John James Audubon en zijn The Birds of America – Hoe Teylers Museum aan het duurste boek ter wereld kwam

In Teylers Museum zijn nog tot 9 januari 2022 originele handgekleurde vogelprenten van J.J. Audubon (1785-1851) te zien.

Door Reinjan Mulder
Eind 2010 bleek bij een veiling van Sotheby’s in Londen dat het vijfdelige plaatwerk The Birds of America van John James Audubon dat Teylers Museum bezit, een van de duurste boeken aller tijden is. Voor 7,32 miljoen pond, op dat moment 8,7 miljoen euro – werd daar een soortgelijk exemplaar aan de Londense kunsthandelaar en vogelkenner Michael Tollemache verkocht. Door de schommelingen in de wisselkoersen is onduidelijk of de veiling in Londen, zoals de kranten schreven, nu opnieuw alle records voor boekenprijzen heeft gebroken – een ander exemplaar van de Birds wisselde bij een eerdere veiling, in 2002 in New York, omgerekend voor méér euro’s van eigenaar. Maar voor Amerikanen – en wie anders bekommeren zich steeds weer om de nieuwste veilingrecords – is het boek dankzij de val van de dollar de afgelopen tien jaar weer aardig in (dollar)waarde gestegen: met meer dan dertig procent.

The Birds of America, het legendarische vogelboek van John James Audubon waarvan toen wereldwijd nog maar 119 exemplaren bekend waren, heeft, zacht gezegd, een zeer uitzonderlijke drukgeschiedenis. Bijna tweehonderd jaar geleden, in de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw, werd het in Londen voorbereid en gedrukt bij de toen nog vrij obscure firma Havell en zoon, in Oxford Street. De oude Robert Havell was een paar jaar daarvoor uit Reading naar Londen gekomen en had vooral naam gemaakt als drukker van grote stadsgezichten. Maar dat was niet zijn enige inkomstenbron. In de winkel naast zijn drukkerij verkocht hij om aan de kost te komen ook allerlei schildersmaterialen en biologische curiosa. Je kon potloden, pennen en papier bij hem krijgen, maar ook schelpen, opgezette dieren en dieren op sterk water. De Havells waren van alle markten thuis.
Dat gold nog meer voor de initiatiefnemer van de grootse onderneming die de uitgave van The Birds of America was, de Frans-Amerikaanse John James Audubon. Waren de Havells geen gewone drukkers, Audubon was al helemaal geen gewone uitgever. Nu eens was hij een ontdekkingsreiziger die gewapend met zijn jachtgeweer tot in de verste uithoeken van de nieuwe wereld doordrong, dan weer was hij een soort voordrachtskunstenaar die in huiden gehuld en met stinkend berenvet in zijn haar met zijn woeste verhalen zijn Engelse publiek probeerde te imponeren. En dan was hij ook nog beeldend kunstenaar en gewaardeerd wetenschapper. En, o ja, uitgever.
Eigenlijk alles aan de onderneming rond de Birds was daardoor anders dan anders. Neem alleen het formaat. Dat is met zijn zogeheten dubbele olifantsformaat aanzienlijk groter dan andere vogelboeken in die tijd. Bijna een meter hoog. En dan was het ook nog bijna een halve meter dik. Omdat Audubon zich had voorgenomen om alle, maar dan ook alle vogels van Amerika in zijn boek op te nemen, uiteindelijk meer dan vierhonderd soorten, had hij vier forse banden nodig, van honderd vellen per stuk plus nog een wat dunner boek voor wat er niet meer inpaste.
En dan waren alle vogels ook nog eens op ware grootte afgebeeld. Iets wat vóór Audubon niemand anders deed. Tot in hun formaat probeerde hij ‘de werkelijkheid’ van zijn vogels weer te geven. Dat zijn prenten, net als de vogels die erop stonden, daarmee enorm in afmeting zouden gaan varieren, nam hij graag op de koop toe. De grote zeearend moest dan maar een ander formaat prent krijgen dan de kleine kolibri’s. Dat vergrootte alleen maar de mythe die zijn onderneming was. Er moesten, ook toen al, records na records worden gebroken.

In Teylers Museum wordt in alle vijf delen van Audubons originele Birds of America elke week een bladzijde omgeslagen.

