Het beste debuut van 1978: Jona Oberski’s ‘Kinderjaren’ – Reis door mijn boekenkast (71)

Door Reinjan Mulder
jonaUPDATE – Heel wat boeken heb ik enthousiast voor de krant gerecenseerd, die later weer totaal vergeten zijn, zoals ik later, als uitgever, ook genoeg prachtige titels heb uitgebracht die geen kassucces werden. Ja ik heb zelfs aardig wat boeken gelezen die ik maar besloot niet uit te geven, ja, die niemand besloot uit te geven, maar die desondanks altijd in mijn hoofd zijn blijven spoken, misschien omdat ze geen verder leven vergund was en ik me daarover schuldig voelde, maar misschien ook wel omdat ik vreesde geen fingerspitzengevoel te hebben voor wat ‘de markt’ doet.
Gelukkig ben ik ook vaak genoeg in een vroeg stadium enthousiast over een boek geweest, waar dat enthousiasme later door anderen werd gedeeld. Dat overkwam me bijvoorbeeld met De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen’s De wetten, Allard Schröder en, helemaal aan het begin van mijn loopbaan als criticus, met het curieuze boekje Kinderjaren van Jona Oberski (1938).
Dat laatste boek zag er, toen ik het in handen kreeg, niet al te best uit, in zijn stijve, iets te langwerpige vormgeving van de niet echt prominente Haagse uitgeverij Bzztoh.
Er was tevoren ook niets over te horen of te lezen geweest en  de auteur was mij totaal onbekend.
Maar toen ik Kinderjaren las, was ik er behoorlijk van onder de indruk.
Ik werkte in die tijd nog als freelancer, naast mijn werk aan mijn proefschrift, en het kwam waarschijnlijk niet in me op om bij de krant om extra ruimte te vragen. Maar het boekje had achteraf gezien een prominentere plaats in de krant verdiend dan het hoekje dat het nu kreeg, en het had er ook al wel wat eerder in mogen staan. Het kwam vlak voor oudjaar uit, en dat is niet de beste tijd voor boeken, zodat ik het pas half januari besprak. Wat zo mogelijk een nog slechtere tijd was voor boekbesprekingen.
Misschien had ik er ook nog wel wat meer over mogen juichen, want nu ik mijn recensie na zoveel jaren teruglees, vind ik hem erg zuinig. Maar juichen kon ik toen nog niet zo goed, en toen we eenmaal zeker wisten dat Jona Oberski een auteur was om rekening mee te houden, zweeg hij verder jarenlang en was er geen gelegenheid meer om het goed te maken. Heel lang kwam er niets meer van hem uit, totdat er eindelijk nog een tweede en een derde boek van hem verschenen. Maar helaas haalden die het niet bij zijn eersteling.
Kennelijk had Jona Oberski in dat ene, schijnbaar toevallige boekje, al zijn kruit verschoten. Hij schreef het toen hij een workshop volgde en zijn docente, Judith Herzberg, bedacht dat zijn geschiedenis misschien wel een publicatie kon worden.
Dat bleek goed gezien. Het ‘boekje’ werd al snel in vele talen vertaald en vele malen herdrukt, totdat het ten slotte toch nog in de vergetelheid wegzakte.
Wat is er sindsdien van geworden?
En: wat schreef ik in 1978 ook weer over Kinderjaren van Jona Oberski? Ik pak de krant er bij en lees:

‘De in de marge opererende Haagse uitgeverij BZZTOH heeft in de korte tijd van haar bestaan een vrij omvangrijk, maar niet altijd even schokkend, fonds weten op te bouwen. Maar eind 1977 verscheen er, tussen De Kunst van het Falen, een nogal potsierlijke egotrip van Rudi Cornets de Groot, en Vissen bij Blauw, een wel erg mager verhalenbundeltje van Geert Bremer, onverwacht een opmerkelijk debuut. Het was de novelle Kinderjaren van de tot voor kort totaal onbekende Jona Oberski. Een vakkundig en subtiel geschreven boek dat je bij deze uitgeverij van verbale gewichtigdoenerij niet gauw zou verwachten.
Jona Oberski beschrijft uiterst sec de uiterlijke ervaringen van een klein joods jongetje in de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. In korte hoofdstukjes gaat hij in op belevenissen in het bezette Amsterdam, op de transporten per trein, het verblijf in Westerbork en Bergen-Belsen. Tijdens het laatste transport, naar Palestina, zoals sommige mensen nog steeds proberen te geloven, wordt de trein door de oprukkende Russische troepen ontzet.
Kinderjaren is opgedragen aan ‘mijn pleegouders die heel wat met me hadden uit te staan’. Deze opdracht, afgedrukt na het slothoofdstuk waarin wordt beschreven hoe het inmiddels zeven jaar oude jongetje bij een pleeggezin belandt, wekt de indruk dat het boek sterk autobiografisch is.
Het bijzondere aan het boek is dat de vaak verschrikkelijke gebeurtenissen voornamelijk in hun uiterlijke verschijningsvorm voorkomen. Er wordt nauwelijks iets geïnterpreteerd. De novelle wordt zo een verslag van alleen maar directe waarnemingen. In simpele taal, in korte elementaire zinnen vertelt het jongetje wat hij ziet en hoort.
Over zijn gevoelswereld, zijn angsten, zijn fantasieën, lezen we bijna niets. Zelfs de meest essentiële informatie wordt indirect, ven aak achteraf gegeven.
Deze werkwijze zorgt voor een uiterst sober karakter van de vertelling. Als het jongetje met zijn vader op de pont staat, zegt deze tegen de pontbestuurder dat zijn zoontje zo goed Nederlands spreekt omdat hij in Nederland is geboren. ‘Wij doen ons best om Nederlands met hem te spreken.’
Pas door zo’n zinnetje merk je met een schok dat het hier om een immigrantengezin gaat.

Jona Oberski weigert in Kinderjaren ook om echte of vermeende oorzaken van wat er gebeurt in ingewikkelde zinnen aan te geven. Hij somt alleen de eeenvoudige feiten op. Hierdoor loopt hij het gevaar eentonig te worden. Hoe korter de zin, des te minder mogelijkheden tot variëren, des te minder kans op een onderhoudend verhaal. Maar door precies de juiste woorden te kiezen, wordt het bij hem nergens eentonig: Ik ging huilen. Het emmertje viel naast mij op de grond. Ik stond op. Ik rende naar ons huis. Ik rende de trap op. Ik bonsde op de deur. Mijn moeder deed open. Zij pakte mij op. Zij zei: ‘Ach schatje, wat is er gebeurd?’ Zij drukte mij tegen zich aan. Zij haalde voorzichtig met een washandje het zand uit mijn gezicht. Zij kuste mij en streelde het zand weg over mijn hoofd. Ik hield op met huilen.’
Deze koele, simpele benadering is niet, zoals je zou kunnen denken, een gevolg van het gebruikte perspectief: de wereld van een kind. Kinderen hebben juist de neiging om de feiten veel ingewikkelder te maken dan ze zijn. Ze fantaseren er van alles bij en ze hebben een overvloed aan verklaringen.
Nee, in Kinderjaren zien we een wereldbeeld van iemand die zoveel vreselijke dingen heeft meegemaakt, dat hij daar alleen maar over kan praten als hij allerlei verfraaiingen en zwaarwichtige gevoelsuitingen achterwege mag laten.
De enorme beperking tot slechts de uiterlijke kanten van de gebeurtenissen die Jona Oberskli beschrijft, is de beperking van het altijd nog ingehouden verdriet.’

De recensie in NRC Handelsblad van Jona Oberski, Kinderjaren verscheen oorspronkelijk (in iets andere vorm) op 19 januari 1978.   

Eén reactie

  1. Dit jaar heb ik de mavoleerlingen verplicht om dit boek te lezen. Ik heb ‘Kinderjaren’ herlezen en het blijft een goed boek. Een groot thema in een zo klein boekje geslaagd aan de orde stellen – dat is knap. Aan het boek dat Oberski hierna schreef heb ik overigens nauwelijks een herinnering.

Geef een reactie