Zwavelwater – De geschiedenis van Adriaan Stoops kuuroord in Zuid-Duitsland (Voorpublicatie)

Op 18 april werd in het Goethe Institut het boek Zwavelwater gepresenteerd. Reinjan Mulder beschrijft daarin de reis die hij na zijn eindexamen naar Duitsland maakte op uitnodiging van een klasgenote wier familie een chalet in Bad Wiessee bezat. Later bleek het chalet bij een bekend Nederlands kuuroord te horen dat het decor was van een reeks beladen gebeurtenissen. SS-leider Heinrich Himmler woonde er vlakbij, de Völkische Beobachter werd er uitgegeven en in het kuurhotel logeerde SA-leider Ernst Röhm toen Hitler hem in de Nacht van de Lange Messen van zijn bed lichtte en liet vermoorden. Hieronder een (ingekort) fragment: 

De eerste keer dat ik van Haus Jungbrunnen hoorde is meer dan een halve eeuw geleden. Het jaar dat ik voor het eerst naar Duitsland ging. Ik dacht er weer aan terug toen het huis van mijn moeder werd verkocht. Voor het eind van het jaar moest het worden opgeleverd. Samen met mijn zusje loop ik er nog één keer doorheen, als ik vlak voor we afsluiten in de achterkamer een vale, roze map vind die ik nooit eerder heb gezien. 

Het parkje voor het voormalige Gymnasium in Tiel

Op dat moment kan mijn verhaal over het zwavelwater van Bad Wiessee beginnen. ‘Suus Hulscher-Canté’ staat er op de map, de naam van mijn Amsterdamse oma. Ik sla hem open en ontdek dat mijn moeder na haar huwelijk in 1945 nog lang met haar gecorrespondeerd heeft. En omdat mijn oma alles altijd netjes wegborg, zijn mijn moeders brieven na mijn oma’s dood weer in Geldermalsen beland.
Die avond haal ik twee lange brieven uit de map die mijn moeder in juni 1966 heeft geschreven. Hoewel ze al twintig jaar het ouderlijk huis uit is, moet ze nog altijd wennen aan ons dorp. 
‘Lieve mama…’. Naast haar aanhef heeft ze een vergeeld krantenknipseltje geplakt. Hoeveel van die knipsels heb ik zelf niet gekregen toen ik in Amsterdam studeerde? Interviews, recensies, huwelijks- en doodsberichten. Maar dit is een ander knipsel. Dit gaat over mij. ‘Een zeldzame prestatie’, staat erboven. 
Het duurt even voor ik het herken. Dan herinner ik het me weer. De dag dat ik de krant haalde in Geldermalsen. De dag dat ik ophield kind te zijn:   
Een zeldzame prestatie
Aan het Stedelijk Gymnasium te Tiel legde onze plaatsgenoot, de 17-jarige Reinjan Mulder met goed gevolg het eindexamen B af. Onze welgemeende gelukwensen. 

Ook de brief eronder gaat over mij. Maar tussen de regels zie ik mijn moeder, en herken ik haar opwinding over alles. ‘Hier is een klein krantenknipseltje uit het Nieuws- en Advertentieblad,’ schrijft ze. ‘Mooi he!’ Daarna lees ik haar verslag van de dagen rond mijn eindexamen:
Mama, reuze bedankt voor je gezellige brief, hoor! 
Ik ben maar niet naar Groet gekomen met dat hete weer. We hebben weer een abonnement op ’t zwembad in Beesd, en daar hebben we heerlijk gezwommen. ’t Weer is nu een stuk frisser geworden, maar ik zit toch weer in de zon te schrijven.

‘Reuze’, ‘gezellig’, ‘heerlijk’, ik herken het meteen. Het niet stuk te krijgen enthousiasme waarmee ik ben grootgebracht. Ook als het frisser wordt, kun je buiten zitten. 
Trots vertelt mijn moeder hoe ik na de uitslag van mijn eindexamen met een grote bos bloemen en een lauwerkrans op mijn hoofd als eerste de school uit ben komen lopen. In het parkje voor school was het een ‘handenschudden van iedereen met iedereen’ geweest, en thuisgekomen hadden ze de vlag voor me uitgestoken, met mijn schooltas ernaast. Diezelfde zaterdag nog, schrijft mijn moeder, is het hele gymnasium ‘in tien propvolle auto’s, luid toeterend met trompetten’ langs alle dorpen gereden waar geslaagden woonden, totdat iedereen zich in Tiel verzamelde voor het eindfeest.  