Wat karakteristiek was voor Audubon, het is vaker gezegd, was dat hij zijn vogels een enorme levendigheid meegaf. Ze hebben onmiskenbaar ‘karakter’. Heel wat meer dan de opgezette vogels die je in veel andere boeken uit die tijd tegenkomt. Een vraag die in de filosofie soms opduikt, is: hebben dieren een ziel? Welnu, wie de prenten van Audubon ziet, gelooft onmiddellijk dat dit zo is. De nieuwsgierige ogen waarmee zijn vogels de wereld inkijken, hun houding, de mimiek van hun vleugels.
Wie ze ziet, kan soms de associatie met Donald Duck, van die andere grote Amerikaan, maar nauwelijks onderdrukken.
Maar Audubon heeft tegelijk aandacht besteed aan de natuurlijke achtergrond en omgeving van zijn geliefde vogels: de bomen waarin ze nestelen, de bloemen in het bos, de typische landschappen. Soms zijn die al een schilderij op zichzelf.
En dan is er nog de kwaliteit van zijn prenten. Er zijn misschien mensen die onder de vogelschilders andere favorieten hebben, maar vast staat dat Audubon door een speling van het lot de beste graveurs, drukkers en inkleurders van zijn tijd heeft kunnen inhuren, die jaren lang trouw aan zijn boek zouden blijven doorwerken, en die hij al die jaren zoveel mogelijk zelf bleef corrigeren en aansturen.

Zelf zou ik niet meteen durven zeggen dat niemand in de negentiende eeuw aan het kunstenaarschap van Audubon kon tippen, zijn voorstellingen hebben soms iets over-realistisch, in dat opzicht zijn ze erg Amerikaans, maar Audubon was wel de enige die in zijn tijd een dergelijke onderneming zo lang en op zo grote schaal volhield, en daarbij zo’n grote mate van perfectie nastreefde. The Birds of America had Audubon opgezet als zijn levenswerk, maar we weten nu dat het zijn  schepper inmiddels ruimschoots heeft overleefd. Nadat het boek eerst een kleine eeuw een betrekkelijk bescheiden bestaan leidde, in collecties en bibliotheken, is het vooral in twintigste eeuw fameuzer en fameuzer, en ook duurder en duurder, geworden. Voor een losse prent van een van zijn grotere vogels nu meer dan een ton betaald. Wereldwijd is er vrijwel geen boek dat zich in zijn reputatie en legendevorming met dat van de grote Audubon kan meten.
Hoe heeft John James Audubon (1785-1851) dat voor elkaar gekregen? Hoe ging hij te werk? Om te beginnen moest hij de vogels die in zijn boek zijn afgebeeld, natuurlijk te pakken zien te krijgen. Hij werkte naar de natuur. Dat pakken gebeurde bij hem vaak zo letterlijk mogelijk. Hij wilde ze in zijn hand kunnen houden, om hun tekening en hun anatomie te bestuderen. Daarvoor konden ze maar het beste dood zijn. Hij zocht ze tijdens diverse reizen en expedities overal in hun natuurlijke biotoop op en schoot ze dan eigenhandig uit de bomen en de struiken, zodat hij ze met kleine stukjes ijzerdraad in een mooie houding kon neerzetten, om ze daarna zo precies mogelijk na te tekenen en met waterverf in te kleuren.
Van de schetsen die op deze manier ontstonden, maakte hij later fraai uitgewerkte aquarellen, die de basis vormden voor de boekillustraties. In Londen, in de studio van vader en zoon Havell, werden de aquarellen onder Audubons toezicht op grote, koperen platen gegraveerd, waarmee in een beperkte oplage op grote handpersen prenten werden gedrukt, waarna in het inkleur-atelier het handmatig inkleuren kon beginnen. Boven de winkel die de Havells dreven, was daarvoor een flinke open ruimte ingericht, waar een stuk of vijftig inkleurders dag in dag uit de prenten met de hand van inkten en verf voorzagen.

Boven de originele boekdelenen van J.J. Audubon heeft Teylers 35 prenten aan de muren bevestigd afkomstig uit een zeldzame Nederlandse facsimile uitgave.

