Nogmaals de zaak Jan van Anrooy: een overtuigde NSB’er en nationaal-socialistische kunstbons – maar wat nog meer?

Door Reinjan Mulder
VanAnrIMG

UPDATE – In 1942 hield het plaatsvervangend hoofd van het Beeldende Kunstgilde van de Kultuurkamer, de schilder Jan van Anrooy (1901-1988), een toespraak bij de opening van het Nederlands Kunsthuis aan het Rokin in Amsterdam. Van Anrooy was daar directeur geworden. ‘Richting gevend voor den nieuwen tijd,’ zo kondigde hij aan, ‘zal zijn, dat de kunstenaar die dezen naam inderdaad verdient, zich zijn plaats in de nieuwe volksgemeenschap bewust zal zijn. Hij zal zich, zo hij door het scheppen van eerlijk en goed werk bewijst inderdaad een kunstenaar te zijn, in zijn eigen volk geborgen weten. Vroeger was kunst geen regeringszaak, thans wordt kunst aangelegenheid voor het gehele volk.’
Van Anrooy ging daarmee niet alleen leiding geven aan het nieuwe, door de nazi’s ingestelde kunstinstituut,  hij verklaarde zich in aanwezigheid van enkele hooggeplaatste nazi-functionarissen ook dienstbaar aan de nieuwe ‘volksgemeenschap’ ( ‘Volksgemeinschaft‘) die de bezetter voor ogen had.
Bovendien gaf hij aan onderscheid te willen maken tussen ‘kunstenaars die deze naam verdienden’ en zij die dit niet deden. Daarmee doelde hij naar alle waarschijnlijkheid op modernistische en abstracte schilders en andere ‘ongezonde’ en ‘ontaarde’ kunstenaars.
Het Nederlands Kunsthuis zou zich, aldus Van Anrooy, daarentegen op ‘eerlijke’ kunst gaan richten, wat in zijn geval wilde zeggen: herkenbare kunst, liefst met oer-Hollandse taferelen, zoals gezonde, hardwerkende boeren of schaatsenrijders. Een typisch (Duits) voorbeeld van dit soort kunst is nog altijd het schilderij Hitler spreekt (1939) van de Tegernseeër schilder Paul Matthias Padua. Een grof geschilderd Beiers boerengezin zit daarop na de arbeid nederig om de radioluidspreker, waaruit de stem van Adolf Hitler schalt.
Vandaag drie maanden geleden, op 22 januari van dit jaar, herinnerde ik er op deze plaats aan hoe de schilder Jan van Anrooy tijdens de bezetting een vooraanstaande rol in de Kultuurkamer en het Nederlandse Kunsthuis had gespeeld en daarvoor na de oorlog tot drie jaar interneringskamp veroordeeld was. Ik had tot mijn schrik ontdekt dat er in het Gemeentehuis van mijn geboorteplaats Geldermalsen maar liefst 14 (veertien) schilderijen van deze ‘foute’ Betuwnaar aan de muur hingen, tot op de kamer van de burgmeester toe, en vond dat, zacht gezegd, niet zo’n ‘prettig idee’. Van Anrooy’s Kultuurkamer had er actief aan meegewerkt dat aan joodse en niet-collaborende kunstenaars een podium werd ontnomen, waarna velen van hen omkwamen, en je kunt nog zo ruimdenkend en tolerant zijn maar ‘je laat een nazistische beeldhouwer als Arno Breeker,’ zo schreef ik, ‘toch ook geen nationaal monument op de Dam ontwerpen’. In een museum kan het interessant zijn werk van omstreden kunstenaars te tonen, maar in het hart van de lokale democratie, een Gemeentehuis, zou je voorzichtiger moeten zijn.

