Gouden Ganzeveer 2017 – Levenslang veroordeeld tot de puberteit – bij de vroege brieven van Arnon Grunberg

Door Reinjan Mulder

Redactiekantine van uitgeverij Babel & Voss, met foto (van Koos Breukel) van Arnon Grunberg, half zo oud als vandaag

Arnon Grunberg omstreeks 1993. Bijlage bij zijn ‘Brieven aan Esther’ (Alauda, 2011). Foto: Koos Breukel.

Recensie van: Arnon Grunberg, Aan nederlagen geen gebrek – Brieven en documenten 1988-1994. Verzameld en toegelicht door Vic van de Reijt. Uitg. De Arbeiderspers, 518 blz.

Zou Gerard Reve ooit geworden zijn wie hij was als hij met zijn brieven was gedebuteerd? Zijn brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot u hebben waarschijnlijk meer invloed op de Nederlandse literatuur gehad, en daarmee ook op Nederland, dan De ondergang van de familie Boslowits en zelfs De avonden, maar hij zal met dat laatste boek de geschiedenis ingaan. Zijn brievenboeken verkopen nauwelijks nog, terwijl De avonden nu, zeventig jaar na dato, alsnog in Engeland lijkt door te breken.
Kennelijk is alleen de roman in staat een wereldbeeld te verenigen met een hoogstpersoonlijke stijl op een manier die door de jaren heen beklijft. De afgelopen dagen heb ik een ruime selectie uit de brieven gelezen die de recente Gouden Ganzeveer-laureaat Arnon Grunberg in zijn jonge jaren schreef en daarbij vroeg ik me hetzelfde af. Zouden we ze nu gelezen – en ervan genoten – hebben als niet eerst Blauwe maandagen verschenen was?
De kwaliteit van de honderden brieven, schitterend bezorgd in de reeks Privé-domein, is wisselend. Nu eens zijn het kattenbelletjes, dan weer uitvoerige verhalen. Grunberg richt zich tussen zijn 17de en 23ste ook tot zeer uiteenlopende mensen die hij op zijn pad tegen komt, van buurmeisjes en serveersters in Italiaanse restaurants tot vertalers, uitgevers en actrices, en die correspondenten kleuren steeds zijn toon. Maar in de selectie van samensteller Vic van de Reijt leidt dat vaak genoeg tot ijzersterke teksten, waarin Grunberg humor, angst en weemoed op onnavolgbare wijze mengt, waarna hij het resultaat in een weergaloze stijl op papier zet.
Daarmee doen de brieven onwillekeurig weer aan Gerard Reve denken, en ook aan Kafka, twee schrijvers die Grunberg bij het schrijven zeker zullen hebben beïnvloed. Tegelijk is meteen duidelijk dat hier iemand aan het woord is met weliswaar eenzelfde drive als Reve en Kafka, maar met een uitgesproken eigen karakter. Iemand die, in zijn eigen woorden, ‘levenslang veroordeeld [is] tot de puberteit’.
Sommige brieven in Aan nederlagen geen gebrek zijn al min of meer opgezet als aanzetten voor een ooit te verschijnen boek, bijvoorbeeld die aan Rosie Mastenbroek, de vrouw die figureerde in Blauwe maandagen, aan de aanbeden publiciste Hanne Lijesen en die aan de actrice Johanna ter Steege. En soms zijn die boeken ook al eens in kleine oplagen verschenen. Sommige brieven zijn ook al eens gebundeld of in andere publicaties verwerkt. Maar ze zouden nooit zo intensief gelezen zijn als daarvoor niet eerst dat wonderlijke debuut uit 1994 was geweest. Daarin werden Grunbergs stijl en wereldbeeld tot een eenheid gesmeed, die ze ook voor een groter en gevarieerder publiek hanteerbaar maakten.

Hoe die eenheid in Blauwe maandagen uiteindelijk ontstaan is, wordt uit het brievenboek niet helemaal duidelijk. In de vele brieven aan Arnon Grunbergs eerste uitgever Vic van de Reijt, de samensteller van de bundel, wordt al vrij snel over een uit te geven boek gecorrespondeerd, en Grunberg laat ook in veel brieven merken dat hij er hard aan bezig is, maar wie uiteindelijk het onderwerp en de compositie bepaalde, is daar niet goed uit af te leiden. Alleen over het tot stand komen van de titel Blauwe maandagen is in de bundel veel fraais te lezen.
Duidelijk is in ieder geval dat er een tijdlang verschillende verhalen en thema’s en even zovele vele titels circuleerden, en dat er op een gegeven moment sprake was van een boek dat speelde op het Vossius Gymnasium en een boek over troosteloze hoeren, die uiteindelijk tot Blauwe maandagen zijn samengevoegd.

