Blinde fotograaf Evcen Bavcar over kijken, W.F. Hermans en het zwarte licht: ‘We zien wat we weten’

Bavcarfoto

De blinde fotograaf Evcen Bavcar – boeken en brieven uit Parijs en Slovenië

‘Niemand kan meer in de landschappen van mijn jeugd komen,’ weet de blinde fotograaf Evgen Bavcar (1946). ‘Maar ik heb mijn innerlijke galerien. Ik kan niet tegen u zeggen: kom daar eens kijken. Maar daarom maak ik juist mijn foto’s.’ 
Door Reinjan Mulder
In het verhaal ‘De blinde fotograaf’ van W.F. Hermans – opgenomen in Een Landingspoging op Newfoundland – gaat een weekbladjournalist voor de rubriek Paradoxale Persoonlijkheden op zoek naar een fotograaf die blind is. Het is een absurd verhaal, maar het interessante is dat het een goed doordachte visie geeft op het verschijnsel fotografie. De blinde fotograaf blijkt een groot gedeelte van zijn tijd door te brengen in een donker achterhuis, en na enige verwikkelingen met zaklampen krijgt de journalist in de gaten waarom hij denkt dat hij fotograferen kan. Als jij fotografeert, heeft de blinde fotograaf tegen zijn moeder gezegd, komt dat op hetzelfde neer als wanneer ik het doe. Jij kunt immers evenmin vertellen wat er op de foto’s staat die je hebt gemaakt. Net als iedereen moet jij wachten tot de foto ontwikkeld is en afgedrukt. Het fotograferen, zo wordt duidelijk is voor de blinde alles behalve een spelletje. Het is de enige manier waarop hij zonder hulp van anderen beelden kan laten zien.

Toen ik voor het eerst de geschiedenis van de Sloveen Evgen Bavcar hoorde, moest ik onvermijdelijk meteen aan dit intrigerende verhaal van W.F. Hermans denken. De toen 46-jarige Bavcar was volledig blind, net als het personage van Hermans. In 1957, toen hij elf was (en Hermans zijn verhaal schreef), was Bavcar met zijn linkeroog tegen een boomtak opgelopen, zodat hij de wereld voortaan nog maar door één oog kon zien. Een jaar later werd ook dat goede oog onherstelbaar beschadigd. Bij het spelen in de bossen stuitte hij op een landmijn uit de Tweede Wereldoorlog. Binnen een aantal maanden zag Bavcar niets meer.
Net als de blinde in het verhaal van Hermans houdt Bavcar zich sindsdien bezig met fotografie. ’s Nachts verlaat hij zijn éénkamerwoning in een achterhuis aan de Parijse Avenue General LeClerc om foto’s van de stad te nemen. Of hij vraagt modellen bij hem thuis voor zijn camera te gaan zitten, die hij vervolgens met een zaklamp belicht en vast legt.
Het enige verschil met de de blinde fotograaf uit het verhaal van Hermans is dat Bavcar’s foto’s ook als foto’s de aandacht trekken. De fotograaf van Hermans was al beroemd voordat iemand één foto van hem had gezien, maar Bavcar heeft met zijn werk inmiddels een publiek verworven. Bij uitgeverij Le Seuil verscheen in de jaren negentig Le voyeur absolu, een boek met foto’s en teksten van de fotograaf. Het Duitse tijdschrift Lettre International nam illustraties van hem op. Er verscheen bij Item een boek met teksten van hem. En boekhandel FNAC, op de Parijse Place de la Défense had wel eens een royale overzichtstentoonstelling met werk van Bavcar.
Bavcar nam ook zelf zijn werk als fotograaf zeer serieus. ‘Ja, er zijn tegenwoordig meer blinden die fotograferen,’ zei hij me toen ik hem in 1992 in het piepkleine keukentje van zijn Parijse huis sprak. ‘Sinds de ontwikkeling van de autofocus kan iedereen het eigenlijk. Maar ik ben de enige die het vak als kunstvorm beoefent.’ Hij moest er niet aan denken om zomaar wat te fotograferen, vertelde hij me. Hij dacht altijd lang na over wat hij met zijn foto’s wilde, en hij kon er, merkte ik, ook uren lang over praten.

