfurt, die ze al jong had leren kennen, als een schattig klein baasje. Hij was het die haar na hun onvermijdelijk geworden huwelijk in 1932 vooruit was gegaan naar Amsterdam, waar hij al in 1941 min of meer bij toeval op straat werd opgepakt, tijdens een vroege razzia waarmee de nazi’s een actie van het verzet wilden wreken.
Niet veel later zouEdgar Weil zonder veel omhaal naar Mauthausen worden overgebracht, waar hij nog hetzelfde jaar onder onduidelijke omstandigheden omkwam. Grete Weil: ‘ermordet am 17. September 1941.’

Nieuwezijds Voorburgwal
Toch had dat korte fragment over die ‘liefdesgeschiedenis’ in haar memoires ons al wel alerter kunnen maken op wat Grete Weil toen aan het schrijven was. Grete Weil:
‘Terwijl ik de deuren in stukken zaag [om aan brandstof te komen, RjM], bedenk ik dat de trap naar de zolder de enige plek is waar ik alleen kan zijn. En schrijven kan ik alleen wanneer ik helemaal alleen ben. Licht genoeg is het hier, boven. Zo zit ik vele uren op de trap, een schrift op mijn knieën, en schrijf. Schrijf een liefdesgeschiedenis, schrijf Edgars en mijn geschiedenis, die ik vervreemd en uit de sfeer van het autobiografische gehaald heb.’

Vorig jaar ben ik met Ingvild Richardsen, die ook mijn Duitse redacteur is, op zoek gegaan naar het pand waar Grete Weil ondergedoken was. Van Bianca Stigter wist ik dat dit aan de Nieuwezijds Voorburgwal lag, op nummer 365. Nadat haar man in 1941 was opgepakt, had Weil zich in paniek aangemeld bij de Joodse Raad, eerst als fotografe en later als administratieve kracht, omdat ze – naar eigen zeggen – haar naar Amsterdam meeverhuisde (Joodse) moeder in veiligheid wilde brengen. Maar toen het ook daar te gevaarlijk werd, dook ze onder bij de graficus Herbert Meyer Ricard (1908-1988), een ‘half Joodse’ jeugdvriend van haar man, die daarom minder risico liep en die beloofd had voor Grete te zorgen mocht Edgar iets overkomen. Ook zijn latere vrouw, de (Joodse) tekenares Vera Olga Haymann, woonde illegaal bij hem in.

Voormalige onderduikruimte van Grete Weil an de NZ Voorburgwal, 2022

Na twee keer tevergeefs op nummer 365 te zijn langs geweest, ging ik er nog eens alleen langs en werd ik onverwacht in een soort doolhof binnengelaten. Het pand waar beneden lang een winkel met religieuze artikelen was, blijkt deel uit te maken van het eeuwenoude Begijnhofcomplex, met overal gangen, trappen en overdekte binnenplaatsjes. Het duurde even voor ik het helemaal doorgrondde. Ik kon me goed voorstellen dat het hier destijds goed onderduiken was, je verdwaalde hier zo.

Het wordt een bezoek om nooit te vergeten. Nadat ik aan de niets vermoedende bewoonster van de eerste verdieping over Grete Weil heb verteld, die hier gewoond moet hebben, gaan we op zoek naar waar haar schuilplaats dan geweest moet zijn. In haar roman Mijn zuster Antigone zegt Grete Weil daar al iets over. De naar haarzelf gemodelleerde hoofdpersoon denkt daar terug aan de hongerwinter, toen ze in Amsterdam op ‘een perfecte schuilhoek’ ondergedoken was:
‘In een kleine vensterloze kamer die als bibliotheek is ingericht, werd een boekenwand naar voren getrokken, het stucwerk op het plafond aan het nieuwe vloeroppervlak aangepast; twee kastplanken waarop boeken zijn vastgeplakt kan ik er van binnenuit inzetten. Ik heb levensmiddelen, water, een emmer, een kaars en zou het in geval van nood een paar dagen kunnen volhouden zonder eruit te moeten. Maar het geval van nood doet zich nooit voor. ’s Morgens doe ik een half uur gymnastiek, hoewel ik weet dat ik daar calorieën mee verbruik, maar mijn angst voor stijfheid is groter dan die voor honger.’

