NRC Handelsblad en het plagiaat – Bij het verschijnen van John Kroon’s ‘Slijpen aan de geest’

Door Reinjan Mulder
UPDATE, 15 FEB – Van de 50 jaar die NRC Handelsblad inmiddels bestaat, zijn er 25 waarin ik zelf bijdragen heb mogen leveren aan de krant, precies de helft. En van die 25 jaar was ik weer de helft van de tijd redacteur, van 1979 tot 1983 en van 1989 tot 1998, en de andere helft freelance-medewerker.
Dat waren mooie jaren, bij de krant. Ik kon er veel in publiceren, en precies waarover ik dat wilde, de literatuur, en de stemming op de redacties waaraan ik verbonden was, was altijd uitstekend, dank zij fantastische collega’s als Joyce Roodnat, Jac Heijer, Pieter Kottman, Lien Heijting, Kasper Jansen, ja, wie eigenlijk niet. Beter vond – en vind – je ze niet in krantenland.
Wie de recent verschenen informatieve geschiedenis van vijftig jaar NRC Handelsblad van John Kroon leest, Slijpen aan de geest, kan zich echter niet aan de indruk onttrekken dat hier toch wel wat op af te dingen is. In het boek wordt een groot aantal hoogtepunten gememoreerd, en redelijk wat redacteuren zijn korter of langer in het zonnetje gezet, maar de overheersende indruk die na lezing achterblijft, is er één van een krant vol conflicten en strijd. Strijd om de lezer – en strijd om de macht.
Wie het enorme namenregister aan het eind bekijkt, ziet ook dat de meest genoemde personen daar geen top-journalisten zijn – denk bij de kunsten alleen al aan voortreffelijke critici als Ellen Waller of Hans Reichenfeld die in het boek resp. slechts één en nul keer voorkomen – maar figuren als Pim Fortuyn en Beatrix, redacteuren die op de een of andere manier in conflicten verzeild raakten, en – vooral – hun superieuren, chefs, adjuncts en hun hoofdredacteuren. Het hardwerkende voetvolk dat dagelijks de krant moest vullen, ontbreekt. Van Ellen Waller, jarenlang ‘koningin van de filmkritiek’, wordt alleen ergens gezegd dat een notulist haar begin jaren zeventig als ‘Mevrouw Ellen Waller’ had opgemerkt. Dat is natuurlijk een leuke anekdote, maar wel illustratief voor de aanpak. Wie te veel in de buitenwereld schitterde, wordt overgeslagen.

Dank zij het boek van dochter Hendrickje Spoor was er ook na zijn pensioen nog veel interesse in de figuur van hoofdredacteur André Spoor

Van de zeven hoofdredacteuren, tot 2019, heb ik er drie-en-een-halve, alweer precies de helft, persoonlijk meegemaakt: de flamboyante André Spoor (1970-1983), de Wout Woltz die steeds meer op een Engelsman ging lijken (1983-1989), de ondernemende Ben Knapen (1990-1996), en nog heel even de jurist Folkert Jensma (1996-2006), in het jaar dat mijn CS Literair werd opgeheven en ik bij hem mijn vertrek bij de kunstredactie aankondigde. Vergis ik me, of is het aantal conflicten in de jaren – en onder de hoofdredacteuren – na mijn vertrek onevenredig snel toegenomen? De laatste tien jaar ging er, naar het boek te oordelen, bijna geen maand voorbij zonder nieuwe intriges en ander spektakel.
Wat daarbij meegespeeld kan hebben, is dat het aantal lezers na 1998 weer vrij snel begon af te nemen, wat de noodzaak om hard te grijpen misschien onontkoombaar maakte. Ik wil me daar natuurlijk niet op beroepen, maar
in de tijd dat ik er werkte, steeg de oplaag jaar in jaar uit nog flink, en ook het aantal pagina’s en redacteuren van de krant kon jaren lang niet op. De krant werd almaar rijker en rijker, en daarmee dikker en dikker.

