1969: ‘De wereld en wij’ – De geboorte van een literatuur-redacteur

1969, Prinsengracht 241: de jonge dichter in spe leest op zijn studentenkamer Gerard Reve’s ‘De avonden’

Door Reinjan Mulder
Voor veel oud-redacteuren van Propria Cures is hun redacteurschap de opmaat geweest voor een glanzende carriere in de journalistiek of de literatuur. Maar voor mij, redacteur van 1972 tot 1974, werd het bijna het einde. Op 22 februari 1969 maakte de redactie van de ‘Dichtershoek’ van het nog net niet met de NRC gefuseerde Algemeen Handelsblad bekend wie de wedstrijd had gewonnen bij  het tienjarig bestaan van deze populaire rubriek voor jonge dichters. Dat ging zo:

‘Begin december 1968 werd – omdat onze Dichtershoek weldra tien jaar zal bestaan – een prijsvraag voor jonge dichters (leeftijd ten hoogste 20 jaar) uitgeschreven. Gevraagd werd een gedicht te maken over het onderwerp ‘de wereld en wij’. Op 8 februari sloot de termijn voor inzendingen en sindsdien is de redactie van Eigen Wijs, bijgestaan door redactieleden van het Handelsblad Supplement bezig geweest met het door- en nalezen van de ruim vijftig inzendingen.
Het werd vorige week al even gezegd: er was veel kaf onder het koren, veel rijmelarij en ook veel opgeschroefd poëtisme met moeilijke gedachtekronkels en machteloos woordgebruik, met een overvloed aan () tekens en &-tekentjes, om maar niets te zeggen van de …. , die nog altijd opgeld doen.
Gelukkig blijkt de minimode van heel korte regeltjes in het genre van

ik
ben
dich-
ter &
mens te-
gelijk

zo langzamerhand wel geheel afgeschreven.
Goed voorbeeld van de nieuwe dichtstijl, die we in eindeloos veel variaties en nuances in de dagelijks toegezonden dichtershoek-enveloppen tegenkomen, is het werk dat werd ingeleverd door de zojuist 20 jaar geworden Pieter Agsteribbe, wonende Laplacestraat 59 II, Amsterdam-O. Zijn gedicht (…) is na veel overleg en gepeins uit de bus gekomen als het beste van deze wedstrijd. Niettegenstaande enkele kleine onregelmatigheidjes (een woordje ‘zo’ of ‘we’ te veel, maar dat mag niet erg hinderen) vinden we dit gedicht een eerste prijs (een boekenbon van f 50,-) waard.
Hier is het, wat Pieter Agsteribbe van ‘wereld en wij’ maakte: 

toen de andere mensen kwamen
om de grachten te dempen
en de ganzen te slachten
hoorden wij voor het eerst de namen

we waren al lang zo in het bos gebleven
de grootste bomen zakten scheef en
de vogels waren niet meer teruggekomen
sinds er de hagen waren weggehaald 

in het begin nog deden we of we niets zagen
de brug werd afgebroken, de lege duiventil
maar toen overal de verlichting werd ontstoken
hielden we stil en stelden we vragen 

we wilden ze niet tegenhouden
even later hielpen we zelfs mee
het hout van ons bos was te oud en
werd zwart als de zwaan in het water 

we verloren tenslotte ook spoedig elkaar
in een werkelijke wereld liet we los
want daar in die gang van die mensen
waren we niet meer de wij van ons bos’

Ik was het gedicht al lang weer vergeten, maar tijdens een recente discussie over de duiventil die vroeger op landgoed Mariënwaerdt zou hebben gestaan, schoot mij opeens dat ene regeltje te binnen: ‘de brug werd afgebroken, de lege duiventil’. Want ja, de ‘Pieter Agsteribbe’ die in 1969 de Dichtershoek-prijs won, dat was de op 11 januari inderdaad net twintig geworden Reinjan Mulder.