Grete Weil met haar kleinkinderen en stiefdochter op haar 90ste verjaardag.

Terwijl Weil meteen na die laatste winter naar een volgend onderduikadres zou verhuizen, Prinsengracht 257, schreef ze in haar memoires over die eerste schuilplek nog:
‘Herbert en Vera slapen op een bank in het atelier. Ik verstopt achter een boekenwand. In een nauwe ruimte staan Herberts boekenkasten – hij heeft zijn eigen bibliotheek nog met boeken van onderduikers aangevuld. In de kamer bevindt zich bovendien nog een kleine wastafel met stromend water. Herbert heeft een van de boekenwanden een meter naar voren getrokken. De beide onderste boekenplanken steunen op elkaar en kunnen met een enkele handgreep losgemaakt en weer teruggezet worden. In de holle ruimte daarachter slaap ik op een matras, die meer en meer in elkaar deukt.
 Als er gevaar dreigt, kan Vera bij me komen, we hebben licht aan de bovenkant en zaklampen, een kamerpot en levensmiddelen voor een paar dagen.
Het moeilijkste wat het verstoppen met zich meebracht, was het stuk aan de bovenkant die door het naar voren halen van de boekenwand niet meer aansloot. Herbert had dat korter gemaakt en het patroon weer hersteld, en toen hij daarna vrienden die wisten dat hier een schuilplaats was de bibliotheek liet zien, had niemand het ontdekt.’

Met enige fantasie reconstrueer ik met de bewoonster waar die beweegbare boekenwand kan hebben gestaan. Daarna vraag ik naar de trap waar Grete haar boek moet hebben geschreven. Dat moet wel de nauwe bochtige trap zijn die van hier naar de tweede en bovenste verdieping leidt.
Ik loop naar boven en zie inderdaad een lichte plek, waar je dus uren achtereen met je schrift op je knieën een roman zou kunnen schrijven.

