Uitgeverij J.M. Meulenhoff spuit weer modder – nieuwe knollen voor oude citroenen

Door Reinjan Mulder
UPDATE – ‘Directeur Sander Knol verlaat per direct uitgeverij Meulenhoff-De Boekerij.’ Het nieuws in Boekblad kwam toch nog later dan ik had gedacht. Een corrupter en incompetenter directeur dan deze Sander Knol had ik zelden meegemaakt, maar kennelijk kon juist dit soort directeuren in het voor boeken zo gure klimaat goed gedijen.

Immer met moed: De Meulenhoff equippe Viktor Groothoff (l.) en Reinjan Mulder op Vers voor de Pers 2005 (foto Boekblad)

Ik ken deze Sander Knol een beetje. Helaas, zeg ik er meteen bij. In mijn Meulenhoff-tijd was hij een paar maanden interim directeur en had ik het dubieuze genoegen ‘onder hem’ te mogen werken. Alleen al mijn eerste kennismaking met zijn merkwaardige praktijken zal ik niet gauw vergeten, temeer omdat hij mij niet even later om helemaal niets voor de rechter meende te moeten dagen. Sander Knol wilde in die tijd als interim zo snel mogelijk van zijn loyale, hardwerkende medewerkers af, omdat hij liever met frisse, jonge mensen verder wilde, die nooit iets terug zeiden tegen hem, en omdat hij dacht dat zoiets in Nederland de taak van interim-directeuren was.
Arme Sander Knol… Ik was, toen hij bij ons kwam, al wat langer van plan om Meulenhoff eindelijk maar eens de rug toe te keren, omdat het werken daar allesbehalve een pretje was. Maar Knol wilde zo’n vertrek kennelijk liever in eigen hand houden, om dat hem dat de statuur van de gevreesde interimmer zou geven die hij uit zijn managementboekjes kende. En zo kwam hij op het idee om zomaar, uit het niets een zware, dure ontslagprocedure tegen me in te zetten.
Tsja… Als Sander Knol mij een keer voor een kopje koffie had uitgenodigd en had gevraagd: ‘wat vind je zelf, we kunnen het nu misschien ook wel zonder je af, zo leuk moet het hier niet zijn voor jou,’ dan had ik iedereen meteen opgelucht gedag gezegd en was ik snel iets leukers gaan doen. Maar Sander Knol was geen man van goede gesprekken en kopjes koffie. Sander Knol kwam van de door Duitsers geleide boekenclub ECI en… hij was een man van cijfertjes en procedures. Sander Knol geloofde meer in advocaten en in het goochelen met ponden en euro’s dat in die tijd bij PCM zo populair was geworden.
Knols interimschap viel net in de bloeitijd van het beruchte Britse hedgefonds Apax, de eigenaar van PCM, en dus ook van Meulenhoff. De Nederlandse leiding van het klapwiekende concern had rond 2005 besloten om de directie van het ooit zo gerenommeerde J.M. Meulenhoff nu maar eens een tijdje in handen te leggen van twee echte managers: de genoemde Knol en  de vers uit België geïmporteerde Johan de Koning, een beeldhouwer die later nog razendsnel de Bezige Bij de vernieling in zou helpen.
Bij moederbedrijf Apax draaide in die dagen alles om ‘rendement’ en ‘winstmaximalisatie’, zodat de beide heren in hun streven een wit voetje te halen al snel wilden overgaan op het geduchte afrekensysteem dat ‘prestatiebeloning’ heet. En al konden Knol en De Koning als uitgever misschien weinig, dat hadden ze goed in de vingers. Samen begonnen ze, in lijn met het Britse moederbedrijf, in de paar maanden dat ze samen de baas waren het schamele, nog resterende vermogen van J.M. Meulenhoff te gelde te maken en iedereen weg te jagen die daar ook maar vraagtekens bij zette. De Vlaamse auteurs werden stiekem naar het Vlaamse De Standaard overgeheveld, het prachtige, kapitale pand aan de Herengracht werd in de openbare verkoop gedaan en de antiquarische boeken die nog op zolder lagen werden voor een zacht prijsje aan opkoper Steven Sterk verpatst.
Maar voor het zover was betrof de allereerste actie van Sander Knol in de voormalige goudmijn die Meulenhoff was de vormgeving van het zieltogende fonds. Meulenhoff had daarmee in de loop der jaren een reputatie opgebouwd, maar de vormgevers die daarvoor hadden gezorgd (Office of CC, Joost van de Woestijne) werden door Knol en De Koning zo snel mogelijk de laan uit gestuurd. Dat kon allemaal veel beter, vonden zij. En zo kregen wij, de laatste redacteur Bart Kraamer en ik als interim-uitgever, op een van zijn eerste dagen als interimdirecteur van Sander Knol de opdracht om maar eens contact op nemen met een zekere ‘Marlies Visser’.
Wie was Marlies Visser? Bart en ik kenden haar niet.
Marlies Visser was een schrijfster van kinderboeken, zo vonden we op internet, die ook wel eens boekomslagen voor De Boekerij had gemaakt.
Dat had ons moeten waarschuwen. Sander Knol was behalve interim-directeur bij Meulenhoff ook directeur van De Boekerij, waar hij, zo zei hij ons, goede ervaringen had opgedaan met Marlies Visser’s ontwerpen.

