Aat Veldhoen (29) over zijn zinnenprikkelende prenten: ‘Alles is er om gezien te worden’

Het voormalige Gymnasium in Tiel

Door Reinjan Mulder
TIEL, 14 april  – ‘Wordt in deze wereld van abstract geweld knap persoonlijk tekenwerk nog wel gewaardeerd?’ Met die vraag opent wat waarschijnlijk mijn eerste artikel over beeldende kunst is geweest. Ik schreef het in oktober 1964 in de Pnyx, het Maandblad van het Tiels Gymnasium. Op de schoolreünie van vandaag kreeg ik een kopie.
In 1964 was ik 15 jaar, ik zat in de vijfde van het Gym, en samen met mijn vader was ik een dagje naar Amsterdam geweest om in het rommelwinkeltje van Gort aan de Prinsengracht een paar rotaprenten van de toen 29-jarige Aat Veldhoen te kopen.
We hadden geluk. In het opkamertje naast de winkel zat die middag de kunstenaar zelf en we lieten hem met alle plezier uitleggen wat zijn visie op aanstoot gevende kunst was: alles is er om gezien te worden.
Mijn antwoord op de beginvraag laat na 54 jaar nog altijd op zich wachten. Maar na wat ik in mijn stuk allemaal wel opschrijf, is dat ook niet zo belangrijk meer. Al in de tweede zin schrijf ik: ‘Bezien we de reacties volgend op exposities en acties van de jonge, doch uiterst knappe graficus, dan is deze vraag niet gemakkelijk te beantwoorden, want deze reacties hebben behalve de crisis in de huidige kunst nog een andere oorzaak.’
Die andere oorzaak was dat Aat Veldhoen in 1964 prenten maakte die als aanstootgevend werden beschouwd. Pornografie. En volgens de kunstenaar zelf kon dat helemaal niet, omdat alles op de wereld er is om gezien te worden.
Veldhoen: ‘Men wil soms de mooie dingen van het leven niet zien, durft ze niet te zien, terwijl deze de mens evenzeer, zo niet veel meer treffen.’

Aat Veldhoen, schrijf ik op mijn 15de wereldwijs, is de schepper van een ‘nieuwe. naturalistische stijl’ die ik persoonlijk noem, en waarin hij ‘door alles heen de zin van het leven afvraagt.’ Hij heeft etsen gemaakt van duinlandschappen, weet ik, maar even goed van naakte mensen, barende vrouwen, operaties en gewonden omdat dit voor hem allemaal bij het leven hoort.
En dat inzicht wil hij maar wat graag met anderen delen. ‘Sinds enige maanden,’ schrijf ik in de Pnyx, ‘is hij begonnen met rotaprenten, een grafische techniek om zijn werk vlug en in zeer groten getale te vermenigvuldigen, zodat iedereen nu goedkope kunst (f 3,-) kan kopen die aan alle eisen voldoet.’
Bovendien is hij in 1964 in het nieuws gekomen ‘door met een bakfiets door Amsterdam te rijden, of te laten rijden, waarop die rotaprenten voor de verkoop zijn uitgestald. Deze wijze van verkoop heeft veel belangstelling getrokken, al werden enkele van zijn prenten in beslag genomen omdat ze aanstootgevend zouden zijn.’

Dat Veldhoen zelf moet niets van die publiciteit hebben, meen ik dan al te  zeker te weten: ‘Hij wil zijn rotaprenten alleen maar aan iedereen laten zien en verkopen,’ schrijf ik en ik vervolg mijn beschouwing in de Pnyx met een kleine criminologische verhandeling avant la lettre (pas in 1973 zou ik tentamen criminologie doen en pas in 1980 zou ik promoveren in dat vak):
‘Het probleem waar de justitie mee zit, is of sommige van zijn werken pornografie genoemd kunnen worden. Pornografie is het beslist niet. Maar er is een wet die verbiedt om artikelen uit te stallen die zinnenprikkelend kunnen zijn. Zo werden enkele jaren geleden van een expositie van Veldhoens werk enkele etsen die barende vrouwen lieve zien, verwijderd als “ongeschikt voor de jeugd”.’

Het is deze gebeurtenis, die bij de kunstenaar, en ook nu bij mij, de interessante vraag oproept: ‘Kan een mens ergens beter van worden door het niet te zien?’
‘Nee,’ antwoordt Veldhoen daarop zeer beslist in de Pnyx, waarna ik me onbeschroomd in de discussie meng met: ‘In dit opzicht geef ik Veldhoen volkomen gelijk, hoewel veel mensen daar anders over denken. Maar deze normen zullen met de tijd waarschijnlijk snel veranderen. Ook de omwenteling in de literatuur getuigt hiervan, al wil ik benadrukken dat er geen overeenkomst bestaat tussen Veldhoen en de moderne schrijvers. Veldhoen maakt, los van de mode die elke leer over perspectief en alle uiterlijke vormen verfoeit, kunst  die voor alle kunstliefhebbers te begrijpen en te koop is.’

‘Maar kopen zij ook alles?’ vraag ik de kunstenaar vervolgens.
‘Ach,’ zegt Veldhoen zonder ook maar één ogenblik na te hoeven denken, ‘ze kopen alleen maar moeders met kindjes. Maar die maak ik al niet meer. Dat is nu voorbij. Nu maak ik weer ander werk. Op het moment heb ik een aalmoezenier als model, want dat hoort er allemaal bij.’ Hij schuift een paar recente rotaprenten naar voren.

Aat Veldhoen vertelt hoe hem enkele jaren geleden door de directeur van een grote maatschappij werd gevraagd om wat tekeningen te maken voor een kalender. Nadat hij hem een aantal tekeningen had laten zien, koos de opdrachtgever er een paar uit voor zijn kalender. Veldhoen:  ‘Maar wat denk je, alleen maar moeders met kindjes.
Nou, die kalender is er nooit gekomen.’

Veldhoen herinnert zich dat hij een keer hoorde hoe het er in een gezin aan toeging, als er weer een kind geboren moest worden. ‘De man, hij had inmiddels drie kinderen, ging elke keer in een hoekje van de kamer naast het lege wiegje zitten en keek daar dan steeds in. En dan legde de zuster er ineens een kindje in, ineens was het er. Dat vond hij zo mooi.
Maar toen ik hem vroeg: heb je ook wel naar je vrouw gekeken, schudde hij van nee. Ben je gek! Hij had alleen maar naar het lege wiegje zitten kijken, en ineens, ja, daar lag wat! Fantastisch. God-zij-dank, wat ben ik blij…’ Veldhoen demonstreert de bewegingen van de man.

Dan legt Aat Veldhoen een aantal nieuwe rotaprenten voor ons op de grond, rotaprenten van uiteenlopende aard: een zwangere vrouw, twee nonnen in de trein, een naakte oude man, een portret van een ethersnuiver en een paring, allemaal veelzeggende, meesterlijk getekende kunstwerken. Hij vraagt: ‘Hier, deze prenten horen toch bij elkaar?’
En nadat hij nog eens benadrukt heeft dat alles er is om gezien te worden en wij daar nooit slechter van kunnen worden, verontschuldigt hij zich en haast hij zich naar zijn eten dat beneden in de winkel koud staat te worden.

Verscheen eerder in Pnyx, het maandblad van het Tiels Gymnasium van 16 juni 1964. Met dank aan schoolhistoricus Emile Smit. 

Geef een reactie