Hollandgruppe Freies Deutschland

Grete Weils persoonskaart uit het Amsterdamse bevolkingsregister

Van het Verzetsmuseum in Amsterdam weet ik dat ze daar sinds een paar jaar het archief van Herbert Meyer Ricard in huis hebben, met veel informatie over de Holland Gruppe Freies Deutschland die hier, op de Nieuwezijds Voorburgwal, tijdens de Bezetting gevestigd was. Uit hun stukken blijkt dat Herbert samen met zijn latere vrouw Vera en Grete Weil de kern moeten hebben gevormd van de groep. Het bijzondere aan hun groep is dat hij voor een belangrijk deel uit Joden en Duitsers bestond, deserteurs soms, met daaromheen een brede kring van hulpjes en sympathisanten, waarin ook Nederlanders als Ed Hoornik en Frits Kieft figureren. De groep hield zich bezig met hulp aan onderduikers en sabotage en Grete Weil was onder meer belast met het maken van valse persoonsbewijzen en foto’s die daarop moesten.
Van Winnie Meyer Ricard, de dochter van Herbert Meyer Ricard en Vera Haymann die ik inmiddels via Facebook ken, weet ik inmiddels ook hoe moeizaam de verhouding tussen haar ouders en Grete Weil moet zijn geweest. Niet voor niets is Grete al voor het eind van de oorlog verder getrokken.
Het is natuurlijk nooit erg vreemd, wanneer meerdere mensen die zich langere tijd op een heel klein oppervlak moeten schuilhouden, ruzie krijgen. Grete heeft het in haar memoires over ‘een gevangenis waarin ze zich vrijwillig begeeft’. Maar haar ouders kregen er ook steeds meer moeite mee hoe Grete soms kon neerkijken op de eenvoudige werkzaamheden waarmee de groep zich bij gebrek aan reguliere inkomsten in leven moest houden. Op hun onderduikadres gaven ze marionettenvoorstellingen aan groepjes genodigden en ze maakten beschilderde speelgoeddieren die ze aan warenhuizen verkochten. Maar hoewel Grete daar meestal braaf aan meedeed, zou ze zich er eigenlijk te goed voor gevoeld hebben, en dat liet ze merken.
Die indruk krijg je ook uit Gretes memoires, als ze zich herinnert hoe Meyer Ricard haar eens een ‘onverbeterlijke kapitaliste’ heeft genoemd. Haar ergernis begint al wanneer hij zich, nog voor de oorlog, ‘ongeremd’ aan de sigaretten en chocoladebrokken vergrijpt die Grete soms van haar moeder krijgt, en tijdens haar onderduik gaat dat van kwaad tot erger. Illustratief daarvoor is hoe Weil in Mijn zuster Antigone de houding tegenover geld en werken van haar alter ego beschrijft. Die haat het al als iemand haar ‘dwingt om [zich] met dingen bezig te houden die [haar] tegenstaan’ of ‘niet ophoudt over geld, geldbelegging, geld verdienen en geldvermeerdering te leuteren’:
‘Behalve in mijn vijf Hollandse jaren toen ik fotografe was, heb ik nooit een beroep uitgeoefend. Bezigheden vele, maar altijd zonder de dwang van nu-moet-het. Eerst heeft mijn vader, toen Waiki [lees: Edgar Weil, RjM], toen Waiki’s fabriek, en Urs [lees: Walter Jokisch, RjM] mij onderhouden. Ik heb nooit helemaal begrepen hoe mensen het klaarspelen om aan geld te komen. Alleen toen het om mijn existentie ging, deed ik mee en was ik verbaasd dat het lukte.’

Duidelijk is ook dat Grete Weil zich nooit en te nimmer tot het socialisme aangetrokken heeft gevoeld, zoals Meyer Ricard, en zich sowieso niet zo veel inleeft in de werkende mens. Zo is ze er trots op na de oorlog het bedrijf van de familie van haar man overeind te hebben gehouden, in plaats van met werken de kost te verdienen. Werken was voor vrouwen uit haar milieu duidelijk niet gangbaar, en dat zal bij de wat socialer voelende Meyer Ricard en zijn vrouw Vera wel tot wrijvingen aanleiding geven.
Op de Nieuwezijds Voorburgwal kijken we nog een laatste keer waar Herbert Meyer Ricards atelier geweest moet zijn, en terwijl we ons proberen voor te stellen hoe Grete daar elke dag weer de boekenkast verschoof waarachter ze verdwijnen kon, hoor ik haar in mijn verbeelding met haar onderduikgevers bekvechten.