Knieval voor de Mammon

Knieval voor de Mammon

Hoe dat ook zij, samen met Bart Kraamer had ik op een mooie ochtend een kennismakingsgesprek met mevrouw Visser, en naief als we waren, legden we haar uit dat een zkere Sander Knol op dat moment de directie van J.M. Meulenhoff waarnam en dat hij er over dacht wat ontwerpen bij haar te bestellen.
Marlies Visser hoorde onze mededelingen zonder verder een kik te geven aan, en zei wel geïnteresseerd te zijn in het maken van ontwerpen voor hem – al zou dat, zo begrepen we later, tegen een speciaal opgehoogd tarief moeten gebeuren.
Om een lang verhaal kort te maken, de nieuwe ontwerpster Marlies Visser met wie wij zo uitvoerig hadden gesproken, bleek na een tijdje niemand anders te zijn dan de echtgenote van onze Sander Knol. Onze nieuwe interim-directeur had als eerste daad bij het noodlijdende bedrijf zijn vrouw aan een goed betaald klusje geholpen, zonder ons daar iets van te zeggen. En wat wij haar over onze uitgeverij en onze tijdelijke directie hadden verteld, wist ze natuurlijk allemaal al lang en waarschijnlijk ook veel beter dan wij: uit de echtelijke sponde.
We waren er met zijn tweeën mooi in getrapt!
Later bleek dat Sander Knol nog met de productieafdeling had bedisseld dat ‘zijn’ Marlies voortaan ook nog aanzienlijk meer geld voor haar ontwerpen zou krijgen dan gebruikelijk was bij ons. Ik herinner me nog hoe woedend de enige nog overgebleven productiemedewerkster die dag bij ons kwam binnenlopen. Zoveel geld voor een schrijfster over prinsesjes!
Maar wat gezegd moet worden, moet gezegd worden. Voor haar eerste Meulenhoff-ontwerp had Sander Knol’s Marlies Visser al direct een goed idee: ze wilde er graag een kunstwerk op zetten.
Dat kunstwerk – een werk dat volgens onbevestigde geruchten bij de familie Knol thuis boven het bankstel hing – moest het leidende beeld voor het nieuwe boek van Marilyn French gaan leveren.

Directiezetel uit het oude Meulenhoff-gebouw

Sander Knol’s directiezetel in het oude Meulenhoff-gebouw

Wat niemand van ons daarna nog verbaasde, was dat de nieuwe Marilyn French, een van de weinige top-auteurs die Meulenhoff nog in huis had, in een debacle eindigde. Al meteen tijdens de eerste verkoopgesprekken had de boekhandel in koor om een ander omslag gevraagd. Maar dat werd door directeur Sander Knol hardnekkig  geweigerd. Hij kon zich absoluut niet voorstellen dat iemand het schilderij dat zijn vrouw en hij boven de bank hadden hangen niet mooi zou vinden.

