The first cut – bij de dood van Doeschka Meijsing
Door Reinjan Mulder
Het moet in 1975 zijn geweest dat ik net was toegetreden tot het illustere gezelschap literatuurmedewerkers van NRC Handelsblad en op zoek was naar een interessante, jonge schrijver om te interviewen. Ik had alleen nog maar recensies en polemieken geschreven, en wilde eindelijk wel eens weten wat die schrijvers bewoog, over wie ik zoveel schreef.
Ik denk dat Doeschka Meijsing de eerste of de tweede was, bij wie ik als interviewer ben langs gegaan. Ik had haar boek De hanen en andere verhalen gelezen, en besproken, en ik had het idee dat hier een totaal nieuw geluid te horen was. Zo schreven er in ieder geval niet veel in mijn PC-omgeving. En was ik voor dat nieuwe niet speciaal aangetrokken door Bert Poll? Stukken over oude wijze mannen had het Cultureel Supplement in die tijd al meer dan genoeg.
Het interview met Doeschka kwam uiteindelijk nogal hals-over-kop tot stand. Op vrijdagmiddag belde ik de jonge schrijfster op met de mededeling dat ik met haar wilde praten, en wel zo snel mogelijk, omdat we het stuk al de vrijdag daarop in de krant wilden plaatsen.
Dat kon niet, zei ze, omdat ze op het punt stond met een gezelschap naar een vakantiehuisje in Laag Keppel te vertrekken.
O, maar dat dat was geen bezwaar, vond ik. Dan kwam ik toch naar dat vakantiehuisje in Laag Keppel. Ik zat al genoeg binnen om boeken te lezen, en het leuke van interviewen was nu net dat je nog eens ergens kwam waar je anders nooit zou komen.
Ik had, dat durf ik nu wel toe te geven, die zaterdagmiddag in Laag Keppel nog bijna geen ervaring als interviewer, en Doeschka Meijsing nog minder als geïnterviewde, en zoals dat gaat: the first cut is the deepest. Ik raakte diep onder de indruk. Doeschka had me met een prachtige, glanzende Citroën DX in een naburig dorpje opgepikt – waar vond je in Amsterdam nog jonge vrouwen met een rijbewijs? – en een half uur later zaten we al intensief op twee rotanstoeltjes met elkaar te praten alsof ons leven er van af hing. Af en toe keken een paar vreemde vrouwen om de hoek van de deur om te zien hoe lang het nog wel niet duren zou.
Ik kwam die zaterdagvond met een dik pak aantekeningen thuis. Wat een wereldwijsheid, wat een belezenheid, en vooral: wat een zelfvertrouwen: ‘Ik ga uit van de verbeelding!’ Dit kende ik niet uit de boeken die ik in die tijd las. Na afloop van ons gesprek had ik ook nog maar even mijn rolleiflex tevoorschijn getoverd, omdat ik, zei ik, ook graag nog een paar foto’s wilde maken. Uit het perspectief en in de setting waarin ook het gesprek had plaatsgevonden. Het plaatje bij het praatje dat we hadden gehad.
Het werd een mooie serie foto’s, al zeg ik het zelf, die vormgever Kees Endenburg bijna integraal in het Cultureel Supplement afdrukte, als een strip. Doeschka Meijsing aan een laag glazen tafeltje, lachend en met in verschillende posities een klein glaasje creme de cacao in haar hand. Ze mocht graag wat drinken als ze moest praten, bekende ze me later, dan kwamen de woorden wat makkelijker uit haar mond.
Daarna gingen we naar buiten om bij beter licht nog wat foto’s in de vrije natuur te maken. Die werden zo mogelijk nog mooier en ontwapenender. In de wei met een pony. Onder de bomen. Twee daarvan zijn later in De Revisor verschenen, bij een interview door Tom van Deel.
Na het interview hebben we elkaar nog maar een paar keer gesproken. Eén keer tussen twee colleges door die ze moest geven, in café De Zwart, waar ze tot mijn verbazing snel een of twee glazen drank naar binnen sloeg, en een andere keer toen ik haar na een lange zomerse fietstocht door de Betuwe in haar nieuwe, vrijstaande huis in Langbroek opzocht, waar ze met haar vriendin Gerda Meijerink was neergestreken.
Daarna zag ik Doeschka Meijsing nog wel eens lopen op het Amstelveld, waar ze om de hoek was komen wonen. Altijd met een hond. Ze was inmiddels ander werk gaan maken, dat me om verschillende redenen minder zei, en ze had waarschijnlijk ook de verkeerde lezers gekregen. Bovendien had ze op die tijd van de dag waarschijnlijk ook nog te weinig gedronken om weer net zo makkelijk aansluiting te vinden als toen, in Laag Keppel.
‘Wat waren we nog jong, toen,’ heeft ze me nog een keer toegevoegd, toen we het weer even over de fotoserie uit 1975 hadden.
Pas met haar laatste boeken, 100% Chemie en vooral Over de liefde, wist Doeschka Meijsing me weer net zo te boeien als in het begin. Maar dat heb ik haar helaas niet meer kunnen – of willen – zeggen.
Naschrift. Nadat ik dit stukje geschreven had, heb ik nog even ‘De Hanen en andere verhalen’ uit de kast gehaald. Het interview in Laag Keppel vond op 10 mei 1975 plaats, zie ik. In een keurig verzorgd handschrift staat voorin, als opdracht: ‘In de hoop dat de interviewer net zoveel is duidelijk geworden als de schrijfster zelf – Doeschka Meijsing’ .
Wow!
Vreemd detail: op de achterflap van ‘De hanen’ worden de zeven verhalen binnenin al ‘wereldwijs’ genoemd. Zou ik dat woord al die 38 jaar lang onbewust ergens in mijn hoofd hebben vastgehouden?

Opnieuw beginnen
Vogels van formaat
Coffee Company
Mooi Reinjan.
Dank je, Anne.