Over dat stuk is veel boosheid en ophef in de Betuwe ontstaan, die er onder meer toe leidde dat ik met een boycot werd bedreigd, en op internet en in de Betuwe werd ik al snel van geheime agenda’s en kwade trouw beschuldigd – zeker toen ook de Volkskrant, Het Parool, De Gelderlander, Omroep Gelderland en De Telegraaf over de zaak gingen berichten.
Het leek wel of niet Van Anrooy maar ikzelf gecollaboreerd had. Ik zou ‘jaloers’ zijn geweest op Van Anrooy, Van Anrooy zou een ‘concurrent’ van mijn vader, de schilder Piet Mulder, zijn geweest en ik zou door hem zwart te maken mijn vaders werk het Gemeentehuis willen binnensmokkelen. Verder werd mijn competentie in twijfel getrokken en besloot de Gemeente Geldermalsen, die al minstens een half jaar op de hoogte was van Van Anrooy’s dubieuze verleden, eerst maar eens advies aan het NIOD te vragen, omdat men kennelijk ook daar de door mij aangedragen feiten in twijfel trok.
Deze maand leidde deze actie – na drie maanden – dan eindelijk tot het bericht in De Gelderlander dat Jan van Anrooy inderdaad lid van de NSB is geweest, wat ik in januari van dit jaar ook al schreef, en dat hij, zoals ik ook al aangaf, wegens landverraderlijke activiteiten na de oorlog tot 3 jaar interneringskamp was veroordeeld. Ook in de Volkskrant had dat alles al uitgebreid gestaan.
Een lezer van het dagblad De Gelderlander was zo vriendelijk mij het knipsel toe te sturen, en zo weet ik nu dat ‘onderzoek door de gemeente’ bovendien heeft uitgewezen dat het vonnis tegen Van Anrooy niet herzien is, zoals ik aanvankelijk dacht, maar dat de gedreven Kunsthuis-leider al na één jaar door niet nader benoemde ‘autoriteiten’ is vrijgelaten omdat enkele plaatselijke notabelen zich met zijn zaak hebben bemoeid: de dokter, de dominee en de burgemeester. We zijn hier in de Betuwe, connecties gaan daar nog altijd boven recht. Jan van Anrooy was in de jaren vijftig goed bevriend met de burgmeester van Deil, Hans Kolff, en die heeft toen kennelijk zijn voortijdige vrijlating kunnen regelen. Van Anrooy’s leven zou in een interneringskamp gevaar lopen, zo vreesden de Deilse notabelen op rij – alsof het om Auschwitz of Bergen-Belsen ging.

Duitse nazi-kunst: 'Hitler spreekt', Dokumentatiecentrum  Obersalzberg

Duitse nazi-kunst: ‘Hitler spreekt’, Dokumentatiecentrum Obersalzberg

Nieuw aan het krantenbericht was voor mij ook dat Jan van Anrooy’s NSB-lidmaatschap maar tot 1942 heeft geduurd, net zolang als dat van zijn hoogste chef bij de Kultuurkamer, Tobie Goedewaagen. Die werd in 1942 uit de NSB gezet omdat hij té radicaal was geworden voor de in wezen nationalistische beweging van Mussert. Goedewaagen was meer en meer op het spoor van Himmler’s SS beland, waar de Nederlandse NSB niet zo veel van hebben moest.
Dat gegeven roept de de vraag op of ook Van Anrooy’s standpunten in die tijd verder zijn verhard, of dat hij toen al zijn dwalingen inzag. Maar waarom werd hij dan zes jaar later tot 3 jaar vrijheidssstraf veroordeeld?
De recente bevindingen van de Gemeente blijken ondertussen niets te veranderen aan de aanwezigheid van de veertien werken van Jan van Anrooy in het Gemeentehuis van Geldermalsen, zo lees ik aan het slot van het knipsel. Die zouden zijn gemaakt ‘in de jaren vijftig en later’, dat wil zeggen toen Van Anrooy – met dank aan zijn burgemeester – al weer voortijdig was vrijgelaten.
Maar had Jan van Anrooy in die vroege jaren vijftig dan geen werk- en expositieverbod*, zoals andere nazi-kunstenaars**? En maakte hij zich na zijn voortijdige vrijlating niet op om naar zijn ‘eigen volk’ in Zuid Afrika te emigreren, waar in die tijd meer voormalige NSB’ers een toevlucht zochten***?
Die verhuizing naar de bakermat van de apartheid duidt er niet op dat Van Anrooy zijn fascistische gedachtegoed had afgezworen. Ook Jan Greshoff, weten we van de Vianense conservator Susanne Weide, hield zich in Zuid Afrika ver van de volgens hem foute Van Anrooy.
Uit de recente berichtgeving wordt ondertussen nog altijd niet duidelijk of Van Anrooy na de oorlog alleen maar vanwege zijn NSB-lidmaatschap tot drie jaar vrijheidsstraf is veroordeeld of dat hem nog meer ten laste is gelegd. Voor zover ik weet, moest je voor een straf van drie jaar in de oorlog wel het nodige hebben uitgespookt. Er zijn tussen 1940 en 1945 meer dan honderdduizend NSB’ers en nog veel meer collaborerende ambtenaren geweest, en als die allemaal drie jaar interneringskamp hadden gekregen, zou het land ten onder zijn gegaan. Mij zijn zaken bekend waarin voormalig NSB’ers er na de oorlog slechts met een berisping of een terugplaatsing in rang vanaf kwamen.

