Nazi-kunst in Geldermalsens Gemeentehuis? De zaak Jan van Anrooy

Door Reinjan Mulder

Piet Mulder, Gezicht op Geldermalsen, 1988. Privécollectie.

Geweigerd door de Gemeente: Piet Mulder, Gezicht op Geldermalsen, olieverf op doek, 1988

UPDATE  zomer 2015 – Dit wordt een moeilijk verhaal. Sommige mensen zijn gevormd door hun katholieke jeugd, andere zijn zo gereformeerd opgevoed dat ze dat nooit meer kwijt raken, maar ik ben opgegroeid met verhalen over ‘het verzet’. Mijn vader stamt uit een familie van overtuigde sociaal-democraten die niet voorop liep met heldendaden, maar de vader van mijn moeder, Carl Hulscher, was in de oorlog waarschijnlijk actief in de illegale CPN. Mijn moeder heeft dat om de een of andere reden altijd ontkend, maar mijn opa had het tot aan zijn dood over ‘de illegaliteit’. Hij kende ook te veel mensen uit het communistische verzet om daar een buitenstaander te zijn geweest. Daan Goulooze, de centrale figuur binnen het Nederlandse Comintern-netwerk, was met hem bevriend, vlak voor hij stierf heb ik ‘Daan’ nog ontmoet. De gefusilleerde communistenleider Jan Postma had mijn opa goed gekend. En van mijn vader hoorde ik eens hoe hij in 1944 bij zijn schoonvader thuis werd voorgesteld aan A.J. Koejemans, die in het geheim bezig was het bovengronds gaan van het communistische dagblad De Waarheid voor te bereiden.
Daar kwam dan nog bij dat mijn oma, Suus Hulscher-Canté, tot aan haar pensioen bij de Stichting ’40-’45 werkte, waar ze met grote inzet wezen en weduwen van gefusilleerde verzetsstrijders bijstond. Een avondje televisie kijken bij mijn grootouders stond dan ook garant voor veel boosheid en opwinding over de ‘schoften’ van toen die ‘weer eens’ over het scherm paradeerden ‘alsof er niets was gebeurd’.
Pas bij mijn opa’s crematie werden mijn vermoedens bevestigd. De dochter van de gefusilleerde verzetsman Krijn Breur kwam toen naar voren om mijn opa wegens zijn lidmaatschap van de illegale CPN met enige stemverheffing als een ‘moedig’ mens te prijzen.
Er viel een diepe stilte.
Door deze voorgeschiedenis ben ik van de weeromstuit een beetje allergisch geworden voor een term als ‘moed’, en nog meer voor het nogal gemakzuchtige begrippenpaar ‘goed’ en ‘fout’.
Maar soms ontkom je daar niet aan.
Op 28 augustus 2013 was ik met mijn zusje Els op bezoek in het Gemeentehuis in mijn geboorteplaats Geldermalsen. Mijn moeder was overleden en wij stondenvoor de taak de omvangrijke kunstcollectie die zij beheerde onder dak te brengen. Mij leek het wel mooi om een paar schilderijen die mijn vader van Geldermalsen had gemaakt aan de gemeente te schenken waar hij meer dan vijftig jaar had gewoond. Niet zo lang daarvoor had hij postuum nog een tentoonstelling gekregen in de hal van het Gemeentehuis en we vonden het wel passend om iets daarvoor terug te doen. Ook het Gelders Landschap, het Letterkundig Museum, het Regionaal Archief Rivierenland en het Streekmuseum in Tiel kregen wat werk. In het Gemeentehuis spraken we daarover met de PvdA-wethouder van Cultuur Wim Hompe, en hij vond ons aanbod, zei hij, een sympathiek en mooi gebaar.
Bij het weggaan vroeg ik hem of het schilderij dat bij hem aan de muur hing en waarnaar ik al een tijd had zitten kijken, soms van Jan van Anrooy was. De pasteuze, Soutine-achtige penseelstreek kwam me bekend voor.
Hij had geen idee, zei de wethouder van Cultuur – we zijn hier in de Betuwe. Maar toen hij het doek van de muur haalde, bleek ik gelijk te hebben: het boerentafereel was gemaakt door Jan van Anrooy.
Ik schrok. De Betuwse schilder Jan van Anrooy (1901-1988) was, zolang ik me heugen kan, iemand die bij ons thuis, ook door anders zo verdraagzame mijn vader, werd aangeduid als ‘goed fout’. In mijn jeugd waren er drie landschapschilders in de Neder-Betuwe: mijn vader Piet Mulder (1919-2001), de iets oudere, uit een kunstenaarsfamilie stammende Reijer Murman (‘Oom Reijer’, 1908-1981) en deze Jan van Anrooy. Van de drie was hij de enige die ik nooit heb ontmoet. Na de oorlog was Van Anrooy naar Zuid-Afrika uitgeweken, wist ik, en toen hij jaren later terug kwam, woonde ik al lang en breed in Amsterdam.
Van de drie Betuwse schilders, die wel eens half ironisch ‘de grote drie’ werden genoemd, had alleen mijn vader zich tijdens de oorlog – naar huidige maatstaven – enigszins behoorlijk gedragen, voor zover ik weet. In het najaar van 1944 gaf hij gehoor aan de stakingsoproep voor spoorpersoneel van de regering in Londen en dook hij maanden lang onder. Reijer Murman, hoorden we thuis, was ook de kwaadste niet, maar kwam wel uit een NSB-familie, waartegen hij zich nooit had verzet. En Jan van Anrooy, ja, die was door en door ‘fout’ geweest. Van Anrooy was geen gewone meeloper geweest, zoals zoveel anderen tijdens de Bezetting, en ook geen collaborateur, OW’er of simpele NSB’er, wist ik, nee: Jan van Anrooy liep waar het om deutschfreundlichkeit ging voorop. Hij was de man die de nieuwe, nationaal-socialistische cultuurpolitiek van de nazi’s in Nederland hielp vorm te geven. Goed fout dus.

