Bij de tiende sterfdag van Jan Wolkers (1925-2007) – Hoe Wolkers’ ‘beste werk’ voor Meulenhoff behouden bleef

Door Reinjan Mulder

Twee Wolkers-herdrukken uit 2005 en Peter van Zonneveld's 'Terug naar Leiden en Oegstgeest - fietsen en wandelen met Jan Wolkers'

Twee Wolkers-herdrukken uit 2005 naast Peter van Zonneveld’s ‘Terug naar Leiden en Oegstgeest – fietsen en wandelen met Jan Wolkers’

[UPDATE 2017] – Morgen is het precies tien jaar geleden dan Jan Wolkers stierf. Met de vuistdikke, wetenschappelijke (!) biografie van Onno Blom wordt daaraan gelukkig op gepaste wijze aandacht besteed. Dr. Blom, van harte!
Waar ik zelf wel nieuwsgierig naar ben, is hoe Onno Blom de overstap van Jan Wolkers naar De Bezige Bij benadert. Laat ik daarom vertellen wat ik me van deze overstap herinner. En ook hoe ik in 2005 als redacteur van uitgeverij Meulenhoff op het nippertje een aanval van De Bezige Bij’s Robbert Ammerlaan op twee van onze grootste bestsellers Kort Amerikaans en Turks Fruit van Jan Wolkers wist af te slaan.
In het voorjaar van dat rampjaar kwam bij ons op de toch al vreselijk getergde uitgeverij een kort, zakelijk briefje binnen dat ik niet gauw zal vergeten. Het was geschreven door de toenmalige Bezige Bij-directeur Robbert Ammerlaan. Jan Wolkers, zo schreef Ammerlaan ons, had hem laten weten graag al zijn boeken bij De Bezige Bij te willen onderbrengen, dus ook zijn oudere boeken, die tot dan toe in het fonds van J.M. Meulenhoff zaten. En het pikante was dat Jan Wolkers aan hem, Robbert Ammerlaan, zou hebben gevraagd om die overgang met ons in orde te maken.
Wat te doen? Jan Wolkers was na de uittocht van auteurs onder Annette Portegies en Mai Spijkers zo ongeveer de enige Nederlandse auteur van naam van wie we bij Meulenhoff nog een paar interessante boeken in ons fonds hadden: Kort Amerikaans, Serpentina’s petticoat, Terug naar Oegstgeest, Turks Fruit
Jan Wolkers was een van de allerlaatste vlaggen op ons toch wel erg gehavende schip: een auteur die in 1989 niet alleen de P.C. Hooftprijs had gewonnen, maar hem ook nog eens had geweigerd.
Dat konden maar weinig schrijvers in Nederland hem nazeggen.
Maar Jan Wolkers was natuurlijk ook iemand wiens wensen je niet zo maar naast je neer kon leggen. Als hij echt niet door ons uitgegeven wilde worden, en daar zag het nu naar uit, dan konden we dat, in ieder geval wat mij betreft, moeilijk tegen zijn zin toch maar blijven doen.
Maar wilde hij dat ook echt?
De reden waarom Jan Wolkers jaren eerder zijn banden met Meulenhoff verbroken had, was dat een vorige Meulenhoff-directeur, Laurens van Krevelen, een nog niet helemaal afgeredigeerd manuscript van Jan Wolkers heimelijk aan Elsevier’s literatuurredacteur Wim Zaal had laten lezen.
Wim Zaal heeft mij later uitvoerig uit de doeken gedaan hoe hij dit hem toegespeelde manuscript eens even goed vergeleken had met het definitieve boek, en daar in zijn blad toen maar een vrolijk maar ook wel venijning stukje over geschreven had. Jan Wolkers, aldus Wim Zaal, zou in zijn tekst nogal wat rare en tuttige woordjes hebben gebruikt, die er in het definitieve boek uitgehaald waren.
Het gevolg was een breed uitgesponnen, landelijke rel geweest, waarin Jan Wolkers met veel tamtam zijn jarenlange samenwerking met Meulenhoff opzei, en liet weten zijn boeken voortaan bij De Bezige Bij uit te geven.
Sindsdien was de situatie zo dat wat wij bij Meulenhoff niet zonder eigen belang ‘de slechtere’ (latere) boeken van Jan Wolkers noemden, bij De Bezige Bij zaten, terwijl ‘de beste’ (oude) titels nog bij Meulenhoff berustten – dat gelukkig zo verstandig was om ze altijd in een of andere vorm leverbaar te houden. De beste garantie tegen een ongewenst vertrek.
Inmiddels was Laurens van Krevelen, na een volgend conflict, al weer lang en breed verdwenen uit de Meulenhoff-gelederen, en zat ik daar na het vertrek van Annette Portegies, als een soort interim-uitgever (‘de laatste redacteur’) de zo goed als failliete tent te bewaken, terwijl het PCM-concern waartoe de uitgeverij inmiddels behoorde, zich aan de Wibautstraat langdurig op de toekomst van het bedrijf aan het bezinnen was.
WolkersopdrGelukkig had ik daarbij nog een belangrijke andere troef in handen: ik kende Jan Wolkers een beetje, persoonlijk, uit mijn tijd als literatuur-redacteur bij NRC Handelsblad. Ik had daar niet alleen met een opmerkelijk enthousiasme zijn roman Brandende Liefde besproken die door bijna alle andere critici de grond in was geboord, maar Jan was daar ook nog eens jaren lang een zeer gewaardeerde en geestige medewerker geweest.
