H.C. ten Berge – bij de toekenning van de Constantijn Huygensprijs in 1996 aan de schrijver

Ten Berges nu meer dan dertigjarige schrijverschap heeft altijd op de een of andere manier in het teken van het tobben gestaan. Was het niet over de ondergang van de natuur dan was het wel over de oppervlakkigheid van de westerse beschaving of de tegenstand die zijn literaire projecten ondervonden. Niet voor niets heet één van zijn bekendere bundels Liederen van angst en vertwijfeling. Tien jaar geleden verscheen weliswaar de later voor de AKO-prijs genomineerde roman Het geheim van een opgewekt humeur, maar bij die titel moest de nadruk vooral op het woordje ‘geheim’ worden gelegd. De opgewekte humeuren liggen voor Ten Berge nooit voor het oprapen. Het juryrapport van de Constantijn Huygensprijs prijst hem als ‘een man van de taal, die alles wat hij te zoeken en te zeggen heeft, gestalte geeft in constructies waarin de verschillende lagen ingenieus met elkaar verbonden zijn, in woorden die fonkelen van dubbelzinnigheid, en in een onorthodoxe, vaak betekenisvolle typografie.’Literatuur is een ernstige zaak.
Ook in zijn begin dit jaar verschenen essaybundel Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken, met als ondertitel ‘Dagboekbladen, veldnotities’ laat de nu 57-jarige schrijver zich kennen als een aarts-mopperaar. In het achtste hoofdstuk, dat met gevoel voor understatement ‘Uit de losse pols’ is genoemd, geeft hij al meteen een paar fraaie karakteriseringen van zijn dichterschap. Het hoofdstuk begint met deze typische Ten Berge-zin: ‘De neiging tot acribie heeft me niet zelden parten gespeeld bij pogingen de fel begeerde staat van zorgeloze slordigheid te bereiken.’ Het is het begin van een moeizaam geformuleerde reeks verschillen die de schrijver naar zijn gevoel van de zoveel succesvollere Vijftigers onderscheidt.
Niet alleen ziet Ten Berge zich als een nauwkeuriger (acribischer) dichter dan de experimentelen, hij is ook veel minder politiek dan zij. Als dichter die in de jaren zestig debuteerde, heeft hij zich nooit zo betrokken gevoeld bij het grote onrecht in de wereld. Hem ging het eerder om de dreigende aantasting van de natuur. Ten Berge gelooft dat hij in die tijd een, wat hij zelf noemt, ‘indiaans levensbesef’ heeft ontwikkeld dat eerbied voor de aarde voorop stelde. Kort na zijn prozadebuut Canaletto en andere verhalen (1969) heeft hij zich op de cultuur van indianen, eskimo’s en andere natuurvolken gestort en die heeft hij zo veel mogelijk in zijn eigen werk willen integreren. Dat leidde tot de bundel De Witte sjamaan (1973,) waarin hij elementen verwerkte uit wat hij als de eskimo-cultuur zag, tot het reisverslag De beren van Churchill (1978), de bundel Texaanse elegieën (1983), vertalingen van eskimofabels in De Raaf en de Walvis, Poëzie van de Azteken, en tot een verzameling mythen uit Noordwest-Amerika, De Dood is de Jager.
In een vandaag ter gelegenheid van de prijsuitreiking verschenen boekje over de bekroningen van de Jan Campertstichting schrijft de dichter Peter Nijmeijer dat Ten Berges pessimisme is voortgekomen uit zijn afkeer van de in het westen heersende modes die eens per week veranderen: ‘Dat de Nederlandse bevolking daaronder lijdt, het zij zo; dat lijkt inherent aan het systeem dat we hebben gekozen. Maar het is (voor Ten Berge, RM) onverteerbaar dat ook gebieden als Siberië en Noord-Canada, door invloeden van buitenaf, binnen afzienbare tijd aan (een) hype zullen moeten geloven.’