Wansmaak en gezonde kunst, tentoonstelling in het Kunsthuis in 1943

Wansmaak en gezonde kunst, tentoonstelling in het Kunsthuis in 1943

Dat klopte ook allemaal, bleek later, want toen in 1978 Hans Mulder’s (geen familie) proefschrift Kunst in crisis en bezetting uitkwam, werd Jan van Anrooy daarin niet alleen beschreven als de vertegenwoordiger van de NSB in de gelijkgeschakelde kunstwereld, maar ook als leider van het door Seyss Inquart bedachte Nederlandse Kunsthuis aan het Amsterdamse Rokin en als een van de topfunctionarissen van het in 1942 opgezette beeldende ‘kunst-gilde’ van de Kultuurkamer.
Die laatste twee instellingen waren aanmerkelijk verwerpelijker dan de soms nogal naïeve NSB. Hun doel was niet alleen om een ‘nationale’ Nederlandse cultuur te bevorderen, maar ook om de volgens de nazi’s goede en slechte (‘ongezonde’, ‘ontaarde’,’kitsch’) kunst van elkaar te scheiden, en die ‘goede kunst’ dan ruim te subsidiëren.
In mijn boekenkast staat nog de stukgelezen handelseditie van Hans Mulder’s proefschrift, waarin mijn vader een uitnodiging heeft opgeborgen voor een postume verkooptentoonstelling van Jan van Anrooy. Met zwarte vulpen heeft mijn vader daarop in 1998, tien jaar na Van Anrooy’s dood, de belastende data geschreven die in het boek te vinden zijn:

NSB’er Jan van Anrooy – 162
Van Anrooy hield lezing voor kunstgildes – 165
Ned. Kunsthuis – J. van Anrooy was waarnemend leider van

De uitnodiging voor de tentoonstelling was aan mijn vader verzonden namens de weduwe van de schilder, Lily van Anrooy-van Eck, en de opening zou worden verricht door, schrik niet, de Geldermalsense burgemeester: Mr. S.W. van Schayck.

Waarom werkte een Geldermalsense burgervader hieraan mee? Zou hij van niets hebben geweten?
De ‘gezonde’ kunst waar Van Anrooy en zijn Nederlandse Kunsthuis in de bezettingstijd voor stonden, was zeker niet mis. Die moest gemaakt zijn door ‘ariërs’, dat wil zeggen niet door joden, aziaten, halfbloeden of andere donker gekleurde mensen. En die gezonde kunst mocht ook niet te modernistisch of te abstract zijn. De kunst van de Kultuurkamer was kunst die terugging op nationale, traditionele motieven zoals het Nederlandse boerenland, of die fraaie, klassieke lichamen toonde.
En met dat boerenland wist kameraad Jan van Anrooy wel raad. In de krant van het zwaar nazistische Nationaal Front legde hij uit dat de kunst die voortaan, onder de nieuwe verhoudingen, gemaakt moest worden niet ‘ontaard’ (entartet) mocht zijn, maar de ‘aard’ van het Nederlandse volk tot uitdrukking moest brengen.
Het ging Jan van Anrooy’s Kultuurkamer en zijn Kunsthuis ook niet alleen om een nationalistische instelling bij de makers, maar ook om hun ‘verbondenheid met land en volk’, om hun Germaans historisch besef, om het ‘uitbannen van ontaarde, ongezonde, onnatuurlijke creativiteit’ en om ‘een positief-Germaanse houding.’
Boeren op het land zoals Van Anrooy die schilderde of een lieflijk Hollands molentje pasten perfect in deze politieke lijn, maar een dikke, grijnzende satyr, zoals een modernist als Picasso die maakte (zie de poster voor ‘Wansmaak en gezonde kunst’ in Het Kunsthuis): dat kon niet meer.