De foto’s die dat jaar bij de FNAC te zien waren, gaven een goede indruk van zijn veelzijdigheid. Er waren zogeheten ‘vues tactiles’, foto’s gebaseerd op de tastzin, naakten bijvoorbeeld, en details van beeldhouwwerken die hij eerst had afgetast. Er waren stadsgezichten, van Parijs en Berlijn, waarin hij de ervaringen verwerkte die hij opdeed tijdens zijn nachtelijke wandelingen door deze steden. Er hingen een paar portretten en kerkinterieurs. Maar het mooiste waren de foto’s die hij maakte in zijn geboortestreek vlak bij de Oostenrijks-Sloveense grens. Op deze foto’s zag je zijn geboortehuis, met een sterk oplichtend raam, of een stukje van de weg naar de lagere school, of alleen maar een paar bomen. Het waren foto’s die overliepen van de nostalgie, met titels als ‘Landschap van vroeger’, ‘Kindertijd’ en ‘Beelden van vroeger’.

Toen ik Bavcar in Parijs bezocht, kenden we elkaar nog alleen maar van de telefoon. Ik kon me nog geen gezicht bij zijn stem voorstellen, maar ik realiseerde me dat hij dat zelf waarschijnlijk ook niet kon. In zijn foto’s zijn soms kinderportretten van hem verwerkt uit de tijd toen hij nog zien kon, maar toen hield het zien voor hem op. Hij vertelde me dat dit de laatste beelden zijn die hij van zichzelf heeft. ‘Ik heb dat gezicht nog in de spiegel gezien.’
Het huis waar Bavcar woonde, was in de tijd van het jaar dat ik er was, ook bijna een donkere kamer. Toen ik er was, had hij eenzaam peertje aan het plafond aangedaan, maar de indruk van een studio verdween daarmee niet. Overal langs de wanden stonden rijen dozen en boeken opgeslagen. De muren waren vettig geel, ze moesten in geen jaren geverfd zijn.
Ik was met Evcen Bavcar in contact gekomen via vrienden die bij het Berlijnse Lettre International werken. Bavcar was een paar maanden gastdocent geweest aan de Berlijnse kunstacademie en in die tijd had hij foto’s van Berlijn gemaakt die in een van hun nummers waren afgedrukt. Je moet eens bij hem langs gaan, had een medewerkster gezegd. Hij zit daar zo alleen, in Parijs.
Met zijn ongebruikelijke lessen moet hij aan de academie van Berlijn voor de nodige opschudding hebben gezorgd. Zijn methode bestond eruit dat hij vooral heel veel met zijn studenten wilde praten. ‘Ik ben waarschijnlijk de eerste blinde fotograaf die aan een kunstacademie les heeft gegeven,’ dacht hij. ‘Mijn stelling was dat een mens alleen maar ziet wat hij weet. Het ging er dus om, om na te gaan wat de studenten wisten. Een van hen vroeg me de eerste keer of hij zijn fototoestel ook mee moest nemen. Ik antwoordde: nee, als je je hoofd maar meeneemt. Dat was natuurlijk een grapje, maar er zat een kern van waarheid in. Voor ik mijn studenten op pad stuurde, vroeg ik wat ze wilden laten zien. En als ze terug kwamen, moesten ze weer praten. Ik vroeg hun wat er volgens hen op hun film stond. Ze moesten aangeven welke foto de mooiste zou zijn, en waarom. Pas daarna mochten ze de film gaan ontwikkelen om te kijken of het klopte.’