Raamvertelling

De Tegernsee, omstreeks 1900

Ook in De Weg naar de Grens zijn de personages het lang niet altijd met elkaar eens. Het boek heeft de vorm van een raamvertelling en begint met een jonge vrouw in skikleding die met de bus de besneeuwde bergen onder München inrijdt. Ze lijkt te gaan skiën, maar onderweg vertelt ze aan een blonde, Duitse medepassagier dat ze de grens over wil, en op weg is naar Nederland. In een lang intermezzo van driehonderd bladzijden laat Weil ons zien waarom. Wat volgt, is een reeks flashbacks waarin de schrijfster veel van haar ervaringen in Duitsland en die van haar man heeft verwerkt. Hoe ze elkaar als kind hebben leren kennen, hoe ze tijdens hun studie in Frankrijk nader tot elkaar komen en, terug in Duitsland, besluiten te trouwen, om aan alle onduidelijkheid een einde te maken.
Net als Weil is de vrouw opgegroeid in München, in een geassimileerde, joodse familie, en net als Edgar is haar geliefde afkomstig uit Frankfurt, waar zijn familie een bedrijf heeft. Aanvankelijk is hij nog haar kleinere lievelingsneefje, ze schelen twee jaar, maar als ze beiden in Parijs studeren, slaat de vlam in de pan en reizen ze af naar de Riviera, waar ze zich aan het mondaine leven overgeven. Al gauw kunnen ze niet meer zonder elkaar – totdat de nazi’s aan de macht komen en hij om iets onbenulligs wordt gearresteerd.
De kracht van het boek zit voor mij vooral in de opbouw en de meeslepende stijl. Weil komt uit dit boek, meer dan in haar latere werk, naar voren als een gedreven verteller, met een scherp oog voor sfeer en locaties. Daarnaast geeft ze binnen de romantische vertelling een scherp en veelzijdig beeld van de sociale ontwikkelingen in de jaren twintig en dertig, de tijd dat de nazi’s opkomen. De mislukte Bierkellerputsch, en hoe Hitler tien jaar later uiteindelijk toch de macht weet te grijpen. In grotere een kleinere hoofdstukjes beschrijft Weil de vele, verschillende politieke en sociale groeperingen in het Duitsland van haar jonge jaren. Hoe die op de veranderende omstandigheden reageren, nationaalsocialistische jongeren, communisten, lesbiennes, gigolo’s en onopvallende, welvarende burgers die wegkijken en zich vooral om hun eigen positie bekommeren. Daarbij houdt de vertelster wel steeds enige afstand, meer dan in haar latere boeken, waar ze meer en meer in het innerlijk van haar hoofdpersoon duikt, en haar vertwijfeling over alles laat merken.

Eeuwige regenjassen
Uit haar memoires en latere romans is af te leiden hoe autobiografisch alles steeds weer is, al zijn er een paar niet onbelangrijke details en gebeurtenissen ‘vervreemd’. Niet alleen heeft iedereen consequent een andere naam gekregen en zijn alle beroepen veranderd, er is ook een dramatische twist aan de roman toegevoegd, die ik niet zal verklappen maar die de plot nogal doet afwijken van wat er in werkelijkheid is gebeurd.
Zou deze aangepaste intrige Grete ertoe hebben bewogen om haar boek na de oorlog toch maar niet te publiceren? Terwijl haar man in het boek in Duitsland wordt opgepakt en weggevoerd, gebeurde dat in werkelijkheid in Nederland, en met Nederlandse hulp. Was ze achteraf gezien niet te aardig geweest voor de Nederlanders?
Uit haar andere boeken en memoires wordt duidelijk dat ze in haar Nederlandse tijd een behoorlijke hekel aan de Nederlanders heeft gekregen. Zo zouden veel Nederlandse Joden na de bevrijding op nog overlevende Duitse Joden hebben neergekeken. De Duitse waren vaak stateloos geworden of ze werden na de oorlog alsnog van hun bezit beroofd. Uit Duitsland gevluchte Joden konden na 1945 soms onteigend worden omdat ze als Duitsers tot een vijandelijke natie behoorden.
En dan miste ze in Nederland ook nog eens bergen. In haar – nooit in Nederland verschenen (!) – memoires laat Weil weten dat ze eigenlijk nooit zo van Nederland gehouden heeft. Dat zou ze al in 1926 hebben geweten, toen ze, twintig jaar oud, met haar broer het land voor het eerst bezocht:
‘In elk land dat me beviel – en mij bevielen bijna alle landen – wilde ik meteen terugkomen en alles bekijken wat ik de eerste keer niet had kunnen zien. Holland was een uitzondering. Te vlak voor mij, te vreemd, de mensen te onaantrekkelijk, te kleurloos in hun eeuwige regenjassen.’
Als ze dan in 1935 onder druk van de nazi’s uiteindelijk toch maar naar Nederland toegaat, omdat haar man het bedreigde bedrijf van zijn ouders in het buitenland wil voortzetten, vindt ze het nog erger dan de eerste keer:
‘Alles is vreemd, zodra ik op straat kom. Ik huil elke dag. De andere taal, de vreemde mensen, het vlakke land. Zelfs de koeien hebben een ander kleur dan in Beieren. Weg alles waarvan wij droomden. Elk contact met kunstenaars en intellectuelen gaan we uit de weg.’