Mijn  relatie met hem had voor mij zelfs een wel heel bijzondere kleur gekregen toen hij mij een keer na een lezing over Multatuli in de Beurs van Berlage samen met Karina in een taxi naar huis bracht. Onderweg gaven Jan en Karina mij toen niet alleen het enorme boeket bloemen dat Jan hij na afloop van zijn lezing gekregen had en waar hij in hun hotel, Tauro aan het Vondelpark, toch geen plaats voor zouden hebben. Jan raadde mij daar in die enorme auto met tal van argumenten aan om toch vooral zo gauw mogelijk te gaan trouwen met de vrouw met wie ik toen net een nog heel jong kind had gekregen.
Ik kon dan wel denken, zei Wolkers me, dat mij nooit iets ergs zou overkomen, maar, zei hij: ‘je bent dood voor je het weet, en hoe moet dat dan met zo’n klein kind?’Jan wel gelijk. Toonde ik me wel verantwoordelijk genoeg ten opzichte van mijn jonge zoon? Morgen kon ik inderdaad wel onder een tram komen.
En zo praatte Jan Wolkers, die ik in mijn jonge jaren altijd als de apostel van de vrije liefde had vereerd, mij met zijn apodictische spraakwaterval tijdens die legendarische autorit naar mijn huis in Oud Zuid, in nog geen half uur tijd, het huwelijk in.
Dat moet op de een of andere manier een band met Wolkers hebben geschapen. Ik heb het hem later nog in geuren en kleuren verteld, want toen ik na de dodelijke brief van Robert Ammerlaan zelf maar eens naar Texel belde, en voorstelde om ter gelegenheid van Jans naderende 80ste verjaardag in oktober twee mooie, gebonden herdrukken van zijn oude Meulenhoff-titels Een roos van vlees en Terug naar Oegstgeest te gaan maken, met de oorspronkelijke omslagen van Jan Vermeulen, en die dan te laten begeleiden door een leuk boekje van Peter van Zonneveld over het Leiden en Oegstgeest van Jan Wolkers, was Jan daar meteen zeer enthousiast en opgetogen over. En van de weeromstuit had hij het met geen woord over mogelijke vijandelijke acties die we konden verwachten van de kant van De Bezige Bij. En ik zweeg daar natuurlijk ook in alle talen over.
Wat nog niet wil zeggen dat Jan Wolkers in dat eerste telefoongesprek in tijden zuinig met woorden was. Als ik Jan belde, zorgde ik er sowieso altijd voor om het eerste half uur geen andere verplichtingen of afspraken te hebben, maar dit keer praatte hij met gemak meer dan uur vol. En nee, in al die tijd dat we met elkaar spraken, zei hij niets, maar dan ook helemaal niets over het mogelijke terughalen van titels van Meulenhoff.
Kennelijk zat de wens om van uitgever te veranderen bij Jan Wolkers toch ook weer niet zo diep als Robbert Ammerlaan ons in zijn brief had gesuggereerd.
De snode plannen van de Bezige Bij waren daarmee mooi de wereld uit geholpen, en een paar maanden later had Jan Wolkers ons niet alleen schriftelijk toestemming geven om van Kort Amerikaans een goedkope vijftigste druk op te leggen, in de reeks ‘De Leeslijst’ die wij samen met de Volkskrant aan het maken waren, en was er niet alleen een alleraardigst wandel- en fietsgidsje gekomen door Wolkers’ Leiden en Oegstgeest, plus de twee nieuwe herdrukken, van Een roos van vlees en Terug naar Oegstgeest, maar we vierden dat alles ook nog eens feestelijk in een grote Leidse boekhandel, temidden van vele tientallen vrienden, bewonderaars en collega-schrijvers en -uitgevers.
‘De Bezige Bij komt ook nog met iets nieuws van me,’ had Jan Wolkers me in een van onze volgende telefoongesprekken gezegd, ‘en ik moet rond die tijd in Leiden ook nog een beeld onthullen dat ik heb gemaakt, op verzoek van Alexander Pechtold [de voormalige wethouder van Leiden, RjM], dus misschien moeten we een en ander maar combineren. Ik wil op mijn verjaardag liever niet in de voetsporen van Remco Campert treden.’ (Voor wie het niet meer weet: Remco Campert was kort tevoren door een beroerte overvallen, toen hij op verzoek van De Bezige Bij voor een groot publiek in de Kleine Komedie daar zijn 75ste verjaardag aan het vieren was.)
Daar kon ik wel in komen, en samen met Onno Blom, die toen nog Robbert Ammerlaans gedoodverfde opvolger als directeur van de Bezige Bij was, de gemeente Leiden en boekhandel De Kler in de Breestraat werd alles die dag in een schitterende harmonie afgewikkeld. Maarten Biesheuvel en Arnon Grunberg behoorden tot de eregasten op het verjaardagsfeestje dat we in de winkel en op het stationsplein hadden georganiseerd, en ook Onno Blom zweeg, toen we na afloop van de festiviteiten nog wat napraatten, als het graf over de plannen die zijn directeur zou hebben gehad om alle oudere Wolkers-titels van Meulenhoff naar De Bezige Bij te verhuizen.
Een week later kreeg ik al een zeer enthousiaste bedankbrief van de boekwinkel met een knipsel uit de Leidse Courant, en een paar weken later stuurde Jan Wolkers me ook nog een leuk, klein boekje over Texel, met voorin een allerhartelijkste, met bevende hand geschreven opdracht: ‘in vriendschap’.
Voorlopig kon Meulenhoff weer een potje breken bij de familie Wolkers.