Wie zich afvraagt hoe het boek van een autodidact als Audubon een van de mooiste boeken ter wereld kon worden, moet zich realiseren dat dit mede te danken is aan zijn beide topdrukkers en –winkeliers. Zij konden dingen die in het Amerika van die tijd ondenkbaar waren. Ook in Schotland, waar Audubon zijn geluk een paar jaar eerder had beproefd, konden ze niet de kwaliteit leveren die de Havells hem leverden – en zeker niet tegen hun prijzen. Het was nog net vóór de tijd van de grootschalige mechanische kleurendruk en vader en zoon Havell waren met hun stadsgezichten ook zeer bedreven geraakt in de aquatint-techniek. Donkere stukken van de prenten konden ze zo al voor het drukken wat donkerder maken, en wat verder doorgewerkt, zodat de schaduwpartijen van de voorstelling of de leerachtige vogelpoten al bij het graveren werden voorbewerkt. Het resultaat werd daardoor scherper en ‘echter’ dan wanneer alleen de inkleurders dit zouden doen. Daarbij aarzelden de Havells, en soms ook Audubon, niet om af en toe zelf de penseel ter hand te nemen en mee te kleuren, bijvoorbeeld wanneer het om bijzondere klanten ging.
Dat verklaart meteen waarom de hele productie, van een boek met 435 – vaak zeer grote – platen zo’n langdurig proces was. Elke prent moest lijntje voor lijntje op de koperplaat worden overgebracht, met aquatint werden de donkere partijen aangegeven, het werd gecorrigeerd, er werden proefdrukken gemaakt, al lang voor het drukken begon. En daarna zat men nog weken lang alles afdruk voor afdruk kleurtje voor kleurtje in te kleuren. Toen er in 1972 bij het Amsterdamse Theatrum Orbis Terrarum op basis van het Haarlemse exemplaar een mechanische facsimileuitgave van het boek werd gedrukt, was er al vier jaar nodig geweest om al het werk van de lithografen, de drukkers en de binders naar behoren te doen, dus voor een handgekleurde uitgave in de tijd vóór de industrialisatie was daarvan een veelvoud nodig. Meer dan tien jaar lang is er in Londen vrijwel non-stop met man en macht aan het vogel-project doorgewerkt.
Niet dat de oplaag nu zo hoog was. Van de meeste prenten die in het boek zijn opgenomen, zijn waarschijnlijk nooit meer dan 250 afdrukken gemaakt – net zoveel als van de facsimile van 1972. Het aantal complete boeken dat is gemaakt, lag zelfs nog wat lager – men gaat meestal uit van ongeveer 200 stuks. Niet omdat er niet méér gedrukt zouden kunnen worden – van een kopergravure kunnen makkelijk duizend afdrukken worden gemaakt – maar er werden tot Audubons spijt nooit méér mensen gevonden die op het kostbare boek wilden intekenen. En de uitgever voelde er weinig voor om dan maar op goed geluk honderd exemplaren extra te laten maken. Wat zou dat niet kosten, in geld en tijd?

In een van de aquarellen die tot prenten in The Birds of America bewerkt moesten worden, beeldde J.J. Audubon zichzelf af, terwijl hij op weg is naar een van de grootste roofvogels in zijn boek. In het uiteindelijk boek is dit detail toch maar weggelaten. Het zou anders de enige prent zijn geweest met mensen erop.

Misschien had Audubon zijn boek, achteraf gezien, voor zijn tijd ook wel te duur gemaakt. Voordat hij er aan begon, was hem door een bevriende uitgever aangeraden om het wat kleiner en daarmee ook wat goedkoper te maken, dan zou hij er waarschijnlijk rijk mee kunnen worden. Maar daar voelde hij niet voor.
Audubon ging voor alles of niets.
In de Haarlemse archieven vond ik dat het Teylers Museum voor alle delen samen uiteindeijk 2243 gulden heeft betaald. Om een indruk te geven hoeveel dat waard was in die dagen: de directeur van het museum Van Marum, had een jaarsalaris van 1400 gulden en zijn total eaankoopbudget voor boeken was 2300 gulden. Met één complete Audubon was meteen zijn hele jaarbudget op. Ter vergelijking met andere boeken: voor de al evenmin bescheiden uitgave van de Description de l’Egypte werd slechts 1578 guldenbetaald.
The birds of America werd dan ook niet voor niets in etappes bij de verschillende kopers waar ook ter wereld afgeleverd – met alle logistieke problemen vandien natuurlijk. Zo kreeg Audubon tussentijds steeds net genoeg inkomsten om weer door te kunnen gaan. Zo betaalde Teylers het boek in vier termijnen, blijkt uit hun boekhouding.

