Bij de dood van Hermine de Graaf, de vrouw op het zand – een teruggevonden brief over ‘Mijn moeder en de duif’

Door Reinjan Mulder
HerminefotoUPDATE, 1 DECEMBER 2013 – ‘Ik ben de chroniqueur van het tafereel en ik verover me opnieuw, met terugwerkende kracht, een plaatsje in de hechte gemeenschap van mijn zusters, door het verhaal keer op keer met alle details te vertellen. Vederlicht dwalen mijn gesloten ogen over het pijpestro, het lijkt alsof ik zweef en dans terwijl ik Ernst en Corinne met me mee laat zweven. Een lieflijk schilderij in zachte tinten van hemelsblauw en beige. Bijna te zoet voor het barre landschap van het noorden.’ Dat schreef de zondag overleden schrijfster Hermine de Graaf (1951) in haar roman De weg naar het pompstation, die ik in 1996 voor NRC Handelsblad besprak.
Het citaat zegt veel over De Graaf’s manier van vertellen, episch, herinnerend, breed, met veel oog voor details, maar toch was ik over die voorlaatste roman niet onverdeeld gelukkig. Ik had wel eens betere boeken van haar gelezen. Maar de voorzichtige, genuanceerde recensie die ik er uiteindelijk over schreef, kon niet verhinderen dat ik de schijfster daarna snel veel beter leerde kennen en op een gegeven moment zelfs min of meer bevriend met haar raakte. Dat was toen ik uitgever was bij uitgeverij De Geus, en wij het idee hadden dat Hermine de Graaf zich misschien niet meer zo thuis voelde bij haar oude uitgeverij, J.M. Meulenhoff. Ze was een keer onverwacht op een nieuwjaarsreceptie van ons komen binnenlopen en toen ik haar niet lang daarna vroeg of ze niet meer bij ons op haar plaats zou zijn dan bij Meulenhoff, beaamde ze dat maar al te graag. We spraken af dat ik een keer bij haar langs zou gaan – wat Meulenhoff, zei ze, in al die jaren nog nooit had gedaan – en besloten toen haar nieuwe boek in wording, Mijn moeder en de duif – of hoe ik met schaatsen stopte, te gaan uitgeven, alsook – als eerbewijs aan haar als een van onze beste verhalenschrijfsters – De verhalen, een dik boek met ‘alle verhalen’, van haar succesvolle debuut Een kaart, niet het gebied tot Vijf broden en drie vissen.
Die twee boeken zijn er ook gekomen, maar nog tijdens het werken aan de roman bleek ze opeens ernstig ziek te zijn. Ik neem aan dat het om dezelfde ziekte ging als die waaraan ze nu overleden is. De verschijning van Mijn moeder en de duif werd dan ook keer op keer uitgesteld, en we besloten eerst maar de herdruk van haar verhalen uit te brengen. Dan was haar werk in ieder geval weer grotendeels leverbaar, en leesbaar, en konden we het publiek vast op haar glorieuze rentrée voorbereiden.
Ondertussen groeide meer dan anders mijn genegenheid voor haar, want schrijvers hebben soms veel aandacht nodig, maar zieke schrijvers nog meer.
Hoe vaak ben ik naar Buinen afgereisd om bij haar thuis met haar over haar boek te praten? Het koste me meestal een hele dag, maar dat maakte dat de bezoekjes meer indruk dan anders nalieten. In de auto of in de trein terug naar huis bleven onze gesprekken soms nog uren doorgloeien.
Hermine de Graaf was voor mij de vrouw uit het verre oosten geworden, waar ik voor even verlost werd van al het, soms banale, randstedelijke gedoe. De vrouw van ‘het zand’, dat ik van haar vooral niet mocht verwarren met ‘het veen’, even verderop.
Ik was dan ook extra blij toen Mijn moeder en de duif uiteindelijk in 2002 toch uitkwam, en was kwaad toen bijna geen krant er daarna enige aandacht aan besteedde. Ook in de necrologieën die er nu van haar verschijnen, bestaat het boek alleen niet veel meer dan de titel.
Was ik door mijn langdurige contact blind geworden voor de gebreken? Kon ik door haar ziekte de fouten niet meer zien? Of zou haar redacteur Wil Hansen van Meulenhoff dan toch gelijk hebben gehad met zijn cynische opmerking tegen haar dat ze ‘een schijfster uit een voorbije periode’ was? Ik geloof dat eerlijk gezegd nog steeds niet. Van Jan Siebelink zeiden ze dat bij Meulenhoff ook, hij vernieuwde zich te weinig, en kijk wat er van hem uiteindelijk is terechtgekomen.
Ook de gebundelde verhalen deden minder dan we hadden gehoopt. We hadden er een mooie, gebonden uitgave van gemaakt, van 715 bladzijden, met voorop een foto van Bert Nienhuis, van een meisjesachtige, dwarse schijfster op een boot.
Ik wil Mijn moeder en de duif dezer dagen nog wel eens herlezen, en kijken wie zich toen vergist heeft, Meulenhoff of wij.
Tot die tijd moet u het doen met mijn bespreking van De weg naar het pompstation, – ter nagedachtenis aan een bijzondere, en gelukkig altijd recalcitrant gebleven schrijfster.
Maar eerst citeer ik graag nog een elf jaar oude brief van Hermine de Graaf, die vandaag onverwacht, samen met een door haar geschreven synopsis, uit haar roman Mijn moeder en de duif gleed:

Beste Reinjan,‘ schreef Hermine me op 30 mei 2002 uit haar woonplaats Buinen, in haar nog altijd keurige handschrift, ‘Vooral jij, en ik evenzeer, hebben wel wat geduld moeten hebben met het onderhavige boek. Zoals altijd kan ik er maar moeilijk afstand van doen.Wat niet wegneemt dat ik zeer benieuwd ben wat jij (jullie) er van vindt. Bij het schrijven van deze roman – eerst zwarte zorgen – gebeurde er steeds iets nieuws en had het noodlot voortdurend andere plotwendingen in petto. Het is er allemaal in terecht gekomen.
Zelf vind ik het in thematisch zin een rijpere voortzetting van mijn eerste boek ‘Een kaart’. Laten we hopen dat dit een goed omen is, en dat je als eerste lezer buiten Ted, ook wat ziet in dit fragiele werk dat nogal op bestaande personen en gebeurtenissen leunt.
Als het een beetje goed ontvangen wordt in de media dan kan het ‘De verhalen’ ook nog wat in de vaart der volkeren opstoten
In vond dat jullie het mooi en perfect hebben uitgegeven.
Tenslotte hoop ik dat wij – het is voor mij natuurlijk nieuw en spannend – tot een vruchtbare samenwerking komen.
Na de dood van [Hollands Maandblad-redacteur, R.M.] Bert Poll en daarna [Meulenhoff-redacteur, R.M.] Wouter Tieges is dat met andere fondsredacteuren niet meer gelukt, omdat deze eigenlijk te weinig affiniteit voelden met mijn wat onalledaagse visie op en vertaling van de alledaagse werkelijkheid. Soit.
Rest mij nog te zeggen dat ik door onze contacten een gezond vertrouwen heb gekregen in jouw visie en coachende kwaliteiten. Bij De Geus voel ik me net als in de eerste jaren bij Meulenhoff nu gelukkig weer thuis. Nu maar hopen dat ik en mijn boek welkome gasten zijn. Ik hoor hoop ik spoedig van je.

Hermine de Graaf   

MOLLENGIF IN DE BLOODY MARY, recensie van De weg naar het pompstation

De nieuwe roman van Hermine de Graaf, De weg naar het pompstation, doet op het eerste gezicht denken aan de reeks vroege ‘meisjesverhalen’ waaraan de schrijfster waarschijnlijk nog steeds haar grootste bekendheid dankt. Het is een roman over een familievete op het langzaam verzakkende deksel van de Groninger aardgasbel. Een koppig meisje dat zich niet in een vast patroon wil voegen, wordt over een langere periode gevolgd tot ze op middelbare leeftijd tot inkeer en tot rust komt. Dat levert weer een aantal mooie observaties op, dromerige herinneringen aan een jeugd afgewisseld met opstandig commentaar. Over een jonger zusje bijvoorbeeld, van wie wordt gezegd: ‘Corinne was de knapste en het type dat er bij het ouder worden als een geconserveerde schoonheid goed blijft uitzien. Een fenomeen dat later door haar accountant, die haar als een diepte investering zag, feilloos op juiste waarde werd geschat.’

