Bij de 70ste verjaardag van Anna Enquist: ‘Ik noem de wanhoop bij haar naam’

Door Reinjan Mulder

Het zal winter worden en wij achten ons gewapend

Soldatenliederen, de gedichten waarmee de vandaag 70 jaar geworden Anna Enquist debuteerde, was in 1991 een van de opvallendste bundels sinds jaren. Niet alleen door zijn directe, bijna banale toon, ook door de ongewone combinatie van onderwerpen. Zo begon de bundel met een aantal gedichten over traditionele, romantische thema’s als soldaten, boten, kastelen, paarden, muziek en vuur, maar volgde daarna een bijna tegengesteld deel, over geheel andere en veel eigentijdsere onderwerpen zoals Enquists baan als psycho-analytica en haar directe, huiselijke omgeving. Die spanning tussen klassiek en alledaags is kenmerkend voor al haar werk.
‘Misschien was mijn eerste impuls iets wat me emotioneerde en kreeg ik pas later meer aardigheid in het schrijven, zodat ik me ook voor het gewone leven kon interesseren,’ zei Anna Enquist zelf over deze zeldzame combinatie, toen ik haar daar in maart 1992 over interviewde: ‘De gedichten laten een tocht zien, die eindigt met het berusten in de werkelijkheid.’
Ze dichtte bijvoorbeeld:

In de herfst plukken wij de kweeën. Het zal
winter worden en wij achten ons gewapend, zien
de jam fonkelen in de glazen, vuurrood.