Artikel in de Tegernseer Zeitung over Grete Weils geboortegrond in de jaren dertig en veertig. Verslag van een lezing.

Zou dat de reden zijn dat Grete Weil na de oorlog geen boek meer wilde publiceren waarin Nederland als het beloofde, reddende land wordt voorgesteld?  In NRC Handelsblad karakteriseerde Adriaan van Dis Weils werk destijds als van ‘een vrouw die haar ondergeschiktheid aan de tegenstander als een zwakte, als schuld ervaart en eronder gebukt gaat dat ze nog leeft, dat ze haar onderdrukker de baas is gebleven. Een vrouw die het verlangen heeft bij “de velen te horen, bij de gewone mensen die geen moordenaars zijn en geen slachtoffers”.’ Maar in De weg naar de grens is dat verlangen nog afwezig. De schrijfster zal tijdens het schrijven ook nog niet de volle omvang van de holocaust hebben beseft en heeft in ieder geval haar ervaringen rond de bevrijding nog niet verwerkt.
Wat in haar boeken Tramhalte Beethovenstraat en Mijn zuster Antigone haar hoofdmotief wordt, het leven als Duits-joodse fotograaf in Nederland, haar werk voor de omstreden Joodse Raad en later haar betrokkenheid bij het joods-Duitse verzet in Amsterdam en haar gemengde gevoelens over die tijd, haar schuldgevoel over de deportaties die ze niet heeft kunnen tegenhouden, is in De weg naar de grens nog zo goed als afwezig. In De weg naar de grens wordt alleen nog maar haar Duitse tijd verwerkt, tot aan haar vlucht. Als haar alter ego in de bus naar de bergen haar gezonde, blonde Duitser is tegengekomen die ze over haar slechte ervaringen met de nazi’s vertelt, is het nog aan hem om, aan het eind van het boek, te beslissen wat hij met die kennis gaat doen. Keert hij terug naar Duitsland om zich net als zoveel anderen aan te passen aan de veranderende verhoudingen, volgt hij zijn geweten en gaat hij in verzet, of wijkt hij om nieuwe problemen te voorkomen ook uit naar het buitenland?
Grete Weil liet daarmee voor het eerst de grote vragen zien waarmee ze haar hele leven heeft geworsteld, maar in een simpeler vorm dan later: volg je, net als Antigone in Sophocles’ toneeltekst, je eigen geweten, ook als dat strijdig met de wet is, gehoorzaam je aan de macht die van hogerhand over je is aangesteld, of houd je je, als derde mogelijkheid, zo veel mogelijk afzijdig en zie je wel hoe je er zonder veel kleerscheuren doorheen komt?
Pas je je aan, zonder je meteen helemaal over te geven aan de macht? Grete Weils antwoord op die eeuwige vragen viel haar in het onderduikboek De weg naar de grens nog aanzienlijk makkelijker dan later, in haar naoorlogse boeken.