Hoewel Bavcar nog altijd voornamelijk bekend is als fotograaf, waren zijn teksten toen al voor hem even belangrijk als zijn beeldend werk. Hij is een gedreven schrijver over esthetische ervaringen. Nadat hij in Llubljana in de filosofie en geschiedenis was afgestudeerd (‘met heel veel Marx en Engels’), was hij aan het begin van de jaren zeventig naar Parijs gekomen om aan de Sorbonne esthetica te studeren. Hier ontwikkelde hij zich tot een specialist op het gebied van de zintuigen. Voor de Franse radio verzorgde hij bijvoorbeeld een reeks programma’s waarin hij onderzocht in hoeverre schilderijen in woorden gevangen konden worden.
Bavcars uitgangspunt is dat beelden en woorden veel nauwer met elkaar verwant zijn dan men vaak denkt. Bavcar is er van overtuigd dat de verbale ondersteuning van de esthetische ervaring ook zeker niet alleen blinden aangaat. Ook in de cultuur van zienden ligt de oorsprong van de beeldende kunst volgens hem in woorden. ‘Eerst was er het woord,’ zo citeerde hij toen ik er was de Bijbel.
‘Wat zou de christelijke kunst zijn zonder woorden?’ vroeg hij me, toen we ’s avonds in een Italiaans restaurant een pizza eten. Hij had zijn pizza door de ober in kleine stukjes laten snijden en prikte er steeds een naar binnen. ‘Niemand heeft ooit de scnes uit de bijbel gezien, maar toch heeft de tekst uit dit boek duizenden kunstenaars tot grote werken genspireerd.’
Woorden zijn blind, vond Bavcar, maar ze maken het ons wel mogelijk om te kijken. ‘Alleen woorden zijn in staat een beeld op te roepen.’

Ik zei hem dat dit op mij op het eerste gezicht over kwam als een gelegenheidsargument. Zou hij hetzelfde beweren als hij wel kon zien maar geen gevoel voor woorden had? ‘U vergeet dat ik vroeger heb kunnen zien,’ antwoordde hij, ‘zelfs beter dan de meeste mensen.’ Bavcar had de indruk dat veel mensen niet meer goed wisten wat kijken was, omdat ze werden doodgegooid met beelden. ‘Dat is het lot van de moderne wereld. De mensen zien zo veel, en zo veel cliché’s, dat ze niets meer kunnen opnemen. Ik hoor vaak iemand zeggen dat hij heel veel heeft gezien, maar als ik hem dan vraag wat, kan hij er niets over vertellen. Het verhaal gaat verloren door het beeld.’
Doordat Bavcar eerst heeft kunnen zien en daarna blind is geworden, had hij het gevoel dat hij waarschijnlijk beter dan veel anderen wist wat beelden zijn. Hij herinnerde me eraan dat hij zijn gezichtsvermogen niet van de ene dag op de andere was kwijtgeraakt. In Le voyeur absolu heeft hij beschreven hoe hij de laatste maanden van zijn ziende leven alles nauwlettend in zich opgenomen heeft, ‘alsof ik heel lang afscheid nam van het licht’. Hij schrijft daar: ‘Zo heb ik alle tijd gehad om de dierbaarste voorwerpen te vangen, beelden van boeken, kleuren, hemelverschijnselen, om ze mee te nemen op een reis zonder terugkeer.’

‘Niemand kan meer in de landschappen van mijn jeugd komen,’ zei Evgen Bavcar toen we die avond nog laat in de avond gearmd door de Rue Daguerre liepen, ik moest hem naar zijn huis terugleiden, ‘maar met mijn foto’s kan ik zeggen: dat hebben mijn ogen gezien. Ik heb mijn innerlijke galerien. Ik kan niet tegen u zeggen: kom eens kijken. Maar juist daarom maak ik mijn foto’s.’
De woorden en de beelden die in zijn boek zijn opgenomen, hadden volgens Bavcar dezelfde functie. ‘Ze roepen een wereld op zoals ik die ervaar.’ Hij vond het dan ook jammer dat de meeste artikelen over het boek zich op de foto’s richten.
‘Ik denk mijn foto’s,’ zei hij. En even later: ‘Ik schrijf in braille, maar ik fotografeer ook in braille.’