ADRIAAN VAN DIS’ BELOOFDE LAND  
Van al die conflicten die in Slijpen aan de geest aan de orde komen, zijn, wat mij betreft, de interessantste de conflicten die met plagiaat te maken hadden. Daaraan is zelfs een apart, klein hoofdstukje gewijd, getiteld: ‘Plagiaat – door Adriaan van Dis en anderen’. Is dat, omdat zich bij NRC Handelsbad zo veel plagiaat heeft voorgedaan? Of heeft dat onderwerp de bijzondere interesse van de auteur? Van andere kranten herinner ik me uit die vijftig jaar zo gauw inderdaad geen enkel geval van plagiaat.

Zelf ben ik in mijn jonge jaren zo vooruitziend geweest om tijdens mijn rechtenstudie als keuzevak ‘auteursrecht / recht van de intellectuele eigendom’ te kiezen, het onderdeel waarmee plagiaat onlosmakelijk verbonden is. Over de afbakening ervan was toen al heel wat jurisprudentie verschenen, meestal op het gebied van het muziekauteursrecht en de industriële vormgeving, zodat wij er tijdens de colleges een vrij helder beeld van kregen. Althans, dat dachten we, want dat de werkelijkheid van het plagiaat aanzienlijk weerbarstiger is, merkte ik pas in de praktijk. Ook in Slijpen aan de geest valt op dat de definities die wij op college van plagiaat meekregen, nauwelijks een rol speelden in de zaken waarmee NRC Handelsblad te maken had. Des te meer ging het daar om vage verwijten en verdenkingen van plagiaat, door de eigen krant en door andere kranten, en hoe daarmee – intern en extern – werd omgegaan. Rechters zijn daar bij mijn weten nooit aan te pas gekomen, en jurisprudentie zal het dus ook wel niet opgeleverd hebben, maar discussie en schade was er des te meer. Bij mijn weten is er bij NRC Handelsblad nooit iemand wegens plagiaat ontslagen of op non-actief gesteld, maar de reputatieschade die sommige incidenten veroorzaakten, en misschien nog wel veroorzaken, kon fors zijn, zowel voor de krant als voor de auteurs die het betrof. Van een verwijt van plagiaat kom je in de praktijk nooit meer los.

Een belangrijke vernieuwing van NRC Handelsblad was de komst van de ochtendkrant NRC.Next

Was het echt zo erg? Zelf ik heb ik in die vijftig jaar van NRC Handelsblad die nu zijn verstreken van nabij vijf aantijgingen van plagiaat meegemaakt. Van die vijf keer is alleen het plagiaat dat Adriaan van Dis in zijn boek Het beloofde land pleegde, in het boek van John Kroon terecht gekomen. En hoe! Ik benijd Van Dis niet om zijn ere-plaats in dit hoofdstuk in deze feestelijke jubileummaanden.
Van Dis’ Het beloofde land heb ik destijds besproken voor het Cultureel Supplement, en ik was er wel enthousiast over. Ik vond het een interessant en leerzaam boek over het toenmalige Zuid Afrika, niet wetend dat fragmenten eruit vrijwel letterlijk waren overgeschreven uit andere gedrukte bronnen. ‘Plagiaat’ dus, volgens mijn handboeken, en ook volgens een collega-journalist van Vrij Nederland, wiens vader – maar dit terzijde – bij NRC Handelsblad werkte en die in het nummer van 22 augustus 1992 van zijn befaamde weekblad gehakt van Van Dis’ meesterwerkje maakte, onder de niets verhullende kop: ‘Adriaan van Dis pleegde plagiaat’.
Al snel wist daarna heel Nederland ervan, en kreeg ook ik als een van de verantwoordelijke redacteuren te maken met de zaak, en met de afwikkeling daarvan. Op donderdag 20 augustus citeer ik in mijn eerste stukje  in de krant over de zaak, onder de kop ‘Van Dis nuanceert aantijgingen plagiaat’ uit een nogal hooghartige brief die Meulenhoff-uitgever, de jurist Maarten Asscher mij de dag tevoren had gefaxt, om 16.22 uur, de Vrij Nederland lag nog maar net in de kiosken. Het gebruik van citaten noemde Asscher in die fax in ‘de hedendaagse, non-fiction literatuur’ een ‘geaccepteerde methode’.
Ook van Dis ontkent in een commentaar in eerste instantie zich schuldig te hebben gemaakt aan ongeoorloofde praktijken. Zijn boek, zegt hij, is een combinatie van wat uit eigen waarneming en uit studies bekend is. Een dergelijke methode zou onder reisboekenschrijvers ‘heel gebruikelijk’ zijn. Hij heeft nog overwegen om al zijn bronnen in een literatuurverwijzing of in voetnoten te noemen, en belooft dat een volgende keer zeker te doen.