Het leven en werken van Jan van Anrooy vormen een interessant hoofdstuk uit de geschiedenis van de politiek geïnspireerde kunst tijdens de Bezetting en je zou willen dat je met Van Anrooy’s criteria in de hand zou kunnen vaststellen wat nou precies ‘nazi-kunst’ is geweest en wat niet.
Maar zo eenvoudig is het niet, helaas. Want in de bezettingstijd waren er ook overtuigde niet-nazi’s die aan de criteria voldeden, terwijl het Departement voor Volksvoorlichting en Kultuur (DVK) waaraan Van Anrooy verbonden was, ook wel kunstenaars ondersteunde die niet voor 100% aan zijn criteria voldeden – en die ook geen overtuigde nazi’s waren.
Soms konden kunstenaars al bij de Kultuurkamer ingeschreven worden als ze enige naam hadden. De nazi’s waren behalve op ‘gezonde kunst’ ook – opportunistisch als ze waren – uit op aanzien, op erkenning, op ‘een draagvlak in het veld’ zoals dat nu zou worden genoemd. Daarvoor was het van belang dat zich – zolang het geen joden of aziaten waren – ook bekende kunstenaars bij de Kultuurkamer inschreven,en niet alleen maar gefrustreerde kneuzen die uit rancune over hun miskenning van de NSB lid geworden waren.
Zoveel overtuigde nazi-adepten waren er onder de interessantere kunstenaars niet.
Het gevolg van deze over elkaar schuivende definities is dat je niet altijd aan de kunst zelf kunt zien of het ‘nazi-kunst’ is. Een de nazi’s welgevallige voorstelling alleen maakte iets nog niet tot nazi-kunst. Zoals het ook geen noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was: om nazi-kunst te maken hoefde je geen NSB’er of SS’er te zijn, of zelfs maar een sympathisant van deze clubs.
Een actuele vraag is dan ook of iets al nazi-kunst kan zijn als we de mentaliteit van maker niet kennen. Kun je altijd aan de kunst zelf zien of de maker ‘fout’ is geweest?
En: is die kunst daarmee ook meteen fout?
Niet altijd, zou ik zeggen.
En wat, als een overtuigde NSB’er en een lid van de Kultuurkamer na de oorlog in zijn oude stijl door blijft schilderen, zoals Jan van Anrooy dat deed, zonder zich nog expliciet over zijn gedachtengoed te uiten?
Omdat Van Anrooy na de oorlog naar Zuid Afrika vertrok, waar hij veel exposeerde en werk verkocht, weten we – vooralsnog – niet wat hij daar precies deed en dacht.
Hans Mulder kwam aan dit soort vragen in zijn proefschrift helaas niet toe, en dat is hem terecht wel verweten, maar daarmee is de vraag wat nu precies nazikunst is, eigenlijk nooit goed beantwoord.
Maar juist daardoor duikt hij steeds weer op, die vraag. Dat bleek wel toen we uit het Gemeentehuis in Geldermalsen terugkwamen.

Ongezonde kunst? Else Berg, Gezicht op het Sarphati Park, 1942. Tijdens de Duitse bezetting mocht de joodse Berg niet meer exposeren. Zij stierf kort na het voltooien van dit schilderij in een concentratiekamp.

Ongezonde kunst? Else Berg, Gezicht op het Sarphati Park, 1942. Tijdens de Duitse bezetting mocht de joodse Berg (1877-1942) in Nederland al snel niet meer exposeren. Zij werd kort na het voltooien van dit schilderij in Auschwitz vermoord.

Wat boven alle twijfel verheven is, is dat Jan van Anrooy in de oorlog een overtuigde aanhanger van het nationaal-socialistisch gedachtegoed was. In 1942 werd je niet zomaar leider van het Nederlandsche Kunsthuis.
Ook om andere redenen hoeven we ons over het gedachtegoed van Jan van Anrooy in de oorlog geen illusies te maken. Van Anrooy vertegenwoordigde (vgl. Hans Mulder) al in 1940 de NSB in de kunstwereld, hij had gestudeerd aan de Kunstacademie in Wenen waardoor hij vloeiend de taal van de Oostenrijkse Rijkscommissaris voor Nederland Seyss-Inquart sprak – misschien kenden ze elkaar nog wel uit die tijd. En al in de zomer van 1940, weten we nu, publiceerde hij bij Musserts beruchte Nederlandse Nationaal-Socialistische Uitgeverij (Nenasu), waar later ook ter dood veroordeelde hetzers als Max Blokzijl publiceerden, een pamflet waarin hij betoogde dat het Nederlandse leger dat de Duitsers in de meidagen had proberen tegen te houden, in werkelijkheid vol communisten en statelozen zat.
Van Anrooy maakte, kortom, al in 1940 met terugwerkende kracht de Nederlandse divisies bij de Grebbeberg waarin hij had meegevochten verdacht.
Toen hij door dit landverradelijk gedrag eenmaal snel carrière had gemaakt binnen de nazi-organisatie, bleef hij het nazi-gedachtegoed nog lang actief uitdragen, bijvoorbeeld in de NSB-krant Volk en Vaderland. En ook daarna bleef Van Anrooy, voor zover nu bekend, altijd loyaal de ideeën van zijn – na de oorlog tot 12 jaar vrijheidsstraf veroordeelde – DVK-chef dr. Tobie Goedewaaagen steunen.

Maar pas toen er vijftig jaar na de oorlog een tentoonstelling in het Betuwse Culemborg werd georganiseerd van de ‘grote drie’ landschapschilders uit de Betuwe, Mulder, Murman en Van Anrooy, werd er bij mijn weten weer wat uitvoeriger geschreven over de kwalijke rol die Van Anrooy in de bezettingstijd had gespeeld. In de catalogustekst, van de hand van de Vianense museumconservator drs. Susanne Weide, werd toen duidelijk en expliciet ook zijn positie als ‘foute’ kunstenaar gedurende de oorlog uit de doeken gedaan.
Susanne Weide, die zich zo te zien al wat langer in Van Anrooys verleden had verdiept en die ook de nodige correspondentie van hem had ingezien, beschreef in haar tekst hoe Jan van Anrooy – wat nieuw was voor mij – voor zijn betrokkenheid bij de nationaal-socialistische kunstpolitiek na de oorlog tot 3 jaar interneringskamp was veroordeeld, en ook hoe hij na zijn voortijdige vrijlating en ondertoezichtstelling naar Zuid Afrika was geëmigreerd.
In Nederland wisten kennelijk te veel mensen van zijn kwalijke rol, waardoor hij hier persona non grata moet zijn geweest.
In 1953, lezen we bij Weide, had Jan van Anrooy nog even geprobeerd om schilderijen van de Zeeuwse watersnoodramp aan het Rijk te slijten, samen met de uit een NSB familie stammende Reijer Murman, maar die poging was totaal niet aangeslagen. In de kunstwereld en bij het de overheid werd Jan van Anrooy kennelijk nog altijd geboycot.
Misschien had hij in die jaren vijftig ook nog altijd een expositieverbod in Nederland. In ieder geval mocht hij toen krachtens een rechterlijke uitspraak geen ambten of officiële functies meer bekleden en was hij ‘rechtens’, zoals dat heet, uit het kiesrecht ontzet.