Achteraf kunnen we vaststellen dat voor Grunberg het schrijven van brieven een goede oefening moet zijn geweest voor de roman waarmee hij zou debuteren, maar ook dat zijn zo veel eerder geschreven brieven daar nauwelijks voor onder doen. Al rond zijn twintigste schrijft hij fragmenten die met de beste stukken uit Blauwe maandagen kunnen concurreren. Voor mijzelf komt daar nog de speciale charme bij dat ze een Arnon Grunberg laten zien uit de woelige tijd dat ik hem nog niet kende. Voor het eerst hoorde ik zijn naam pas toen omstreeks 1991 bij NRC Handelsblad, waar ik werkte, een persbericht binnenkwam van een nieuwe ‘uitgeverij voor niet-arische literatuur’ die was opgericht. Dat persbericht kwam de Van Eeghenstraat 89, een adres dat ik meteen herkende als dat van de kritische strafrechtsgeleerde mr. F.E. (Frits) Frenkel.
In die tijd kwam ik nogal eens bij mr. Frenkel over de vloer. Ik was ook een kritisch stafrechtsgeleerde geweest, en Frits gaf altijd grootse verjaardagsfeesten met veel lekker eten en overvloedige hoeveelheden drank. Van die feesten dat wist ik dat op de Van Eeghenstraat altijd diverse mooie jongens huisden, uit Zuid Amerika of Tirol, die vaag iets in de kunst deden en met wie Frits volgens de verhalen verder nooit ‘iets’ deed. Ik ging ervan uit dat Arnon Grunberg ook weer zo’n vage, kunstzinnige jongeman uit Frenkels herenhuis was op wie hij alleen maar stiekem geilde, en stuurde er een redacteur op af voor een kleine reportage.

Een paar jaar later pas moet ik mijn eerste brief van Arnon Grunberg hebben gehad. Ook daar was iets vreemds mee aan de hand. De brief, niet in de nu verschenen bundel te vinden, ging vergezeld van een interview met de Vlaamse auteur Eriek Verpale, waarvan Grunberg dacht dat het misschien wel iets voor de Volkskrant was: uitgerekend onze grootste concurrent.
In Aan nederlagen geen gebrek is te lezen dat Grunberg dit interview oorspronkelijk voor Het Parool had gemaakt, en dat hij het, toen die krant het weigerde, snel aan verschillende andere kranten had toegestuurd, zonder kennelijk het begeleidende briefje steeds aan te passen.
Ik heb hem toen, tongue in cheek, laten weten dat hij zijn vraag misschien beter aan de redactie van de Volkskrant kon voorleggen.

Een brief, die wel in de bundel is opgenomen, als voorlaatste, betreft een rubriek die Arnon Grunberg in NRC Handelsblad zou beginnen. Daarin zou hij op een artikel in het Cultureel Supplement reageren. Hij had al een kritische reactie op een recensie van mij geschreven, die ik had geplaatst, en het leek mij wel leuk zoiets een vaste plaats in het supplement te geven.
Daar werd binnen de krant verschillend over gedacht. Met name toneelredacteur Pieter Kottmann vond het onacceptabel dat we vanuit de krant kritiek op hem en zijn collega’s zouden uitlokken, zodat de rubriek snel werd omgezet in een wekelijkse ‘Brief uit New York’. Grunberg vond echter dat we gezwicht waren voor de bezwaren van Kottman, en daar had hij gelijk in. Soms vinden eigen redacteuren meer gehoor bij een krant dan net beginnende schrijvers. Arnon schreef toen de brief die achterin het boek staat, en die voor mij aanleiding was om snel verdere plannen met hem te ontwikkelen – en om een correspondentie op te zetten die misschien nog eens in een volgend deel brieven en documenten verwerkt kan worden.

Verscheen eerder op de literaire website Tzum.

 

 

 

Geef een reactie