Fax van Meulenhoff directeur mr. Maarten Asscher aan NRC Handelsblad op 19 augustus 1992

Als ik mijn recensie-exemplaar van Het beloofde land uit de kast pak, zit Maarten Asschers uitgebleekte fax er nog altijd achterin:
‘Uitgeverij Meulenhoff’, zo begint Asscher zijn betoog, ‘verklaart desgevraagd de reactie van Adriaan van Dis op de beschuldigingen in Vrij Nederland geheel te onderschrijven. Van Dis heeft zich voor zijn boek ‘Het beloofde land’; op gesprekken met meer dan honderd mensen en op andere persoonlijke belevenissen gebaseerd. Bovendien heeft hij gebruik gemaakt van kranten, ingezonden brieven, TV-uitzendingen, parlementaire debatten en heeft hij zich voor de historische en sociologische achtergronden gebaseerd op tientallen studie en handboeken. OP die manier is een enigszins geobjectiveerd, literair portret van een land ontstaan, dat uit talloze bronnen is opgebouwd. Dat is een geaccepteerde methode in de hedendaagse non-fiction literatuur. Er is dus wel schatplichtigheid aan die vele bronnen, maar van ‘plagiaat’ is geen enkele sprake.’

Daarna interviewde ik Adriaan van Dis er nog een keer over voor de kunstpagina, naar ik me herinner, die dan inmiddels heel wat schuldbewuster overkomt. Het was ook niet niets, wat hem overkwam.
Ik kan mijn tweede interview met Van Dis niet meer in terugvinden, maar zijn laatste, zeker niet on-komische zinnen moeten ongeveer zo hebben geluid: ‘Was mich nicht umbricht, macht mich starker – dat zei Nietzsche. Zet dat laatste er vooral bij!’
En dat deed het ook. In de moeilijke jaren die nog volgen zouden, is Van Dis als schrijver toch steeds weer  teruggekomen. Al zouden nieuwe beschuldigingen van plagiaat hem ook dan niet bespaard blijven.

AANHALINGSTEKENS
De eerste keer dat ik op de krant over plagiaat hoorde, was al vele jaren eerder, omstreeks 1980, toen een jonge collega-kunstredacteur in een tentoonstellingsbespreking uitvoerig uit enkele begeleidende publicaties had geciteerd, zonder die als bron te noemen of aanhalingstekens te gebruiken. Ze wist niet dat zoiets moest, was haar verweer, ze dacht juist dat dit de bedoeling van die documenten en persberichten was, en daar had ze waarschijnlijk gelijk in, want een cursus ‘plagiaat’ bestond er in die tijd niet bij de krant, en misschien nog steeds wel niet. De meesten van mijn collega’s hadden, net als ik, überhaupt nooit les in de journalistiek gehad, dus hoe zou iedereen moeten weten waar precies onze grenzen lagen. Als je nieuw was op de krant, leverde je een paar keer een stukje in, en als je daar niets op hoorde en het werd geplaatst, mocht je ervan uitgaan dat het goed was. Na een ernstig gesprek met de chef en de klagers over het plagiaat en wat stil gehouden excuses aan hen bleef het daar ook bij en schreef de betreffende redacteur nog tientallen jaren verder over beeldende kunst.