In die trant werd er in 2005 dan ook in de regionale pers over Jan van Anrooy geschreven. En sindsdien wist iedereen – of kon iedereen in de Betuwe weten – dat Jan van Anrooy na de oorlog een gevallen man was geweest, voor wie in Nederland geen plaats meer was.
En ook in Zuid Afrika, zo ontdekte Susanne Weide, was Jan van Anrooy nog maar moeilijk van zijn besmette verleden los gekomen.  Zo was hij daar al snel bevriend geraakt met de Nederlandse schrijver Jan Greshoff. Greshoff kon zijn werk aanvankelijk ook wel waarderen. Maar toen Greshoff eenmaal uit Nederland over Van Anrooy’s oorlogsverleden had gehoord, was het voor hem snel gedaan met de vriendschap. Hoewel hij eerst nog had beloofd een voorwoord voor een catalogus van Van Anrooy’s eerste tentoonstelling in Zuid Afrika te schijven, trok hij die toezegging ijlings in. Zijn kunst kon hij misschien mooi vinden, schreef Jan Greshoff aan Van Anrooy, een brief die Weide in haar catalogustekst citeert, maar zijn ‘karakter’ niet.
Jan Greshoff wilde niets meer met Jan van Anrooy te maken hebben.

Wat te doen, daar, in augustus 2013, in het Gemeentehuis van Geldermalsen, voor dat schilderij van een man die zelfs in het Zuid Afrika van de jaren vijftig niet meer door de beugel kon? Hier hing in het hart van de locale democratie kunst van iemand die wegens zijn ondemocratische houding onherroepelijk uit het kiesrecht was ontzet, en die ook geen openbare ambten of functies meer mocht bekleden.
Het voelde alsof ik op een stadhuis een portret van Mussert aan de muur zag hangen, zonder dat het College van B&W enig idee had wie deze Mussert was en waar hij voor stond. Zo veel verschil in opvatting was er niet tussen Mussert en Van Anrooy.
Ik wilde om wat ik hierboven schreef het woord ‘fout’ graag vermijden, maar vertelde de wethouder toch maar voorzichtig dat deze Jan van Anrooy, de man van het schilderij in zijn kamer, een niet zo zuivere rol in de oorlog had gespeeld. En ik noemde als ik het me goed herinner summier zijn betrokkenheid bij de Nederlandse Kultuurkamer.
Dat alles bleek nieuw voor de wethouder. Daarom gaf ik hem – op zijn verzoek – het Culemborgse boekje uit 2005 te leen, Drieluik aan de Linge, met daarin de profielen van ‘de grote drie’. Dan kon hij het zelf nog eens nalezen.
Daarna leidde de wethouder ons gastvrij rond door het Gemeentehuis, en moesten wij constateren dat daar… zelfs een hele verzameling Van Anrooys aan de muren hing. Tot in de kamer van de PvdA-burgemeester dr. M. de Vries toe. Veertien schilderijen in totaal, bleek later.
De ‘foute’ Jan van Anrooy was niets minder dan de hof-schilder van mijn geboortedorp geworden! Ik wist niet wat ik zag.
Toen vier weken later, op 24 september 2014, het voltallige College van B&W van Geldermalsen in onze ouderlijke woning op atelier-bezoek kwam, hebben we daarover nog even openhartig doorgepraat. Wethouder Wim Hompe – die mij mijn Culemborgse boekje tot de dag van vandaag nooit heeft teruggegeven – vertelde toen dat Van Anrooy de werken uit het Gemeentehuis moet hebben afgestaan in ruil voor wat geld van de Gemeente Deil, waar hij een tijdlang woonde. Hij was daar naar het schijnt bevriend geweest met de Deilse burgemeester Hans Kolff, die dit kennelijk onderhands voor zijn in ongenade gevallen vriend in orde had gemaakt.

En daar bleef het bij – tot vandaag.
Vandaag schreef ik een zogeheten ‘lezers-nieuws’ voor het Geldermalsens Nieuwsblad over onze schenking aan de Gemeente, waarin ik in twee zinnen even onze verbazing memoreerde toen wij aan de muren van het Gemeentehuis overal Van Anrooys zagen hangen, tot in de kamer van de Burgemeester. En ik gaf in enkele woorden aan waarom dat nogal schokkend was voor ons. In haar openingstoespraak bij de tentoonstelling had de burgemeester nog eens hoog opgegeven van het schilderij van Van Anrooy in haar kamer, en daarbij onze twijfels bij die naam gememoreerd, en het leek me niet meer dan eerlijk om te melden over wie het hier nu eigenlijk ging, en waarom wij bij die naam Van Anrooy onze twijfels hadden gehad.
Wat voor vlees had de Gemeente Geldermalsen met zijn hofschilder Jan van Anrooy in de kuip?
Vrijwel meteen daarop kwam bij het Nieuwsblad een reactie binnen van ene ‘Karel‘ – waarom discussiëren rechtse mensen altijd anoniem? – die vond dat ik mijn terloops gedane beschuldiging aan het adres van Jan van Anrooy eerst maar eens met ‘hard bewijsmateriaal’ onderbouwen moest. Van Anrooy, aldus ‘Karel’, zou in de oorlog juist pal hebben gestaan voor Nederland en alleen maar bij een ‘ministerie’ hebben gewerkt:

Een mooi gebaar van de familie Mulder. Dat nu na zoveel jaren alsnog behoorlijk zwaar en onnodig de aanval op de overleden Jan van Anrooij wordt ingezet is jammer. Op het toch veel omvattende internet is over diens verleden nauwelijks iets te vinden. Hij heeft in de oorlog tegen de Duitsers gevochten, is krijgsgevangene geweest en hij heeft ook op dat ministerie gewerkt. Dat wil nog niet zeggen dat hij aan de foute kant zat. Daarvoor kan ik nergens enig bewijs vinden. Ik daag de heer Mulder uit dat nog met hard bewijsmateriaal te onderbouwen.’