Over zijn techniek van dit ‘fotograferen in braille’ wilde hij aanvankelijk weinig tegenover mij loslaten. Dat was zijn beroepsgeheim, zei hij. Na verschillende gesprekken kon ik echter wel ongeveer vermoeden hoe hij te werk ging. Vaak ging hij ’s nachts naar een plaats die hij van te voren had  bedacht. Hij kende deze plaats dan al, wist wat er ongeveer te zien moest zijn. Daar stelde hij dan zijn camera op. Hij gebruikte toen nog zeer lange sluitertijden, tot ongeveer een half uur, en in die tijd lichtte hij de details uit die hij belangrijk vond. Met een zaklamp scheen hij op de onderdelen die op de foto moesten komen.
Op deze manier kon hij in belangrijke mate bepalen wat er werd vastgelegd en hoe. Hij noemde de plaatsen waar hij aan het werk ging zijn ‘oneindige donkere kamer’. Wat andere fotografen bij het afdrukken deden, deed hij al bij het opnemen van de foto. ‘Ik heb de camera obscura verdubbeld.’
De kracht die soms van zijn foto’s kan uitgaan, ontstond volgens Bavcar omdat hij bij het uitlichten van voorwerpen zo veel mogelijk zijn gevoel probeerde te volgen. ‘Toen ik in mijn geboortedorp in Slovenie foto’s maakte,’ zo vertelde hij me, ‘heb ik bijvoorbeeld de bomen die ik me van vroeger herinnerde langdurig belicht, op dezelfde manier als ik ze in mijn hoofd opriep.’
Op deze manier had Bavcar, zo hoopte hij, zijn herinneringen in beeld gebracht. ‘Ik ga te werk als het geheugen. Ook in ons verleden is het donker, tot we met onze herinnering licht op iets werpen. Als we het daarna weer vergeten, komen de zwarte landschappen weer terug.’

Als Bavcar foto’s maakte van plaatsen die hij niet uit zijn jeugd kende, probeerde hij zich daar toch zo goed mogelijk een indruk van te vormen. Hij las over die plaatsen, of liet zich daarover voorlezen, hij snoof de lucht op, hoorde de straatgeluiden aan, of hij bediende zich van de tast. In Lettre International beschreef hij ooit hoe hij als blinde de stad Berlijn had ervaren. Hij noemde daarbij de geuren die hem opvielen, de wind, en ook de houding van de mensen die hij daar ontmoette.”
Maar waarom maakt hij zijn portretten altijd in het donker? Voor een blinde maakt dat toch geen verschil. Volgens Bavcar kijken modellen in het donker echter anders. Ze zijn er zich dan van bewust dat ze niet gezien kunnen worden en dat verandert hun blik. ‘Als ik, als blinde, een vrouw fotografeer, kijkt ze al anders dan wanneer een ziende dit zou doen. Bij een blinde fotograaf kijkt het model als het ware in een spiegel. Als ze wil weten of ze mooi is, heeft ze, net als Assepoester, alleen haar eigen oordeel om op af te gaan. Ze is daardoor vrijer om zich niet naar het clich te gedragen. Er zit geen sluier meer voor haar gezicht.’