De tweede keer dat ik op plagiaat stuitte, was het ernstiger. Henk Lagerwaard, een freelance medewerker van de kunstredactie die culturele antropologie had gestudeerd, wees mij er begin jaren tachtig (?) op dat Adriaan van Dis, daar heb je hem al, in een van zijn eerste grote reisverhalen over Afrika in het Zaterdags Supplement ook flinke fragmenten uit een niet zo bekend antropologisch boek had overgeschreven, waarover hij zelf toevallig een scriptie had gemaakt. Van Dis presenteerde alles wat hij onderweg tegenkwam, in zijn stukken echter als eigen waarnemingen en als resultaat van origineel, eigen onderzoek ter plekke.
Dat schokte mij toen niet weinig. Adriaan van Dis was nog iemand op de krant. Hij was nog niet als journalist door de mand gevallen, en had een naam te verliezen.
Heb ik het er daarom maar bij laten zitten?
Ook nu weet ik niet zo gauw wat had ik anders had moeten doen? Was het mijn taak als aankomend literatuurredacteur om gepamperde ster-redacteuren uit de ‘hofhouding’ van hoofdredacteur André Spoor bij diezelfde hoofdredacteur aan te klagen? Het staat me bij dat ik een keer aan Van Dis heb doorverteld wat ik van Henk Lagerwaard had gehoord, en dat hij daar minachtend op reageerde, maar verder zweeg ik er over, en schreef en redigeerde ik rustig nog even door aan mijn Culturele Supplementen.

HERMAN VUIJSJE
De derde keer dat ik plagiaat meemaakte, was ik zelf het slachtoffer. Ik was inmiddels freelancer geworden, en verdiende mijn geld bij het Sociaal en Cultureel Planbureau in Rijswijk, waar ik in 1984 voor het Sociaal en Cultureel Rapport 1984 op basis van beleidsvoornemens, gebruiks-statistieken en onze langjarige enquetes een analyse had gemaakt van de veranderende houding van Nederlanders tegenover straffen. Die houding was de afgelopen tijd punitiever geworden, had ik gezien. Er werd minder verwacht van sociaal-wetenschappelijk en psychiatrisch onderzoek, de Reclassering verloor aan goodwill en Nederlanders stonden minder tolerant tegenover wetsovertreders dan voorheen. Ze waren niet angstiger geworden maar wilden wel langere en hardere straffen. Dat was nieuws, op dat moment, een trendbreuk, hoewel geen enkele krant het overnam.
Wie schetst mijn verbazing, toen drie maanden na de verschijning van ons rapport de bekende onderzoeksjournalist Herman Vuijsje opeens hele stukken uit mijn verhaal letterlijk overschreef, en alles voorop de Zaterdag-bijlage als resultaat van eigen onderzoek presenteerde, een hele voorpagina zonder aanhalingstekens te gebruiken of bronnen te noemen, ja, zonder ook maar ergens in zijn stuk naar het SCP te verwijzen, dat het hele onderzoek had mogelijk gemaakt, uitgevoerd en betaald.
Ik heb daar toen in het Dies-nummer van Propria Cures een licht ironisch stukje over geschreven, met niets verhullende voorbeelden van zijn letterlijk citeren, en tegelijkertijd schriftelijk mijn beklag bij de krant gedaan in een brief of mail aan de hoofdredactie.
Hoe die precies reageerde, weet ik alleen uit de tweede hand, want zelf hoorde ik nooit iets van hen. Maar volgens mijn bronnen zou Wout Woltz onmiddellijk Herman Vuijsje op zijn kamer hebben ontboden, met vóór hem op tafel de voorpagina van PC.
Dat moet een pijnlijk moment voor Vuijsje zijn geweest.
Ook in de familie van Herman Vuijsje, de Vuijsjes, werd naar het schijnt geschrokken op het plagiaat gereageerd. Volgens broer Bert Vuijsje waren ze in die dagen opeens niet zo trots meer op hun plagiërende broertje. Herman dreigde de familienaam te schande te maken.
Herman Vuijsje was gelukkig zo verstandig om mij na zijn gesprek met de hoofdredactie zo snel mogelijk een schuldbewust excuusbriefje te sturen, waarin hij uitlegde dat er bij het overschrijven van zijn aantekeningen wat mis was gegaan, en daar bleef het verder bij. In de krant zelf werd de zaak wijselijk doodgezwegen, en Herman Vuijsje schrijft er gelukkig nog tot de dag van vandaag het ene nieuwswaardige stuk na het andere in. Ik vraag me zelfs af of NRC’s krantenhistoricus John Kroon er nadien ooit van heeft gehoord.

