‘Afgegraven veen was het waarin hij maar moest zien te gedijen’ – Heere Heeresma over Jan Arends (1925-1974)

Door Reinjan Mulder 
JanarendsKomende winter is het veertig jaar geleden dat de schrijver Jan Arends uit het raam van zijn flat aan het Roelof Hartplein sprong, op 21 januari 1974. Zelfmoord, dacht iedereen. Maar van de schrijver Hans Vervoort, die later zijn werkruimte had in het gebouw, hoorde ik dat Jan Arends dacht dat hij vliegen kon. Dat is natuurlijk iets heel anders dan zelfmoord. In het ene geval wil je omhoog, in het andere omlaag.
Hoe dan ook, sindsdien zijn er verschillende boeken en artikelen over de dichter en zijn vreemde levenswandel verschenen. Jan Arends had een klein oeuvre maar hij was een interessant schrijver en dichter – die er bovendien behagen in schepte om als huiskecht voor rijke vrouwen te werken.
Psychiaters noemen dat een masochist.
Wat was belangrijker, de schrijver of het geval? Ik kan het nauwelijks scheiden.
Ik heb Jan Arend nooit gekend. En ik denk dat ik daar blij mee mag zijn. Mensen die hij kende kon hij dagenlang met beledigende telefoontjes belagen.
Ik kan me ook niet herinneren hem ooit te hebben gezien, behalve dan in de schitterende VPRO documentaire over hem. Wel interviewde ik in 1979, vijf jaar na zijn dood, de inmiddels ook overleden schrijver Heere Heeresma. Ik wist dat Heeresma zich erop beriep een van Jans beste vrienden te zijn geweest, en ik vond het daarom vreemd dat nu net hij was overgeslagen in een boekje van De Engelbewaarder dat die ‘vrienden’ van Jan Arends aan het woord zou laten.
Het interview liep nogal uit de hand, omdat Heeresma, eenmaal op zijn praatstoel niet meer te stuiten was. Het verslag ervan werd daarna groot en prominent voorop het Cultureel Supplement geplaatst, met als intrigerende kop het Heeresma-citaat uit Propria Cures: ‘Afgegraven veen was het, waarin hij maar moest zien te gedijen…’.
Sindsdien ben ik er lang onzeker over geweest. Had ik een notoire fantast als Heere Heeresma misschien teveel op zijn woord geloofd? Had ik me voor zijn karretje laten spannen? De samenstellers van het boekje, Thijs Wierema en C.J. Aarts waren in ieder geval niet zo blij met al die kritische aandacht in de krant. ‘Zo veel aandacht had nou ook weer niet gehoeven,’ zei Engelbewaarder-uitgever Bas Lubberhuizen me de volgende ochtend op de stoep voor café Welling. En Remco Campert (?) schreef kort daarop een column waarin hij aangaf zelf de beste vriend van Jan Arends te zijn geweest.
In ieder geval leverde het interview wel een fraai sterk verhaal op, zoals alleen Heere Heeresma die kon vertellen, vol Schmiere en wanhoop, dat ik alleen daarom al graag nog eens uit de archieven terughaal – ter nagedachtenis aan wat, behalve de man die de Hasebroekstraat de mooiste straat van Amsterdam vond, waarschijnlijk de twee wondelijkste figuren uit de Nederlandse literatuur van de jaren zeventig zijn geweest.

Als ik het boekje van de De Engelbewaarder in mijn kast terugzoek, valt er een foto van persbureau Kippa uit die we bij het interview hadden gezet, plus twee brieven van Jan Arends aan Heere Heeresma uit 1957, in kopie. Ik vouw ze open.
Beste Heere,’ schrijft Jan Arends op 9 december 1957 op de Wassenaarlaan 37 in Baarn aan Heere Heeresma.
Eindelijk dan kom ik ertoe je brief van 5 Oct. te beantwoorden. Nu moet ik direct zeggen dat ik hem pas een maand na datum heb ontvangen omdat ik lange tijd niet op de Amsteldijk ben geweest.
Toen ik hem tenslotte kreeg zat ik tot aan mijn nek in allerlei uiterst moeilijke problemen die hoofdzakelijk verband houden met wonen en eten want ik was bijna dakloos en van een behoorlijk maal, waarvan ik zoals je weet wel behoorlijk houd, kon het lang niet alle dagen komen […].
In de kranten las ik dat de kerstbomen dit jaar duur of niet te krijgen zullen zijn en dat bedroeft mij want ik had zo graag die dag bij kennissen onder groen en glans van de boom willen doorbrengen, om zodoende weer even in gedachten te verwijlen bij vroeger en gelukkiger tijden.
Zou het je lijken als ik een van die kerstdagen bij jullie in Den Haag doorbracht? Dan hoor ik nog wel van je. In ieder geval zal het mij plezier doen jullie eens in je nieuwe omgeving te observeren.
Schrijf je nog eens?
vriendelijke gr.
Jan Arends ‘