NSB-pamflet van J.A.M. van Anrooy, Uitg. Nenasu, 1940. Collectie NIOD.

NSB-pamflet van J.A.M. van Anrooy, Uitg. Nenasu, 1940. Collectie NIOD.

Waarschijnlijker is dan ook dat Jan van Anrooy bij de Kultuurkamer, het Nederlands Kunsthuis of elders wel wat meer op zijn kerfstok had dan alleen maar de NSB te vertegenwoordigen en ‘eerlijke’ kunstenaars te subsidiëren. We zagen al dat hij daarbij onderscheid wenste te maken tussen kunstenaars die die naam verdienden en zij die dat niet deden, en ook tussen zijn ‘eigen volk’ en anderen. Maar misschien is hem ook wel het rare, tendentieuze pamflet aangerekend dat ene J.A.M. van Anrooy in 1940 voor Musserts Nederlands Nationaal Socialistische Uitgeverij (Nenasu) schreef, over het, volgens hem, verachtelijke wantrouwen dat binnen het voormalige Nederlandse leger tegenover NSB’ers had bestaan.**** In de reeks waarin dit pamflet verscheen, publiceerden fervente nationaal-socialisten zoals de – later ter dood veroordeelde – NSB-propagandist Max Blokzijl. Verder duidt de verschijningsdatum van dit boekje erop dat Van Anrooy al heel vroeg in 1940 – en waarschijnlijk al eerder – een vertrouweling van de NSB-leider Mussert moet zijn geweest. De tekst van van Anrooy was bovendien al in augustus 1940 in de ‘intellectuele spreekbuis van de NSB’ (Van Berkel), het blad Nieuw Nederland te lezen geweest, dat onder leiding stond van de – in 1945 ter dood veroordeelde – nazi-ideoloog Robert van Genechten. Ook daaruit is af te leiden dat Van Anrooy – net als Goedewagen – al vóór 1940 in de hogere NSB-kringen moet hebben verkeerd.

