Vallen op iemand die ‘klopt’ – de recensie van Cees Nooteboom’s ‘Rituelen’ in NRC Handelsblad revisited

Bewondering of afkeer? Streepjes in NRC Handelsblad's recensie-exemplaar van Nootebooms Rituelen (1980)

Bewondering of afkeer? Streepjes in NRC Handelsblad’s recensie-exemplaar van Nootebooms Rituelen (1980)

Door Reinjan Mulder
UPDATE 2015 – De schrijver Cees Nooteboom mag graag vertellen dat zijn werk in eigen land minder gewaardeerd wordt dan in het buitenland, en verwijst dan naar zijn boek Het volgende verhaal dat in Duitsland een bestseller werd maar in Nederland veel zuiniger werd onthaald.
Ik heb al eens aangetoond dat het met die zuinigheid, in ieder geval wat NRC Handelsblad en Het volgende verhaal betreft, wel meevalt. Maar wat gezegd moet worden, moet gezegd: over Nootebooms eerder verschenen roman Rituelen was ik bij verschijnen niet erg te spreken.
Later, toen Cees Nooteboom in Den Haag de P.C. Hooftprijs zou krijgen, heb dat boek nog eens herlezen en vond ik het heel wat beter dan ik me herinnerde. Maar ik begreep nog wel waarom ik me er destijds, in 1980, zo aan geërgerd had. Cees Nooteboom was in de tijd dat Rituelen  verscheen, ik was toen 31, voor mij het vleesgeworden symbool van de generatie die direct boven mij zat. De generatie van de gearriveerde oude heren.
Cees Nooteboom: dat lazen mijn ouders. Dat was ook letterlijk zo. Mijn moeder had Nootebooms droomdebuut Philip en de anderen zo lang ik me heugen kan in de kast staan, net als zijn verhalenbundel De verliefde gevangene. Ik had die beide boeken in mijn middelbare schooltijd ook met bewondering gelezen en herlezen. Maar toen ik eenmaal volwassen was, verwachtte ik meer van de literatuur dan het vaag romantische wegdromen in verre landen dat Cees Nooteboom deed. De stad stond in brand, Vietnam werd gebombardeerd, er werden overal in Amsterdam panden gekraakt, het onrecht en de ongelijkheid schreeuwden je tegemoet, en hoe kun je je dan verplaatsen in een man die, zoals de hoofdfiguur van Rituelen, over zoiets decadents als de smaak van whisky filosofeerde?
Het boek begint er al mee dat de hoofdpersoon Inni Wintrop in de eerste zin zelfmoord pleegt op de dag dat de aandelen Philips 149.60 stonden: ‘De slotkoers van Amsterdamse Bank was 375 geweest en Scheepvaart Unie was gezakt naar 141,50.’
De slotkoers van Amsterdamse Bank, en de aandelen Philips: was er in de herfst van 1980 nu echt niets anders om je druk over te maken?
En waarom had deze Inni Wintrop zich nu helemaal opgehangen? ‘Omdat hij in zijn eigen horoscoop in Het Parool voorspeld had,’ lezen we, ‘dat zijn vrouw er vandoor zou gaan met een ander en dat hij, Leeuw, dan zelfmoord zou plegen.’
En misschien ook wel omdat hij een man was die soms, zo lezen we, nog altijd op de eerste bladzijde, dikke tranen huilde, vanwege ‘duistere voorgevoelens, en een peilloze angst om iets, wat dan ook, al was het maar door een teken of ceremonie, aan zijn leven te veranderen.’
Ik werd er kregel van.
HetLitLevenDe afkeer die ik al vrijwel meteen voor het boek voelde, werd nog eens aangewakkerd door de diverse glossy bladen zoals Avenue, waarvoor Nooteboom in die tijd vaak reportages schreef. Bladen vol dure kleurenfoto’s en advertenties voor mode, tassen en parfum, die dan moesten worden afgewisseld door dromerige mijmeringen van eenzame mannen in verre hotelkamers. Mannen zoals Cees Nooteboom.
Ook Avenue was een blad van mijn ouders. Chiquer en kunstzinniger dan de damesbladen die daarvoor vaak in ons huis rondslingerden. En met echte schrijvers en echte kunstenaars. Maar in wezen natuurlijk geen haar beter dan de rest.
Brrrr.
Diezelfde sfeer van onverplichte kunstzinnigheid, maar dan nog een graadje erger, had ik in de jaren zeventig aangetroffen in de promotiecampagne voor een ander blad uit de stal van Avenue: Zero. Meer dan Avenue, dat toch altijd een uit zijn krachten gegroeid damesblad bleef, was dit blad primair bedoeld als mannenblad, maar dan voor mannen van het allerlarmoyantste soort: ‘mannen van nu’. In de advertenties bij het verschijnen van het eerste nummer van Zero, in 1979, werd de Weltschmerz die hen – in mijn ogen – kwelde, breed uitgemeten, met het denderende cliché: ‘Je hebt het gevoel dat er meer in het leven zit dan jij eruit haalt.’
In dit Zero nu, ‘een blad voor nullen’ zoals ik het ooit in een column in Folia Civitatis noemde, stonden de allereerste fragmenten van Rituelen van Cees Nooteboom.
Je moet een schrijver misschien niet al te hard aanvallen als hij soms in de verkeerde bladen publiceert, maar hij moet dan niet zo verbaasd zijn dat zijn werk daardoor in een verkeerde hoek terecht komt. Wie meesterwerken bij een pulpuitgeverij publiceert, loopt het risico niet al te serieus te worden genomen. En Zero was zo’n vorm van pulp, die het gelukkig ook niet erg lang in de kiosken heeft volgehouden.
Maar toen Rituelen daarna dan ook nog eens als boek verscheen, kon ik niet voorkomen dat er weer een lichte rilling door me heen ging: als dit niet het boekgeworden Zero-gevoel was!
Een heel boek, nu, voor mannen die verlangden naar ‘meer vrijheid, meer plezier en meer spel’. Bah! Driewerf bah!

Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Cees Nooteboom, vele jaren later, ben ik naar Den Haag gereisd en heb ik Nooteboom uit de grond van mijn hart gefeliciteerd met zijn prijs, want inmiddels was ik hem toch wel een van de betere Nederlandse schrijvers gaan vinden. Een man ook, die ik op een of andere manier wel mocht. En ik heb hem gezegd dat ik inmiddels wel wat anders was gaan denken over Rituelen, al begreep ik nog steeds heel goed, zei ik, waarom ik er indertijd zo kwaad over was.
Met het zelfvertrouwen dat Cees Nooteboom toen kenmerkte, antwoordde hij me dat hij dat laatste nog altijd niet begreep.
Waarvan acte.
En nu dan, voor de literatuurgeschiedenis, mijn recensie van Rituelen, zoals hij op 12 december 1980 in NRC Handelsblad verscheen:

WINTERSPORT, WHISKY EN OOSTERSE WIJSHEID
Anderhalf jaar geleden, op een woensdagmorgen in april, werden de lezers van het doorgaans zo degelijke weekblad Intermediair opgeschikt door een kleurig inlegvel. Het was het geboortekaartje van een nieuw geïllustreerd tijdschrift voor de man van nu: Zero.
Vierenveertig portretten van vierenveertig Zero-medewerkers staarden de verblufte lezer die woensdagmorgen aan. En een overdaad aan halfzachte reclame-slogans probeerde hem over te halen een abonnement te nemen: ‘Je dagen zijn gevuld met doen, je aandacht is verstrooid over duizenden fragmenten, je hoofd zit vol onvoltooide gedachten. Je hebt het onbevredigde gevoel dat er meer in het leven verborgen zit dan jij eruit haalt. Meer mogelijkheden, meer kennis, meer cultuur. En ook meer vrijheid, meer plezier, meer spel… Je ziet een  toekomst voor je die diepgaande veranderingen in de samenleving zal veroorzaken… Je zou een betrouwbare vriend moeten hebben.’
Wie direct een abonnement nam, kreeg het exclusieve recht lid te worden van een Zero-club. De club der nullen. Dit lidmaatschap leverde interessante kortingen op bij restaurantbezoek en het opende de mogelijkheid speciaal door Zero geïmporteerde boeken en platen te kopen. Boeken en platen die niemand anders zou hebben.
Wie waren die vierenveertig medewerkers die aan de dolende mens een betrouwbare vriend aanboden? Ik kan me ze niet allemaal herinneren, maar in ieder geval waren onder hen de trendgevoelige Hans Ferrée, D66 ideoloog Ernst van Altena, de toekomstfilosoof W.L.Brugsma, het katholieke geweten Arie Kuiper en de dichter Cees Nooteboom. Leidsmannen in moeilijke tijden. Bakens in de branding.
Afgezien van enkele smalende stukjes in de weekbladpers heb ik sindsdien van Zero, de betrouwbare vriend, nooit meer iets vernomen – tot ik vorige maand het nieuwe boek van Cees Nooteboom in handen kreeg: Rituelen. Het eerste deel van deze roman, zo vermeldt het colofon, stond eerder in Zero.