Ik vind daarna ook het boek van Hans Dütting terug, waarin mijn interview later is opgenomen, en zie dat de samensteller daarin één passage heeft geschrapt: die van R. Cornets de Groot, waaruit is af te leiden dat ook Heere Heeresma waarschijnlijk geregeld in psychiatrische inrichtingen verbleef. Ik denk dat niet alleen die passage, maar ook het schrappen daarvan veel over Heeresma’s eigen troebelen zegt.
Maar nu dan, integraal, het NRC-interview met Heere Heeresma:

AMSTERDAM, AUG. 1979 –  In het kwartaalschrift De Engelbewaarder, gewijd aan Jan Arends, komen een aantal mensen aan het woord die de in 1974 overleden schrijver zouden hebben gekend. Opvallend afwezig daarbij is Heere Heeresma, jarenlang een van Arends’ beste vrienden. Reinjan Mulder sprak met Heere Heeresma over Jan Arends en de benadering van hem in De Engelbewaarder.

Toen Jan Arends op zijn achttiende jaar het katholieke jongensinternaat De Kruisvaarders van St Jan in Rijswijk verliet, begon hij aan een niet te reconstrueren grillige, eenzame tocht door de wereld. Althans, dat schrijven de samenstellers van het kwartaalschrift De Engelbewaarder, dat aan Arends is gewijd. Wie de bijdragen aan het kwartaalschrift leest, zou inderdaad denken dat het onmogelijk is om het leven van deze in 1974 overleden schrijver te reconstrueren. Vrijwel niemand van de medewerkenden blijkt hem ook maar enigszins te hebben gekend. De een had hem wel eens op een terras gezien, een ander was wel eens door hem opgebeld en weer een ander had hem meegemaakt op een vergadering van de Vereniging van Letterkundigen.
Waarom komen er in het boekje geen bijdragen voor van mensen die Jan Arends wel van nabij hebben leren kennen? Want die zijn er ook. Het is bijvoorbeeld bekend dat Jan Arends lange tijd bij de schrijver Esteban Lopez in huis woonde. In diens tijdschriftje Vertoning was Arends een vaste medewerker.
Nog opmerkelijker aan het kwartaalschrift is dat de naam Heere Heeresma onder de contribuanten ontbreekt. Ook bij Heeresma heeft Jan Arends vaak gelogeerd. In het boek De Kunst van het Falen beschrijft iemand als Rudi Cornets de Groot Heere Heeresma’s tocht langs psychiatrische inrichtingen. Waarom is hij niet om een bijdrage gevraagd?
Esteban Lopez verblijft op dit ogenblik in Zuid Frankrijk, maar Heere Heeresma is gelukkig wel in het land, en hij wil desgevraagd graag het onvolledige beeld van Jan Arends zoals dat geschetst wordt in De Engelbewaarder aanvullen. Heere Heeresma was jaren lang een soort tegenpool van Jan Arends, waardoor beiden juist op elkaar aangewezen waren. In het Den Haag van de jaren vijftig hoorden zij bij elkaar, zoals yin en yang. Toen Jan Arends in januari 1974 door een sprong uit het raam een eind aan zijn leven maakte, schreef Heeresma in Propria Cures al een ‘In Memoriam’ waaruit bleek dat hier iemand aan het woord was die beter dan veel anderen begreep waardoor Arends werd voortgedreven. Ik citeer:
Afgegraven veen was het waarin hij, zo uitzonderlijk alleen, maar moest zien te gedijen… hij was labieler dan een creatief mens gewoonlijk is en daarbij als het er op aan kwam zeer wel in staat af te rekenen met zijn eigen angsten. Zijn vele verblijven in zenuwinrichtingen waren voor hem bezoeken zoals anderen jeugdherbergen of sleep-inns frequenteerden… Met zijn bedrevenheid zag hij verder wel altijd kans het beste bed en de puikste plaats te veroveren en wanneer de pot hem niet beviel, kookte hij zelf wel in een hoekje van een van de enorme keukens… Om acht uur (die) avond zette hij, en naar mijn overtuiging zéér bewust, er in ieder geval definitief een punt achter en liet zich na op het plaveisel van het Roelof Hartplein.
Dag Jan. Al was het niet altijd makkelijk, ik heb steeds veel van je gehouden.

