Eén, twee, vele magistrale meesterwerken – De vermarkting van de literaire kritiek in NRC Handelsblad

Door Reinjan Mulder
In de omgeving waarin ik literair ben grootgebracht, het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad in de jaren zeventig en tachtig, was de belangrijkste rechtvaardiging voor de literaire kritiek die wij bedreven dat er zonder deze kritiek geen literatuur denkbaar was, in ieder geval geen levende literatuur.
Dat is nogal wat, ik weet het. Maar ik ben het met deze visie, die onder andere met verve werd uitgedragen door de betreurde mr. K.L. Poll, nog altijd eens. Het is niet zo dat er zonder literaire kritiek geen literatuur kan bestaan. Maar dat is dan wel een armoedig soort literatuur. Waarbij de liefhebbers elkaar heimelijk hun leestips moeten doorgeven: dát moet je lezen, en dát is erg goed. En dan is het nog maar afwachten of dat boek dan ook ergens te krijgen is. Een concert zonder applaus.
Terwijl er aan de andere kant zonder critici waarschijnlijk nog wel een bloeiende boekenmarkt zou gedijen. Maar die zou dan sterk commercieel van aard zijn. Adverterende en stuntende uitgevers zouden zonder toonaangevende kritiek samen met wat goed gesitueerde boekhandels hun laatste producten, goed of slecht, met veel bombarie en poeha onder het publiek kunnen brengen.