Maar het nadeel van die gespreide betaling was wel dat er gaande de onderneming steeds weer mensen dreigden af te haken. Je tekende in op de hele serie, maar wat, als de intekenaar ineens geen geld meer had? Of stierf? Soms was een koper al jaren dood, wanneer zijn erfgenamen plotseling met een onverwachte zending uit Londen werden geconfronteerd, plus de bijbehorende rekening. Er zijn in Amerika dan dan ook aankondigingen gevonden waarin Audubon enigszins heimelijk aanbood om aan enkele geïnteresseerden bepaalde losse prenten toch maar los te leveren.
Zijn liquiditeit kwam anders in gevaar.
Wanneer de prenten dan eenmaal in etappes naar de kopers gingen, mochten die wel zelf bepalen of ze ze ingebonden wilden hebben of  liever losse vellen kregen. Soms lieten ze daarna zelf bij hun eigen binder inbinden of ze borgen ze in speciale meubels op. Voor het verzenden van de losse prenten had Audubon indertijd speciale kistjes laten maken, waarin hij ze over de hele wereld aan huis koin laten bezorgen.

In Teylers Museum in Haarlem werd al meteen bj de aankoop besloten om de prenten zelf te laten binden, bij de firma Loeber in Leiden – het stickertje van de firma zit nog op de binnenkant van de omslagen.
Maar er zijn ook Amerikaanse eigenaren geweest die speciaal voor de prenten een prachtig meubelstuk lieten ontwerpen, met kunstige laden en uitklapbare onderdelen. Zo’n kast werd dan in een speciale Audubon-kamer geplaatst, waar op gezette tijden zijn kunstlievende gasten warden ontvangen die werden geïmponeerd met een bezichtiging van de verborgen topstukken.
Aan Audubons eigen inspanningen lag het in ieder geval niet, dat er uiteindelijk maar zo weinig exemplaren van de Birds zijn verkocht. Als je zijn later uitgegeven dagboeken en brieven leest, zie je hoe hij zich tientallen jaren lang heeft uitgesloofd om toch maar ergens kopers te vinden. Maar vaak was het tevergeefs.
Nadat de boeken eenmaal af waren, en verkocht, is hun aantal in de loop van de jaren ook nog verder teruggelopen.
Er zijn, zoals dat gaat, boeken zoek geraakt, ze zijn door brand of oorlogsgeweld gesneuveld, en dan zijn er helaas ook nog vrij veel boeken doelbewust uit elkaar gehaald. In een wereld waar geen monumentenlijst voor boeken bestaat, is de verleiding altijd groot om in dure plaatwerken stiekem de schaar te zetten, in de hoop dat de afzonderlijke prenten meer opbrengen dan het boek als geheel.

Een hoop die overigens nu niet meer uitkomt. Zo deed de Nederlandse antiquaar Bas Hesselink (Forum) ooit een bod op een complete Audubon die op de markt zou komen, om te moeten constateren dat hier hooghartig niet op werd ingegaan. Tandenknarsend moest hij daarna toezien hoe de eigenaar er voor koos om het boek uit elkaar te halen en de prenten stuk voor stuk te laten veilen. Waarbij – en dat maakte het des te erger – de prenten uiteindelijk niet méér opbrachten dan zijn oorspronkelijke bod.
Daaruit blijkt in ieder geval hoe zeldzaam een complete Audubon inmiddels is. Jaren lang werden de prijzen hiervoor opgedreven door particuliere kopers die zich geen boek konden permitteren maar wel graag een mooie prent aan de muur wilden hebben. Maar inmiddels is de zeldzaamheid en de bekendheid ervan zo groot geworden, dat nu het hele boek meer waard is dan de som der – ook zeer kostbare – delen.