Nu weet u meteen waarom ik hier dit stuk schrijf.
Vooruit dan maar, ‘Karel’, ik neem de uitdaging aan. Bij dezen wat hard bewijsmateriaal:

– Jan van Anrooy is niet alleen volgens mij maar volgens alle literatuur die er tot nu toe over hem verschenen is een ‘foute’ kunstenaar geweest.
– En dat ‘ministerie’ waarover u schrijft, was geen ministerie maar een geslepen organisatie voor racistische, anti-semitische propaganda van de nazi’s, onder toezicht van de Oostenrijkse Rijkscommisaris dr. Arthur Seyss Inquart. U kunt dat – onder andere – uitvoerig nalezen in het uitstekende proefschrift over Tobie Goedewaagen, van dr. Bendien van Berkel.
– De Jan van Anrooy die op dat departement werkte, heeft, voorzover bekend, later ook nooit afstand van zijn nazistische verleden genomen. Tegenover de Vianense gemeentesecretaris Ary Baggerman bij wie hij een tijdje in huis woonde, liet hij na de oorlog weliswaar weten dat hij zich op het DVK en in het Kunsthuis voornamelijk tegen de ‘kitsch’ had gekeerd – maar u en ik weten maar al te goed wat er in de nazi-tijd onder ‘kitsch’ werd verstaan. Zoals Hans Mulder in zijn proefschrift al aangaf: als er in de oorlog echt tegen kitsch gestreden moest worden, hadden ze beter bij de nazi’s kunnen beginnen. Kitsch was in de ogen van de nazi’s niet wat wij nu kitsch noemen, kitsch was alles wat joden, negers en modernisten aan kunst maakten.

NASCHRIFT – april 2014
Wat waren ze kwaad, in het Gemeenthuis… Hun eigen hofschilder door mij door het slijk gehaald! Vooral toen ook de Volkskrant en later De Gelderlander en De Telegraaf over de zaak ging berichten.
Had ik dan niet over dat verleden van Jan van Anrooy moeten schrijven? Had ik stil moeten houden wat ik wist?

NSB-pamflet van J.A.M. van Anrooy, Uitg. Nenasu, 1940. Collectie NIOD.

Pamflet dat Jan van Anrooy in augustus 1940 publiceerde in de pamflettenreeks van Anton Mussert. Overdruk uit een eerder verschenen NSB-tijdschrift.

Ik was nogal verontrust over zoveel naïviteit.
Als een schilder met een bedenkelijke ideologie in het museum hangt, en dat gebeurt nogal eens, is daar niet zoveel mis mee, zolang het maar een goede of interessante schilder is, en… je zijn verleden niet krampachtig verzwijgt. Kunstenaars zijn naar hun aard nu eenmaal vatbaar voor grote idealen.
Maar als het werk van zo’n schilder op de kamer van de burgemeester komt te hangen, ligt dat net een beetje anders. Dan moet er op zijn minst worden nagegaan of er geen personen of bevolkingsgroepen zijn, die daaraan aanstoot nemen. De burgemeester is van iedereen.

Door familieomstandigheden ben ik de laatste tijd vrij veel op het gemeentehuis van mijn geboorteplaats Geldermalsen geweest, en ik vind het, als burger die van de gemeentelijke diensten daar gebruik maakt en als geboren Betuwnaar, een onprettig idee dat iemand die jaren lang van harte meewerkte aan een misdadig systeem dat zoveel voortreffelijke mensen vernietigde, daar nu, hoe knap hij misschien ook schilderde, een symbolische rol krijgt toebedeeld: als hofschilder van het gemeentebestuur.
De Tweede Wereldoorlog is bepalend geweest voor onze moderne visie op de democratie, en wat er toen gebeurd is kun je niet zomaar negeren. Zeker niet in het hart van de locale democratie.
Ik zou zo’n doek als dat van Jan van Anrooy, als ik burgemeester was, niet zo prominent op mijn kamer hangen.
Je laat een kundige maar nazistische beeldhouwer als Arno Breker toch ook niet het Nationaal Monument op de Dam ontwerpen? LEES MEER

Klik hier voor een artikel over het onderzoeksrapport over Jan van Anrooy dat naar aanleiding van dit stuk voor de Gemeente Geldermalsen is opgesteld en waarin de conclusies in grote lijnen worden bevestigd – en aangescherpt.