Daar doorheen heeft De Graaf echter elementen van een thriller geweven. Ze sluit daarmee aan bij een schrijfster als Renate Dorrestein die haar laatste roman, Een sterke roman, ook begon met een moordaanslag. Ook in andere opzichten doet De weg naar het pompstation trouwens aan Dorrrestein denken. Het boek heeft soms eenzelfde, af en toe bijna op hol slaande felheid, een toon die vroeger met het woord ‘pinnig’ werd aangeduid. En De Graaf heeft ook dezelfde sarcastische humor als Dorrestein. Humor die het verhaal soms op het randje van het flauwe of het melige brengt. Een soort slapstick die het boek in ieder geval wel direct onderscheidt van de vaak nogal voorzichtige of zwaar aangezette boeken van veel collega’s.
Al meteen aan het begin wordt duidelijk dat er vermoedelijk een moordaanslag op de hoofdpersoon is gepleegd. Er zat mollengif in de bloody mary. Ze is met spoed naar een ziekenhuis overgebracht alwaar ze zich gedurende de rest van het boek, samen met de lezer, afvraagt wie de dader kan zijn geweest.
Deze vraag geeft De Graaf de gelegenheid in te gaan op het thema wraak dat ze al met zoveel succes in eerdere boeken gebruikte. Er zijn in de omgeving van het slachtoffer een stuk of zes personen die een moord op haar zouden kunnen plegen. In de ogen van de vertelster hebben allen hun eigen reden voor wraak. Het slachtoffer heeft haar twee kinderen emotioneel verwaarloosd, ze heeft zelf, zoals zoveel opstandige kinderen, haar ouders verraden, en met haar twee zusters heeft ze ooit naar de gunsten van dezelfde man gedongen. Ten slotte heeft ook het slachtoffer een reden tot wraak. In haar ziekenhuisbed, aan het infuus, verzucht ze: ‘Doodsangst ligt aan de ene kant van mijn bed en aan de andere zijde de wraakzucht die me in leven houdt.’

Behalve dat het boek als een thriller is opgezet, is er nog een nieuw element in De weg naar het pompstation: satire. In de flashbacks op het leven van de hoofdpersoon, waaruit het boek voor het grootste deel is opgebouwd, wordt niet zelden komisch bedoeld commentaar geleverd op de door haar en haar familie aangehangen zeden en gewoonten. In de roerige jaren zestig heeft ze zich willoos laten meeslepen door de milieubeweging en door Marx, Che Guevara en Ho Tsji-minh. En later heeft ze als radio- en tv-presentatrice al even vlot alle mogelijke misstanden uitgelegd, onder het motto: ‘geen diepgang en veel onzin, zo door mij gepresenteerd dat het gebrek aan ernst niet lijkt op het missen van je avondeten als je honger hebt.’
De strekking van het verhaal is ten slotte weer heel ernstig. Het komt er op neer dat het slachtoffer inziet dat ze, wie de aanslag ook heeft gepleegd, deze in ieder geval zelf heeft uitgelokt. Slachtoffers kunnen soms zelf daders zijn.

De combinatie van roman, thriller en satire zoals die nu in De weg naar het pompstation wordt beproefd, is niet overal even geslaagd. Het is begrijpelijk dat Hermine de Graaf na zoveel mooie boeken ook eens iets nieuws wilde proberen, maar haar kracht blijft toch de toon en het observatievermogen in primaire verhaal, waarin de hoofdpersoon herinneringen ophaalt aan een jeugd in Oost-Groningen, aan haar vader die bij de gaswinning betrokken was, en aan de zusters die samen met haar hun eerste seksuele gevoelens zien ontluiken. De Graaf vertelt in die gedeelten een mooi, schrijnend verhaal van ondergang en tot mislukken gedoemde opstandigheid.
Het thrillerelement en de satirische gedeelten voegen daar naar mijn idee weinig aan toe. De moordaanslag op de eerste bladzijden zorgt voor een zekere spanning en een alertheid bij de lezer, alles wat je leest kan van belang zijn, maar die aandacht blijkt wordt achteraf niet beloond. De ontknoping in het laatste hoofdstuk verdient eigenlijk nauwelijks die naam. Hij wordt, nogal teleurstellend, bereikt via een paar snelle, uit de lucht gegrepen nevenintriges, terwijl de belangrijkste verdachten, zoals de beide dochters en de moeder, tot op de laatste bladzijde blijven steken in een weinig diepgaande karikatuur.
Ik moet dan ook bekennen dat ik me aan de satire zoals Hermine de Graaf die nu bedrijft, af en toe flink heb geërgerd. Bepaalde motieven, zoals de herhaaldelijk terugkerende internationale carrière van de moeder als ‘hakkebordspeelster’ in een zigeunerorkest, zijn nog wel grappig, maar andere karakteriseringen, zoals de blinde Marx- en Guevara-aanbidding van de hoofdpersoon, zijn wel erg afgezaagd en soms zelfs ronduit banaal.
REINJAN MULDER

De recensie van ‘De weg naar het pompstation’ verscheen eerder in NRC Handelsblad van 2 februari 1996. 

Geef een reactie