Als ik Heere Heeresma spreek, op het kantoor van zijn uitgevers Peter Loeb en Peter van de Velden, vertelt hij dat Jan Arends bij elkaar wel zo’n anderhalf jaar bij hem in huis heeft gewoond: ‘Wij woonden toen in Den Haag, in de eerste helft van de jaren vijftig. Een ontzettend harde tijd voor mensen als wij. Voor iedereen was het moeilijk, maar voor scheppende mensen was het erbarmelijk. We huurden pakhuisruimten, onderstukken in stegen, en daar probeerden we met onze soortgenoten te leven. Af en toe stond dan Jan Arends op de stoep, in een lange jas en met een koffer in zijn hand. Wij deelden toen een alles doordringende belangstelling voor, met hoofdletters, Het Schrijven. Dus niet: voor het literatendom, en de literaire coterieën, de zich ermee verenigende boekbesprekers, de prijzen. Nee, het ging ons om het schrijven. Als we in een boek een goede openingszin vonden, een prima dialoog, een atmosfeerbeschrijving, dan legden we daar een papiertje bij en dan liepen we dagen met dat boek onder onze arm om het, als we elkaar tegenkwamen, meteen te laten zien.

‘Er was geen haat, geen jaloezie, alleen maar enthousiasme, over wat we elkaar toonden. We waren geen groep, we waren schrijvers. Dat wil zeggen hyperindividuelen die elkaar bij de rondgang door het leven herkenden. En als we al eens spraken over uitgegeven worden, dan bedoelden we: uitgevers inpakken en briefjes van honderd uit hun boord trekken. Want dat hadden we nodig: geld.’
In Heere Heeresma’s visie is het aldus: ‘schrijven is een manier van leven, een wijze van existeren, en literatuurbeoefening, dat is een ambitie en een lust in een carrière. En Jan Arends was een schrijver.’
Heeresma: ‘Jan had, dat moet ik zeggen, geen groot talent. Maar hij woekerde er tot het uiterste mee. En hij heeft het onberispelijk zuiver weten te houden. Hij werkte door zoveel mogelijk te schrappen, want, zei hij, dan kan ik er zelf nooit over struikelen. Wat niet is, bestaat niet.
De reclame speelde toen nog niet. Schrijven besloeg onze ganse horizon en de rest van de einder bestond uit het naakte bestaan. Geld om te eten, een dak boven je hoofd.
‘Jan Arends was een warm voelende, trouwe vriend, en sociabel daarbij. Toch had hij toen al zijn, zeg maar, fobie. Volgens mij heeft hij, toen hij op die anthroposofische school zat, een soort afweermechanisme opgebouwd. Met zijn schamele broekje moest hij daar de hele dag verkeren tussen de rijkeluiskinderen met hun hockeysticks. Hij werd als voorbeeld aan de klas getoond van wat je kon overkomen als je je best niet deed. Daar. op die school, moet hij al zijn masochisme hebben ontwikkeld. Aan de vernederingen daar heeft hij lust weten te onttrekken, en dat heeft later zijn relatie tot de vrouw bepaald. Vandaar zijn voorliefde voor het huisknechtenschap. Hij genoot van de overheersing door de vrouw. Maar pas op: de heer des huizes hoefde maar één woord te zeggen of Jan stond al met zijn koffers in de hal te wachten op het hem toekomende salaris. Een mens zoekt altijd in die richting waarin hij zijn lust kwijt kan.’