 Kleinkinderen

Uitzicht uit Grete Weils onderduikadres aan de NZ Voorburgwal, 2022

Waarschijnlijk had het weinig gescheeld of Grete Weils roman was nooit meer boven water gekomen. Na haar dood op 92-jarige leeftijd was haar archief overgedragen aan de Stichting Monacencia (=München) die het Beiers cultuurgoed beheert, terwijl haar stiefdochter in Berlijn de rechten op haar boeken op zich nam. Maar niemand kwam op het idee dat archief eens goed uit te pluizen. Tijdens mijn bezoek liet ze me het netjes bijgewerkte overzicht lezen dat ze van de uitgeverij heeft gekregen.
Bij een kopje thee en een aardbeientaartje haalde ze nog wat foto’s tevoorschijn die in 1996, op Grete Weils negentigste verjaardag in München waren gemaakt, plus een uitnodiging voor een herdenking kort na haar dood.
Op een van die foto’s zag ik de hoogbejaarde schrijfster als de chique dame die ze altijd gebleven was, te midden van haar dochter en de twee kleinkinderen die ze er dankzij haar bij kreeg. Eindelijk gelukkig, zo leek het.
In haar eerder genoemde memoires legt Grete Weil uit dat haar stiefdochter, die ze ‘Michele’ noemt, eigenlijk een andere vader heeft dan haar tweede man, Walter Jokisch. Haar biologische vader was in 1933 een ‘illegaal’ geweest, die vanwege zijn status niet met haar moeder kon trouwen. Walter Jokisch zou haar moeder toen maar snel hebben getrouwd, een verstandshuwelijk, zodat haar kind toch nog een ‘arische’ vader kreeg. Daarna zijn ze gauw weer gescheiden.
Een heel of half Joods kind met een arische vader en een heel Joodse stiefmoeder, ik probeerde er maar niet meer aan te denken, terwijl ‘Michele’ me twee recent verschenen Duitse herdrukken van Grete Weil liet zien, in licentie door Das Kulturelle Gedächtnis Verlag uitgebracht, een kleine Berlijnse uitgeverij.
Nee, het was al lang geen Fischer Verlag meer, die Grete Weils oude werk leverbaar hield. Op beide boeken was groot het portret van Grete Weil als oude dame afgedrukt. Geen scenes van de oorlog meer, zoals op eerdere uitgaven, en geen tekeningen van vrouwengezichten. Voortaan was Grete Weil zelf het onderwerp van haar werk.
Ik realiseerde me dat ik Grete Weil tot kort tevoren alleen nog maar kende van haar roman Tramhalte Beethovenstraat, dat bij ons de geschiedenis was ingaan als het document dat zowel de ervaringen van de slachtoffers van de Duitse bezetting als die van de daders liet zien. Inmiddels wist ik uit haar memoires dat de hoofdpersoon uit deze roman, en Duitse journalist, voor een deel op ‘Micheles’ vader gebaseerd is, Grete Weils tweede man, die niet zo duidelijk partij koos tijdens de oorlog als zijzelf vanwege haar afkomst moest doen. Walter Jokisch voelde weinig affiniteit met de nazi’s, schrijft ze ergens, en hij was de beste vriend van haar man, maar aan het eind van de oorlog, toen Hitler al niet meer winnen kon, trad hij toch nog tot de Wehrmacht toe. En ik begreep hoe Grete Weil tot haar meer gelaagde, naoorlogse werk kon komen.

 Thomas Mann

Grete Weils geboortehuis in Egern aan de Beierse Tegernsee

Tijdens mijn bezoek aan Berlijn had ik weer verschillende verklaringen voorbij horen komen voor het raadsel dat Grete Weil haar meest klassieke en wellicht ook beste roman nooit had laten verschijnen. Mogelijk had ze zich na de oorlog niet meer herkend in het boek omdat er in Der Weg zur Grenze, meer dan in haar latere boeken, onderscheid gemaakt wordt tussen goede en slechte Duitsers.
Zou dat ermee te maken hebben dat ze na de oorlog meer aan haar werk voor de Joodse Raad is gaan twijfelen? Wat me in haar memoires opviel, was dat ze daar schrijft hoe niet-Joden zoals haar man Walter Jokisch het in de emigratie soms moeilijker hadden dan Joden, omdat er voor hen geen steuncomités waren. Grete Weil had zich bij de Joodse raad aangemeld om haar Joodse moeder te redden, die elders in Amsterdam verbleef. En aan Jokisch had ze gezien hoe lastig het voor goede Duitsers aan het eind van de oorlog was om zich aan de dienst te onttrekken.
Een andere verklaring kon zijn dat haar schrijven, haar stijl na de bevrijding veranderd was. Der Weg zur Grenze is, anders dan haar naoorlogse boeken, een traditioneel, breed opgezette roman, waarin nog goed de invloed van Thomas Mann te herkennen is. Toen ik dat tegen Michele opperde, die het boek zelf nog lezen moest, reageerde ze enthousiast en vertelde ze hoe Grete in München was opgegroeid in de buurt waar ook de familie Mann woonde. Ze was met zijn kinderen Erica en Klaus bevriend, die van haar eigen leeftijd waren, en had nog tot het begin van de oorlog met Klaus gecorrespondeerd. ‘Helaas is al die correspondentie vernietigd toen Duitsland Nederland binnenviel.’