Martijn Griffioen en Oscar van Gelderen: uitgeverij Lebowski op oorlogspad

Dat zou dan wel eens kunnen gaan klinken als een applaus zonder concert.
Wie moet de twee essentiële circuits voor een levende literatuur nog bij elkaar brengen, de hardwerkende schrijvers en de lezers teruggetrokken in hun luie stoelen, het concert en het applaus, als de dames en heren van de kritiek dat niet deden?
Wat de literatuurkritiek in de pers aan de literatuur bijdraagt, is in het ideale geval – en wat is een krant zonder idealen – een georganiseerd en controleerbaar debat, waarin niet alleen informatie wordt doorgegeven maar waarin ook een literaire cultuur in de breedst mogelijke zin wordt onderhouden. De – ideale – criticus vraagt zich af: wat is er recent aan interessante boeken verschenen, waar gaan die over, en waar gaat het hun auteurs om? En vervolgens, zeker zo belangrijk: wat doet de schrijver (feitelijk) in zijn boek, wat doet hij, en zijn boek, bewust of onbewust met zijn lezers, en ten slotte: wat ik vind ik, als een van de wat meer getrainde lezers, daar van? Houd ik daarvan, en wie zouden daar nog meer van kunnen houden? En waarom?
De literaire kritiek stimuleert en schift, kort gezegd, de opvattingen van gedreven en getrainde boekenlezers over het boekenaanbod, en biedt zo beredeneerd het noodzakelijke, literair gefocuste tegenwicht tegen de (noodgedwongen) commercieel georganiseerde boekenmarkt. Dat doet zij in een omgeving die de literatuur goed gezind is. Dat wil zeggen dat de schrijvers zelf daar ook af en toe aan het woord kunnen komen, hetzij omdat ze worden geïnterviewd, hetzij omdat hun wordt gevraagd om eigen stukken bij te dragen aan de afdeling van de krant die aan literatuur is gewijd.
Ik heb in mijn latere, meer volwassen jaren, onder meer als literatuurredacteur bij NRC Handelsblad, tot mijn spijt moeten ontdekken dat niet iedereen daar zo over denkt. Er is bijvoorbeeld ook een stroming, die je de ‘autonome’ stroming zou kunnen noemen, die vindt dat de kritiek zich niets van het koop- en leesgedrag van de lezers moet aantrekken. Kritiek heeft in deze visie een eigen, intrinsieke waarde, die geen boodschap heeft aan wat er wordt uitgegeven, en wat dat met de lezers doet.
Daarnaast is er een stroming die vindt dat het Nederlandse boekenaanbod eigenlijk niet zoveel voorstelt, en dat de Nederlandse lezer ook meestal de verkeerde boeken leest. Deze stroming vindt dat de literaire kritiek zich vooral op grote buitenlandse schrijvers moet richten en op grote schrijvers uit het verleden, bij wie de huidige schrijversgeneraties maar povertjes afsteken.
Deze laatste twee stromingen, moet ik achteraf constateren, hebben in ieder geval bij NRC Handelsblad na het vertrek van K.L. Poll en André Spoor, en zeker na het vertrek van Spoors opvolger Wout Woltz de overhand gekregen.
Ik weet niet of dat mij als literatuurredacteur in die periode te verwijten is, veel van de veranderingen die later zijn doorgevoerd, werden aanvankelijk achter mijn rug om in Rotterdam besproken. Maar misschien had ik toch beter moeten opletten, argwanender moeten zijn, eerder aan de bel moeten trekken.
Feit is dat bij NRC Handelsblad in late jaren negentig, onder de hoofdredactie van Ben Knapen, met als adjuncts o.a. de voormalige Moskou correspondenten Laura Starink en Hubert Smeets, gekozen werd voor een ander model dan tot dan toe gangbaar was. De traditionale literatuurrubrieken in de dagkrant en het CS Literair werden opgeheven, en in plaats daarvan moest er een soort Nederlands Times Literary Supplement komen, ‘Boeken’ genaamd, waarin vooral veel politieke en wetenschappelijke boeken werden ‘behandeld’. Er moest meer afstand komen tot het Nederlandse boekenvak, het aantal medewerkende schrijvers werd teruggebracht, en er moest er worden gefocust op de grote, internationale en klassieke namen. En de toon, zo werd laatst door NRC-ombudsman Sjoerd de Jong onthuld, moest volgens een intern stuk ‘amechtiger’ worden.
Ook veel andere dingen gingen met de komst van het nieuwe ‘Boeken’-supplement in 1997 op de schop. Voor die tijd werd met een paar vuistregels altijd goed  in de gaten gehouden of minstens de helft van de besproken auteurs nog wel  in leven was, en of wel minstens de helft van hen uit Nederland kwam, zodat er een ook voor de lezer interessante wisselwerking tussen literatuur en lezers tot stand kwam. Daarna gingen alle luiken open voor grote, strenge stukken in zo klein mogelijke letters over de vreemde en vaak dode auteurs die elke afgestudeerde doctorandus nog in zijn diepste slaap zou kunnen opdreunen.
En was voor die tijd het streven om ongeveer de helft van alle grotere stukken een interview te laten zijn, en was er veel ruimte voor rubrieken en illustraties, daarna werd het interview voor een verboden genre verklaard en moest er uiterst zuinig met beeldmateriaal worden omgesprongen. Natuurlijk, een interview is iets anders dan een recensie en recensies mogen nooit worden afgeschaft, maar voor een beter begrip van een boek kan het interview wel een buitengewoon nuttig genre zijn. De literaire journalist noteert wat een schrijver wil, kijkt samen met hem of dat gelukt is, en als zijn lezers niet snappen waarom een boek geschreven was, kan hij hun soms op een idee brengen. Je ziet nu eenmaal meer samenhang tussen de boeken als je weet wat de schrijver gelezen en geïnspireerd heeft. Een goede interviewer kan tussen de regels door bovendien ook nog heel veel eigen opvattingen over een schrijver en zijn boeken kwijt. Het interview kan zo in een krant – alweer in het ideale geval – het spiegelbeeld zijn van de kritiek. De ‘stereobril’ zoals ik het ooit noemde  van de vaak nogal monomane recensent.