Toen de Duitsers met behulp van collaborerende Nederlanders vele goedwillende landgenoten voor de vuurpelotons zette en honderdduizend joden naar de vernietigingskampen stuurden, zweeg een belangrijk deel van de elite in de Betuwe, nederig en bang als ze waren, maar een collaborateur uit de eigen streek hoefde na de oorlog maar rechtens zijn straf te krijgen, of de burgemeester, de dominee en de dokter van het dorp werden door mildheid en medemenselijkheid overmand. En nu zijn hun opvolgers in de gemeente al even vastbesloten om het werk van een ‘landverrader’ willens en wetens zijn ereplaats in het nieuwe Gemeentehuis te laten behouden, omdat de maker zijn straf zou hebben uitgediend.
Het is maar wat je onder uitdienen verstaat.
Natuurlijk is het voor familieleden niet zo leuk om te horen dat hun vader of grootvader zich in het verleden misdragen heeft, maar is die pijn niet het wezen van elk sanctiestelsel? Als we al onze zonden altijd voor onszelf konden houden, zou de wereld er heel wat minder mooi uitzien. Juist omdat wij onze kinderen en onze familie de schande van een straf niet willen aandoen, houden velen van ons zich nog een beetje aan de wet.
Bovendien: die familieleden hadden in al die jaren toch ook zelf wel eens op onderzoek kunnen uitgaan. In de databanken op internet zijn genoeg gegevens te vinden die duidelijk maken waar Van Anrooy in de oorlog voor gestaan heeft: een artikel van hem over kitsch in Volk en Vaderland uit augustus 1942, en een interview over ‘ontaarde kunst’ in het Nederlands Dagblad, de krant van het beruchte Nationaal Front. In dat laatste interview legt Jan van Anrooy uit dat Nederlandse kunst volgens hem al ‘ontaard’ is wanneer het ‘de Nederlandse aard’ verloochent.

Mijn eigen standpunt in zaken als deze is genuanceerd. Volgens mij moet je bij kunst van omstreden makers in ieder geval kijken waar iets hangt of staat, en in welke context het wordt gepresenteerd.
– In de particuliere sector (galeries, uitgeverijen, verzamelaars) moet in principe alles mogelijk zijn, behoudens ‘ieders verantwoordelijkheid voor de wet’.
– In officiële gebouwen, zoals een Gemeentehuis of het Tweede Kamergebouw, maar ook bij monumenten aan de openbare weg of bij straatnamen kan veel minder en moet kritisch gekeken worden naar de standpunten en de geschiedenis van de makers en de geëerden.
– En dan is er nog de – interessante – tussencategorie van gesubsidieerde en min of meer aan de overheid gelieerde instituties als musea. Daar hangt het er vooral van af wat de inzet van de institutie is. In een historisch georiënteerd museum als het Rijksmuseum kan heel goed het schaakbord van Mussert te zien zijn – niet toevallig in een zaaltje over de Tweede Wereldoorlog en recht tegenover een gestreept jasje uit een concentratiekamp, en daar kan ook Henri van de Velde’s beruchte NSB-schilderij De nieuwe mens worden getoond, mét het erbij behorende verhaal dat het op de kamer van Mussert hing, of, Pyke Koch’s schilderij Zelfportret met zwarte band. Maar in een kunstmuseum als het Van Gogh Museum en, in iets mindere mate, het Stedelijk Museum hoeft die informatie er niet altijd bij – al zou het natuurlijk vreemd zijn als er in een honderden bladzijde dikke catalogus niets over iemands oorlogsverleden staat – als dat er is. In het Gemeentemuseum in Arnhem, dat veel van Pyke Koch bezit, wordt bij zijn werk op de zaal waar het hangt al vermeld dat hij nationaal socialistische sympathieën had, die hem altijd zijn blijven aankleven.
Gelukkig kunnen we constateren dat steeds meer kunstmusea nu ook de historische en politieke dimensie bij hun expositiebeleid betrekken.

Concreet betekent dit dat ik het nog steeds niet toejuich dat werk van Jan van Anrooy zomaar, zonder enige toelichting, op de kamer van de Geldermalsense burgemeester blijft hangen, zeker niet nu het NIOD bevestigt dat hij een hoge functie op het DVK van Goedewaagen en bij de Kultuurkamer vervulde, actief NSB’er was en trouw de nationaal-socialistische ideologie aanhing.
Hoeveel ‘fouter’ kun je zijn?
En zeker juich ik dit niet toe nu nergens uit blijkt dat Van Anrooy na de oorlog van gedachte is veranderd, en duidelijk is dat hij alleen maar door een lobby van plaatselijke notabelen aan het grootste deel van zijn straf is ontkomen.

