Bij de dood van Hannelore Grünberg-Klein (87): het meisje dat er niet had mogen zijn

omslagdouble21Door Reinjan Mulder
Twee weken geleden overleed de moeder van Arnon Grunberg. Niet onopgemerkt, bijna alle kranten besteedden er uitgebreid aandacht aan. En terecht. Hannelore Grünberg-Klein werd voorgoed een publieke figuur door de verschijning van Grunberg’s succesvolle debuut ‘Blauwe maandagen’. Daarna kwam ze geregeld terug in de publiciteit, in interviews met Arnon Grunberg en in zijn  columns, maar pas in de dagelijkse Voetnoot en een aantal recente documentaires kreeg ze een gezicht dat haar recht deed.
Ik kende Hannelore Klein vooral van een paar gezamenlijke wandelingen rond Hinterzarten, in het Zwarte Woud, waar ze om het jaar met Arnon vakantie hield. Ik zal nooit vergeten hoe ze daar kwiek als een berggeit over de wandelpaden stapte, van haar forel genoot, of ruzie maakte met haar zoon of de pensionhoudster over de stiekem van het ontbijt meegesmokkelde boterhammen.
Soms kregen moeder en zoon daar ook nog een tijdje gezelschap van een geliefde van Arnon, maar zoals hij zelf zei, daarna was het meestal snel afgelopen met de relatie.
Geen wonder, want hoezeer ze haar schoondochters in spe ook wist te boeien met haar geestige monologen, aan één zo’n alom aanwezige geliefde als Hannelore Klein heeft iedere man genoeg.
Over niet al te lange tijd verschijnt er een boek van Arnon Grunberg over zijn moeder. Toch is er al boek waarin haar bestaan en met name haar overleven in het verborgene een belangrijk rol speelt. Dat is de roman ‘Onze oom’. Bij de presentatie daarvan in Eupen (B.), op 27 september 2008, sprak ik daarover deze tekst uit. 

BIJ HET VERSCHIJNEN VAN ONZE OOM
De roman Onze oom die wij hier vanmiddag presenteren markeert een breukpunt in het oeuvre van Arnon Grunberg. Wanneer de literatuurprofessoren in Nederland, Duitsland, Frankrijk en, wie weet, ook in Amerika, later al zijn boeken aan een nadere analyse zullen onderwerpen, zullen ze zeggen: ‘Ja, met Onze oom heeft Grunberg duidelijk een nieuwe richting ingeslagen’. Nu is dat natuurlijk geen nieuws waar je heden ten dage goed mee aan kunt komen. Want wie goed leest, en wie van ons leest er niet goed wanneer het om Arnon Grunberg gaat, weet dat elk nieuw boek van hem een breukpunt markeert.
Desondanks durf ik vanmiddag de stelling aan dat Arnon Grunberg met Onze Oom opnieuw als schrijver debuteert. U heeft het boek misschien nog niet gelezen, daarom som ik vast een paar makkelijk waar te nemen verschillen op met eerdere boeken.
Om te beginnen is Onze oom dikker dan het oudere werk. Het kwantitatieve verschil. Dat is op zichzelf geen groot nieuws. Ook De Joodse Messias, het vorige boek van Grunberg dat ik ten doop mocht houden, in de achterkamer van snackbar Jeruzalem aan de Haarlemmerstraat –  dat was wel wat makkelijker te vinden dan Eupen –  ook dat vorige boek was een stuk dikker dan het oudere werk.

Wandelen in het Zwarte Woud

Wandelaar in het Zwarte Woud

Een ander verschil dan. Onze oom is een on-Nederlands boek. Er komt, anders dan bijvoorbeeld in Het aapje dat geluk pakt, geen Nederlander in de roman voor, sterker nog: de hoofdpersonen weten dit keer vermoedelijk niet eens waar Nederland ligt.
En: het heeft dit keer niets autobiografisch. Het verhaal speelt zich naar alle waarschijnlijkheid niet alleen een paar duizend kilometer van Nederland af, er is ook  geen hoofdpersoon die bepaalde trekken met de schrijver gemeen heeft, zoals in Blauwe Maandagen en Figuranten, en misschien ook wel in De Asielzoeker. (En dan heb ik het nog maar even niet over Jörgen Hofmeester, de voor mij o zo herkenbare hoofdpersoon uit Arnons laatste roman, Tirza.)
En dan, een vierde verschil, Onze oom is veel complexer dan we tot nu toe gewend waren. Dat heeft er vooral mee te maken dat er, anders dan in eerdere boeken, niet meer één duidelijke hoofdpersoon is. Zijn er eigenlijk nog wel hoofdpersonen? Is het de majoor? Is het het meisje Lina. De theatrale boze stiefmoeder, Paloma? Tot over de helft van het boek blijven we in spanning. En dan nog komen er af en toe nog weer nieuwe personages het toneel op, die het in zich hebben hoofdpersoon te worden. Zo zit daar plotseling in de mijnen Onze Oom. En wat te denken van De Dirigent, aan wie naar mijn idee een van de psychologisch het meest uitgewerkte portretten in het boek is gewijd.
Tot slot wil ik nog een vijfde, een laatste verschil noemen. Onze oom is, het stond ook al in NRC Handelsblad gisteren, een militaire roman. Nederlands eerste oorlogsroman sinds vijftig jaar. Een roman uit het frontgebied.
Net zoals Ernest Hemingway ooit naar de oevers van de Isonzo trok, waar in de ravijnen rondom het plaatsje Kobarid, tijdens de eerste wereldoorlog tienduizenden soldaten in de sneeuw het leven lieten, en zoals hij later ook nog eens naar Spanje zou gaan, om in de burgeroorlog inspiratie op te doen voor zijn klassieke romans, zo heeft Arnon Grunberg zich de afgelopen jaren, let wel: als enige Nederlandse romanschrijver, naar de slagvelden begeven waar anno nu de toekomst van onze wereld wordt bepaald. Niet om de sensatie, maar om aan den lijve mee te maken wat het is, schietschijf te zijn voor de ideologisch bevlogen jongeren van onze tijd.
Dat engagement, want zo mag je het wel noemen, heeft zijn schrijverschap geen kwaad gedaan.

