Over Cynthia McLeod’s roman ‘Hoe duur was de suiker?’

Door Reinjan Mulder

Gekweld door gevoelens van rechtvaardigheid – Recensie van Cynthia Mc Leod, Hoe duur was de suiker? (Conserve, 1995) 

De achttiende eeuw staat bekend als de economische bloeitijd van Suriname. Nadat het land in 1667 een Nederlandse kolonie was geworden, werden langs de kust meer dan 400 plantages gesticht die in de loop van enkele decennia tot grote omzetten kwamen. Vele duizenden slaven werden ingezet bij het verbouwen en verwerken van suiker en koffie, en de winsten van de plantages waren enorm.
Minder bekend was dat vrij veel plantages in handen waren van Portugese joden. Totdat in 1995 de historische roman Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod in Nederland verscheen. In dit boek, dat inmiddels ook is verfilmd, beschreef de Surinaamse schrijfster (Paramaribo, 1936) vijftien jaren uit het leven van zo’n Surinaams-joodse familie in de achttiende eeuw.
Het boek was gebaseerd op vele jaren archiefonderzoek in Nederland en Amerika en bood een onthullend beeld van het dagelijks leven in dit deel van het koloniale rijk. Kenmerkend voor de meeste joden in Suriname was bijvoorbeeld dat ze daar al voor de Nederlanders via Brazilië naar toe waren gekomen, en omdat ze, anders dan de Engelsen en Nederlanders, geen eigen vaderland hadden, stelden ze zich daar in op een duurzaam verblijf. Tijdens de ontwikkeling van de plantages vormden zij een welvarende gemeenschap die zich slechts bij uitzondering met niet-joden inliet. In restaurants hadden ze hun eigen afdelingen met kosjer eten, ze trouwden zo veel mogelijk onder elkaar en in het binnenland stichtten ze vol goede moed de stad Joden Savanna, het ‘Jeruzalem aan de Rivier’.

Ik wist dit allemaal niet, maar kwam het te weten dank zij Hoe duur was de suiker? Alleen al daarom is dit een onmisbaar boek voor wie wat van de Nederlandse en Surinamse geschiedenis wil weten. Maar daarnaast is het ook nog eens heel toegankelijk geschreven. Dat maakt het waarschijnlijk tot een van de invloedrijker boeken van de twintigste eeuw.
Het verhaal dat in het boek wordt verteld, is bijna klassiek. Twee even oude stiefzusjes groeien samen op een plantage op, maar als ze groot zijn richten ze op uiteenlopende manieren hun leven in. Het ene meisje is het toppunt van degelijkheid. Zij huwt een lieve, rechtstreeks uit Nederland afkomstige administrateur en vindt het geluk in Paramaribo. Het andere meisje is een frivole feestgangster. Na enkele kortstondige avontuurtjes trouwt ze met een oude joodse plantagebezitter. Als hun huwelijk om voor de hand liggende redenen stukloopt, verkoopt de man zijn bezittingen om zich met een slavin in een klein huisje terug te trekken. De vrouw naar wie alle mannen dongen, blijft eenzaam achter.

Cynthia Mc Leod, die van gemengd joods-hindoestaanse afkomst is, haar vader was Johan Ferrier, de eerste president van het onafhankelijke Suriname, doceerde jaren lang Nederlands aan het De Miranda Lyceum in Suriname. Daar merkte ze hoe weinig er van de geschiedenis van haar land bekend was. Toen ze later met  haar man, een Surinaamse diplomaat in Brussel kwam te wonen, besloot ze in de archieven in Den Haag een en ander uit te gaan zoeken om deze roman te kunnen schrijven, in een traditioneel, ingehouden, en weemoedig stemmend Nederlands zoals je dat alleen nog maar bij mensen uit de voormalige koloniën tegenkomt. De dialogen van de slaven zijn in de Surinaamse editie van het boek overigens in het Sranan, zodat het voor Surinamers nog eens extra herkenbaar zal zijn.

Wat de roman zo buitengewoon sterk maakt, is niet alleen McLeods uitzonderlijke vertellerstalent maar ook haar visie op de gecompliceerde en steeds weer verschuivende sociale verhoudingen in het achttiende-eeuwse Suriname. McLeod laat in haar boek zien hoe subtiel het leven in Suriname georganiseerd was tijdens de bloeitijd van de plantagecultuur, wat daarin de zwakke schakels waren en ook wat de ondergang heeft ingeluid. Bijna even belangrijk als de twee meisjes en hun familieleden zijn in het boek bijvoorbeeld de vele slaven op wie hun onbezorgde bestaan steunt. McLeod voert eerst nog betrekkelijk afstandelijk een aantal plantageslaven op die met weinig voedsel en harde zweepslagen tot hogere prestaties worden gedwongen. Maar daarna beschrijft ze met een bewonderenswaardig inlevingsvermogen het leven van de zogeheten huisslaven op de plantages.
Aanvankelijk hebben die slaven op de plantages hun eigen gemeenschappen, maar als het boek ophoudt, aan het eind van de eeuw, vloeien deze meer en meer met de gemeenschap van de planters samen. Een enkele blanke probeert nog krampachtig aan de totale rechteloosheid vast te houden, maar de meesten zoeken naar manieren om de scheidslijnen met de negers te verzachten of weg te nemen.
Het boek legt daarmee naar mijn idee de wortels van de Surinaamse maatschappij bloot. Waarmee het het boek voor Surinamers de eerste moderne roman over hun geschiedenis werd.
Dat zal ook el het grote succes dat het boek verklaren, zowel in Nederland als in Suriname. Hoe duur was de suiker? verscheen eerst, in 1987, in Paramaribo, waar er al snel meer dan 12.000 exemplaren van werden verkocht. Bij een bevolking van 600.000 mensen, die over het algemeen niet op romans zijn ingesteld, was zoiets nooit eerder voorgekomen. Daarna werd er in Nederland nog eens een veelvoud van deze aantallen gehaald, wat nog eens herhaald werd toen het boek verfilmd werd. .