Het blad bestaat dus echt. En Nooteboom doet mee.
Ik ga op deze voorgeschiedenis zo uitgebreid in, omdat Rituelen precies de levensinstelling weerspiegelt die ook te vinden was in de aankondiging van Zero. Het boek beschrijft in drie fasen het doen, het laten, en vooral het voelen van Inni Wintrop. Op zijn twintigste jaar, zijn dertigste en zijn veertigste. Zijn dagen zijn gevuld met doen, zijn aandacht is verstrooid over duizenden fragmenten, zijn hoofd zit vol onvoltooide gedachten. Hij heeft het onbevredigende gevoel dat er meer in het leven verborgen zit dan hij eruit haalt. Hij ziet een toekomst voor zich die diepgaande veranderingen in de samenleving zal veroorzaken.
Alsof er een marketingbureau achter zit, komen alle onderwerpen aan bod die de man van nu bezig houden. Er is een mislukte relatie met een actrice, een Italiaanse fotograaf, horoscopen, zelfmoord, beleggingen, wintersport, whisky, eenzaamheid, verdriet, goede smaak, treurigheid, oosterse wijsheid en, niet te vergeten, kunst en antiek. Het decor is, in twee van de drie delen, de Amsterdamse binnenstad. Er vliegen zonder duidelijke reden duiven in het rond en de liefde is verworden tot een routinehandeling. Er is niets vergeten.  Meer mogelijkheden, meer kennis, meer cultuur. Meer zieligheid.
Van al deze onderwerpen zou misschien een waarachtige roman te maken zijn, maar daarvoor zijn dan andere woorden en andere vergelijkingen nodig. Nooteboom: ‘Dat was de chaos, en de chaos was wat hem het meest angst aanjoeg in zijn leven, chaos waarin hij zou worden teruggegooid als zij hem verliet.’
Een betrouwbare vriend, dat is wat Inni Wintrop nodig had.
Op zijn twintigste heeft hij een mooi ogenblik beleefd met het dienstmeisje van zijn familie. Later ontwerpt hij een theorie, een ‘filosofie’, over zijn verliefdheid: ‘Fysiek heeft er nauwelijks iets mee te maken, daardoor wordt het hoogstens sneller duidelijk. Het is weten, instinctief, ineens, en zeker, dat iemand in orde is… dat ze klopt. Voor zichzelf. Ik kan niet op iemand vallen die voor zichzelf niet klopt. En de andere pijler – het was tenslotte een constructie – is dat je weet dat ze iets voor je heeft… Dat als tijd en plaats kloppen er een logica in de ontmoeting zit…’ Etc. Het uitwerken van de theorie neemt een hele bladzijde in beslag, zonder dat er iets duidelijk wordt. Het blijft modieus gezeur. Second-life literatuur.
Pas de laatste zestig bladzijden wordt Rituelen minder tobberig. De ergste problemen van Inni Wintrop verdwijnen en de beschrijving van een excentrieke kunstliefhebber maakt het boek zelfs van tijd tot tijd spannend.
Maar dat is wel 120 bladzijden te laat.

REINJAN MULDER
 

 

Geef een reactie