15 Reacties

  1. Marie-Claire Mazelin

    Geachte heer Mulder
    Als zoon van een schilder uit Geldermalsen, heeft u een vreemde manier gekozen om de schilderijen van uw vader in het gemeentehuis te laten ophangen: namelijk een ‘concurrent’ elimineren. Als schrijver denkt u uw verhaal op een overtuigende manier openbaar te maken, met belasterende woorden als ‘nazi’ en ‘NSB’. Als journalist meent u informatie te hebben verzameld, op het ‘verouderde’ internet en in een boek van jaloerse mensen. Heeft u niet geleerd, tijdens uw studie, om alle kanten van een verhaal te verzamelen voordat u ‘hot news’ in het openbaar brengt?
    Waar is uw objectiviteit gebleven? Wat is het doel van uw acties?
    Mijn man (stiefzoon van Jan van Anrooij) en andere familie van Van Anrooij hebben een heel ander verhaal over hem. Hij stond bekend als een vreedzame man, hij was zeker niet militaristisch. Hij is in 1960 naar Zuid-Afrika vetrokken (en niet 1951) om te gaan trouwen met zijn tweede vrouw, de moeder van mijn man. Verder zijn zij naar NL terug gekomen in 1973 en in Nederland gestorven. Dankzij Jan heeft mijn man Zuid-Afrika kunnen verlaten om niet in het leger van het beruchte regime van toen in dienst te gaan.
    Er is nog meer info waarvoor u niet de moeite heeft genomen om te zoeken. Hoe weet u zo zeker dat de info die u durft te publiceren juist is? Dankzij het ‘verouderde’ internet gaat nu een verhaal rond dat veel schade kan brengen.
    Meneer Mulder, heeft u geen ander manier gevonden om de schilderijen van uw vader in het gemeentehuis te laten hangen dan iemand zwart maken?

  2. @ Marie-Claire Mazelin – Dank voor uw reactie. Er kan in deze zaak niet genoeg informatie worden aangedragen.
    Een paar opmerkingen:
    – Jammer dat u aan mijn motieven twijfelt. Ik heb mijn stuk niet geschreven om mijn vader in het Gemeentehuis te laten zien. Dat was al veel eerder besloten. Ik schreef het omdat ik vind dat Geldermalsenaren het recht hebben te weten wat er in hun Gemeentehuis hangt, en van wie, en ik publiceerde er pas bewust over nadat de tentoonstelling van mijn vader geopend was en nadat zijn schilderijen aan de gemeente overhandigd waren. Ik wilde deze zaken gescheiden houden. Verder kunt u op mijn site zien dat ik al heel lang over het kunstleven in en na de Tweede Wereldoorloog schrijf. Recent bijvoorbeeld nog over de in 1942 in Polen vermoorde joodse schrijver-schilder Bruno Schulz, over de in Polen verdwenen joodse musicus Mischa Hillesum (de broer van Etty Hillesum), en over de uit Dachau teruggekeerde Sloveen Zoran Music. Allemaal makers van ‘niet-arische’, ‘ongezonde’ kunst in de ogen van Jan van Anrooy’s Kultuurkamer, maar volgens mij zeer begaafde en interessante figuren.
    – Jammer ook dat u meteen mijn competenties in twijfel meent te moeten trekken. Ik schreef mijn stuk niet (primair) als zoon van een schilder, wat ik natuurlijk óók ben, of als journalist, wat ik tot 15 jaar geleden was, maar als schrijver en blogger, met een achtergrond als strafrechtjurist en met 7 jaar juridische beleidservaring, en als (op een bijzondere vorm van denazificatie gepromoveerde) politiek criminoloog. Ik loop daar liever niet mee te koop, maar nu u zo openlijk aan mijn oordeelsvermogen twijfelt, wil ik deze achtergrond graag noemen. Het grootste verschil tussen een journalist en een schrijver is dat de eerste steeds zoveel mogelijk kanten van een zaak laat zien, en een schrijver in de eerste plaats zijn eigen, al dan niet persoonlijk gekleurde kant.
    – Jan van Anrooy was bij mijn weten nooit een concurrent van mijn vader. Ze hebben, dacht ik, ook nooit samen geëxposeerd en ze hebben elkaar waarschijnlijk ook nooit ontmoet, hoe dan ook. In de jaren zestig, toen ik volwassen werd, zat hij ver weg in Zuid Afrika en was hij in de Betuwe vrijwel onzichtbaar. Ook daarna kwam ik zijn werk nooit tegen – tot het in 2005, lang na zijn dood (1988) en de dood van mijn vader (2001), opeens op een tentoonstelling in Culemborg opdook.
    – Van Anrooy exposeerde in 1951 in Zuid Afrika en keerde toen terug naar Nederland met het plan daar, in dit racistische land, een nieuw leven op te gaan bouwen, volgens de auteur van zijn biografische schets Susanne Weide. Dat heeft hij daarna ook gedaan, volgens Weide in 1955 en volgens u in 1960, het jaar van Sharpeville, toen de politie het vuur opende op duizenden zwarte demonstranten. Zijn besluit om te emigreren dateert dus al van kort na zijn vrijlating, maar zijn vertrek was jaren later, maar wel net toen Zuid Afrika in zijn zwartste periode belandde.
    – Ik noem internet niet ‘verouderd’ maar traag. Daarom was daarop vorige week nog vrijwel niets te vinden over Jan van Anrooy, maar waren er wel verschillende gedrukte bronnen over hem.
    – Anders dan de mysterieuze ‘Karel’ op de site van het Nieuwsblad Geldermalsen, baseerde ik mij niet op internet maar juist op die gedrukte bronnen, van twee wetenschappelijk geschoolde auteurs: drs. Susanne Weide en dr. Hans Mulder. Dat iemand als Susanne Weide, kunsthistorica en conservator van het Vianens museum en schrijfster van het Culemborgse boekje, daarbij jaloers zou zijn geweest, wil er bij mij niet in. Ik ken haar niet, maar ze heeft haar werk zo te zien goed en onbevooroordeeld gedaan, en ze heeft ook de visie van Van Anrooy (in een brief aan Ary Baggerman) royaal en ruimhartig in haar verhaal meegenomen.
    – Ik ben blij met het verzoek van de Gemeente aan het NIOD. Zij zullen zeker de verschillende kanten van het verhaal aan bod laten komen, dus binnenkort weten we hopelijk meer.