‘Eén ding sprak mij voor 120% aan,’ zegt Heeresma later, ‘Jan Arends was niet te koop.’ Hij kan daar ook een voorbeeld van geven: ‘Een keer had Jan een dienstje bij een gegoede familie in Wassenaar. De man was hoogleraar in Delft. Op een dag vroeg mevrouw wat Jan van haar schilderijen vond.
Dat was voor hem al voldoende om de dienstbetrekking te beëindigen. Hij werd voor vol aangezien. Jan beweerde toen dat hij nog f 28,50 kreeg.
Mevrouw wilde echter niet meer dan f 25,- geven, omdat ze bang was dat hij niet kon wisselen.
Jan weigerde. Hij liep van Wassenaar naar restaurant Het Gouden Hooft in Den Haag, waar hij een kelner kende bij wie hij gratis kon bellen en hij telefoneerde naar meneer, in Delft.
Die zei daarom geërgerd dat hij zijn vrouw zou vragen om hem het geld te geven.
Met een taxi reed Jan weer terug naar Wassenaar, en eiste de f 28,50… plus de taxi-kosten.
Dit weigerde mevrouw.
Weer liep Jan naar Het Gouden Hooft, belde meneer uit zijn college en zei dat zijn vrouw de taxi-kosten niet wilde betalen.
Inmiddels was ik in Het Gouden Hooft aangekomen, en van mij leende Jan toen geld om weer met een taxi naar Wassenaar te rijden.
Nu eiste hij f 28,50, plus… twee maal de taxi-kosten.
Mevrouw weigerde weer.
Voor de derde maal liep Jan die dag naar Den Haag.
Op dat ogenblik was meneer thuis gekomen en deze beloofde het geld en de taxi-kosten te betalen.
Deze keer liep Jan naar Wassenaar. Meneer vond dat hij dan ook maar twee keer een taxi hoefde te betalen. Nee, zei Jan, vier keer. De man ging, om maar van hem af te zijn akkoord.
Daarop zei Jan hem: hou het geld maar, nu heb je een schuld aan mij en je zult geen kerstdag meer hebben dat je daar niet aan zult moeten denken.’

Heere Heeresma: ‘In die tijd was Amsterdam hét Mekka voor de scheppende mens. Al die Haagse mensen hadden maar één verlangen: zich mettertijd te vestigen in Amsterdam. Je moet bedenken dat de afstand Den Haag-Amsterdam toen zo groot was de afstand Amsterdam-Parijs nu. Verhuizen was een hele onderneming. Ik heb toen heel wat feestjes meegemaakt van mensen die in Amsterdam gingen wonen: afscheidsfeestjes. Op Jan Arends na zijn ze allemaal teruggegaan. Die harde mentaliteit, die struggle for life konden de meesten niet aan. Maar Jan Arends trok halverwege de jaren vijftig wel naar Amsterdam, en hij bleef daar. Al is wonen wat te veel gezegd, want hij had natuurlijk steeds zijn huisknechtschappen, en zijn regelmatig verblijf in psychiatrische inrichtingen.’

‘Het was in die jaren zo dat je, als je reisde, ook wel eens terecht kon bij het Leger des Heils, maar dat was lang zo prettig niet. Je moest daar onder toezicht in bad, tien minuten bidden voor een smakeloze prak eten en de mensen op de slaapzaal waren meestal erg vervelend. De psychiatrische inrichtingen waren daarom veel beter. Je kreeg daar uitstekend te eten, je kon goede gesprekken voeren, er was bedienend personeel tot je genoegen, goede bewassing, en je hield er vaak wat kleren aan over. Natuurlijk, Jan Arends had volstrekt gelijk dat hij zich daar liet opnemen! En juist dat je er niet zo makkelijk werd opgenomen, gaf het ook iets van sportiviteit. Je moest er wat voor doen om in zo’n inrichting toegelaten te worden.’

‘Voor Jan waren er in die eerste, arme tijd drie inkomstenbronnen. Voor zijn lust had hij de mevrouwen, voor zijn intelligentie de reclame en daartussendoor was er af en toe een inrichting. Zo was zijn leven. We jatten uit de melkkratten op de stoep melkflessen. Waarbij we niet alles bij één melkboer haalden, want dat vonden we oneerlijk. De melk gooiden we dan in een grote teil en daar dronken we uit als we honger hadden, en van het statiegeld kochten we shag en brood. We aten ook brood met ui, de maaltijd van de armen.
Kun je je voorstellen dat we dan soms hunkerden naar een normaal leven? In Gedichten uit 1965 schreef Jan Arends voor mij de opdracht: ‘En alle dagen koekjes bij de thee thee met suiker suiker met centjes zonnige dagen en veel grote hoge mooie gedachten in het verleden.’