Dit standpunt wil ik echter wel graag tegen een bredere achtergrond van verschuivende normen te plaatsen, die onder anderen Claartje Wesseling in haar proefschrift Kunstenaars van de Kultuurkamer signaleert. Die verschuivingen maken dat er wel steeds meer oog komt voor de historische achtergrond waarin kunstwerken zijn ontstaan, en dat kunstenaars tegenwoordig minder worden beoordeeld op hun houding tijdens de oorlog of in de jaren dertig maar meer op hun – positieve of negatieve – rol in het algehele klimaat waarin hun werk ontstond.
Dat is een ontwikkeling waarmee ik alleen maar blij kan zijn. Wesselink geeft in haar actuele boek al een paar mooie voorbeelden van collaboratie met de nazi’s die nu tot nadenken stemmen (Koch, Arti, Van de Velde), net zoals al eerder het proefschrift van Bendien van Berkel over Van Anrooy’s chef Tobie Goedewaagen de nodige stof voor een discussie over een nieuwe houding ten opzichte van collaborateurs leverde.
Maar dat alles wil nu ook weer niet zeggen dat er helemaal geen grenzen meer zijn. Er moet nog wel enig onderscheid blijven tussen goed en kwaad. Ook in de kunst en de wetenschap. Zouden we bijvoorbeeld Martin Heidegger, die inmiddels tot een van de grote, zo niet grootste filosofen van de twintigste eeuw wordt gerekend, al als buste op de Universiteit van Freiburg willen tegenkomen? Of zouden we willen dat deze vooraanstaande universiteit nu naar zijn beroemdste geleerde zou worden vernoemd? Zeker na de recente verschijning van zijn dagboeken lijkt mij dat niet erg wenselijk.
En zouden we, aan de andere zijde van het politieke spectrum, willen dat er een standbeeld voor een overtuigde stalinist als Theun de Vries in de Jordaan wordt opgericht? Of dat er een straat wordt vernoemd naar de onverbeterlijke Cuba-propagandist Harry Mulisch? Terecht wees de socioloog Michel Korzec er destijds al op dat het lintje dat Elco Brinkman in Parijs aan Joris Ivens ging brengen, de bedenkelijke sympathieën van deze maoïstische cineast totaal over hoofd leek te zien.
Natuurlijk moeten we altijd onderscheid kunnen maken tussen enerzijds wereldvreemde en naïeve meelopers als van J. van Oudshoorn of Lodewijk van Deijssel, opportunistische ingeschrevenen bij de Kultuurkamer zoals W.F. Hermans, beginnende sappelaars zoals Karel Appel, en anderzijds actieve en bewuste anti-semieten als L.F. Céline en Martin Heidegger –  en in Nederland een tot het eind toe overtuigde nationaal-socialist als Tobie Goedewaagen. Maar het laten varen van alle normen en waarden, en het ongenuanceerd of zonder commentaar op een ereschavot hijsen van voormalige nazi-kopstukken als Van Anrooy zoals de Gemeente Geldermalsen nu doet, is wat mij betreft een brug te ver.

Op de opiniepagina van de Volkskrant staat vandaag nog het volgende artikel:

Denk na voor je foute kunst ophangt

In 1942 hield de plaatsvervangend leider van het nieuwe Nederlandse Kunsthuis een rede waarin hij stelde dat de kunstenaar ‘die deze naam verdient’ zich voortaan van ‘zijn plaats in de nieuwe volksgemeenschap’ bewust moest zijn. Als hij door het scheppen van ‘eerlijk en goed’ werk had bewezen kunstenaar te zijn, moest hij zich in zijn ‘eigen volk’ geborgen weten.
Het Nederlandse Kunsthuis aan het Rokin in Amsterdam was opgericht als onderdeel van de nationaalsocialistische cultuurpolitiek van het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) van NSB’er Tobie Goedewaagen. Veel kunstenaars die daarin actief waren, werden na de oorlog gestraft en geboycot. Maar dat ging niet op voor de man die de toespraak over het ‘eigen volk’ hield. Dat was de overtuigde NSB’er Jan van Anrooy (1901-1988). Begin dit jaar kwam zijn naam in het nieuws, omdat er maar liefst veertien schilderijen van hem op het Gemeentehuis van Geldermalsen hingen, tot op de kamer van de burgemeester toe. Van Anrooy was de hofschilder geworden van het Betuwse dorp.
Uit onderzoek van het NIOD bleek later dat Jan van Anrooy na de oorlog voor zijn actieve rol in de oorlog weliswaar tot 3 jaar interneringskamp was veroordeeld, wat al langer bekend was, maar ook dat hij daaruit vrijkwam toen de burgemeester, dokter en de dominee uit zijn dorp zich tot het Ministerie hadden gewend. Straf, zeiden zij, zou Van Anrooy’s dood kunnen worden.
Daarna had het dorp bij wijze van contraprestatie nog werk van hem afgenomen, dat nu bij een herindeling in het Gemeentehuis van Geldermalsen terechtkwam, en emigreerde Van Anrooy voor  jaren naar Zuid Afrika, waar in die jaren meer NSB’ers onderdak vonden.
In het proefschrift Kunstenaars van de Kultuurkamer waarop Claartje Wesselink vorige maand promoveerde, wordt aangetoond dat de kunstwereld na de oorlog over de hele linie vrij selectief tewerk is gegaan bij het weren en boycotten van ‘foute’ kunstenaars. Een schilder als Pyke Koch die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn fascistische sympathieën, kon zeker in latere jaren uitgroeien tot één van de grote namen in de twintigste-eeuwse realistische kunst. Maar een minder uitgesproken NSB’er als Henri van de Velde (1896-1969) wiens werk op de openingstentoonstelling van het Nederlandsch Kunsthuis hing en wiens apocalytische  De nieuwe mensch (1937) nog jaren de kamer van Mussert sierde, kwam nauwelijks meer aan de bak – totdat juist zijn zwaar beladen Nieuwe mensch door de nieuwe afdeling XXe Eeuw van het Rijksmuseum werd gekocht.
Betekent dit nu dat de huidige kunstwereld met meer begrip op ‘foute’ kunstenaars reageert dan direct na de oorlog? Dat lijkt zo te zijn.
Maar er zijn ook andere verschuivingen. Zo wordt werk van mensen als Koch en Van de Velde nu in boeken en musea veel nadrukkelijker gepresenteerd als het product van een dubieuze politieke ideologie, en wordt er zonder omhaal over verbanden met het nationaal socialisme geschreven.
Bovendien gebeurt dat steeds in een omgeving waar het primair om kunst gaat, zoals een museum, en niet om politiek en democratie. In het Gemeentehuis van Amsterdam of Utrecht zul je het Zelfportret met zwarte band van Koch nog niet gauw aantreffen, of het zou moeten zijn op een tentoonstelling waar de verleidingen en valkuilen van het totalitarisme worden toegelicht.
Er is niet zo veel tegen om het werk van een overtuigde NSB’er als Jan van Anrooy op een Nederlands gemeentehuis te tonen, maar dan moet er wel op zijn bewogen geschiedenis worden ingegaan. Nu wordt ten onrechte de indruk gewekt dat Van Anrooy na de oorlog al genoeg gestraft is, en wordt gesuggereerd dat zijn werk niets maar dan ook niets met het nationaal-socialisme te maken heeft.
Dat heeft het, met alle respect, wel – al is het verband gecompliceerd. De nazi’s waren in de oorlog dol op herkenbare Nederlandse landschappen met hardwerkende boeren en wintertaferelen zoals Van Anrooy die schilderde. En ook in het Zuid Afrika van de jaren zestig en zeventig werd zijn werk goed verkocht.
Laten we snel gaan uitzoeken hoe dat komt.

Reinjan Mulder

Click hier voor het eerdere stuk over het omstreden verleden van Jan van Anrooy. 