  3. Naschrift – 29 januari 2014. Inmiddels heeft de Gemeente Geldermalsen besloten de kunst van Jan van Anrooy in het Gemeentehuis te laten hangen, na een rapportage door het NIOD en overleg met de fractievoorzitters in de Gemeenteraad. Ik ben blij dat de Gemeente deze zaak meteen heeft laten onderzoeken en accepteer dat de raad kennelijk geen reden ziet de werken weg te halen. Ik ben geen Geldermalsenaar, en ben ook niet in de Gemeenteraad vertegenwoordigd, dus hoe ik dit opgelost zou hebben, doet er niet zoveel toe. Ik denk dat de uitslag in mijn woonplaats Amsterdam wat anders geweest zou zijn, temeer daar in een recente lezersenquete van dagblad De Gelderlander al 45% vóór verwijdering van de werken uit het Gemeentehuis is, maar Geldermalsen is nu eenmaal Amsterdam niet. De tijd dat we daar op 5 mei met onze school langs het bordes van het gemeentehuis werden geleid, om gezamenlijk onze afkeer van de bezetter en zijn handlangers ingeprent te krijgen, ligt ver terug.
    Ondertussen steun ik eens temeer de verzuchting die Susanne Weide deed in haar boekje Drieluik aan de Linge, dat Jan van Anrooy eigenlijk een serieuze monografie verdient. Zijn werk is er naar mijn mening goed genoeg voor, zijn leven interessant genoeg, en na de prachtige, informatieve studie van Bendien van Berkel over de racistische DVK-leider Tobie Goedewaagen, zou niets nu een biografie van de Betuwse Goedewaagen in de weg mogen staan. Want uit de reactie van het NIOD blijkt ook dat we nog altijd bijna niets van hem weten.
    Zie voor het standpunt van de gemeente: http://www.geldermalsen.nl/Nieuws/Actueel/berichten_januari_2014/Schilderijen_Jan_van_Anrooy_blijven_hangen

  4. Beste jongeheer Mulder,
    Er van uitgaande dat uw vader een verdienstelijk schilder was, moet mij toch van het hart dat uw streven om een gerelateerde schilder door het Betuwse slijk te moeten halen… Jammer, jammer, jammer.
    Werkende als ‘kunst’schilder in een ver vreemd land, heeft een NL ambassadeur in mijn jubileumboek geschreven dat ‘kunst verbroedert en grenzen doet vervagen’. Waar het hier om gaat, is dat we de kunstenaar niet mogen aanrekenen wat zijn achtergronden zijn. Wat telt, is zijn kunst. We rekenen het Van Gogh ook niet aan dat hij een alcoholist was, en Dali dat hij een Homofiel was.
    Wat belangrijk is en was, is de kunst, iets waar u in z’n geheel overheen walst, met een overdreven gevoel van ‘vaderlands’liefde.

  5. Natuurlijk heeft de heer Mulder gelijk, als hij suggereert dat de werken van een NSB-er als de schilder Jan van Anrooy niet thuis horen in de openbare ruimte, en al zeker niet aan de muur in een gebouw van onze overheid.
    Ik heb de oorlog meegemaakt en gezien dat de foute collaborateurs als de NSB-er Anrooy profiteerden van de omstandigheden in dit land, waar tegelijkertijd meer dan honderdduizend inwoners door het misdadig regime ter dood werden gebracht en evenveel in gevangenissen en concentratiekampen werden opgesloten!
    Anrooy was fout en ware ik in de gelegenheid, dan zou ik met grote likken zwarte verf de letters NSB op al zijn schilderijen kalken.
    Op de brandstapel ermee, en verder met alles wat aan deze foute Nederlander herinnert!

  6. Meneer Jacobs toch! We zijn de Kultuurkamer niet… De tijd dat kunstwerken op de brandstapel werden gelegd, ligt gelukkig achter ons.

  7. marianne zondag

    Ik geef de heer Jacobs volkomen gelijk.Straf uitzitten en schilderijen ophangen in het gemeentehuis? Een schilderij van een NSB-er kan nooit meer schoonheid oproepen bij al het leed wat de bevolking toen heeft geleden.

  8. Zelfs na bijna 70 jaar zijn er mensen die ondanks al hun Christelijke opvattingen bijna of niet vergevingsgezind zijn en ondanks alles hun haatgevoelens laten zegevieren. Ik vraag me af hoeveel van deze haatdragers zelf WO II hebben meegemaakt. Als zoon van een tot een knokploeg behorende en gelouwerde ondergrondse medewerker in Rotterdam Zuid onderhoud ik nog steeds vriendschappelijke kontakten met een Duitsche officier die zowel in als na de oorlog de beste vriend was die m’n sinds kort overleden vader en moeder ooit hebben gehad, ondanks de verliezen die zowel aan vaders als aan moeders kant zijn opgetekend. Dus na bijna 70 jaar, waar praten we nog over?

  9. @ We zijn de Kultuurkamer niet. De tijd dat kunstwerken op de brandstapel werden gelegd, ligt gelukkig achter ons.

    Haha, die meneer Mulder toch. U doet het zelfde als de Kultuurkamer, maar nu met de kunstenaar en zijn kunst. Jammer… en dat na bijna 70 jaar. Weet u dat je, wanneer je steeds maar weer in het verleden blijft steken, zoveel mooie toekomstbeelden verliest. Weet u waarom de lieve ‘God’ onze ogen heeft geplaatst waar ze zitten? Juist, ja, om vooruit te kijken. Als hij had gewild dat we in het verleden blijven leven, had hij onze ogen wel in het achterhoofd geplaatst.