Over het aantal Audubons dat nog bestaat, deden lang alleen schattingen de ronde. In 1973 ondernam de Amerikaan Waldemar Friesz bijvoorbeeld  een intensieve speurtocht om alle op dat moment nog aanwezige complete exemplaren van de Birds of America in de wereld in kaart te brengen. In zijn in 1973 verschenen boek The Double Elephant Folio komt Friesz zo tot 134 stuks, die zich voor het grootste deel in Amerika en Engeland bevonden.
van die 134 bevonden zich in 1973 slechts 2 exemplaren van de Birds in Frankrijk, het eerste vaderland van Audubon – een van de eerste kopers was de toenmalige Franse koning geweest.
Verder was er 1 exemplaar in Portugal en 1 in Italië. En hoewel er aanvankelijk zelfs geen enkel exemplaar in Duitsland was verkocht, bleek daar in 1973 uiteindelijk toch ook een exemplaar terecht gekomen, in Meiningen, in de toenmalige DDR.
Er waren 3 exemplaren in Rusland, onder meer in een aan Darwin gewijd museum.
En dan was er natuurlijk nog dat ene Nederlandse exemplaar, het exemplaar van het Haarlemse Teylers Museum.

5 oktober 2021: een van de vijf opgeslagen bladzijden uit de Birds of America.

Tegenwoordig wordt er van uitgegaan dat er in totaal nog hoogstens 119 complete exemplaren bestaan, waaruit nog eens blijkt hoe snel zo’n aantal terug kan lopen. Hoe komt het dan dat, terwijl veel grote landen geen enkel exemplaar hebben, juist Nederland, en uitgerekend het kleine Teylers Museum, er wel één heeft?
Daarvoor moeten we zijn bij de man die indertijd de eerste directeur van het Teylers Museum was, Martinus van Marum (1750-1837), en natuurlijk bij de verkoopstrategie van John James Audubon.
Hoe kenden deze beide heren elkaar? In de aanloop naar de tentoonstelling rond de Nederlandse Audubon, in 2007, ben ik daarnaar in de archieven en in de literatuur op zoek gegaan en heb toen, eerlijk gezegd, maar weinig concreets gevonden over de manier waarop hun contact precies moet zijn verlopen. In geen van de biografieën die er over Audubon zijn verschenen, en dat zijn er nogal wat, komt Haarlem of de naam van Van Marum voor, ook niet in het recent (2017) verschenen John James Audubon – The nature of an American Woodsman van Gregory Nobles.
In de publicaties die aan de andere kant over Teylers Museum en Van Marum bestaan, neemt Audubon trouwens ook maar  een marginale positie in. Zelfs in de – zorgvuldig gecatalogiseerde – briefwisseling van Van Marum in het Museum ontbreekt hij volledig. Waarbij je wel moet bedenken dat Van Marum al 84 was toen hij de boeken van Audubon aanschafte. Maar ook in de zes delen met teksten van Van Marum die zich in de Teylers bibliotheek bevinden, komt de naam Audubon nauwelijks voor: in totaal maar één keer, en dan nog heel summier. Hij was kennelijk nooit echt met zijn aankoop van hem bezig.
Hoe komen die boeken dan toch in het Teylers Museum?
Ook dat is te vinden in de studie van Waldemar Friesz. Hij is het geweest die in 1973 wist te melden dat de aankoop tot stand is gekomen door de bemiddeling van Audubons zoon Victor, toen net 25 jaar oud, toen die door zijn vader op tournee over het Europese continent was gestuurd. Audubon had weer eens met zorg geconstateerd dat er nog steeds geen tweehonderd intekenaren waren, en hij vreesde – niet ten onrechte – dat hij op deze manier helemaal niets aan zijn onderneming zou overhouden.
Maar ook Audubons zoon Victor, zo blijkt uit Friesz’ studie, kon daar weinig tegen doen. Uit de overzichten van de intekenaren die Audubon opstelde, weten we dat Victor na zijn bezoek aan Haarlem op zijn lange reis door Europa alleen nog in Toscane succes had, waar hij een half jaar later eindelijk een tweede exemplaar wist te verkopen. De reis moet voor de Audubons een zoveelste debacle zijn geweest.