Grete Weil trok ik op haar onderduikadres vaak terug op de trap, om aan haar boek te werken.

Een laatste verklaring voor het achterhouden van De weg naar de grens kon zijn dat er kort na de oorlog, toen haar boek af was, weinig belangstelling bestond voor verhalen van schrijvers die Duitsland waren ontvlucht toen daar zonder veel weerstand nazi’s aan de macht waren gekomen. Niet voor niets verscheen Grete Weils eerste boek, noodgedwongen, niet eerst in de Bondsrepubliek maar in de ddr en pas in 1949. Haar andere boeken werden zelfs altijd eerst in Zwitserland uitgegeven en soms nooit ergens anders.
Die laatste verklaring hoorde ik weer terug toen ik later in de trein terug naar Amsterdam met een wat oudere vrouw uit de Berlijnse wijk Kreuzberg in gesprek raakte. Ze was actief in de theaterwereld, vertelde ze, en tot mijn verrassing bleek ze het werk van Weil, dat ik zat te lezen, vrij goed te kennen. Omdat we beiden het in Duitsland (vanwege covid-19) verplichte, witte neus-mond-masker droegen, werd het een wat surrealistisch gesprek, twee witte muizen die elkaar soms nauwelijks te volgen volzinnen toepiepten. Maar wat ik van haar verstond, kon ik sindsdien niet meer van me afzetten.
Ik had haar gevraagd waarom andere naoorlogse schrijvers zoals Heinrich Böll, Günter Grass of Martin Walser na de oorlog wel veel gelezen werden, toen ze over de Tweede Wereldoorlog schreven, terwijl Grete Weil daar nooit zo goed tussen kwam.
De vrouw in de trein dacht dat Grete Weils Joodse afkomst dit verhinderde. Vergeet niet dat Grass en Böll Duitsers waren die in de sfeer van de daders groot werden, zei ze, terwijl Grete Weil aan de kant van de slachtoffers zat. Dat was voor Duitse lezers, zo kort na de oorlog, haast niet te verdragen, een Joods-Duitse auteur.
En dan was er natuurlijk nog het niet onbelangrijke gegeven, zei ze, dat vrouwelijke auteurs zo kort na de oorlog veel meer moeite moesten doen om hun boek uitgegeven te krijgen dan hun manlijke collega’s.
Daar kon ze wel eens gelijk in hebben. Anne Frank was misschien ook wel nooit als schrijfster ontdekt zonder Miep Gies, Bep Voskuijl en Annie Romein-Verschoor.