  10. marianne zondag

    @ Mijnheer Zaanen
    De NSB kunst mag blijven hangen. Wat u schrijft slaat nergens op.
    Het heeft ook niets met vergeving te maken. Als iemand een schilderijtje van Van Anrooy thuis aan de muur wil laten hangen is dat wat anders. Maar een gemeentehuis is voor de bevolking, en ik wil gewoon niet dat mijn kinderen of kleinkinderen hierover moeten nadenken.
    Betuwe-kunst gemaakt door een NSB-er?
    Dat u vriendschap heeft met een Duitse officier dat moet u zelf weten. Daar heb ik niets op tegen, maar ik weet niet wat u bedoelt met christelijke opvattingen. De kerken hebben destijds veel veroordelingen bedekt met de mantel der liefde en ja, zelfs na 70 jaar is het gewoon absurd te noemen dat NSB kunst mag blijven hangen.
    Kunst is een innerlijke weergave van recht en eerlijkheid.
    Destijds en nu nog kunnen mensen hierdoor gegriefd worden.
    Ik begrijp dat het vooral erg is voor de portemonnaie, want deze kunst zal nu wel niet veel meer waard zijn.
    Fijne avond, mijnheer Zaanen.

  11. Inmiddels heeft de Gemeente de tekst over de foute schilderijen weer van haar website verwijderd, en heeft ze op 3 april 2014 een nieuwe verklaring afgegeven, waarin nog eens bevestigd wordt dat Jan van Anrooy in de oorlog NSB’er was.
    Ook wordt daarin voor het eerst aangegeven waarom Van Anrooy na de oorlog maar een klein gedeelte van zijn straf heeft uitgezeten: de dokter, de dominee en burgemeester van het dorp Deil zouden hebben gevreesd dat hij een langere gevangenisstraf niet overleven zou, en zij waren in die naoorlogse tijden kennelijk machtig genoeg om daarmee in het nationale strafrecht in te kunnen grijpen.
    Wellicht is dat ook de reden waarom de eerste tekst van de Gemeente nu van de website is verdwenen. Daarin stond nog dat Van Anrooy na de oorlog zijn straf had gehad en nu dus niet dubbel gestraft hoefde te worden, maar nu hij voortijdig is vrijgelaten, is dan een dubieus argument geworden. Jan van Anrooy heeft nooit zijn (hele) straf uitgezeten. Hem werd ook toen al door de plaatselijke elite de hand boven het hoofd gehouden.

  12. De hele affaire heeft inmiddels nog een merkwaardig staartje gekregen. Met de Gemeente Geldermalsen was vorig jaar afgesproken dat ze een aantal schilderijen van Piet Mulder in bruikleen zouden krijgen om op het Gemeentehuis op te hangen. Maar een paar maanden terug liet de Gemeentesecretaris weten, dat daarvoor nu geen plaats meer is. Er wordt een nieuwe indeling van de kamers gemaakt, en de werken van mijn vader passen daar niet meer in.
    Ondertussen heeft de gemeente wel zelf onderzoek naar het oorlogsverleden van Jan van Anrooy laten doen. Daaruit blijkt dat hij aanmerkelijk meer met de nazi’s gecollaboreerd heeft dan zijn erven het doen voorkomen. Zo zou hij in de oorlog via zijn nazi-relaties ook nog geprobeerd hebben om het huis van de in een concentratiekamp omgekomen familie van Herman te Man te bemachtigen. Op dit al behoorlijk onthullende onderzoek hoop ik nog eens wat uitvoeriger terug te komen.

  13. Adrie Bosschaart

    Van een oom uit Arnhem heb ik een schilderij van Jan van Anrooy geërfd.
    Buitenom deze hele discussie wil ik weten wie er interesse heeft in dit schilderij.
    Neem even contact op met mij dan kan ik verdere gegevens mailen.

    Met vriendelijk groeten

    Adrie Bosschaart

  14. Gerard van der Leeuw

    Kijk, ik ben maar een eenvoudige musicoloog (en laten we wel wezen, onder musici was in de oorlog bijna iedereen fout…), maar ik mis in de hele discussie toch wel de vraag naar de waarde van het kunstwerk ‘an sich'(ik gebruik deze Duitse term uiteraard expres. Scherp gesteld: kan een tekening van Hitler mooi zijn ‘als tekening’? Onder kunstenaars zijn natuurlijk net zo veel rotzakken en beroerlingen als onder welk ander soort mensen dan ook.
    Natuurlijk moeten de normen voor het hangen van kunst in openbare, het gezag diende ruimtes hoog liggen. Een burgemeester, een raad heeft een voorbeeldfunctie.
    Het zou van moed getuigen het verleden van Van Anrooy in het gemeentehuis duidelijk te maken voor een ieder die het bezoekt.

  15. @Gerard van der Leeuw: Natuurlijk zijn er zeer grote kunstenaars geweest met zeer bedenkelijke opvattingen. Hun werk is dan mooi maar hun karakter niet. Denk alleen al aan Céline. Maar inderdaad, in openbare, het gezag dienende ruimtes gelden andere normen dan alleen esthetische. Een werk van een meeloper, een collaborateur of, desnoods, een NSB’er kan daar misschien nog aanvaardbaar zijn, maar niet een werk van een uitgesproken ideoloog van een fascistische of racistische beweging, zoals Tobie Goedewaagen’s Volksdepartement of de Duits georiënteerde Kultuurkamer.

Geef een reactie