NECROLOGIE DOLF VERSPOOR

Volgens ‘Slijpen aan de geest’ had geen Nederlandse boekrecensie zo veel invloed op de verkoop als het stuk in CS Literair over Connie Palmens ‘De Wetten’ in 1991. Coll. Allard Pierson Museum.

De laatste beschuldiging van plagiaat die ik me herinner, betrof, een onschuldig, kort stukje dat ik zelf last minute op een mooie winterochtend schreef. De eminente vertaler Dolf Verspoor (1917-1994) was overleden, en toen ik het hoorde, op 5 december 1994, wilde ik die dag zelf nog graag een korte necrologie over hem in de krant. Ik wist van onze medewerker voor Spaans Barber van de Pol welke reputatie hij had binnen zijn vakgebied, en belde snel verschillende mensen die hem beter gekend hadden: Meulenhoff-uitgever Maarten Asscher, en natuurlijk ook Barber van de Pol, mijn belangrijkste bron in die vertalers-wereld. Maar niemand van hen had tijd – of zin – om nog snel wat aardigs over Dolf Verspoor te schrijven, Sinterklaasavond kwam eraan. Omdat het 5 december was, zou de krant bovendien wat eerder zakken. Daarom fabriceerde ik ten einde raad maar zelf nog gauw een necrologie, uit alles wat ik tijdens mijn haastige rondgang van die ochtend had gehoord en ik het archief had gevonden, en ik zette daar op het laatste moment nog royaal mijn naam boven. Het leek me nogal onpersoonlijk om een zo belangrijke figuur als Dolf Verspoor op zo’n essentieel, want ‘finaal’ moment anoniem uit te luiden. Bovendien was ik het die alle gesprekken had gevoerd waarop mijn stukje was gebaseerd, ik had het archief bezocht, ik had het geschreven en ik had ook Barber van de Pol nog ergens genoemd. Daarom nam ik, de literatuurredacteur, nu de eindverantwoordelijkheid ervoor.
Zo was op Sinterklaasavond 1994, nog geen dag na Verspoors overlijden, in NRC Handelsblad te lezen:

De vertaler Dolf Verspoor is gisteren op 77-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. Verspoor genoot vooral in de jaren vijftig en zestig bekendheid als een zeer veelzijdig vertaler. Hij vertaalde werk uit vele eeuwen en vele talen, zoals het Engels, het Portugees en het Italiaans. Zijn grootste bekendheidheid dankt hij echter aan zijn vertalingen van poëzie uit het Spaans. Zo introduceerde hij hier onder anderen Federico García Lorca en Pablo Neruda op grote schaal en liet hij velen voor het eerst kennis maken met de oudere Spaanse poëzie, onder meer in zijn massaal verspreide Ooievaar-pocket Spaanse lyriek van lief en leed uit 1958.
De vertalingen van Verspoor vielen op door hun levendigheid, esprit en zwier. Hij voelde zich verwant met de barok en wist de dichters uit deze periode als geen ander in het Nederlands over te zetten. Zelfs bij zeer virtuose dichters als Góngora en Quevedo slaagde hij erin om in het Nederlands volwaardige gedichten te krijgen. Hij had daarbij veel steun van zijn geweldige eruditie. Verspoor verenigde de twee polen die bij vertalers zijn aan te treffen, die van de geleerde en de kunstenaar, op ideale wijze in één persoon.
Een belangrijk kenmerk van Verspoors vertaalwerk was dat hij een al te grote tijdgebondenheid wist te vermijden. Bij de herdruk van zijn bundel met Spaanse lyriek in 1981 schreef Barber van de Pol in deze krant dat zijn vroege vertalingen de tand des tijds goed hadden doorstaan. Ze prees bij die gelegenheid nog eens Verspoors rijke vocabulaire en zijn grote rijmvernuft
Verspoor was een van de weinige vertalers die zowel in als uit het Nederlands vertaalden. Al in de jaren vijftig maakte hij het werk van Vestdijk, Roland Holst, Nijhoff en Achterberg voor het Franse publiek toegankelijk. Voor deze activiteiten kreeg hij in 1958 als één van de eersten de Martinus Nijhoffprijs voor vertalingen.
Behalve poëzie vertaalde Dolf Verspoor ook veel toneel. Het aantal stukken dat hij in de loop der jaren in het Nederlands vertaalde moet tegen de zeventig lopen, variërend van Shakespeare tot Goldoni. Hij had daarbij ook vaak bemoeienis met de uitvoering van zijn werk, wat niet elke regisseur hem overigens in dank afnam. Verspoor heeft ook als dramaturg gewerkt.
Dolf Verspoor was al geruime tijd ziek. Hij had een ziekte aan zijn beenspieren die hem aan zijn huis bond. Hij wordt donderdag in Amsterdam begraven.

Wie had daaraan gedacht? Hoewel ik Barber van de Pol nadrukkelijk met een quote in mijn stukje noem, wat in necrologieën vrij ongebruikelijk is, vond zij, toen zij het ’s avonds de krant las, dat ik haar kennis hier veel te veel als eigen kennis had gepresenteerd. Ze was, zacht gezegd, absoluut niet blij mee met de necrologie.

AFGEKOCHT
Ik had daar geen moment aan gedacht, ik schreef het stukje mede voor Barber en haar collega-vertalers. De betekenis van vertalers werd nog te vaak over het hoofd gezien, daar wilde ik niet aan meewerken.
We hebben Van de Pol toen maar snel het gangbare honorarium dat voor een necrologie als deze gold, uitbetaald, en haar nogmaals nederig onze goede bedoelingen en excuses duidelijk gemaakt.
Ik voel me er zelf nog altijd onschuldig over, maar het was een goede les. Zeker de helft van wat redacteuren aan feiten in hun kranten verkondigen – en veel meer dan feiten had ik niet overgenomen – hebben zij niet uit eigen waarneming maar direct of indirect van anderen. Het is hoogst ongebruikelijk om daarbij in kranten ook hun namen te noemen. Maar als een medewerker zich zo gekwetst voelt als Barber van de Pol toen, kun je daar maar beter omzichtig mee omgaan. Ik wilde koste wat kost geen tweede Adriaan van Dis bij NRC Handelsblad worden.
Die laatste zaak heeft dan ook nooit de krant gehaald, gelukkig, noch de onze, noch een van de andere, laat staan het hoofdstukje ‘Plagiaat – door Adriaan van Dis en anderen’ in het nu verschenen Slijpen aan de geest.
Wat mij misschien wel een vierde vermelding in het namenregister heeft gekost – al ben ik daar nu weer niet zo heel erg rouwig om.