Wie dan, bij het lezen van deze regels, dacht dat de dichter ergens in een vervallen pastorie, ver weg in de provincie zou wonen, in een 19de eeuwse setting, vergiste zich deerlijk. Anna Enquist woonde, zo mocht ik zelf vaststellen toen ik die zaterdagavond eindelijk bij haar huis was aangekomen, of all places, gewoon in een moderne nieuwbouwwijk, aan de rand van de toen nog spik-splinternieuwe Bijlmermeer, ‘op de waterscheiding tussen stad en polder’, zoals het gedicht ons verderop meldt.
Toch had ze ook voor de landelijke beelden die in het gedicht voorkomen niets hoeven te verzinnen. ‘Ik heb hier echt twee kweepeerbomen in ons tuintje staan,’ zei Anna Enquist, tijdens wat haar eerste grote interview geweest moet zijn geweest. Haar strak vormgegeven huis stond op een van de stilste plekken van de Amsterdamse nieuwbouwwijk. Elke winter, vertelde ze, maakte ze daar inderdaad de genoemde  kweeperenjam, die ze in glazen potten bewaarde.
Anna Enquist, pseudoniem van Christa Widlund-Boer, was mij al eerder opgevallen, lang voordat haar debuut Soldatenliederen verscheen. Ik had de verschijning van haar boek dan ook al maanden tevoren met enig geronk aangekondigd in mijn doorgaans streng selectieve overzicht van de belangrijkste boeken van het komende seizoen in NRC.
En terecht, mogen we achteraf zeggen, want toen de bundel er eenmaal was, werd hij door sommigen als een ‘briljante bundel’ ingehaald. Anderen spraken in ieder geval van een ‘trefzeker debuut’. Het boek won op Poetry International de C. Buddingh-prijs voor het beste poëziedebuut van het afgelopen jaar, en  Enquist kon zich zelfs permitteren haar bundel alleen voor die prijs in te zenden, als ze hem ook winnen zou. De bekroning werd daardoor nog een klein schandaal.
Soldatenliederen was door al deze gebeurtenissen in ieder geval een literaire gebeurtenis van de eerste orde. En ook van Enquist zouden we daarna nog veel horen. Al in januari 1992, twee maanden na het verschijnen, was haar eerste bundel uitverkocht en was de dichteres – in ieder geval in de kleine kring van poëzielezers – een begrip. Er verscheen al snel een tweede druk, die naar het zich toen al liet aanzien, al bijna even snel werd uitverkocht, en ik vond het hoog tijd om onze lezers te laten kennismaken met dit nieuwe talent. Ik belde haar op een vrijdagmiddag na onze kunstvergadering op en vroeg haar om een interview op zeer korte termijn – ook al omdat we nog geen geschikte opening voor het volgende nummer van CS Literair hadden.
‘Ja, ik begrijp het,’ zei ze door telefoon, toen ik haar voorstel om twee weken later maar eens langs te komen, bedremmeld had afgewezen. ‘Journalistiek is natuurlijk ook gewoon… een vak.’
Zo zorgde ons dreigend gebrek aan kopij er die volgende week ook voor dat mijn interview met Anna Eqnquist meteen groot voorop het CS Literair kwam, met in het midden over twee kolom een prachtige, dramatische zwart-wit foto van Vincent Mentzel. Nog steeds een van de mooiste foto’s die van haar ken.
Niemand kon het zo ontgaan dat hier iets bijzonders aan de hand was.
Later, toen Anna Enquist ook romans was gaan schrijven, waarvan ik de eerste, Het meesterwerk, in mijn ‘Boeken op Komst’ rubriek al even enthousiast had aangekondigd, bekoelden mijn gevoelens voor haar helaas een beetje. Ik vond haar romans eerlijk gezegd nogal banaal, al deed ik die eerste keer nog mijn best mijn afkeer een acceptabele draai te geven door de schuld daarvoor gedeeltelijk bij de uitgeverij te leggen – die daarop furieus reageerde. Maar ja, Ronald Dietz die toen net Theo Sontrop als directeur van de Arbeiderspers was opgevolgd, was ook niet zo’n literaire fijnproever als Sontrop was geweest en hij had zo te zien weinig gedaan om het boek een behoorlijke begeleiding te geven. Later begreep ik van hem dat Enquist ook niet altijd even makkelijk te begeleiden was.
Maar goed, over Anna Enquists poëzie was ik – net als veel anderen – meteen behoorlijk onder de indruk geraakt. Ik had haar al gedichten uit Soldatenliederen horen voordragen tijdens een Nacht van de Poëzie in Utrecht, waar ze me, vreemd genoeg, aan mijn vroegere PC collega Chantal van Dam had doen denken, en ik werd er op een vreemde manier door meegesleept. De weemoed, de rouw om wat verloren gaat.
Achter in mijn exemplaar van Soldatenliederen vind ik het interview terug dat ik in NRC Handelsblad publiceerde. Ik lees daarin hoe Anna Enquist, zoals meer schrijvers uit die tijd, puur een ontdekking was van Theo Sontrop. Hij was het inderdaad ook die mij eerder had verteld hoe hij in 1988 voor zijn tijdschrift Maatstaf uit het niets drie gedichten van haar toegestuurd had gekregen ‘Serenade’, ‘Kinderszenen’ en ‘Strijkkwartet’, nu alle drie opgenomen in de bundel Soldatenliederen.
Het moet waarschijnlijk ook zijn enthousiasme geweest zijn dat mij stimuleerde om het boek voor verschijnen al één van de hoogtepunten in het komende poëzieseizoen te noemen. Ik nam onze voormalige PC bestuurder Theo Sontrop op poëziegebied behoorlijk serieus. Als hij ergens wat in zag, kijk maar wat er met F.B. Hotz had gebeurd, dan mocht ik ervan uit gaan dat ik het ten minste goed in de gaten moest houden.

Anna Enquist vertelde mij tijdens ons interview precies hoe het gegaan was. Het was Theo Sontrop geweest die haar direct had gestimuleerd om door te gaan met schrijven: ‘Ik kreeg, toen ik hem wat had opgestuurd, meteen een aardig briefje van hem met de vraag of ik nog meer had.’
En dat, o wonder, had ze niet. Duizenden dichteressen zochten in die dagen een uitgever, met mappen vol met poëzie, maar het schrijven van gedichten was juist voor Anna Enquist op dat moment niets anders dan een stap in het ongewisse geweest. Voor haar 42ste, zei ze me, had ze zich er nooit actief mee bezig gehouden. Ze was ook als lezer nooit bovenmatig in poëzie geïnteresseerd geweest. Ze las weliswaar veel, had bij tijden een ‘leesverslaving’, maar haar voorkeur ging uit naar proza.
De enige keer dat ze intensief poëzie had gelezen, vertelde ze, was in het begin van de jaren zestig, toen ze op de middelbare school zat. Ze had daar het werk van Gerrit Achterberg en A. Roland Holst leren kennen. Wat ze later nog aan poëzie las, zei ze, waren alleen de ‘populairste dichters, die in intellectuele kringen gangbaar waren’ geweest: Rutger Kopland, Hanny Michaëlis en Eva Gerlach.