‘Objects – Grete Weil’
Thuis gekomen zocht ik vorig jaar zonder veel verwachtingen of ik op internet al wat vinden kon over Der Weg zur Grenze van Grete Weil. Na enig zoeken kwam ik daarbij terecht op de site kuenste-im-exil.de. Daar ontdekte ik onder het kopje ‘Objects – Grete Weil: Letter tot Bruno Frank’ drie velletjes van een handgeschreven brief die ze op 26 augustus 1945 vanaf haar laatste onderduikadres aan de Prinsengracht 254 in Amsterdam aan de bekende Duitse schrijver en dichter Bruno Frank (1887-1945) schreef.
Bruno Frank behoorde in München tot de vrienden van haar ouders, net als zijn vrouw Liesel, en hij was al vroeg naar het buitenland uitgeweken, waar hij onder meer voor het Exil-blad Die Sammlung schreef.
In haar brief, die zich ook bij Monacencia moet bevinden, bracht Grete Weil na jaren van ongewild zwijgen uitgebreid verslag uit van haar lotgevallen tijdens de oorlog, en die van haar man:
‘Edgar ist unter den allerersten Opfern gewesen, die hier gefallen sind. Er wurde im Juni ’41 auf der Strasse ergriffen, […] nach Mauthausen und war am 17. September tot. […] Teils durch viele gute Freunde, teils durch einen Zufall, der ebenso glücklich war, wie derjenige bei Edgar unglücklich, wurde Mutter gerettet. Wir waren beide untergetaucht und sie hat sich, mit all ihrer alten Energie und Kraft jetzt wieder erholt und ist, trotz ihrer 71 Jahre, eigentlich ganz die Alte. Ich habe in den eineinhalb Jahren, die ich in einem Zimmer saß, ein Buch geschrieben; es liegt mir viel, es liegt mir unendlich viel daran und eigentlich ist es das einzige, was mich am Leben erhalten hat und noch erhält. Sie wissen, lieber Bruno Frank, wie gern man seine Kinder am Leben sehen möchte. Die paar Menschen, die das Manuskript kennen mögen es gern und finden es gut.’

Achterzijde van Grete Weils onderduikadres op de Nieuwezijds, het minieme raampje in de duistere kloof midden in het beeld kijkt uit op het Begijnhof.

Kennelijk had ze het hier over haar roman De weg naar de grens. Even later vraagt ze aan Frank of hij haar kan helpen bij het vinden van een uitgever voor de roman die ze in de onderduik schreef. Dit laatste vind ik niet op de site, maar wel de Engelse samenvatting, die eronder staat.
Wat Grete Weil op het moment dat ze haar brief schrijft, echter niet weet, is dat Bruno Frank op dat moment al meer dan twee maanden dood is. Op 20 juni 1945 is hij in zijn huis in Beverly Hills overleden, zodat hij haar verzoek om hulp niet meer gelezen heeft. Laat staan dat hij als gerenommeerd auteur een uitgever voor haar heeft kunnen vinden.
Pas veel later kwam haar verzoek om hulp weer ongelezen bij Grete Weil terug.
De conclusie is duidelijk. Grete Weil wilde haar roman De weg naar de grens in 1945 wel degelijk graag publiceren, maar het lukte haar niet, omdat de man die haar daarbij had moeten helpen, Bruno Frank, kort daarvoor gestorven was, zonder dat zij daarvan op de hoogte was. En toen zij daar eindelijk eenmaal achter gekomen was, was het vele maanden later en was zij waarschijnlijk te verlegen om nu nog eens andere, nog weer vreemdere bronnen aan te boren.
Haar boek De weg naar de grens verdiende een publiek, dat is nu wel zeker, maar de kwetsbare schrijfster wist opeens ook niet meer hoe ze dat ideaal bereiken moest.

Grete Weils urnengraf op de begraafplaats van Rottach-Egern

Met dank aan Ingvild Richardsen, Filip Bloem, Winnie Meyer Ricard, Hein Aalders en Bianca Stigter.
Verscheen eerder in iets andere vorm in het oktobernummer van 2022 van het tijdschrift ‘De Parelduiker‘. Daar zijn ook alle literatuurverwijzingen te vinden.
Zie elders op de site het NRC-artikel dat Reinjan Mulder  schreef over Grete Weil’s De weg naar de grens, en zijn nawoord bij de nieuwe editie (2024) van Tramhalte Beethovenstraat.

Geef een reactie