5 Reacties

  1. Wat een verschil is dit stuk vergeleken met de juichrecensie van Xandra Schutte in de boekenbijlage van vorige week. Wie niet beter weet, denkt dat het over een heel andere boek gaat. Bij Schutte lijkt er sprake van een soort omgekeerd fake news. [Dat wat niet in het verhaal past, laat je gewoon weg]
    Ik was van 1984 tot 1996 als freelancer aan de krant verbonden.
    Ik heb de journalistiek de afgelopen veertig ervaren als een wonderlijk mengsel van vrolijke creativiteit, blinde ambitie, oprechte weetgierigheid, een uit zijn krachten gegroeide apenrots en onoorbare belangenverstrengelingen.
    Gaandeweg heb ik beseft dat een hoger streven dan dit wellicht niet haalbaar is.
    Een studie met als uitgangspunt bovenstaande goede en minder goede kwalificaties van de journalistiek zou een belangwekkend verhaal kunnen opleveren.
    Maar de spiegel is een schaars artikel in het rijk van Argus.

  2. Joyce Roodnat

    Ik las het boek nog niet. Maar ik begrijp niet dat, voor zover ik ze las, niet één recensent zich verdiepte in het feit dat het boek geschreven is door iemand die nauw betrokken is geweest bij de leiding en de koers van de krant.
    Hij is een dierbare collega en ik leerde hem kennen als een goeie commentator. Maar toen ik hem vroeg naar zijn aanpak van de geheimen die hij toch moet hebben uit zijn periode in de hoofdredactie, en of hij had overwogen om de passages over zijn ‘eigen’ jaren uit te besteden aan iemand anders, kreeg ik geen antwoord.

  3. Het boek is geschreven door iemand uit de hogere echelons van de krant, en dat merk je. Ik vroeg me af hoe een goede lezer gedurende die vijftig jaar de geschiedenis van NRC Handelsblad zou hebben beschreven. Die zou waarschijnlijk vooral de vele goede en bijzondere stukken zien, en de grootste missers natuurlijk. Stukken die hem of haar aan het denken zetten, onthullingen die geschiedenis maakten en openingen die nog na jaren een onuitwisbare indruk achterlieten. En hopelijk ook de vele eigenzinnige redacteuren en freelancers, die jarenlang een vast anker waren in onze kijk op de wereld.
    Verder herinner ik me zelf van sommige collega-redacteuren allerlei troebelen in de persoonlijke sfeer die doorwerkten op hun stukken of op hun beleid, of zelfs op hun vroegtijdig vertrek. Ook dit biografische aspect komt weinig aan bod – wat voor die redacteuren misschien ook maar het beste is.

  4. Het is, vrees ik, inderdaad geen bevredigende geschiedschrijving, meer een archief op zaakjes en schandaaltjes rond NRC Handelsblad, en vooral het eigendom van de krant. En daarbij komt nog – weet ik inmiddels uit meerdere bronnen – dat veel feiten niet kloppen omdat de auteur niet voldoende mensen heeft gesproken en zaken heeft geverifieerd. Een beetje pijnlijke misser, ben ik bang, dit boek. https://wellalwayshaveparissite.com/2021/02/14/3896/

  5. Ik moet de laatste dagen vaak terugdenken aan het advies dat ik kreeg,toen ik eind jaren zeventig bij de krant kwam. Ik kon me maar beter zo min mogelijk met onze Rotterdamse collega’s bezig houden. Dat waren allemaal ‘ambitieuze mannetjes’ en wichtigmachers.
    Heel veel later werkte ik een jaar zelf in Rotterdam, op de opinieredactie, en bleek dat allemaal erg mee te vallen. Maar cultuurverschil was er nog steeds, en ik had geen spijt van dat ik me jarenlang voornamelijk bezig hield met mijn eigen winkel en, zijdelings, met de winkeltjes van mijn naaste redacteuren: de muziek, het toneel, de film en de beeldende kunst.
    Amsterdam was vergeleken met Rotterdam een prettige oase, waar we ons nooit zo veel zorgen hoefden te maken over de oplage, de nieuwe hoofdredacteur, de eigenaren en de nieuwe inrichting van de krant.

Geef een reactie