Ik herinner het me nu allemaal weer. Het eindfeest was bij twee schoolgenoten thuis die dat jaar géén eindexamen deden. Hun ouders bezaten een van de mooiste villa’s in de stad waar onze zwakkere leerlingen na schooltijd vaak huiswerk maakten, zodat het eindexamen ook hun verdienste was.  
Daarna komt mijn moeder met het laatste nieuws uit die junimaand van 1966 toen voor mij alles anders werd: 
Van Reinjan hebben we al 3 kaarten uit Bad Wiessee gehad!
De familie  van Van Haeften heeft daar een groot Kurort, waar allemaal schatrijke mensen geneeskrachtige baden nemen, tegen reuma, hart- en bloedvatenziekten, bronchiën, enz. 
Ze hebben daar hotels, een groot chalet met een echtpaar erin dat voor alles zorgt, eigen zwembaden, tennisbanen, een eigen orkest met leren broekjes, enfin, van alles en nog wat. 
En daar heeft Reinjan nu gelogeerd!
Ze hebben het enorm gehad!

‘Enorm’: zou ik zulke enthousiaste kaarten naar huis hebben gestuurd? Zelf herinner ik me van die vakantie vooral mijn verwarring en een licht gevoel van weemoed over mijn voorbije jeugd in de Betuwe. Maar misschien kon mijn moeder ook wel niet veel anders dan nog maar even door juichen na haar ook al zo opgewekte begin.  
Later vind ik twee van de drie ansichtkaarten terug die ik die week naar huis heb gestuurd. Achterop schrijf ik inderdaad niets wat ook maar op enig enthousiasme van mijn kant wijst. Op 6 juni 1966, de dag van mijn aankomst in Bad Wiessee, schrijf ik aan mijn ouders en zusje: 
Lieve allemaal,
Ik schrijf maar vast, want er is toch nog niet zoveel te doen. 
De anderen zullen vanmiddag wel aankomen. Het is hier een echte vakantieplaats. 
Ik ben nog niet helemaal rondgelopen.
Dag,
Reinjan

En een week later schrijf ik, zonder aanhef of groet: 
Ik heb jullie brief ontvangen. Morgen ga ik door naar Polen. 
De anderen blijven nog tot vrijdag. Het weer is nog altijd goed. 
Ik kan nog wat dingen niet vinden. Misschien ligt dat thuis. 
De ene helft van ons heeft gisteren een rot-end geklommen, maar ze hebben veel gezien: reeën, een hert en gemzen. 
Sturen jullie mijn evt. post door naar Polen (Warschau)?
Reinjan

Was er na die week in Duitsland nog steeds zo weinig te melden? In Bad Wiessee was toch genoeg reden voor wat meer vreugde geweest. Want alles wat mijn moeder over het Duitse kuuroord aan mijn oma schrijft, klopt. Toen ik na mijn eindexamen met de familie Van Haeften mee naar Duitsland mocht, kwam ik daar in een zomer én winter geopend jodium- en zwavelkuuroord terecht, waar je van je hart- en vaatziekten en je reuma genezen kon en dat kuuroord was inderdaad van hen. En er liepen heel wat rijke mensen rond, en waarschijnlijk ook wel schatrijke mensen. En alles wat daar was, in dat plaatsje, kon goed hun eigendom zijn geweest: de hotels, de tennisbanen, de zwembaden. Ja, wie weet was ook het kuurorkest met de mannen in leren broekjes waarover mijn moeder zich zo vrolijk maakt, wel van hen.  

Het enige wat niet klopte in de brief van mijn moeder, was het echtpaar in het chalet dat voor alles zorgde. Dat echtpaar was er wel en het zorgde ook voor alles, maar het woonde niet op Jungbrunnen maar op zichzelf, in een kleiner huis, in wat daar een ‘bijgebouw’ van Haus Jungbrunnen werd genoemd. 

Het kuurbadcomplex van Adriaan Stoop in Bad Wiessee, met links de wandelhal, ca. 2014

Al op de avond van het afscheid van mijn moeders huis komt onze  eindexamenklas weer tot leven voor me. Onze school was maar een kleine school. Toen ik aankwam, waren er nog geen honderd leerlingen. Alle zesdeklassers pasten in één klaslokaal, maar na vier jaar samen optrekken werden we vanaf de vijfde klas toch in tweeën gesplitst, in een alfa-deel dat veel taal en geschiedenis kreeg, en een bèta-deel dat zich in de wis- en natuurkunde bekwaamde. Die specialisaties zag je terug in de samenstelling van de twee afdelingen. Zo waren de meisjes die met ons mee naar Duitsland gingen allemaal alfa’s, terwijl alle jongens daar bèta’s waren. Dat kon ook moeilijk anders, want in de alfa-zone zaten dat jaar alleen maar meisjes, zodat wij bèta’s wel voor de broodnodige jongens moesten zorgen. 
(Verscheen eerder in TOV Bulletin – maart 2019)

Reinjan Mulders Zwavelwater werd op donderdagavond 18 april gepresenteerd in het Goethe Institut in Amsterdam. De avond ervoor, op 17 april, sprak Reinjan Mulder met Boom-uitgever Tijn Boon over zijn boek Zwavelwater en Adriaan Stoop in de Kennemer Boekhandel in Haarlem.

Geef een reactie