Gezien de latere ontwikkelingen bij J.M. Meulenhoff heb ik me daarna wel soms afgevraagd of ik er in 2005 nu zo goed aan had gedaan om Jan Wolkers’ ‘beste werk’ met man en macht voor het bedrijf te behouden. Ze hebben me er bij Meulenhoff nadien nooit voor bedankt – integendeel. Ik kon later alleen maar een stevige trap na van ze krijgen.
Toen Jan Wolkers in oktober 2007 op 82-jarige leeftijd op de Oosterbegraafplaats werd begraven, waren er bij Meulenhoff inmiddels ook al weer diverse nieuwe uitgevers aan- en afgetreden, die waarschijnlijk veel minder affiniteit met de bonkige schrijver hadden dan ik.
Ook mijn door Wolkers geïnitieerde huwelijk was inmiddels door alle troebelen daar pijnlijk gestrand – zodat ik op de begraafplaats in mijn eentje op een eenzaam, wankel klapstoeltje in een grote, witte tent op een tv scherm mocht toekijken hoe Jan in de aula door tientallen Bezige Bij-auteurs en boekenbobo’s werd uitgeluid.
J.M. Meulenhoff kwam er als een van de twee uitgevers van Jan Wolkers sinds jaar en dag tijdens het hele begrafenisritueel ook helemaal niet aan te pas. Terwijl de auto met Jan’s kist langzaam het vriendelijke pleintje van de Oosterbegraafplaats was opreed, schoot mij te binnen hoe Jan me tijdens een van onze laatste telefoongesprekken lachend een paar scabreuze dichtregels had toegevoegd over onze nieuwe Meulenhoff-uitgeefster, Xandra Schutte, die naar wij beiden hadden gehoord zwanger zou zijn geworden van haar vroegere chef bij de Weekbladpers, Hendrik Jan Schoo.
Ik had het versje nooit meer vergeten, temeer omdat ik het maar meteen integraal in de kantooragenda had genoteerd die die middag voor me op mijn bureau opengeslagen lag. Voor de literatuurgeschiedenis moet je wat over hebben.
Toch heb ik de vier regels daarna nooit meer durven citeren. Maar omdat het misschien wel de laatste dichtregels zijn van een van onze grootste Nederlandse schrijvers, voel ik nu wel de plicht om ze hier, ter afsluiting van mijn herinneringen aan Jan Wolkers, nog éénmaal integraal en ongekuist te citeren:

Xandra Schutte
Houdt alleen maar van kutten.
Zij werd zwanger zonder man,
Vraag mij niet hoe dat kan…

(De necrologie van Jan Wolkers, waaruit hier is geput, werd in 2012 op Das Zahngold gepubliceerd, onder de kop ‘Hoe Jan Wolkers voor uitgeverij J.M. Meulenhoff behouden bleef’.) 

       

Geef een reactie