Ten slotte verdween rond 1997 het uitgangspunt dat boeken bij voorkeur besproken werden, wanneer de mogelijkheden tot een wisselwerking met de lezer optimaal was. Dat wil zeggen: wanneer ze royaaal in de winkels lagen, of in ieder geval makkelijk en snel besteld konden worden. Boeken moesten voor die tijd liefst meteen de zelfde week nog zelf gelezen kunnen worden. Het oordeel van de criticus moest meteen getoetst kunnen worden terwijl zijn inkt nog nat was – zoals ook films nooit uitvoerig werden besproken wanneer ze alleen nog maar in Venetië, Cannes of Berlijn, waren vertoond maar wanneer ze in minstens 10 Nederlandse bioscopen in premiere waren gegaan. Dat had tot gevolg dat buitenlandse boeken in de regel pas besproken werden wanneer ze direct leverbaar waren, dat wil zeggen: als de Nederlandse vertaling er was. Voortaan werd een dergelijke volgen van de actualiteit gezien als het wijken voor de waan van de dag, en kreeg de krant de pretentie zelf te kunnen uitmaken wat belangrijk was en wat niet.
Het gevolg van deze kleine revolutie was dat NRC Handelsblad de vooraanstaande positie die zij in de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig had opgebouwd als belangrijkste bemiddelaar bij het creëren van literaire stromingen en rages kwijtraakte, aan onder meer de Volkskrant, en verwerd tot het clubblad van een ernstig gezelschap van deskundigen en opiniemakers dat steeds meer zijn eigen hobby’s en hangups ging volgen. Literatuur werd niet meer als de levende cultuuruiting gezien die het was, maar werd losgemaakt uit de kunstredactie en ondergebracht bij een nieuwe, veel politieker georiënteerde redactie die boeken meer als dragers van informatie en ‘ideeën’ zag dan als kunst.
Later met de komst van Pieter Steinz als chef Boeken werd een deel van deze wijzigingen gelukkig weer teruggedraaid, en werden er sympathieke pogingen gedaan om het contact met lezers weer te herstellen, door middel van interessante interviews en leesclubs, internet en doordat er soms meerdere recensies van hetzelfde boek werden geplaatst. Maar ik vrees dat het toen al te laat was. NRC Handelsblad had een achterstand met name op de Volkskrant opgelopen die de krant tot nu toe – in ieder geval wat mij betreft – nooit meer heeft ingehaald.
Maar nu? Nu doet een geheel nieuwe hoofdredactie van NRC Handelsblad opeens vermoeide pogingen om toch nog terug te winnen wat men sinds de jaren negentig is kwijtgeraakt. Maar vraag me niet hoe. In plaats van terug te keren tot de alledaagse cultuur en de schrijvers, lijkt de huidige hoofdredactie juist verder te gaan op de in de jaren negentig ingeslagen weg. Alleen zijn het nu niet meer de politiek en de instituties maar de mode en de reclame, aan wie de levende cultuur ondergeschikt wordt gemaakt.
Geheel in lijn met het nieuwe, commerciële beleid dat door Peter Vandermeersch en de zijnen is ingezet, moeten de critici van ‘Boeken’ (kortweg: ‘b’) nu opeens krampachtig doen alsof er elke week weer een sensationeel, schitterend nieuw boek is verschenen. Een boek zoals er in geen vijftig jaar meer geschreven is en dat zich alleen al daardoor aan alle kritiek onttrekt.
Wat zeg ik? Eén boek? Misschien wel vijf, of zelfs tien boeken! Neem alleen al het laatste nummer van ‘Boeken’ (16 november 2012).  Heeft daar eerst de nieuwe ‘Boeken’-chef, de voormalige Moskou correspondent Michel Krielaars over twee grote pagina’s – in, eerlijk gezegd, nogal afgesleten cliché’s – uitgelegd dat er deze week plotseling een jonge Israëlische schrijver is opgestaan die in een ‘grootse’, ‘belangrijke’, ‘originele’  en ‘magistrale’ roman (vijf ballen!!!) ongeveer alle andere (alweer) ‘magistrale’ namen uit het heden en verleden (Malaparte, Amos Oz, Grossmann, Littell) evenaart of misschien wel overtreft, nauwelijks een bladzijde verder juicht ster-criticus Elsbeth Etty al een hele pagina lang dat ook Kees ’t Hart met zijn (vier ballen!) boek over Hitchcock nu toch echt een van de meest ‘fantastische’, ‘superspannende’, ‘heerlijke’ en ‘onnavolgbaar geraffineerde’ boeken van de eeuw heeft gepubliceerd.
Wie? Kees ’t Hart natuurlijk!  De man die vroeger vanuit het hoge noorden medewerker was van NRC Handelsblad en toen zeker twintig aardige romans schreef, zonder dat dit ooit goed tot iemand in de Randstad door wilde dringen.
Wie eenmaal zulke recensies als die van Krielaars of Etty heeft gepubliceerd, kan in de jaren die volgen maar beter zo stijf mogelijk zijn mond dicht houden. Anders valt hij onvermijdelijk door de mand: de ballen zijn op.
En dan ben ik nog maar op pagina 3, en moet ik het ‘indrukwekkende’ en ‘hartverscheurende’ (dixit Elsbeth Etty) ‘monument’ van Guus Luijters (zonder ballen?) nog aangeprezen krijgen, Gideon Samsons ‘virtuoze’, ‘zeer geslaagde’, ‘zeer gedurfde’, ‘zeer leesbare’, ‘thrillerachtig spannende’, ‘briljante’, en ‘buitengewoon knappe’ (vijf ballen!!!) jeugdboek Zwarte Zwaan, de nieuwe roman van de (volgens Rutger Lemm) zeer ‘menselijke’, ‘fascinerende’, ‘opwindende’ maar ‘niet perfecte’ en (volgens de eindredactie) wel ‘perfecte’ en ‘veel gelauwerde’ schrijver Junot Diaz met zijn ‘unieke stem’ (vier ballen!), én Thomas Mann’s ook alweer ‘magistrale’ (Bas Heijne) ‘magnum opus’ De Toverberg, met zijn ‘onvergetelijke’ beelden, zijn ‘duizelingwekkende’ vertaling en zijn (alweer) ‘duizelingwekkende’ en ‘fenomenale’ reputatie…
Tsjongejonge, die Thomas Mann… en dan nóg zijn er maar vier van de vijf ballen beschikbaar voor zijn nieuwe Toverberg-vertaling. Nu ja, hij is natuurlijk ook geen Gideon Samson.
Ach, arm, oud NRC Handelsblad met je eerbiedwaardige kritiek, waar o waar bestu bleven?
(wordt vervolgd)

