Adriaan van Dis in Zuid-Afrika: hier groeit de leegte hoog

Recensie van Adriaan van Dis, Het Beloofde land, UItg. Meulenhoff, 1991
Door Reinjan Mulder
De Karoo is een kaal gebied ten oosten van Kaapstad. Voor de Zuidafrikaanse economie heeft het nauwelijks enige betekenis. Er groeit niet veel, wat armoedige struiken (bossies). Het ligt ongunstig, op een droog plateau in het binnenland, zonder veel waardevols in de grond. Er is geen achterland waarmee handel gedreven kan worden en er is geen industrie. En er wonen ook niet veel mensen meer. Alleen nog wat boeren van Nederlandse komaf die zich zo goed en zo kwaad als dat gaat met de schapenteelt bezig houden. “Hier groeit de leegte hoog, ” zegt een van hen.

De Karoo, schrijft Adriaan van Dis, in zijn boek Het beloofde land, is voor Zuid-Afrika echter van belang als symbool van de Boer. Hier is de Afrikaner nog werkelijk vrij. Hier houdt hij zijn tradities in ere. Inderdaad: dit is zijn beloofde land. Van Dis heeft in het voorjaar van 1990 enige tijd door de Karoo gereisd en zijn boek, een bewerking van eerder in deze krant verschenen reportages, laat de inwoners van dit deel van de Kaapprovincie uitgebreid aan het woord. Nu eens niet de opinieleiders die we van de televisie kennen en ook geen mensen die een duidelijke ideologie verkondigen, van links of van rechts, maar de kleinburgers die zich proberen te redden in een land dat waarschijnlijk aan de vooravond van de chaos staat.

Of dat nu de bedoeling is geweest of niet, Het beloofde land is in de eerste plaats een buitengewoon leerzaam boek. Ik heb het nu twee keer gelezen, met de Bos-atlas op schoot, en de Zuidafrikaanse geschiedenis en geografie is me, tussen de regels door, op slag een stuk duidelijker geworden.
Daar komt bij dat Adriaan van Dis in zijn boek mensen ontmoet die een opmerkelijke varieteit aan standpunten vertegenwoordigen. Hij komt echte conservatieven tegen, een hardwerkende gelovige boer bij voorbeeld die van de macht van de zwarten niets goeds verwacht. Of de conservatieve hotelhouder, lid van de Afrikaner Weerstands Beweging, die in de praktijk van alledag heel goed met zijn zwarte dorpsgenoten overweg kan. Aan de andere kant komen er duidelijke tegenstanders van de apartheid aan het woord, zoals een communist die de recente ontwikkelingen met vreugde gadeslaat.
Wat het boek nog het interessantst maakt, zijn de vele Zuidafrikaners die op geen enkele manier bij een van de kampen zijn in te delen. Het is deze groep aarzelende en angstige blanken over wie je doorgaans weinig hoort, die in het boek met de meeste sympathie wordt beschreven. De witte aanhanger van het African National Congress bij voorbeeld, die zich op een gegeven moment bedreigd begon te voelen, en zich nu op de praktische hulpverlening stort, zo ver mogelijk verwijderd van het politieke gewoel. Of de verlichte grootgrondbezitters die hun personeel goed behandelen maar weigeren nieuwe ruiten in hun huisjes te zetten.
Het duidelijkst leeft de twijfel bij Eva, de gids en gastvrouw van Adriaan van Dis in Zuid-Afrika. Geleidelijk groeit zij dan ook uit tot de tweede hoofdpersoon in het boek, naast de auteur. Van Dis laat zien hoe de reis door de Karoo voor haar een groeiende bron van rusteloosheid is. “Er zit een dreigende neger in mijn onderbewustzijn, ” zegt ze op een gegeven moment. Ze schaamt zich omdat de knecht uit haar jeugd door haar familie verschrikkelijk mishandeld werd. Maar ook omdat haar oom Hendrik oprecht meent dat de bruinman niet omhoog kan omdat hij zo niet geschapen is.

Niet alle partijen in het Zuidafrikaanse conflict komen even uitgebreid aan het woord. Zo had ik graag nog wel wat meer gehoord uit de mond van de Engelsen. Nu zijn het vooral mensen over wie gesproken wordt: als ‘soutpiele’, die met een been in Zuid-Afrika wonen en met hun andere been in Engeland.
Ook de zwarten en kleurlingen, om dit verschil nu maar even over te nemen, blijven mij wat te zwijgzaam in Het beloofde land. De enige zwarte die nu langere tijd aan het woord komt is Sophie, de zwarte werkster in het huis waar Adriaan van Dis logeert. Zij heeft een mening die, toevallig of niet, sterk aan de mening van gematigde blanken doet denken. Ik kan me voorstellen dat er nog andere geluiden klinken in het land.

Tussen al deze Afrikaners beweegt zich dan Adriaan van Dis. Hij lijkt zichzelf gedurende zijn verblijf meer thuis te gaan voelen bij de mensen die hij spreekt en die geen duidelijke uitweg zien uit de misere. Terwijl hij aanvankelijk tegenover zijn gespreksgenoten nog veel kritische opmerkingen maakt, raakt hij steeds vaker onder de indruk van hun antwoorden en de manier waarop die zijn geformuleerd.
Kennelijk heeft hij zich het woord van zijn reisgenote aangetrokken die aan het begin van de reis tegen hem zegt: “Je moet kijken en niet zoveel vinden. Aan meningen hebben we hier geen gebrek.”
Eén mening blijft echter overeind. Dat is dat de Afrikaners zo weinig cultuur hebben. Ze klagen over het gebrek aan identiteit bij de kleurlingen, maar hun eigen identiteit is, volgens Adriaan van Dis, zeker zo armoedig. Uit zijn boek blijkt dat hij op dit punt ongelijk heeft.

De recensie van Adriaan van Dis’ Het beloofde land verscheen 4 januari 1991 in NRC Handelsblad

 

 

Geef een reactie