—-

* In mijn vaders archief uit de jaren vijftig kan ik alleen een tentoonstellingencatalogus uit 1955 vinden, waarin werk van Jan van Anrooy voorkomt, wat erop kan duiden dat hij vanaf dat jaar weer exposeren mocht.
** Vgl. Claartje Wesselink, Kunstenaars van de Kultuurkamer, Amsterdam (diss.), 2014
*** Vgl. Notities van een luchtfietser van de in Zuid Afrika opgegroeide schrijver Henk van Woerden, wiens NSB-vader na de oorlog met een half jaar gevangenis werd gestraft: ‘Uit een brief (…)  blijkt tenslotte dat desperaat op zoek is naar een migratiebestemming (…). Door zijn veroordeling wilde geen land hem hebben. Amerika zeker niet, Canada niet, Nieuw-Zeeland noch Australië. Alleen blank Zuid-Afrika zal een oorlogsdelinquent en een Nederlander met bewezen nazi-sympathieën met open armen ontvangen.’ Ook Tobie Goedewagen overwoog volgens zijn biograaf na zijn vrijlating naar Zuid Afrika te emigreren.
**** J.A.M. van Anrooy, ‘De NSB en het leger’, Uitg. Nenasu, 1940.

 

6 Reacties

  1. Beste Reinjan, iets zinnig zeggen over de smaak van Nazi’s is ondoenlijk. Je schrijft ‘dol op herkenbare landschappen met hardwerkende boeren en wintertaferelen.’ Toch is veel van ‘dat’ werk ‘entartet’ verklaard. Nolde is een goed voorbeeld: hij wilde er graag bij maar mocht niet. Hoewel Goebbels juist zijn werk een goed voorbeeld van Nazi-kunst vond (net als Van Gogh). Goebbels was dol op Van Gogh en schreef zelfs: ‘Van Gogh was gek maar zijn we niet allemaal gek als we een idee hebben?’
    Nee, het is lastig. De ontwerper van Auswitch was een modern Bauhaus-architect: Fritz Ertl. Men vergeet dat de ‘moderne’ kunst in de jaren dertig overal uit de mode raakte en modernisten verzetten de bakens zelf. Nu zijn we geneigd om te zeggen dat Hitler en Stalin daar ‘schuldig’ aan waren. Jij en ik zijn grootgebracht met het vooroordeel dat abstract (e.d.) progressief is. Kunst was/is links na de oorlog en zij ‘kaapten’ het modernisme. Toch ziet Nazi-design (serviesgoed e.d.) er vaak opvallend modern uit. Er was zelfs een progressief Bauhaus-tijdschrift Die neue Linie dat tot 1943 gedrukt werd!!!
    Ik zou je willen aanraden om Nikos A. Salingaros boek A Theory of Architecture te lezen (Umbau Verlag, ISBN 3-937954-07-4). Deze kwestie komt daarin uitgebreid aan bod, het is ook bron voor dit commentaar. Zie ook Winfried Nerdinger: Bauhaus-Moderne im Nationalsozialismus. Uitgeverij Prestel.
    Ik zou willen opmerken over Jan Anrooy: hij hoort thuis in een museum en niet in een gemeentehuis. Een gemeentehuis is geen museum. Ik zeg: foute kunst bestaat niet. Foute kunstenaars wel. Als je al de schilderijen uit musea zou verwijderen waar de Nazi’s ‘dol’ op waren dan zou het een saaie boel worden.
    Mark Peeters