Het was een rare tijd, achteraf gezien. De Bezige Bij heeft me later nog aangeboden om een roman van me uit te geven die over die bizarre periode ging, met als titel ‘De laatste redacteur‘.  Dat had misschien nog een kassucces kunnen worden.
Ik had daarin dan kunnen beschrijven hoe geleidelijkaan alle oude Meulenhoff-krachten die zich over de merkwaardige gang van zaken in het bedrijf verwonderden, ontslagen waren, de bureauredactie, de publiciteit, de laatste restjes productieafdeling, en hoe in de maanden die volgden mevrouw Knol van meneer Knol de ene na de andere dubbelbetaalde opdracht kreeg.

Ik heb wel eens gehoord dat de vroegere AP-directeur Theo Sontrop na vijven soms even in het magazijn van zijn bedrijf verdween, om daar een kostbaar deeltje Privédomein achterover te drukken dat hij dan snel bij antiquariaat Kok in de Hoogstraat verkocht, om zo, tot elf uur ’s avonds in De Koningshut rondjes te kunnen geven, en van Prometheus-directeur Mai Spijkers ging het apocriefe verhaal dat hij een keer een kerstboom voor thuis liet kopen door twee jeugdige stagiaires op zijn uitgeverijtje en hoe ze die daarna ook nog vol met ballen en slingers moesten hangen, maar vergeleken met wat Meulenhoff-directeur Sander Knol hier presteerde was dat alles natuurlijk peanuts.
Dit was belangenverstrengeling, corruptie in het groot. Wat wil je ook in een bedrijf waar de top er met miljoenen vandoor ging? Dan laat de sub-top ook af en toe eens een handje in de suikerpot verdwijnen.

Al gauw kreeg dus ook ikzelf van Sander Knol de wind van voren, met name toen ik bij de twee nieuw aangetreden uitgeefsters, Xandra Schutte en Judith Uijterlinde, eens voorzichtig had gerefereerd aan de gedragscode van PCM. Die bepaalde dat wij geen opdrachten aan familieleden mochten gunnen…
Toen mijn stappen door loslippigheid van de beide uitgeefsters aan directeur Knol ter ore kwamen, werd ik onmiddellijk door hem op het matje geroepen. In een klein, benauwd kamertje werd ik aan een langdurig kruisverhoor onderworpen, als in een militair tribunaal met gesloten deuren, waarbij de uitgeefsters Schutte en Uijterlinde schutterig aan weerzijden van Sander Knol als griffiers figureerden.
En dat was nog niet alles. Rond die tijd waren verdwenen plotseling ook al mijn mails uit mijn computer: een beproefde methode, zo hoorde ik later, als je iemand wilt ontslaan op beschuldigingen die kant nog wal raken.
Niet lang daarna werd ik door de firma Boekel de Neree van – toen nog – PCM-kopstuk Els Swaab voor de rechter gedaagd, waar Sander Knol’s dure, door Meulenhoff betaalde advocate Marian van Eck (‘Eckje’) mij uren lang in alle toonaarden van gebrekkig functioneren en ‘oncollegiaal gedrag’ betichtte.
Zo lustte ik er nog wel een paar. Ik had twee jaar lang praktisch in mijn eentje onder erbarmelijke omstandigheden de failliete tent van Melenhoff overeind proberen te houden, en had daarvoor van de directie nog een bonus gekregen uit dank voor mijn onwaarschijnlijke toewijding en trouw, en nu werd ik eventjes door een advocaat van kwade zaken met een lange reeks absurde beschuldigingen de achterdeur uit gewerkt.
Met terugwerkende kracht schaamde ik voor mijn ooit zo gerenommeerde Juridische Faculteit van de Universiteit van Amsterdam die nu kennelijk zulke mala fide juristen afleverde.

