De stad uit – voorpublicatie uit: ‘Piet Mulder – Schilder van het Betuws landschap’

Piet Mulder: Zelfportret als poppenspeler (fragment), 1955

Bij uitgeverij De Weideblik in Varik verschijnt deze maand Piet Mulder – Schilder van het Betuws landschap, een met 160 afbeeldingen geïllustreerd boek over Piet Mulder (1919-2001). Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag beschrijft zijn zoon Reinjan Mulder daarin het leven van zijn schilderende vader. Hieronder als voorpublicatie: vertrek uit Amsterdam.
Door Reinjan Mulder

In de zomer van 1945 begon mijn vader, Piet Mulder (1919-2001), aan een tweede leven. Hij was bijna 26 en had al op heel wat adressen gewoond, in het Zeeuwse Sint Jansteen, waar hij op de Nederlands-Belgische grens als zoon van een douanecommieswas geboren, in grensplaatsen als Roosendaal en Winterswijk, en later in de havensteden Tiel, Leiden, Rotterdam en Amsterdam, maar in 1945 verhuisde hij met Hanna naar de plek waar hij nooit meer weg zou gaan: het Betuwse Geldermalsen.

Piet Mulder, Waaldijk Opijnen, oil on canvas, 1974

Hij had wortelgeschoten. De Nederlandse Spoorwegen, waar hij op de tekenkamer werkte, had hem naar het Gelderse rivierengebied gestuurd om bij het herstel van de bruggen te helpen die daar waren opgeblazen, en daar is hij tot zijn dood blijven wonen. In de hongerwinter 1944/1945 hadden de Duitse bezetters de laatste nog resterende spoorverbinding met het zuiden lamgelegd zodat de kolentreinen uit Zuid Limburg nu door de Betuwe naar de randstad moesten rijden, via Nijmegen en Tiel, maar ook daar lag nog heel wat in de vernieling. Mijn vader kreeg die eerste maanden in Geldermlasen een auto met chauffeur en samen met de Britse Royal Engineers legde hij die zomer de ene noodbrug na de andere in de Betuwe.
Maar dat mijn vader daarna nooit meer is weggegaan uit de Betuwe, kwam doordat hij van de spoorwegen in 1945 na een paar maanden een eigen huis kreeg toegewezen, een huis dat hem beviel. Het Geldermalsense Tuindorp waar hij bij toeval terechtkwam, was in de jaren twintig in een aangename Amsterdamse Schoolstijl gebouwd voor mensen met lagere inkomens en dat paste wel bij hem: onopvallend wonen, in de luwte, met een grote tuin, vrij uitzicht op de velden en vlak bij het station.
Op Tuindorp woonden meer spoormensen in die tijd, een gepensioneerde spoorman, de seinhuiswachter van het station en de mensen van het loket waren zijn buren. In de 56 jaar dat hij er woonde, heeft hij een paar keer overwogen om naar een groter huis te verhuizen. Hij had een tijd een oogje op Flandria, een weelderig villa in de uiterwaarden achter Tricht en later op iets moderns in Buren, maar elke keer zag hij op tegen het verhuizen en tegen de lange fietstocht naar het station, en dan dacht hij: waarom zou ik? Hij had het toch goed voor elkaar? De treinforens die hij was, zou vanuit die andere huizen veel langer onderweg zijn naar Utrecht en die tijd besteedde hij liever aan tekenen en aan zijn gezin.

Vuurtorenbeheerder Sue Daish in Harwich tussen drie werken van Piet Mulder in de vuurtoren tijdens het Harwich Festival of the Arts 2015.

Vooral dat tekenen ging hem ter harte. Sinds hij bij de spoorwegen werkte, had hij in Utrecht avondlessen aan de Vrije Academie Artibus gevolgd, bij de schilder Mar Diemel, en dat had hem in zijn greep gekregen. Mijn vader had bijna zijn hele leven al getekend, dat viel al op op de lagere school in Winterswijk, maar bij Artibus was hij ook met beroepskunstenaars in aanraking gekomen en die stimuleerden hem. Samen met hen tekende hij naar model, wat hij daarna altijd is blijven doen, en hij exposeerde ook met hen. Utrecht had een traditie op het gebied van de beeldende kunst en in het blad van Artibus kwamen serieuze  recensies van zijn werk te staan. In maart 1952 schreef academie-directeur Diemel bijvoorbeeld:
[Piet] Mulder heeft ons voor een verrassing geplaatst. Het lijkt erop dat hij zeer nadrukkelijk zijn weg gevonden heeft. Laten we daar echter niet al te zeker van zijn want Mulder is nog jong en heeft een aangeboren neiging tot het experiment. De beweeglijkheid en de onrust kenmerken hem als een typisch modern mens. Door zijn snel onbevredigd zijn, het gebruiken van verschillende technieken en materialen zou men de indruk kunnen krijgen dat Mulder van de hak op de tak sprong en naar alle richtingen keek. Het wil mij voorkomen dat dit slechts schijn is. (…) Zijn arbeid verdiept zich, zijn kleur wint aan kracht en zuiverheid. In al zijn technieken boekt hij winst en niemand kan zijn groeiende persoonlijkheid ontkennen.     