Maar waarom durfde dan juist het Teylers Museum, in de persoon van Martinus van Marum, wat op dat moment bijna geen enkele andere collectioneur op het Europese vasteland aandurfde?
De enige verklaring die ik kan bedenken is dat dit door de persoon van de koper en de persoon van de verkoper komt.
Mijn vermoeden, en dat is slechts een vermoeden, is dat er tussen Audubon en Van Marum, hoewel ze elkaar – voorzover ik heb kunnen vinden – nooit hebben ontmoet, een verwantschap moet hebben bestaan.
Wie hun biografieën leest, wordt getroffen door de parallellen tussen hun beider levens.
Maar laat ik beginnen met de verschillen tussen hen, want die waren er ook.
Ze waren al niet van dezelfde generatie. Van Marum werd in 1750 geboren, en Audubon pas in 1785, 35 jaar later. Voor Van Marum was de Verlichting daardoor iets wat hij nog bewust heeft meegemaakt, en waarin hij ook een rol speelde, terwijl Audubon nog in Frankrijk op de schommel zat. Audubon moet daardoor veel meer door de romantiek zijn beïnvloed. Toen hij in 1826 uit zijn tweede vaderland Amerika in Engeland aankwam, was daar net Sir Walter Scott in de mode, de man van Ivanhoe (1820), ook Audubon adoreerde hem, net als James Fenimore Cooper met zijn The Last of the Mohicans (1826),  het fameuze boek over de Amerikaanse indianen.
Audubon heeft zich daarna duidelijk in diezelfde traditie proberen te ontwikkelen.
Een tweede niet onlangrijk verschil is dat Audubon altijd voor zichzelf heeft gewerkt. Hij was en bleef ondanks zijn tegenslagen een ondernemer, een capitalist avant la lettre,. Hij was een echte Amerikaan. Van Marum is daarentegen altijd in loondienst geweest. Van Marum, die tot op hoge leeftijd ook nog eens geen kinderen had, hoefde zich nooit om zijn inkomen te bekommeren. Hij hoefde alleen maar voor fondsen voor zijn aankopen te zorgen, terwijl Audubon moest altijd elke dolar en dime moest omdraaien. In zijn brieven zie je steeds weer hoe hij zich tegenover zijn vrouw Lucy en haar kinderen probeert te verantwoorden, als er weer eens geen brood op de plank is. Met zijn project van The Birds of America hoopte hij niet alleen beroemd te worden, maar ook eindelijk uit de geldzorgen te zijn. Met honderd abonnees zou hij het graveren van de koperplaten kunnen betalen en 212 pond per jaar verdienen, schrijft hij op een gegeven moment aan zijn vrouw, maar met tweehonderd abonnees zou hij ‘genoeg [overhouden] om […] in dit land in een stijl en een weelde te leven, waarvan jij hopelijk zult genieten.’
‘Ik richt me met mijn prenten niet op de natuurliefhebber,’ schrijft Audubon ergens anders, maar ‘op het rijkere deel van de maatschappij, de eersten kunnen alleen goed of slecht van mij spreken, maar de laatsten vullen mijn zakken’.
En dat deden ze uiteindelijk ook. Maar voor het zover was, ontwikkelde Audubon eerst nog een aantal lucratieve bijverdiensten. Zo gaf hij dansles en Franse conversatie. En nog in de tijd dat hij in Engeland zat om toezicht te houden op de productie van de reeks, schilderde hij grote, en niet altijd even mooie, olieverfdoeken van spectaculaire taferelen, waarmee hij, merkte hij, wel gemakkelijk geld kon verdienen.  ‘Potboilers’.