Wat aan veel van Bavcars foto’s en teksten opvalt is dat een weemoedige, kinderlijke sfeer uitstralen. Hij dacht dat dit te maken had met het tijdstip waarop hij blind werd. Voordat op zijn twaalfde jaar voorgoed de duisternis intrad, zwierf hij dagelijks in de omgeving van zijn Sloveense geboortedorp Lokavec. Alles wat hij zich aan beelden herinnert, is verbonden met zijn kindertijd. Dat gevoel is nog versterkt doordat deze fase van de ene dag op de andere ophield. Na zijn ongeluk werd Bavcar in één keer gedwongen, zoals hij zei, het leven van een volwassene te leiden. Hij bracht toen veel tijd in ziekenhuizen door en van zijn twaalfde tot zijn zeventiende jaar zat hij op een blindeninstituut in Llubljana. Het is dit instituut dat hem soms nog steeds nachtmerries bezorgt. Hij had het voor zijn latere huidige leven niet kunnen missen, zei hij, want hier werd hij getraind tot de aangepaste blinde die hij later was, maar ‘het deed denken aan een voorfase voor de dood. We leefden als soldaten, in een voortdurende strijd om het bestaan. Mijn jeugd is me daar afgenomen.’

Het was op dit blindeninstituut dat hij zijn eerste foto’s maakte en zijn eerste teksten schreef – liefdesbrieven op verzoek van klasgenootjes. Een bijzonder pijnlijke herinnering is nog altijd de brief die hij in die tijd uit naam van een vriendje schreef aan een meisje dat met haar klas het instituut had bezocht. De brief werd aanleiding tot een kleine rel. ‘Het doel van dergelijke bezoekjes was om ons een beetje uit ons isolement te halen. Maar het was niet de bedoeling dat er banden ontstonden tussen zienden en niet zienden. Het moest platonisch blijven.’ Op een dag stond de vader van het meisje woedend bij de directeur. Welke blinde had het in zijn hoofd gehaald zijn dochter en liefdesbrief te schrijven?

Bavcar vergeleek de afkeer van blinden in die tijd tegenover mij met racisme. ‘We werden grootgebracht in een getto. Wij wilden leven als anderen, contacten hebben met zienden, maar zodra die tot stand kwamen werd er ingegrepen.’
Evgen Bavcar beseft dat hij niet de eerste blinde schrijver of fotograaf is, maar hij heeft wel de indruk dat hij één van de eersten is die de ervaringswereld van een blinde proberen weer te geven. Hij kent de namen van grote blinde schrijvers, zoals Borges en Milton, maar zij schreven volgens hem over andere onderwerpen. Zij werden meestal ook pas blind toen zij hun onderwerp al gevonden hadden.
Bavcar: ‘Het is belangrijk dat blinden zelf over hun ervaringen schrijven. Die ervaringen heb je nodig om te weten wat het is. Het is ook belangrijk dat blinden niet klakkeloos de terminologie van zienden overnemen. Als een blinde zegt: dit huis is mooi, wat is dat mooi dan? Dat probeer ik weer te geven.”
De ziende schrijvers die zich tot nu toe aan het onderwerp hebben gewaagd, geven Bavcar meestal een reden tot ergernis. “Zienden hebben de neiging blinden als exotisch voor te stellen. Voor deze schrijvers is het blind zijn een literaire uitdrukking voor iets anders. Zij hebben vaak een heel magisch idee van ons. Voor ziende schrijvers zijn blinden mensen die onder de aarde leven, of die een sekte vormen, of betrokken zijn bij samenzweringen. Blinden hebben in de literatuur vaak iets duivels gekregen. Ze zijn het vuilnisvat voor slechte gevoelens.’

Ook de aan aids overleden schijver Hervé Guibert, met wie Bavcar goed bevriend was, wist kennelijk niet goed raad met het onderwerp. Bavcar verwees naar een roman van hem waarin alleen maar exotische blinden voorkwamen. ‘Dat zijn geen echte blinden, maar fantasien van iemand die zelf kan zien.’ Toen Guibert een keer bij hem was, in zijn keukentje, heeft Bavcar hem op de man af gevraagd gevraagd waarom hij zoiets deed. ‘Hij heeft toen toegegeven dat hij door blinden erotisch geprovoceerd werd. Hij kon naar hen kijken, zonder dat ze hem zagen. Het prikkelde hem.’
Bavcar wilde andere schrijvers hun visie niet betwisten. ‘Het is een product van hun fantasie, dat mag, zolang het maar niet onwaardig is. Maar het bevalt me niet dat er zoveel fantasien worden geschreven over blinden, zonder dat er ooit iemand vraagt wat daarmee wordt bedoeld.’