Een deel van dit artikel werd eerder gepubliceerd in: Reinjan Mulder, ‘Een concert zonder applaus’, De Revisor,  2006-1/2.  

 

17 Reacties

  1. […] vervolgd staat onder het artikel. Gerelateerde […]

  2. Is niet niet – ook, los van de terechte observatie dat kritiek en literatuur elkaar nodig hebben – een geval van ‘vroeger was alles, of in elk geval: de kritiek in de NRC – beter?

  3. @Chrétien Breukers Ik weet niet zo zeker of de recensies vroeger beter waren. De stukken van Heijne, Krielaers en Etty van afgelopen vrijdag zijn wel goede stukken, mooi van lengte ook, maar ze worden zo walgelijk plat begeleid door juichende adjectieven, waarvan ik bijna het gevoel krijg dat ze er door een eindredacteur zijn ingevlochten. Zowel Heijne als Etty en Krielaers schreven bovendien ook in de jaren negentig al voor de krant, maar dat was toen een andere krant, vrees ik.

  4. Ik merk ook wel dat er anders wordt gerecenseerd, en dat sommige titels op geen of weinig aandacht mogen rekenen. Daarnaast is het NRC-effect (recensie in NRC = redelijk veel verkoop) een beetje weg.
    Maar is dat niet onderdeel van een groter geheel: de groep lezers van ‘het betere boek’ is niet meer zo gemakkelijk te bereiken via een of meerdere kranten (NRC, Volkskrant, Trouw) dan ‘vroeger’.
    Die groep is én kleiner geworden én diverser (dus opereert ook niet meer als groep én is niet meer als groep te benaderen). De gemiddelde, wat oudere literatuurliefhebber met enig hart voor de literaire zaak lijkt min of meer uitgestorven.

  5. Ik denk dat er twee veranderingen zijn waar te nemen.
    1. Een verschuiving in toon bij de kranten. Bij NRC Handelsblad kwam die neer op eerst een versobering van de literatuurrubriek, daarna een (vergeefse) poging tot contact met de lezers en nu dan een vrij platte propaganda voor ‘magistrale’ of ‘duizelingwekkende’ romans.
    2. Daarnaast is er een verandering in lezersgedrag, die er op neer komt dat
    – de literatuurrubrieken minder worden gelezen, en dat
    – er minder (fysieke) boeken worden gekocht.
    Die laatste twee processen (sub 2) staan natuurlijk niet los van elkaar. En ook staan ze beide weer in verband met de veranderingen bij de kranten (sub 1).
    Maar dat laatste verband is niet zo makkelijk aan te tonen.
    Mijn stelling is echter dat de verschuivingen bij de kranten het leesgedrag van de lezers in ieder geval geen goed hebben gedaan, en dat er nu op een verkeerde manier wordt geprobeerd het tij te keren. En ik krijg al enige tijd aanwijzingen die erop wijzen dat deze verkeerde manier wordt ingefluisterd door de huidige hoofdredactie.

  6. Jan Custers

    Men kan zich ook nog afvragen of Krielaars het boek wel gelezen en begrepen heeft. Hij spreekt bv. in de recensie over het Bretonse Brest terwijl het toch overduidelijk de Pools/Russische grensplaatst betreft.

  7. Vreemd, voor iemand die zo vaak in Moskou is geweest…

  8. sjoerd de jong

    Kleine correctie op de historische analyse van oud-collega Mulder: in het interne stuk dat ik ,,onthulde”, staat niet, zoals hij schrijft, dat ,,de toon” van de recensies ,,amechtiger” moest worden. De nieuwe bijlage, Boeken, moest een wat amechtig ,,karakter” hebben, dat wil zeggen: moest idealiter wekelijks welhaast uit zijn voegen barsten van de lezenswaardige artikelen. Met ,,toon” had dat niets te maken. Maar het is Mulder graag vergeven, het is ook een wat, laten we zeggen, amechtige historische analyse.