Tegenover deze ondergeschikte verschillen tussen Audubon en Van Marum vallen des te meer de parallellen in hun levens op.  Om te beginnen zijn het twee tot op grote hoogte self made men. Geen van beiden komt uit een voorname of wetenschappelijke familie, maar hun ambitie om in de wetenschap mee te tellen is enorm. Audubons vader was zeekapitein en plantage-eigenaar en Van Marums vader bezat een plateelbakkerij in Delft, maar hun kinderen wilden een andere richting uit.
Belangrijk is dan ook hun beider hang naar vernieuwingen. Zowel Audubon als Van Marum vochten tegen het klimaat van hun tijd. Ze hadden niet al te veel op met het geloof en ze waren naarstig op zoek naar nieuwe grenzen van de kennis.
Daarbij voelden ze zich beiden, en dat is waarschijnlijk bepalend geweest, aanvankelijk nogal miskend. Van Van Marum is bekend dat hij op jonge leeftijd graag hoogleraar had willen worden en dat hij, toen dat niet meteen lukte, zich vrij arrogant van de academische wereld heeft afgekeerd. En Audubon had, in het Amerika van zijn jonge jaren, ook vergeefse pogingen gedaan om wetenschappelijke erkenning te krijgen. Hij werd er alleen maar uitgelachen.
Als reactie op die miskenning hebben zij zich daarop enigszins hooghartig tot doel gesteld om op hun eigen terrein dan maar ondubbelzinnig de grootste te worden. Ja, dat is misschien wel hun belangrijkste verwantschap: zowel Audubon als Van Marum hadden iets uitgesproken megalomaans. Zo besloot Van Marum in 1784, op zijn 34ste, in het midden van zijn leven, ‘in de bloei [z]ijner dagen’ zoals hij schrijft, de allergrootste elektriseermachine ter wereld te laten bouwen. Het was de tijd dat de kennis van de elektriciteit zich snel vermeerderde, maar in plaats van daar rustig aan mee te doen, wilde Van Marum in een keer de voorhoede veroveren.
Diezelfde neiging had 35 jaar later John James Audubon, dan ook 34 jaar oud. Maar terwijl in de natuurkunde de ontdekking van de elektriciteit de grote vernieuwing was, was dat in de biologie de systematiek van het planten- en dierenrijk geworden. Overal werd uitgezocht welke soorten er bestonden en waarin deze zich van elkaar onderscheidden. Daarin wilde Audubon graag het voortouw nemen. Audubon tekende dan ook niet alleen zelf alle vogels voor zijn grote vogelboek, hij gaf er in een aantal begeleidende boeken ook zo wetenschappelijk mogelijke beschrijvingen van. Hij mat de dode beesten op, toonde in tekeningetjes hun skeletten of ingewanden, en ging in op hun broed- en trekgedrag.
Wat Audubon wilde maken, was: ‘het definitieve boek’, het boek der boeken over de vogels van zijn land. Een boek zoals het nog nooit was gemaakt, en zoals het misschien ook wel nooit meer gemaakt zou worden. Groter en vollediger dan alles wat tot dan toe bestond.
 Waar zou zo’n boek beter op zijn plaats zijn dan bij de man die de grootste elektriseermachine ter wereld had laten maken?

Over de manier waarop in Haarlem uiteindelijk de koop werd gesloten, weten we gelukkig meer met zekerheid. Uit het archief van Teylers Museum weten we bijvoorbeeld dat Van Marum in augustus 1833 bij Audubons zoon Victor het eerste deel van The Birds of America kocht, voor 480 gulden, en dat hij toen meteen ook intekende op de hele reeks.
Ook wie deze Victor was, weten we, dankzij de uitvoerige brieven en dagboeken die er van Audubon bewaard zijn gebleven.
Hij werd geboren op 12 juni 1809, als oudste zoon van Audubon en zijn vrouw Lucy, en al toen hij een kind was, dacht Audubon, zoals zoveel ondernemende vaders, erover om hem later in zijn voetsporen te laten treden. Hij gaf hem schilderles en voerde hem in de wereld van het drukken en uitgeven in.
Audubon wist dat hij een onderneming startte die pas na vele jaren winst zou kunnen maken, maar, schreef hij naar huis, zijn zoons – Victor had nog een broer – zouden daar later de vruchten van plukken.
Audubon was een lange termijn denker, wat misschien wel kenmerkend is voor mensen met kinderen.
Het is dan ook geen toeval dat Audubon Victor voor de missie van 1833 naar het Europese continent vroeg. Hij verzekert zijn vrouw Lucy later ook dat deze zoon nog wel eens een belangrijke eigen inbreng in zijn zaak zal krijgen. Als zij op een gegeven moment klaagt dat haar zoon toch zeker niet zoiets ordinairs als een handelsreiziger is, antwoordt Audubon haar geruststellend dat Victor in Europa niet zomaar inschrijvingen moest verzamelen, nee, hij kreeg de supervisie over zijn onderneming, zodat hij meteen de gelegenheid zou hebben om zich vast in Engeland te ‘settelen’, zoals hij dat noemt.