Piet Mulder, Reinjan in bad, ca. 1953

Wat in deze eerste recensie die ik van hem ken, in het bijzonder opvalt, is het ‘aangeboren’ experimenteren dat mijn dan 33-jarige vader dan al van anderen onderscheidt. En ook dat Artibus persoonlijkheid in zijn werk ziet ontstaan.
Die persoonlijkheid, zo weten we inmiddels, zal uiteindelijk een voorkeur ontwikkelen voor het werken naar de natuur. Piet Mulder zal zijn leven lang blijven experimenteren, maar dat experimenteren zit vooral in de techniek en de suggestie die hij in zijn lijnen en penseelstreken legt, in het suggereren van sfeer en diepte, en niet in het loslaten van de herkenbare werkelijkheid.
Een half jaar na de recensie van Diemel schrijft zijn collega O. Kerssen in het blad van Artibus:
Zagen we het vorige seizoen veel experimenteel werk van Mulder, in het nu geëxposeerde kwam tot uiting de behoefte tot een heropnemen van het contact met het natuurbeeld. Als we altijd vanuit de realiteit, en regelmatig teruggrijpend op die realiteit, experimenteren, is dit stellig de gezondste weg. Zo alleen is het experiment zinvol en dat blijkt Mulder te beseffen.
Overigens heeft dit teruggrijpen hem niet misleid, waardoor hij zou zijn afgegleden naar het naturalistische sfeertje, er zit in dit minder onstuimige, maar even knappe werk stellig de winst van voorgaand experimenteren. Vorm en kleur zijn sterker opgevoerd en het totale vlak heeft meer waardering.
Enkele jaren terug bracht Mulder nog wel eens olieverf, de laatste tijd schijnt hij zich meer te bemoeien met luchtiger technieken als aquarel, gouache en ets, waarin hij zich prachtig weet uit te drukken.

Juist door het experimenteren van de eerste jaren, zo lijkt het, is mijn vader dichter bij de zichtbare natuur gekomen waar hij erg van hield. In 1954 lezen we in het blad van Artibus:
Zagen we eerder een sterke neiging naar het abstracte, nu staat de natuurlijke vorm weer centraal. Door het experimenteren heeft de kennis van de vorm en het karakter echter gewonnen en bij een beweeglijker lijnvoering zien we tevens een verdieping, een factor van niet te onderschatten belang.

Piet Mulder, Hanna bij de grammofoon

In de twee jaar die tussen deze eerste en laatste recensie zijn verlopen, tussen 1952 en 1954, was ikzelf nog een kleuter en had ik andere zaken aan mijn hoofd dan het schilderen van mijn vader (ik schilderde liever zelf), maar toen moet het gebeurd zijn. Door zijn verblijf op Artibus was mijn vader vertrouwd geraakt met de moderne kunst. Hij had de abstractie ontdekt, maar negen jaar na zijn verhuizing naar de Betuwe kiest hij bewust voor iets anders, voor het werken naar de natuur.
Ook bij het werken naar de natuur, zal hij me later uitleggen, kun je abstraheren en je op vormen en kleuren toeleggen: ‘Schilders als Breitner of Turner zijn meesters in het experimenteren geweest, maar hun inspiratie haalden ze uit de werkelijkheid, en uit het verbeelden van die werkelijkheid.’
En die werkelijkheid was zijn leven op Tuindorp. Tot ver in de jaren vijftig zal hij de tekenavonden in Utrecht blijven bezoeken en als een bezetene blijven tekenen en schilderen, maar sommige motieven keren steeds weer terug. Die vindt hij in zijn naaste omgeving: op Tuindorp, waar inmiddels twee kinderen zijn geboren, mijn zusje Els (1946) en ik, bij zijn vrouw Hanna en de meisjes van haar balletklasjes, en op de landelijke wegen direct om Tuindorp heen, het Laageinde, de Meterse Mark, de Voetakker, de Lingedijk aan weerskanten van het station en de Meersteeg.