  2. Dank voor je reactie, Mark. Ik ben het grotendeels met je eens. De laatste maanden ben ik me meer gaan verdiepen in nazi-kunst en -architectuur, ook vanwege een boek dat ik daarover schrijf, en ik kan niet anders dan concluderen dat het, zuiver naar het werk te oordelen, geen duidelijke, afgeperkte categorie is. Onder de groep fijnschilders die na de oorlog lang met nazisme werd geassocieerd, kwamen bijvoorbeeld mensen van uiteenlopende politieke gezindten tegen. En een Cobra-schilder als Karel Appel, die na de oorlog door Sandberg op het schild werd gehesen, werkte voor de Kultuurkamer. Maar dat wordt anders als we de persoon van de maker erbij betrekken. Aan een ongesigneerd landschapje van Adolf Hitler zie je nog niet zoveel af, maar wel als je weet wie het gemaakt heeft. Zouden we dat nu, bijvoorbeeld, in de Rijksdag hangen?
    In mijn eerste stuk over de zaak van 22 januari zeg ik daarover al het nodige. Daarom is mijn conclusie dat we juist vanwege deze onduidelijkheid moeten nagaan waar Van Anrooy stond. En waar zijn werk voor staat. Zijn werk past wonderlijk goed in de nazi-wensen, zoals ik die in verschillende boeken en proefschriften tegenkwam, maar dat alleen maakt iemand nog geen nazi. Maar wat dan wel? Van A. is iemand die al in de jaren dertig overtuigd NSB’er was, in de oorlog de nazi-ideologie van het ‘eigen volk’ aanhing, en na de oorlog, voor zover ik weet, nooit afstand heeft genomen van zijn houding. Integendeel hij emigreerde naar Zuid Afrika en ging daar aan het werk. Hoeveel meer moet je op je geweten hebben?
    Reinjan

  3. Beste Reinjan, ik proef uit je woorden dat je op zoek bent naar overeenkomsten tussen ideologie en beeld.’Waar zijn werk voor staat’
    Er zijn kunstenaars die overduidelijk werk hebben gemaakt met propagandistische trekken maar afgaand op de weinige schilderijen van Van Anrooy die ik heb gezien op internet, hoort zijn werk daar niet bij. Ik zie zijn werk als typisch voor zijn generatie. Zulke doeken vind je bij links, rechts, religieus, niet religieus, liberaal etc. Er schuilt naar mijn mening geen politieke opvatting in zijn werk.
    Misschien was hij een opportunist, zoals Appel die zich meldde voor een beurs naar Dresden en materialen (zo heb ik begrepen). Sinds de renaissance verwachten we van een kunstenaar dat hij ‘een denker’ is. Kunstenaars hebben zelf de stap gezet van ‘vakman’ naar ‘intellectueel’. Daarom zijn we altijd op zoek naar ‘waar hij voor staat’. We willen zijn of haar opvatting verbeeld zien in zijn schilderijen. Ik denk dat je dat niet altijd moet doen. Het kan zelfs kwalijke gevolgen kan hebben. Zo kun je kunst die je niet bevalt wegzetten als ‘fascistisch’ – of wat dan ook.
    Mij is opgevallen dat je in dezelfde stroming vaak zoveel uiteenlopende mensen tegenkomt met tegengestelde politieke opvattingen. Was het maar zo makkelijk.
    Je begeeft je op glad ijs als je spreekt over motieven of ‘waar hij voor stond’, want dan gaan wij vergelijkbare kunst afwijzen want die zou dus ook fout zijn.
    Op zich is er niets mis met ‘Nederlandse landschappen’. Wat zou hij anders moeten schilderen als hij graag buiten naar de natuur werkte?
    De Fransen zeggen het al:’Zo dom als een schilder'(Bete comme un peintre).
    Mark

  4. PS Van de Gemeente Geldermalsen kreeg ik inmiddels een uitgebreid dossier over Jan van Anrooy, waaruit blijkt dat zijn oorlogsverleden nog kwalijker is dan ik al dacht. Nader bericht volgt.

  5. Cor van Heuckelum

    In het vroegere blad ‘De Gecombineerde’ las ik ooit een serie artikelen van de hand van Jan van Anrooy over zijn ervaringen in Zuid-Afrika. Wat je daar van denken moet? Ik weet het niet.
    Je moet het in de tijd plaatsen, wordt gezegd.
    Het zal.

  6. Adrie Bosschaart

    Via een erfenis heb ik een schilderij van Jan van Anrooy in mijn bezit. Het is puntgaaf maar past niet in ons interieur. Ik wil dat het bij een geinteresserd
    persoon terecht komt. Neem contact net mij op.

Geef een reactie