De eerste gedichten die in Maatstaf verschenen waren oorspronkelijk ook helemaal niet voor publicatie bedoeld geweest. Het was een collega van Enquist die haar had aangeraden ze naar een tijdschrift op te sturen, om te zien of het ‘literair wat voorstelde’. Daarom sprak het voor Enquist vanzelf dat ze de gedichten nooit onder haar eigen naam zou willen publiceren: ‘Ik wist niet hoe ik met zo’n publikatie om zou moeten gaan. Ik dacht, als ik het doe, doe ik het stiekem.’
Of ze dan maar een naam wilde kiezen, vroeg Sontrop.
En dat deed ze: Anna Enquist.
‘En toen.’ zegt ze ‘is het in gang geraakt.’
Nadat haar gedichten een paar keer in Maatstaf hadden gestaan, wilde Sontrop er graag een bundel van maken. En dat stimuleerde haar om door te schrijven, al was het met mate. Pas drie jaar later had ze genoeg werk. ‘Sontrop had om minimaal dertig gedichten gevraagd, plus nog tien die als vervanging zouden kunnen dienen voor minder geslaagde.’
Maar dat laatste bleek niet eens nodig. ‘Vrijwel alles wat ik in de jaren 1988 tot en met 1990 heb geschreven, werd opgenomen.’

Over de aanleiding voor haar plotselinge dichterschap, op een leeftijd waarop de meeste mensen het schijven van poëzie voorgoed hebben opgegeven, tastte Enquist toen nog in het duister. ‘Ik begrijp het nog steeds niet goed. Het enige wat ik kan bedenken is dat ik, toen ik begon, net van baan was veranderd.’
Het gevolg van deze voorgeschiedenis was wel dat haar gedichten voor veel getrainde poëzielezers soms moeilijk te plaatsen waren. Anna Enquist behoorde, om te beginnen, niet tot een richting of school. Er waren wel invloeden aan te wijzen, zelf noemde ze die avond Spel van de wilde jacht van Achterberg, maar het meeste van wat ze schreef, was direct ontleend aan haar eigen ervaringen. Dat was even wennen.
Ook van allerlei vormvoorschriften die gemeengoed waren, trok ze zich weinig aan. Ze kende ze eenvoudigweg niet.
Maar dat maakte haar werk juist des te interessanter. Guus Middag had het in zijn recensie in NRC Handelsblad heel terecht over een dichteres ‘met een heel eigen stem’.
Het eerste wat aan Soldatenliederen opviel, was natuurlijk de dwingende ordening die er in was aangebracht. De drieënveertig verzen waaruit het boek bestaat, zijn ingedeeld in acht korte afdelingen die namen dragen als ‘De omgang met het vuur’, ‘Aspecten van het geheugen’ en ‘Scheepgaan naar verder’.
Elk van die afdelingen vormt een thematisch eenheid, terwijl ze samen weer een eigen patroon laten zien. De eerste delen zijn sterk ‘in beweging’. Er komen heftige beelden in voor van soldaten, boten, kastelen, paarden en vuur. Een duidelijke breuk vormt daarna het vijfde deel, ‘Capitulatie: het huis’. Vanaf dat moment komt er een rust over de bundel en krijgt de huiselijke omgeving en het dagelijks werk meer aandacht.

Anna Enquist vertelde me tijdens ons interview nog dat ze de lijn die in de bundel zit, pas achteraf goed door had. Er was weinig aan geconstrueerd. ‘De gedichten zijn, afgezien van een paar wijzigingen, afgedrukt in de volgorde waarin ze zijn ontstaan. Maar pas toen ik eenmaal het idee had er een bundel van te maken, merkte ik dat er een duidelijke ontwikkeling in zat. De gedichten laten een tocht zien die eindigt met het berusten in de werkelijkheid.’ Enquist gaf toe dat dit misschien moralistisch klinkt. ‘Maar het is wel waar het over gaat. Met de thema’s die in de bundel achtereenvolgens aan de orde komen, ben ik in de drie jaar dat ik aan het boek werkte, kennelijk bezig geweest.’
Later in on gesprek vroeg ze zich af of er misschien toch geen vertekening (‘artefact’) was opgetreden door het schrijven zelf: ‘Misschien was mijn eerste impuls om te schrijven wel iets wat me emotioneerde en kreeg ik later meer aardigheid in het schrijven, zodat ik me ook voor het gewone leven kon interesseren.’
In de allereerste gedichten komt ook nogal eens muziek voor. Op de eerste bladzijde staan de regels:

Ik heb een schuilhut in het bos. Daar hurk ik,
een gedeserteerd soldaat, laag aan de grond.
Een geur van aarde en gevaar. De wind
brengt flarden van een onrustbarende muziek:

Onderaan het gedicht staat tussen haakjes een verwijzing naar een serenade voor strijkorkest van Tsjaikowski. ‘Dat is het muziekstuk,’ vertelde ze, ‘dat bij het ontstaan van het gedicht een rol heeft gespeeld.’ Ze vond het niet minder dan een morele plicht om het stuk dan ook te noemen, een eerbewijs aan de componist.
Ze schreef het gedicht, evenals de volgende uit de eerste afdeling, in 1988, toen ze net haar baan aan het Sweelinckconservatorium had opgegeven. ‘Ik had het gevoel dat al mijn liefde voor de muziek mij werd afgenomen.’ Aan het conservatorium had ze jarenlang haar werk als psycholoog met haar belangstelling voor muziek kunnen combineren. Na haar studie psychologie en piano had ze op de school een baan gekregen als docent psychologie en schoolpsycholoog. Naast haar werk volgde ze een opleiding tot psychoanalyticus en toen ze die had afgerond, besloot ze over te gaan naar het Psychoanalytisch Instituut in Amsterdam. Op dit instituut deed ze toen ik haar interviewde nog altijd analyses en therapieën, ze verrichtte er wetenschappelijk onderzoek en ze gaf er cursussen. ‘Wat ik nu nu doe past beter bij mijn leeftijd.’ zei ze daarover. ‘Het lesgeven op het conservatorium eiste nogal wat energie. Je moest je studenten steeds maar zien te boeien. Je moest elk moment energiek overkomen.’

Dat wilde niet zeggen dat ze nu ook veel tijd had gekregen voor het maken van poëzie. Aan haar werkzaamheden was ze nog altijd aanzienlijk meer dan veertig uur per week bezig. Het dichten moest dan ook tussendoor gebeuren. ‘Ik moet altijd twee of drie dingen tegelijk doen. Ik ruim nooit tijd in voor het schrijven. Ik kan ook niet zoals andere dichters rustig voor een wit vel papier gaan zitten om iets te maken. Dan zou er niets uit mijn handen komen.’
Toen Anna Enquist een paar maanden eerder in een interview van mij had gelezen hoe haar Belgische collega Leonard Nolens zijn gedichten schreef, was ze daar zelfs een beetje van geschrokken. ‘Het idee dat je naar een hut in het bos zou gaan om daar de hele dag aan je gedichten te werken… Ik ga uit van een idee, een impuls om iets te schrijven. Ik kan daar soms lang over na denken, maar op het moment dat ik er voor ga zitten, is het in anderhalf uur af. Ik plan mijn werk ook niet ver vooruit. Ik schrijf alleen als er wat opkomt.’
Anna Enquists werk als psychoanalytica had er in ieder geval toe geleid dat haar gedichten een wat breder perspectief hadden dan het werk van veel andere dichters, en dat kon ik wel waarderen. Ze was iemand die duidelijk in het volle beroepsleven stond. De spreekkamer en de patiënten kwamen in haar werk voor. ‘Er is een deur en nog een deur,’ schrijft ze in haar gedicht ‘Spreekkamer’. ‘Daarachter / wordt gezwegen en verteld. Verborgen / fantasieën worden woordenstroom’. En in Soldatenliederen komt een mooi en oorspronkelijk gedicht voor over de Oedipus-theorie. Na een paar regels over de onmogelijke liefde die een patiënt voor zijn moeder voelt, volgt daarin onverwacht:

En wij, aan wie die op de bank ligt
traag geneest, zijn blind voor het begin
van het verhaal. Geen handboek dat vertelt
hoe iemand het zojuist geboren kind
heeft opgetild, op tafel heeft gelegd
en met een hand de voetjes vasthield.
Iemand heeft nagedacht, een priem
gepakt, heeft kracht gezet.