Mijn vader gaat later ook steeds meer buiten Artibus om exposeren. In de plakboeken die hij naliet, vond ik een uitnodiging uit 1955 voor een tentoonstelling in Kunsthandel Arti in Utrecht, waar hij met Frans Boers exposeert en met Johan Ponsioen, de Tielse schilder (1900-1969), met wie hij altijd bevriend zal blijven. Via zijn broer Rein exposeert hij in Amsterdam bij de cafés Hoffman en PéCé-corner in de P.C. Hooftstraat en via zijn schoonouders bij het Cinetol-theater in de Tolstraat.
In datzelfde jaar 1955 is er nu ook werk van hem te zien in Culemborg, op wat de eerste Betuwse groepstentoonstelling moet zijn na de oorlog. De VVV West-Betuwe en Bommelerwaard heeft die in het fraaie Stadhuis aan de Markt georganiseerd, met schilders als Ary Baggerman uit Vianen (1905-1972), Reijer Murman (1908-1981) uit Geldermalsen en de dan al oude Willem Witjes (1884-1962), die in een huisje in het Culemborgse veld woont. Ook met hen zal hij tot aan hun dood bevriend blijven.

Het reuzeschilderij van het Laageinde in Geldermalsen, ca. 1958

Met name met zijn plaatsgenoot Reijer Murman zal het contact nog lang hecht blijven. Ik herinner me fietstochtjes met mijn zusje Els en mij naar Mariënwaerdt, waar ‘oom Reijer’, zoals wij hem noemden, in een parlevinkerbootje in de Linge bivakkeerde.
Ook herinner ik me een onvoorstelbaar groot project voor de Buurtvereniging Tuindorp-Laageinde waarvan zij beiden lid waren. Dagen achtereen werkte mijn vader toen met oom Reijer op de deel van een boerderij aan een reuzendoek van zeker 7 bij 7 meter, dat als decor moest dienen voor de sinterklaasfeesten van de vereniging. Op dit doek was een boerenstraatje te zien waaraan een paar oude huisjes en een ingezakte hooiberg lagen en over het straatje zeulde een man met veel geweld een varken naar huis.
Ik heb het doek nu al vijftig jaar niet meer in het echt gezien en ik weet ook niet waar het is, een oproep op Facebook leverde niets op, maar in mijn verbeelding is het inmiddels tot een Geldermalsense Nachtwacht uitgegroeid, met zijn meer dan 50 vierkante meter: een Nederlandse pendant van Ensors befaamde Intocht van Christus in Brussel.
Erg realistisch was het doek van mijn vader en oom Reijer niet. Aan de linkerkant was een zweefmolen geschilderd, waarin kinderen zaten die vrolijk de zaal in zwaaiden. In Geldermalsen kwam inderdaad weleens een zweefmolen, tijdens de jaarlijkse kermis, maar die stond dan op het kermisterrein, op de wei van Langendijk, onder aan de Lingebrug.
Wel was het straatje op het doek naar de werkelijkheid gemodelleerd, zo weet ik sinds kort. In het Regionaal Archief in Tiel vonden we recent de pentekening van mijn vader terug die als voorbeeld voor het immense doek moet hebben gediend. Een straatje in Tricht, aan de andere kant van de Linge, zonder boer en zonder varken. En inderdaad: de zweefmolen ontbreekt daar natuurlijk.
Mijn vader en Reijer Murman schilderden allebei graag naar de natuur, maar samen op de deel van de boerderij hadden ze voor één keer hun fantasie de vrije loop gelaten.

Het boek ‘Piet Mulder – Schilder van het Betuws landschap’, een uitgave van De Weideblik, is in elke goede boekhandel te koop of te bestellen. Omvang 160 blz. Prijs €25,-
Ter gelegenheid van zijn honderste geboortedag is er in de Betuwe tot begin oktober een Piet Mulder Kunstroute opgezet langs 10 locaties waar werk van de schilder te zien is:
– de Stapelbakker in Marienwaerdt;
– Cultureel Centrum De Pluk in Geldermalsen;
– het Flipje- en Streekmuseum in Tiel;
– de Gelderlandfabriek en het Museum Elisabeth Weeshuis in Culemborg;
– de Taveerne bij het Fort in Asperen;
– het Stadskasteel in Zaltbommel;
– het Veerhuis in Varik;
– het Stroomhuis in Neerijnen en
– Museum Baron van Brakell in Ommeren.
Tegelijkertijd toont de boekhandel Het Open Boek in Den Burg Texels werk van Piet Mulder.
Voor meer informatie click hier.  

 

Geef een reactie