Het interessantste aan Hoe duur was de suiker? is nog altijd dat het boek voor de ondergang van de planterscultuur zoals die zich in de tweede helft van achttiende eeuw begon af te tekenen, verschillende oorzaken geeft. Mc Leod geeft een beeld van de financieel-economische ontwikkeling, die maakt dat veel plantages in die tijd buiten hun krachten beginnen te groeien. De Nederlandse banken geven op een gegeven moment te makkelijk krediet aan de planters zonder dat ze daar een deugdelijk toezicht aan koppelden.
Een andere factor is het toenemend verzet van de slaven tegen hun tewerkstelling. Naarmate de plantages groter worden, lopen de slaven vaker weg om zich in het oerwoud bij de bosnegers aan te sluiten. Het Nederlandse gezag kan daartegen niet veel anders doen dan militairen sturen om de vluchtelingen met geweld in het gareel te dwingen. De massale aanwezigheid van Nederlandse militairen vormt dan echter weer een verdere ondermijning van de oude plantersmentaliteit.
Maar daarnaast is er nog de humanitaire instelling van veel Nederlanders. Dit is zonder twijfel nog steeds het meest omstreden onderdeel van het boek. Zowel onder de militairen als onder de nieuw aangekomen administrateurs bevonden zich in de visie van Mc Leod veel mensen die zich begonnen te ergeren aan de slavernij. Zo kreeg de man van het brave meisje bij het zien van zijn huisslaaf steeds meer last van gevoelens van rechtvaardigheid. Ook één van de Nederlandse soldaten die in Suriname heeft dienstgenomen om de zwarten mores te leren, wordt voor hij het weet door gewetensbezwaren gekweld.

De passages over dit soort nobele Nederlandse blanken deden mij toen ik het boek in 1995 voor NRC Handelsblad besprak, eerlijk gezegd nogal zoet aan. In ieder mens, vond ik, zou toch ook ergens een zwarte kant moeten schuilen. Maar ik zag ook dat dit in Mc Leods opzet waarschijnlijk een onmogelijke eis was. Zij wilde in haar boek bewust uitgaan van het goede in ieder mens. In al haar personages wilde ze iets redelijks ontdekken. In de toenmalige, kwetsbare fase van de Surinaamse geschiedenis, en misschien nog steeds wel, leek mij dat wel een mooi en nuttig standpunt.

De recensie van Cynthia Mc Leod’s ‘Hoe duur was de suiker?’ waarop dit stuk is gebaseerd, verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 30 juni 1995.

 

3 Reacties

  1. […] Reinjan Mulder; […]

  2. Lucila Abian

    Hi meneer Reinjan,

    Ik wil graag weten wat u bedoeld met de titel van deze recensies.

  3. @Lucila Abian De titel is afkomstig van de redactie van NRC Handelsblad, waarin mijn recensie ooit verscheen. Ik heb hem laten staan omdat ik hij naar mijn idee de kern van het boek goed weergeeft. Als u goed kijkt, zult u zien dat het een verbastering is van een van de laatste zinnen uit de recensie.
    De titel geeft de nog altijd niet onomstreden strekking van de roman aan dat de slavernij mede is afgeschaft omdat blanken het steeds meer een onrechtvaardige instelling vonden. Dus niet alleen het verzet van de slaven leidde tot de afschaffing, en ook niet alleen de veranderde economische situatie, maar ook het ethisch gevoel van de planters en andere blanken.
    Het boek ondermijnt daarmee de nu nog steeds vaak gehoorde, marxistisch geïnspireerde, stelling dat iedereen altijd op zijn gewin uit is, en dat het ‘zijn’ altijd het ‘bewustzijn’ verklaart. Ook het rechtvaardigheidsgevoel, de medemenselijkheid dus, kan veranderingen teweeg brengen. Dat komt overeen met enkele recente studies (van Apiah bijvoorbeeld) over de afschaffing slavernij en geeft ook de ‘blanken’ een plaats in deze zo belangrijke historische gebeurtenis.

Geef een reactie