H.C. ten Berge heeft in de loop van zijn schrijverschap niet altijd de waardering gekregen die hij zich had gewenst. En dat is waarschijnlijk niet alleen, zoals hij denkt, aan de boze buitenwereld te danken. Het treurige van Ten Berges werk is, afgezien van de inhoud, dat de grote nauwkeurigheid die hij steeds heeft nagestreefd, maar zelden tot echt grote schoonheid heeft geleid. Zijn poëzie kent verschillende grootse momenten, maar in zijn proza zou je graag wat meer ongedwongen verbeeldingskracht van de Vijftigers tegenkomen. Vooral in zijn essays schrijft Ten Berge soms een soort ambtenaren-Nederlands dat in de hele Nederlandse literatuur zijn gelijke niet kent. In zijn eerder genoemde essay over zijn poëtica komt hij bijvoorbeeld tot deze woekerende reeks uitspraken: ‘Er is [bij mij, HCtB] sprake van een grotere bewustwording van des dichters materiaal: de taal. Er wordt een scherper taalbewustzijn ontwikkeld. Deze ontwikkeling mondt uit in een kritische en kritiserende opstelling ten opzichte van alles wat door taal is of wordt aangeraakt. Voorbehouden en complicaties zijn hier onvermijdelijk, omdat bijna alles in taal of door middel van taal wordt gedacht en waargenomen. Aan alles wat wij zien kleeft een naam, een woord, een begrip.’
Ten Berges tragiek – dat moet maar eens gezegd – is dat zijn belangrijkste verdiensten voor de literatuur alle uit de jaren zestig dateren. Hij schreef in die tijd een paar alom gewaardeerde en bekroonde dichtbundels. Hij richtte zijn eigen avantgarde-tijdschrift Raster op. En als klap op de vuurpijl kwam in 1969 zijn eerste verhalenbundel Canaletto en andere verhalen uit. Ik herinner me dit debuut verschillende keren te hebben gelezen en het steeds weer te hebben ervaren als een openbaring. Wat er me van is bijgebleven, zijn reeksen droombeelden op Poolse lokaties en een mysterieuze vrouw. Zulke literatuur was er toen nog niet, in Nederland.
Volgens het documentatiesysteem van de Nederlandse Bibliotheekcentrale is Ten Berges prozadebuut nog altijd zijn meest gerecenseerde boek. In de Volkskrant wijdde Kees Fens er een uitvoerige analyse aan in de beste merlinistische traditie. Daarna leek het of de ader van Ten Berge was opgedroogd. Hij ging op reis, stortte zich op de vertellingen van eskimo’s en indianen, en wanneer hij met eigen proza kwam, was dat niet zelden een bewerking van oude stukken uit Canaletto.
Het door Ten Berge geleide Raster begon in die tijd aan eenzelfde soort bloedarmoede te lijden. De structurele analyses die het blad in de lijn van het verdwenen Merlijn had willen afdrukken, hadden hun beste tijd gehad. In plaats daarvan kwam wat Ten Berge later noemde ‘literatuur die een regelrechte verbinding legde met het bestaan en de natuur’ of die een gevoel uitstraalde van ‘diepe verbondenheid met de aarde en het aardse’.
Daarnaast rukten in het blad in snel tempo de theoretische en abstracte beschouwingen op. In een opmerkelijk openhartige terugblik op die periode in Vrouwen, jaloezie en andere ongemakken geeft Ten Berge toe dat hij dit soort stukken ook maar hoogst zelden in één keer uitlas. Op vertwijfelde momenten riep de tijdschriftleider Spinoza te hulp die had gezegd dat al het voortreffelijke moeizaam en zeldzaam is. Wat hij vergat te bedenken was dat niet al het moeizame en zeldzame daarom ook meteen buitengewoon en voortreffelijk is.
Het is tekenend dat Ten Berge zich aan het eind van zijn carrière tot het genre heeft bekeerd dat aanvankelijk het verst van hem af stond. In zijn laatste twee boeken met ‘dagboekfragmenten en veldnotities’ is de verbeelding verdwenen. De schrijver en dichter Ten Berge bestaat niet meer. Wanneer de jury van de Constantijn Huygensprijs opsomt waarvoor Ten Berge wordt bekroond, noemt zij nadrukkelijk alle genres die hij heeft beoefend: ‘Zowel de dichter als de prozaschrijver, zowel de essayist als de tijdschriftredacteur, zowel de sprookjes- en verhalenverzamelaar als de ververser van onze literatuur rechtvaardigen de toekenning van de Constantijn Huygensprijs.

Verscheen eerder als column in de bijlage Boeken van NRC Handelsblad op 13 december 1996 

Geef een reactie