‘Voor de Haagse Post heeft Jan een keer een kerstverhaal geschreven, een van zijn mooiste verhalen. Nee, dat wordt in dat boekje van De Engelbewaarder niet genoemd, er staat wel meer niet in dat boekje. In dat kerstverhaal komt onze situatie in de vijftiger jaren volledig tot zijn recht. Het gaat over een man die zo mager is dat hij zijn hand onder de deur door kan steken om te tasten naar de melkflessen. Hij had dan weliswaar niet de melk, maar hij kon wel de flessen voelen.
De reden waarom Jan Arends is opgenomen in Paviljoen III? Het kan zijn dat hij een black out heeft gehad. Hij was op een keer op de Linaeusparkweg binnengebracht, en daarna ging hij door naar Paviljoen III. Maar omdat hij nu eenmaal niet gek was, was er voor hem een andere reden om daar te blijven. Die reden heeft hij me verteld: hij kon er gratis zijn gebit laten saneren.

‘Op een gegeven moment zijn de banden tussen Jan Arends en mij losser geworden. Een dramatische geschiedenis. Wij woonden in Amsterdam onder moeilijke omstandigheden. Op de lip van de verhuurder. Mijn zoon was een jaar of drie en net erg ziek. Om twee uur ‘s nachts werd er op de gezamenlijke bel van de verhuurders en van ons gedrukt.
Daar stond Jan. Totaal beschonken. Onder aan de trap.
Hij had zeker twee liter jenever op. En maar huilen. Hij zei: ik weet het niet meer, en daarom ben ik nu naar jou gekomen. En hij begon de trap te beklimmen.
Dat kon natuurlijk niet.
Intussen waren ook de verhuurders wakker geworden en die bogen zich over de trapleuning om te zien wie daar zo laat gebeld had.
Jan opende de kruik jenever die hij onder zijn arm droeg, en vroeg hun: is dat uw eigen traploper, van de woning boven? En hij goot de kruik jenever leeg op de loper.
Dat kon natuurlijk niet! Dat soort mensen roepen in zo’n geval onmiddellijk voor het minste of het geringste de politie en de brandweer.
Ik heb hem toen maar naar beneden geholpen, en al het geld dat ik had heb ik in zijn zakken geduwd.
Het kon niet…

‘Toch was hij ook in de jaren zeventig nog goed aanspreekbaar. Ik herinner me dat ik hem een keer meenam naar mijn ouderlijk huis. Mijn moeder zei: zo, zo, mijnheer Arends, ik zie het al. Hier heeft u een schone handdoek en een nieuwe tandenborstel, en dat is de deur van de badkamer. Ik zal eens kijken of ik nog ergens een overhemd heb van een van mijn zoons en een paar stevige stappers, dan zijn we al een heel eind.
Daarna heeft Jan Arends nog geprobeerd mijn moeder te frapperen met vreselijke verhalen over gevangenschappen en werkplaatsen.

‘We hadden een waarachtige relatie. Dat kan ik bewijzen met een anekdote. Ik was net uit Frankrijk terug in Nederland op het moment dat Keefman verscheen. Ik zag het boek liggen bij de Atheneum Boekhandel en kocht het meteen.
Toen ik de winkel uitliep, stond daar Jan, met een glas pils op het trottoir bij Hoppe.
Ik zei: ik heb net je boek gekocht.
Hij antwoordde: maar jij had het toch van mij kunnen krijgen.
Ik zei: Jan, echte vrienden krijgen niet elkaars boeken, die kopen ze in de boekwinkel.
Met zijn gevoel voor zuiverheid was hij ook een van de weinigen die de directeur van De Bezige Bij in de kortste keren gepeild had. Dat bewijst de manier waarop hij over deze sprak: ‘ene Lubbers’.