Station Gmund

Een voorliefde voor het Duitse berglandschap

Zo, met deze woorden, had ik mijn inleiding naar een mooi en optimistisch einde kunnen brengen, en dat had ik misschien ook wel gedaan, als ik niet halverwege het traject dat moet worden afgelegd bij het schrijven en redigeren van een boek als dit, tot de conclusie kwam, dat ik net zo goed, wat zeg ik, dat ik misschien zelfs beter  het omgekeerde zou kunnen poneren bij deze presentatie.
Dat zal ik vanaf nu dan ook maar doen.
Waar het op neer komt, is dat Onze oom een sterk autobiografisch boek is.
In Nederland wordt er ten onrechte vaak vanuit gegaan dat een boek autobiografisch is als de hoofdpersoon op de schrijver lijkt, of, kijk naar Tirza, als de hoofdpersoon in het huis woont waar de schrijver lange tijd heeft vertoefd.
Behalve autobiografisch naar personages kan een boek echter ook autobiografisch zijn naar thematiek. En in dat opzicht is Onze oom misschien wel het meest autobiografische boek dat Arnon Grunberg ooit schreef.
Zijn meest autobiografische boek tot nu toe.
Ziet u de advertenties al?
Misschien hebben sommigen van u de documentaire gezien die Paul Rosenmöller een paar jaar terug voor de IKON maakte. In die documentaire reist de interviewer, samen met Arnon Grunberg naar Auschwitz, waar moeizaam, stukje bij beetje het verhaal van Grunbergs moeder wordt verteld, een moeder die, u weet het ongetwijfeld, aan het eind van de oorlog in Auschwitz was terecht gekomen.
Meer over die zwarte episode vertelt Arnons moeder zelf in het prachtige interview dat Mark Schaevers een paar jaar geleden voor Humo met haar maakte, en dat, voor zover ik weet, vreemd genoeg nog nooit in Nederland is verschenen.
In die twee documenten, de film van de IKON en het interview van Schaevers, komt als belangrijk motief naar voren dat iemand die eenmaal het concentratiekamp heeft overleefd, alleen nog maar toegiften kan geven. Je tijd is al lang om, het concert is uit. De balans is opgemaakt. Je had er eigenlijk al lang niet meer moeten zijn.
Alles wat er in het leven nog aan aardigs gebeurt, wordt  onwerkelijk. Hors concours. Alsof het niet voor jou was bedoeld.
Dat zelfde gebeurt, beste toehoorders, in Onze Oom met Lina, het meisje dat misschien toch wel als de hoofdpersoon van het boek moet worden beschouwd. Ze is al aanwezig in de eerste regel, en ik zeg denk ik niet te veel, als ik u al vertel dat ze ook nog in de laatste alinea’s een indrukwekkende rol speelt.
Ook Lina is een meisje dat er volgens de harde wetten van geschiedenis niet meer had horen te zijn. Ze is letterlijk ten dode opgeschreven: de kranten hebben haar al bij de dodelijke slachtoffers van de militaire acties vermeld.
En net als bij de overlevers van de Duitse concentratiekampen heeft ook Lina een beul die eigenlijk helemaal niets kwaads in de zin heeft. Was het maar een echte beul! Dan waren de verhoudingen duidelijk. Een opzichter van het rangeerterrein is het eerder. Een manager van de transportonderneming die, net als alle managers –  ook in het boekenvak – alleen maar wat meer efficiëntie nastreeft, in iets wat hem zelf verder niet aangaat.
Een menselijke, al te menselijke Schreibtischmörder.
Als je dit eenmaal hebt gezien is het niet zo moeilijk om meer autobiografische elementen in Onze oom te ontdekken. Bijvoorbeeld in het moment dat Lina, de levende dode, de doodgewaande die inmiddels ook officieel is doodverklaard, een levend kind ter wereld brengt.
We weten inmiddels al uit andere literatuur hoe het is om een leven te leven dat je eigenlijk niet meer was gegund. Maar weten we ook hoe het is om het kind te zijn van iemand die eigenlijk al jaren in het rijk der schimmen verblijft? Het kind van iemand die niet verder leven mocht.
Hoe het dit kind in het boek vergaat, zal ik hier niet verklappen, het behoort tot een van de meest adembenemende stukken in Onze oom.
Ik wil u alleen het advies geven: als u het boek leest, denk dan niet alleen aan de bergen en pampa’s van Zuid Amerika met zijn operette majoors, die pechvogels blijken te zijn, met zijn overspelige luitenant-generaals, en met zijn eeuwig verkouden kolonels.
Denk ook even aan Berlijn, en aan Amsterdam Zuid.
Het kan uw begrip van dit ‘onontkoombare boek’, ik citeer NRC Handelsblad, alleen nog maar meer ten goede komen.

Link: Onze oom

Eén reactie

  1. Zit te wachten op een cineast die het aandurft een dergelijke roman te verfilmen. Of anders Blauwe Maandagen als vingeroefening.

Geef een reactie