Toen de bundel Soldatenliederen eenmaal in de winkels lag, zo vertelde Anna Enquist, had ze de schroom die ze aanvankelijk voelde, overwonnen. Ze wilde nog steeds niet met haar werkelijke naam in de krant, maar ze deed verder weinig geheimzinnig over wie ze was en wat ze deed. ‘Ik vind het nu niet erg meer om mijn foto in de krant te hebben staan. Ik geneer me ook niet meer voor mijn gedichten zoals vroeger. Mijn pseudoniem is nu eerder een teken dat het niet om wetenschappelijk, maar om literair werk gaat, net als bij Van den Hoofdakker die gedichten schrijft onder de naam Rutger Kopland.’
Geen wonder, Anna Enquist had inmiddels ook veel positieve reacties van haar omgeving gekregen. Veel van haar collega’s bleken zeer te spreken over de gedichten, ook die waarin ze het vak beschreef.
Erg lang is Anna Enquist niet gelukt om na mijn interview nog een buitenstaander in de Nederlandse poëzie te blijven. Ze las steeds vaker voor uit eigen werk en kende ook steeds meer andere dichters. Twee maanden na mijn interview zou ze al naar Poetry International gaan, waar ze de Cees Buddingh’-prijs voor nieuwe poëzie zou winnen. ‘Ik mag daar een week met allemaal Chinezen in een Rotterdams hotel gaan zitten vertalen.’
Maar de onderlinge benvloeding die daar uit voort kon komen, vreesde ze niet. ‘Ik wil geen pleidooi voor plagiaat houden, maar je steekt wel iets van elkaar op. Mensen zuigen iets op van jou, en jij weer iets van hen.’
Over de reacties op Soldatenliederen in de pers was Anna Enquist die eerste maanden nog erg verbaasd. ‘Zoveel aandacht voor iets wat maar zo weinig mensen aanspreekt.’ Over het algemeen was men of heel enthousiast geweest of men vond het allemaal maar niets. Maar niemand peinsde erover het boek te negeren.
In het februarinummer van Tirade had Tomas Lieske net uitvoerig geprobeerd om te formuleren waarom de meeste gedichten van Enquist volgens hem toch geen grote poëzie zouden zijn. Aan het voor velen zo weldadige verhalende element in de bundel had hij zich geërgerd, schreef hij: ‘De gedichten vertellen te veel en zijn zelf soms te weinig.’
Door dergelijke kritiek was Anna Enquist plotseling geconfronteerd met allerlei regels waaraan gedichten volgens sommigen moesten voldoen. In ieder geval had ze daardoor een wat duidelijker beeld gekregen van de poëziekritiek. Tot haar eigen boek uitkwam, had ze recensies alleen gelezen om te zien of een boek wat voor haar was of niet, maar nu zag ze dat er kennelijk veel meer aan vast zat. ‘Ik zit niet zo goed in al die stromingen. Ik had me bij voorbeeld nooit gerealiseerd dat een gedicht volgens de gangbare mening niet naar iets verwijzen mag. Enkele critici stoorden zich aan de gedichten in het begin die naar muziek verwijzen. Dat tast volgens hen de dichtkunst aan. Ik zou daar zelf nooit opgekomen zijn!’
Hoe aanvechtbaar dergelijke kritiek was, bleek echter uit het gedicht dat zich volgens Tomas Lieske in Tirade juist gunstig van de andere verzen onderscheidde: ‘Terugkeer van de jager’. Anna Enquist liet me tijdens ons interview zien dat dit gedicht op zichzelf zeker zo concreet is als de andere. Het is gebaseerd op het schilderij De jagers in de sneeuw van Brueghel, dat ze een paar jaar geleden in Wenen zag. Aanvankelijk had ze er ook een verwijzing naar de schilder bij opgenomen, als beleefdheid tegenover de aanstichter van de gedachtenreeks, maar op aanraden van Theo Sontrop had ze die later weer laten vallen. Het gedicht werd  daardoor in de ogen van mensen als Lieske plotseling een fraai autonoom produkt. De woorden waren hetzelfde gebleven, maar plotseling stond het op zichzelf.
Wat Anna Enquist in de kritieken ook had verbaasd, was dat je volgens de gangbare mening verboden een gevoel niet als zodanig  beschrijven mocht. Volgens veel critici mocht je het woord dat er voor een bepaald gevoel bestond, in een gedicht niet zelf gebruiken. Je moest via een omweg laten blijken dat er een bepaalde stemming was. Wanhoop mocht je geen wanhoop noemen, huilen geen huilen en woede geen woede.