‘Eén figuur die een fatale invloed op Arends heeft gehad, moet nog vermeld worden’, vindt Heeresma. ‘Een grote mooie blonde – vrouw is niet voldoende – instelling. Gescheiden van een chirurg, meen ik. In ieder geval tilde ze een enorme alimentatie.
Haar naam zal ik niet noemen – Arends geeft haar adres in een brief aan Bert Bakker: Bloemgracht 8 II.
In haar vond Jan Arends zijn definitieve droom. Ze misbruikte hem op schandelijke wijze. Jan liet altijd briefjes voor haar achter met telefoonnummers waar ze hem in de loop van de dag kon bereiken.
Deze dame hield van een keil. En als ze eenmaal bezig was, kwam ze onherroepelijk terecht in de kitten van de Zeedijk, waar het brok onmiddellijk werd bedreigd.
En dan begon het bellen, naar Jan.
Deze stormde dan met de kreet ‘hier is de controleur’ het café binnen, om er een seconde later, bij de eerste klap, met bloed op zijn gezicht weer uitgesmeten te worden.
Maar de kleine, magere man hield vol, net zo lang tot hij haar in een gereedstaande taxi had gemanoeuvreerd, waarna ze verder zonder naar hem om te kijken in haar eentje naar huis reed.
Om de een of andere reden heeft ze toch een eind aan de relatie gemaakt.
Toen heeft Jan gedacht: oké, dan doe ik deze situatie voortaan op mijn eentje.
Op dat moment is bij hem het drinken begonnen.
Voordien dronk Jan Arends bijna niets. Een kop koffie, en als hij een glaasje dronk, liet hij het halfvol weer staan.
Maar toen ging het met liters jenever tegelijk, en we weten dat drank niet het allerbeste in ons wakker maakt.

‘Het erge van het boekje van de Engelbewaarder over Jan Arends,’ zegt Heere Heeresma, ‘vind ik dat de kopers ervan bedonderd worden. Het valt te hopen dat iedereen zijn exemplaar terugbrengt naar het literair café De Engelbewaarder en zijn geld terugvraagt.
Het idee zal wel weer geboren zijn op een natte zondagmiddag. Een van de redacteuren bewees zijn aard weer eens: ene Aarts, sinds jaar en dag bekend als hobbyist die andermans werk gebruikt voor zijn hobby als uitgever.

‘Men heeft niet gezocht naar informatie over Arends,’ zegt Heeresma, ‘maar men heeft mensen benaderd die goed lagen in de persoonlijke relatie. Maar dat is geen dilettantisme, dat is bedrog.
De onbenulligheid van de samenstellers wordt in het boekje zelf bewezen. De journaliste van de Libelle, mevrouw [Mischa R.M.] De Vreede, begreep niet eens dat Jan Arends haar gebruikte zoals hij ook zijn ‘dames’ gebruikte, de dames bij wie hij in dienst trad als huisknecht. Zo vertelt ze in het boekje dat Jan Arends haar gezonken roeiboot wel eens even boven water zou halen. Dat past toch precies in de meesteres-knecht verhouding! Maar dat ziet ze niet!’
Waar Jan in het verhaal van Mischa de Vreede niet op gerekend had, was dat ook Joop Waasdorp was uitgenodigd. ‘Zoals ‘meneer’ vroeger tegen Jan geen enkele opmerking mocht maken over zijn werk als huisknecht, zo hield Jans hulp prompt op toen Joop Waasdorp verscheen. Het moet kostelijk zijn geweest de dialoog te volgen die toen begon. Jan op de oever, de handen in zijn zak, met zijn zuigende adviezen aan de zich in het zweet werkende Joop Waasdorp.’
‘De meeste medewerkers aan dit boekje,’ zegt Heeresma, konden slechts op Arends’ grote minachting rekenen. ‘Met uitzondering van een niet-literator: Jan Hein Donner. Dat is de enige die in formatie geeft, de enige die probeert uitspraken te doen over Arends.’
Maar ze kunnen zich niet beroepen op onwetendheid, vindt hij, want in de bibliografie noemen ze nota bene het boek van Cornets de Groot. ‘Bij hem hadden ze om te beginnen een draad van de informatie te pakken kunnen krijgen.’

Heere Heeresma: ‘Een half jaar voor zijn dood ontmoette ik Jan Arends in de restauratie op het eerste perron van het Centraal Station.
Hij keek me aan, en zei toen: erg hé, die boekies.’

Verscheen eerder in NRC Handelsblad van 28 augustus 1979. Gedeelten werden opgenomen in ‘…en greep me duchtig bij de keel’ een bundel Heeresma- interviews, gebundeld door Hans Dütting, uitg. Peter van de Velden, 1981. 

 

Geef een reactie