Een ander Auschwitz – Arnon Grunberg in Carré

Lunchpauze. Met Arnon Grunberg aan het redigeren in het Amstel Hotel. Ca. 2007.

Door Reinjan Mulder
UPDATE 13-9-20 Ik had van iemand met corona-verschijnselen een kaartje gekregen voor de late voorstelling van Arnon Grunberg in theater Carré en meldde me zoals opgegeven tussen 20.45 en 21.00, het aangegeven ‘tijdslot’, bij ingang B, links van de hoofdingang. Niet dat ik zelf geen kaartje had willen kopen, maar toen ik me daarvoor aanmeldde, waren alle eenpersoonskaartjes al op en mijn enige huisgenote had toen al andere plannen.
Het was nog even wennen, zei de portier bij ingang B, in zijn mooie, rode uniform. Carré was maandenlang dicht geweest, en de looproutes waren nog niet uitgekristatliseerd, en hij verwees me zo aardig mogelijk naar ingang A, wat de hoofingang van het theater bleek te zijn. Daar mocht ik bij binnenkomst mijn kaartje scannen, ‘go’ zei het schrempje op het apparaat, en kon ik meteen nog even mijn gezichtstemperatuur laten opmeten, 36.8, maar toen ik eindelijk bij de ingang van de zaal was aangekomen, werd ik daar weer teruggestuurd, terug de hal in en rechts de trappen op, waar ik nogmaals mijn groot uitgeprinte kaartje moest laten inscannen, dat – inderdaad – al een keer eerder was gescand.
‘Go, Reinjan, Go!’
Ja, het was allemaal nog even wennen, ook voor mij, toen ik bijna een uur lang met niemand aan mijn zijde op het balkon had zitten wachten totdat de enorme, hoge circus-zaal was volgelopen, of wat daar onder het coronabeleid van Carré voor door moest gaan, en een vriendelijke stem uit een luidspreker ons allen hartelijk welkom heette en vroeg of we wel onze mobieltjes wilden wegdoen, omdat die met hun lichtjes de nu snel beginnende voorstelling zouden kunnen verstoren.

Maar het lange wachten in eenzaamheid loonde, uiteindelijk. Ik had aanvankelijk enige aarzeling gevoeld om te gaan luisteren naar 5 kwartier voorlezen voor veertig euro, daarom waren de kaartjes natuurlijk op, toen ik eindelijk over de brug wilde komen. Waarom zou ik iemand die ik door de week wel eens op het Beukenplein tegen het lijf liep, bij Bry, nu vanaf 50 meter afstand in Carré gaan bekijken? Hij was toch geen cabaretier.
De voorstelling bleek echter onverwacht goed en erg boeiend.
Was dit niet voor het eerst van mijn leven dat ik uitgebreide ooggetuige-verslagen van Auschwitz hoorde, zonder daar ook maar enig beeldmateriaal bij te zien? Misschien hadden de bekende beelden van de Duitse kampen wel in niet geringe mate aan mijn aanvankelijke aarzeling bijgedragen om naar Grunbergs voorstelling te gaan. Ik kende ze inmiddels uit mijn hoofd, en vond het genant daar steeds weer naar te gaan kijken. Maar in Carré was bijna alles op woorden gericht, op taal – en een heel klein beetje op muziek, mooie musiek: Leonard Cohens prachtige The Partisan door twee al wat oudere mannen met gitaren, en het opstandige, Duitse Die Gedanken sind frei, dat mijn moeder altijd voor ons zong toen ik klein was.
Alles deed me huiveren.
Arnon Grunberg zat de hele voorstelling door midden op het toneel in een lichtcirkel, en om hem heen zaten enkele anonieme voorlezers, in hun eigen lichtcirkels, die om de beurt fragmenten voorlazen, zonder dat altijd duidelijk werd van wie ze afkomstige waren. Van Arnon zelf, van Primo Levi? van M.S. Arnoni?
Ik vroeg me af of Arnon Grunberg die laatste naam in de loop der jaren misschien wel daarom zo vaak in zijn stukken noemde, omdat zijn eigen naam er zo wonderlijk in weerspiegeld werd: Arnoni, als was het een samentrekking  van Arnon en Primo Levi.

Arnon zelf las voornamelijk eigen teksten voor, voor zover ik kon nagaan, met hier en daar een citaat, van Marga Minco en anderen. Niet zozeer teksten uit de kampen, als wel over de kampen, en ook over wat het is om nu nog jood te zijn.
Ik moest terugdenken aan de lange sessies die we in een ver verleden hadden, toen ik Grunberg begeleidde bij het schrijven van – onder meer – De Joodse Messias. Alle clichés over het jood zijn kwamen daar toen voorbij, wat hebben we daar destijds in New York een plezier om gehad.
Het schoot me te binnen hoe Arnon de eerste keer dat we wat langer over zijn mnoeder praatten en ik hem vroeg in welk concentratiekamp zij gezeten had, ‘Theresienstadt’ antwoordde, het modelkamp van de nazi’s, alsof hij het veel meer belaste woord ‘Auschwitz’ koste wat kost vermijden wilde.

De Arnon Grunberg van gisteren was in de tussentijd duidelijk een andere Grunberg geworden, alsof de dood van zijn moeder een luikje bij hem had open gemaakt. Hem met zijn neus op de feiten had gedrukt. Op de onvoorstelbare werkelijkheid van Auschwitz.
Erg veel gelachen werd er gisteren dan ook niet. Sterker nog: ik geloof niet dat iemand in Carré ook maar één moment tijdens de voorstelling enig geluid heeft gemaakt – en dat zegt wat, bij bijna anderhalf uur Arnon Grunberg op een zo groot toneel als dat van Carré.
Zelfs na afloop van de avond aarzelden de meeste mensen nog om te klappen of op andere manieren hun waardering of afkeuring te uiten, alsof we bij een authentieke uitvoering van de Mattheus Passion hadden gezeten: Wir setzen uns mit…
Ook zelf was ik behoorlijk aangedaan, merkte ik, toen ik tegen 11 uur weer in stille afzondering door ouvreuses met mondkapjes over de steile trappen van Carré naar buiten werd geleid – wat me toch bevreemdde, omdat ik in al die jaren al zo verschrikkelijk veel over de Duitse concentratiekampen heb gelezen, gezien en gehoord.
Alleen al daarom was het voor mij een gedenkwaardige voorstelling, voor het eerst in een gedecimeerd maar vol Carré, met een andere Arnon dan ik kende, die me nu misschien eindelijk een blik op het echte Auschwitz heeft gegund.

Geef een reactie