De catalogus ‘Vogels van Formaat’ van Reinjan Mulder voor de eerste Audubon-tentoonstelling in Teylers Museum.

In het archief van de Teylers Stichting bevindt zich op een klein stukje papier het bewijs van waar dit allemaal op is uitgelopen: de aankoopnota van het boek. Daarna heeft Audubon zich vanuit Engeland ook nog een paar keer zelf tot Martinus van Marum gericht.
In het archief bevinden zich verder ook nog drie brieven van hem, waarvan er in 2007 één op de eerste Audubon-tentoonstelling in Teylers lag.
Toen ik deze brieven vijftien jaargeleden terugvond in Haarlem, bezorgden ze mij een kleine sensatie. Daar lag opeens de handtekening van de grote Audubon voor me op tafel, in een blauw kartonnen map in het archief dat ik aan het doorspitten was! Maar toen ik ze wat beter las, vielen ze me eerlijk gezegd toch wat tegen. In zijn lange leven heeft Audubon vele honderden brieven geschreven, er zijn hele boeken mee gevuld, vol prachtige, zeer emotionele teksten. Wat zou zo’n groot brievenschrijver niet allemaal aan onze grote Van Marum kunnen vertellen?
Helaas, dat deed hij niet. Het zijn echte zakenbrieven. Formeel tot de laatste zin. In 1836, Van Marum is dan 86 jaar, schrijft Audubon in zijn beste Engels een brief naar Haarlem waarin hij alleen maar vraagt waar het geld blijft voor het derde deel, dat inmiddels in Haarlem moet zijn aangekomen.
Daarna schreef Audubon nog eenkeer een een brief, maar daarin meldt hij alleen maar droogjes dat het geld inmiddels binnen is.
 Tsja.

Een stuk leuker is de brief uit 1838, waarin Audubon in het Frans (!) laat weten dat er weer een deel van de Birds onderweg naar Nederland is. ‘Met de stoomboot’.
Audubon moet dan al weten dat Van Marum een jaar tevoren is overleden.
 Zo wereldvreemd was hij nu ook weer niet. Maar het gekke is dat hij in zijn allerlaatste brief naar Nederland met geen woord ingaat op de man die toen niet alleen een begrip was in heel Europa, maar die ook altijd trouw al zijn prenten had afgenomen, en betaald.
 Het minste wat hij had kunnen doen, lijkt mij, was een klein, plichtmatig rouwbeklag schrijven voor de grondlegger van het Teylers Museum.
Toen ik dit destijds tegen mijn vrouw vertelde, veronderstelde zij dat dit soort gedrag misschien wel typerend is voor grote denkers. Ze hebben een open oog voor iedereen die onder hen staat, kijk hoe Audubon zich steeds weer bezorgd tot zijn vrouw en zijn beide zoons wendt, maar tegenover hun gelijken kunnen ze geen houding vinden. Hun ego, hun eigendunk zit hun in de weg.
Ik geef deze verklaring graag voor wat hij waard is, maar ik weet wel dat deze beide mannen, de bedenker van de reuze elektriseermachine én de bedenker van de Dubbele Olifant editie van de Amerikaanse vogels, beiden in hun tijd giganten zijn geweest, aan wie wij nog steeds een onovertroffen, prachtig boek in het Teylers Museum te danken hebben.

De opkamer van Teylers Museum met daarin enkele giclees van vogelplaten van J.J. Audubon

Een deel van dit artikel werd in 2007  verwerkt in een lezing voor Vrienden van het Teylers Museum en in 2011 gepubliceerd in De Boekenwereld (Jrg 27, nr. 4 –  juni 2011).
Een tentoonstelling over The Birds of America, de tweede tentoonstelling sinds de aankoop, is nog tot 9 januari 2022 in Teylers Museum in Haarlem te zien.
De laatste exemplaren van de catalogus bij de eerste Audubon tentoonstelling in 2007 in Teylers, van de hand van Reinjan Mulder,  zijn nog te koop in de winkel van het Allard Pierson Museum in Amsterdam. 

Geef een reactie