De afloop van de zaak is gauw verteld. Gelukkig had ik via een ‘goede’ collega nog net op tijd stiekem al mijn mails weer in mijn computer kunnen terughalen en had ik op die manier bergen bewijs klaar liggen dat ik ondanks de barre omstandigheden uitstekend functioneerde. Met het gevolg dat Sander Knol en zijn advocate de rechter zelfs na een zitting van zes (!) uur met geen mogelijkheid van mijn disfunctioneren konden overtuigen.
De rechter had weinig consideratie met het tweetal en liet ze in die zes uur minzaam alle hoeken van de zaal zien. Sander Knol werd bij onherroepelijk vonnis verboden om mij ooit nog te ontslaan, met het gevolg dat ik nog jaren bij J.M. Meulenhoff op de loonlijst zou kunnen blijven staan, wat het bedrijf, zonder dat ik er ook maar iets voor terug zou hoeven doen, wel eens tussen een half en een heel miljoen zou kunnen gaan kosten.
Geen wonder dat J.M. Meulenhoff BV onder Sander Knol na mijn vertrek nog jaar na jaar kapitalen bleef verliezen. Deze warme boekenbakker had nu dan eindelijk eens een koekje van eigen deeg gekregen.

Mevrouw Knol-Visser zal met al haar goed betaalde Meulenhoff-opdrachten nu zo langzamerhand wel binnen zijn. Zodat ze nu samen met haar Sander op de bank onder hun artistieke Marilyn French-omslag nog eens goed kunnen uithuilen – om daarna snel weer ergens anders bakken vol met gemakkelijk  verdiend goudgeld te gaan binnenhalen.

Nachrift: het volledige dossier Meulenhoff-Mulder is inmiddels naar de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam verhuisd, waar het voor serieuze belangstellenden vrijelijk is in te zien. Zie voor de geschiedenis van J.M. Meulenhoff vóór de komst van Sander Knol het artikel bij het tien jarig bestaan van uitgeverij Augustus.  

3 Reacties

  1. P. Claessens

    Lijkt me een treffende beschrijving van Knols praktijken. Daar wil ik dan nog aan toevoegen dat de algemene berichtgeving over het ‘vertrek’ van Knol ontstellend naïef is. Boekblad bericht over het vertrek/ontslag van de ene na de andere uitgever bij Meulenhoff tijdens Knols management en kan bij diens ontslag nog een en een niet bij elkaar optellen, en stelt het voor alsof Knol nu ook ‘slachtoffer’ geworden is van de managers boven hem. Niets is minder waar. De man die volgens aloud PCM-gebruik rücksichtslos iedereen ontsloeg die zijn praktijken in de weg stond, is eindelijk aan de kant gezet. Meulenhoff ‘verloor’ geen directeur, zoals NRC’s Arjen Fortuin schreef, hij had beter kunnen weten: het betreft hier een geval van ‘good riddance’. Het bedrijf ontdeed zich van een zwart gat waardoor jarenlang elke creativiteit uit het bedrijf verdween. Dit addendum leek me op zijn plaats hier.

  2. Ik denk dat je gelijk hebt, Peter. In al die maanden dat ik Sander Knol bij Meulenhoff heb meegemaakt, heb ik hem nooit op enige interesse in literatuur of taal kunnen betrappen. Als er iemand een manager was, was hij het. Hij was het, die ons uitlegde dat we voortaan beloond zouden worden naar de bijdrage die we aan de winst van het bedrijf zouden leveren, geheel in de Apax-lijn van die dagen. Alles van waarde voor het bedrijf was kwantificeerbaar, was zijn standpunt, en daar zouden we op beoordeeld gaan worden. Misschien is dat Lannoo toch niet zo slecht als als het leek.
    Zou Maaike le Noble het, eindelijk, beter gaan doen? Zou wel hoog tijd worden.

  3. De Nederlandse uitgeverij: een fossiel zonder enige allure, nul komma nul.

Geef een reactie