Enquist vond een dergelijk argument volslagen absurd. ‘Je beperkt jezelf verschrikkelijk als je je dit soort teugels laat aanmeten. Ik noem de gevoelens bij hun naam.’
De kritiek had ze tot dan toe dan ook maar snel naast zich neer gelegd. ‘Mijn eerste reactie is om precies te doen wat ze zeggen, maar daarna vind ik dat ik juist moet doorgaan met wat ik doe. Voor wie schrijf ik nu eigenlijk? Ik trek me er niets van aan. Als ik vind dat iemand gelijk heeft, doe ik daar mijn voordeel mee, zo niet dan zet ik het tandenknarsend van me af. Ik wil me mijn plezier in het dichten niet laten afpakken.’
Enquist vond dat poëzie met de lezer hetzelfde moest doen als wat muziek doet. ‘Het is natuurlijk niet de hele waarheid, maar gedichten moeten in ieder geval emoties opwekken bij de ontvanger. En dat bereik je alleen maar door het ‘voor te doen’. Net zoals je met een Schubert-sonate emoties kunt wekken door het spelen, zonder iets uit te leggen, op een directe, woordenloze manier, zo kun je bij het gedicht de woorden laten zien.’
Zij besefte echter wel dat dit slechts één kant van de zaak was. ‘Naast het opwekken van emoties wil ik ook graag iets uitleggen, iets samenvatten, iets helder krijgen. Ik wil in mijn gedichten dus ook de cognitieve kant op. In de televisieprogramma’s van ‘Theo en Thea’ kwam ook altijd zo’n moment voor. Nadat er eerst een grote chaos is geschapen, vragen ze: waar gaat het over? Wat is er aan de hand? Dat heb ik ook. Vanaf dat moment gaat het me niet alleen meer om het overbrengen van emoties. Ik neem me dan voor om wat ik voel heel clean op te schijven. Misschien onderga ik in dit opzicht wel de invloed van mijn vak. Een patiënt komt vaak bij mij met dromen en invallen. Wat ik in zo’n geval als analyticus doe, is zijn indrukken prozaïsch samenvatten. In de veelheid van gevoelens die hij heeft, probeer ik orde te scheppen, door me af te vragen: waar gaat het over?
‘Naar de vorm doe ik in de psychoanalyse en de poëzie analoge dingen. Als het goed is zitten de beide kanten, het analytische en het gevoelsmatige, ook in al mijn gedichten. Deze twee kanten zorgen ervoor dat er een spanning ontstaat. Vaak is het natuurlijk achteraf redeneren, maar als ik een gedicht mislukt vind, is dat meestal omdat er alleen maar emoties zijn, of alleen maar een abstracte samenvatting.’
Toen ik Anna Enquist die eerste keer interviewde had ze inmiddels al bijna haar tweede bundel af, die in de herfst moest verschijnen. De gedichten in dit tweede boek zaten, zei ze, veel dichter bij elkaar dan in het eerste. ‘Het is het werk van slechts één jaar. Ik ben heel benieuwd hoe deze nieuwe gedichten zullen vallen. Er komt bij voorbeeld een lang Don Giovanni-gedicht in voor, gebaseerd op de bekende Mozart-opera. Don Giovanni wordt daarin beschreven aan de hand van wat de andere hoofdrolspelers vinden.’
Anna Enquist zei daarover: ‘Ik ben benieuwd of dat mag.’
Vreemd genoeg behoorde ik later bij de critici die haar verweten ook in haar proza te weinig vanuit het onzegbare te werken. Het banale dat ik eerst zo origineel vond, ging me toen kennelijk tegen staan. En dat bleef zo, totdat ik een keer wat langer met Nelleke Noordervliet sprak, die Anna Enquist al sinds haar studiejaren kende. Zij legde me uit dat juist de combinatie van platte, banale elementen met een onthechte, verheven houding iets unieks was, dat Anna Enquist altijd had gehad en dat ook zijn waarde had.
Ik nam me voor om met deze nieuwe blik nogmaals naar haar proza te kijken, maar ben daar tot op heden nooit aan toegekomen.

Het interview met Anna Enquist waaruit ik citeer, verscheen in het CS Literair bij NRC Handelsblad van 27 maart 1992. Een eerdere versie van deze UPDATE verscheen in Das Zahngold in januari 2013. 

 

Geef een reactie