Reinjan Mulder, Gedicht ‘De koeien’. In: Dichtershoek Algemeen Handelsblad, 4-1-1969

Ja, ik was het, die de wedstrijd won met wat in een naschrift een ‘zinvolle biecht van ontoereikendheid, oververzadigd van jeugdsentiment’ werd genoemd. Anderhalve maand eerder (4-1-1969) had net al een ander gedicht van mij in de Dichtershoek gestaan, ‘De koeien’, en anderhalf jaar eerder (13-7-1968) had de achterpagina-rubriek ‘Eigenwijs’ van het Handelsblad een ‘aardig reisverhaal’ over Joegoslavië van mij geplaatst, met een eigen foto, en ik wilde niet dat deze jeugdige wapenfeiten zouden worden meegewogen bij de beoordeling van mijn voor de prijsvraag ingezonden gedicht. Ze kenden me daar inmiddels, en mijn nieuwe gedicht, en alleen maar dat ene gedicht moest het nu doen.
En dat deed het ook, gelukkig, al was mijn pseudoniem voor wie mij wat beter kende vrij doorzichtig. ‘Pieter Agsteribbe’ was de samensmelting van mijn tweede voornaam (Pieter) en de achternaam van mijn toenmalige vriendin Muriël Agsteribbe, die in die tijd op kamers woonde bij mijn oma, op nummer 59 II van de Laplacestraat. Het felicitatie-briefje bij de boekenbon kon door die constructie zonder veel omwegen in mijn bezit komen, en ik heb het daarna nog jarenlang bewaard, als bewijs van mijn vroeg poëtisch kunnen.
Voor wie mij beter kende, was ook het gedicht zelf trouwens al behoorlijk doorzichtig. Het bos dat ik in mijn gedicht opriep, was het bos van Mariënwaerdt, waar ik vaak met mijn vriendin had gewandeld en dat er eind jaren zestig ernstig verwaarloosd bij lag. De bomen zakten scheef, de hagen werden gesnoeid en in de grote, gele duiventil zaten inderdaad allang geen duiven meer.

Het sprookjesbos waar we, 18, 19 jaar oud, zo heerlijk gewandeld hadden, was in verval geraakt –  net als de ooit zo romantisch begonnen relatie met mijn vriendin.
Maar wie had toen kunnen denken dat de jeugdige dichter die ik in 1969 was, vijf jaar later nog eens vaste literatuurmedewerker zou worden van de fusiekrant die nu NRC Handelsblad heet? En wie kon voorspellen dat hij daar in 1979 zelfs tot kunstredacteur zou promoveren, om nog eens tien jaar later, door de van het oude Handelsblad (!) afkomstige hoofdredacteur Wout Woltz gevraagd te worden om als opvolger van mr. K.L. Poll literatuurredacteur aan te treden van de – inmiddels fors gegroeide – krant?

Dichtershoek Algemeen Handelsblad, 22 februari 1969

In die tussentijd was ik redacteur van het studententijdschrift  Propria Cures geworden, en sindsdien schreef ik geen gevoelige gedichten meer. Ik had me daar volledig toegelegd op verhalen, reportages en polemische stukken, ja, vooral veel polemische stukken. Nog één keer had ik een andere literaire prijs gewonnen, die werd beloond met 300 gulden, 500% meer dan mijn eerste prijs, plus een eervolle plaatsing in De Gids, wat ook zeker één of twee klassen hoger was dan de op beginners gerichte Dichtershoek van het Handelsblad, maar toen ik daarna weer een nieuw, en naar mijn gevoel nog mooier gedicht schreef dat achtereenvolgens door twee (!) literaire tijdschriften werd geretourneerd, was voor mij de lol er ook een beetje af en stortte ik mij met dubbele energie op proza.
Ik zou in 1989 ook absoluut niet meer gesolliciteerd hebben op de functie van literatuurredacteur bij NRC Handelsblad. Ik was inmiddels gepromoveerd en had een goede baan gekregen als criminoloog bij het SCP, en er waren genoeg kandidaten, dacht ik, die dat literatuur-redacteurschap van een kwaliteitskrant méér ambieerden dan ik.
Maar kennelijk werd de jeugdige, melancholieke dichter van weleer door de redactie van NRC Handelsblad na zoveel jaar toch weer terugverwacht op het oude nest.

Verscheen eerder in het Dies-nummer van Propria Cures, op 16 januari 2021.

 

 

Geef een reactie