Zonder dat ik er over begonnen was, had Bavcar me tijdens ons eerste telefoongesprek verteld dat er een Nederlandse schrijver moest zijn die een verhaal heeft geschreven over een blinde fotograaf. Hij had het verhaal zelf niet gelezen, maar hij kende het van horen zeggen. Toen ik in Parijs was, begon hij er echter ook weer over. Was het niet mogelijk, vroeg hij mij, deze Nederlander een keer ontmoeten? Hij zou graag een portret van hem maken. De laatste jaren is er meer aandacht gekomen voor blinde fotografen, vertelde hij me terwijl we over de donkere Avenue Géneral LeClerc liepen. Er was een Australische film over het thema, en binnenkort zou de Duitse televisie een film over Bavcar uitzenden. Maar deze Nederlander, W.F. Hermans was de eerste die het oppikte: ‘Hij heeft als eerste begrepen waar het om ging.’
Als ik de volgende ochtend W.F. Hermans bel om hem het verzoek over te brengen, reageert hij voorzichtig. Wantrouwig ook. Hij kan zich niet herinneren, zegt hij, ooit van een blinde fotograaf te hebben gehoord. ‘Ik vind het een beetje griezelig,’ bekent hij na enige aarzeling. ‘Zegt u hem maar dat ik een teruggetrokken leven leid.’
Ik vertel Hermans dat Bavcar me tijdens een wandeling de zaklamp heeft laten zien waarmee hij zijn nachtelijke ensceneringen belicht. Er kwam geen spatje licht uit. De batterijen waren leeg.
Hermans herkent het gegeven meteen: ‘Dat was natuurlijk het zwarte licht!’ roept hij kraaiend uit.
Het verslag van het gesprek dat ik had met Evcen Bavcar, verscheen na mijn terugkomst in NRC Handelsblad van 13 november 1992. Op dat moment was van hem in Parijs nog net de tentoonstelling Visions, Photographies de Evcen Bavcar te zien in de FNAC, aan de Place de la Défense.
Een half jaar later, op 18 mei 1993, mocht ik tot mijn grote genoegen een foto-tentoonstelling van Evcen Bavcar in Cultureel Centrum De Melkweg in Amsterdam openen: ‘Donker licht’. Daarna hadden we een achteraf gezien historisch etentje in De Melkweg, waarvoor galeriehoudster Suzan Dechert behalve Evgen Bavar en mij ook de toen bijna blinde fotografe Eva Besnyö had uitgenodigd, de maker van (o.a.) de film ‘Blind kind’ Johan van der Keuken en de actrice Pamela Koevoets die in Adriaan Ditvoorst’s film De blinde fotograaf een hoer speelt.
Suzan had aan Pamela gevraagd extra veel parfum op te doen, omdat ze wel eens had gehoord dat blinde mannen van geparfumeerde vrouwen houden.
De avond daarop at Evgen bij mij thuis in de eetkeuken een Joegoslavische lamsschotel en maakte hij op het gehoor een paar foto’s van mijn toen 3-jarige zoon Gijs. Hij werd daarbij begeleid door een vrouw uit Parijs die met hem mee was gekomen.
Eén van die foto’s heeft hij me later nog met een aardige opdracht opgestuurd. Een mooie, maar ook vrij gewone foto.
Als je het niet wist, zou je niet meteen zeggen dat hij door een blinde was gemaakt.

Boeken van Evcen Bavcar zijn onder meer:
– ‘Le voyeur absolu’, Uitg. Ed. du Seuil, 1992
– ‘Les tentes démontées, ou Le monde inconnu des perceptions’, Uitg. Item, 1993.
  

Geef een reactie