  9. Hubert Smeets

    Interessante analyse. Maar als één der boosdoeners wil ik enkele kanttekeningen maken.
    1. Een minuscuul detail. De Boekenbijlage, waarin fictie en non-fictie waren geïntegreerd, verscheen voor het eerst in 1996. De plannen werd dus in de eerste helft van de jaren negentig besproken.
    2. Het basisidee was om de gescheiden bijlagen (LS op vrijdag voor fictie, Boekenbijlage op zaterdag voor non-fictie) samen te brengen, omdat boekenwerkelijkheid (zowel in de literatuur als in de non-fictie) niet zo gescheiden is. Trefwoord: filosofie, een genre dat overal zijn weg zoekt.
    3. De TLS en NYBR waren inderdaad inspiratiebronnen. Maar de kritiek op ons was desondanks dat we te weinig op de TLS leken, niet te veel zoals Reinjan Mulder suggereert. Overigens keken we ook jaloers naar de Feuilletons van de FAZ of de SDZ.
    4. Het woord ‘amechtig’ stond in een notitie die ik bij het begin heb geschreven. Dat sloeg niet op de toon, maar op de inhoud: de Boekenbijlage moest elke week zo’n intensiteit aan onderwerpen, boeken en auteurs uitstralen dat de lezer buiten adem de bijlage zou lezen.
    5. De Boekenbijlage werd volgens Reinjan gemaakt door een ernstig gezelschap. Zou kunnen. Maar wat is er mis met ernst?

  10. @ Hubert Smeets,
    Dank voor je reactie. Het vreemde is natuurlijk dat in al (?) die jaren dat er kennelijk bij NRC over een nieuwe vorm werd gedacht, ik daar – als eerst verantwoordelijke literatuurredacteur – nooit iets over heb gehoord. Ook het woord ‘amechtig’ kwam ik pas voor het eerst tegen in het vrij recente stuk van Sjoerd de Jong. Bijna twintig jaar nadat het kennelijk al in jullie achterkamertjes was gebruikt om aan te geven hoe het volgens jullie anders moest! Ik wist niet wat ik las.
    Ook heb ik, in mijn Amsterdamse omgeving althans, nog nooit horen zeggen dat ‘Boeken’ te weinig op TLS zou lijken. In tegendeel. NRC Handelsblad was in Nederland, en daarbuiten, onder André Spoor juist beroemd geworden om zijn CS, en het ging er ons bij het CS om die open en vrije sfeer zo goed mogelijk vast te houden, ook in de literatuurrubriek. Daarvoor was ik in 1989 – nadat ik de krant in 1983 had verlaten – ook door de toenmalige hoofdredactie (Woltz, Chavannes, Van Rooy) naar NRC Handelsblad teruggehaald.
    TLS was al in de jaren negentig een mooi maar klein en noodlijdend blad, dat geen enkel Brits dagblad als bijlage zou willen hebben, en dat ook nooit een breed publiek zoals CS Literair dat destijds had, heeft aangesproken. Als ik in 1989 had geweten dat een latere hoofdredactie (Knapen c.s.) met mij een soort TLS of NYBR wilde gaan maken, was ik nooit teruggekomen.

  11. Hubert Smeets

    Reinjan,

    Voor er misverstanden over achterkamertjes gaan beklijven, een paar puntjes.

    1. Het plan tot samenvoegen van LS en Boekenbijlage tot wat nu Boeken heet, is in 1995 opgekomen in de toenmalige hoofdredactie en later ook uit en te na besproken met onder anderen de chef van het CS. Of jij daarvan wist, kan ik niet beoordelen. Ik weet wel dat ik er nooit geheimzinnig over heb gedaan. Het ging dus vrij snel: binnen een jaar. In 1989 was er nog helemaal geen sprake van.
    2. Dat woord ‘amechtig’ stond op een stuk papier dat ook jij zou hebben kunnen lezen. Dat heb ik namelijk aan iedereen, die bij de nieuwe bijlage zou zijn betrokken, gegeven. Dus ook aan jou.
    3. Of jouw these de geïntegreerde bijlage Boeken het contact met de lezers verloor, weet ik niet. Ik weet wel dat Boeken bij lezersonderzoek in 1997 heel hoog werd gewaardeerd: misschien niet de meest gerespecteerde maar wel de best gelezen bijlage, bleek toen tot onze verrassing.

  12. Ik heb het stuk nooit gezien, en neem aan dat ik het ook nooit gekregen heb. Zo’n woord als ‘amechtig’ zou ik vast wel onthouden hebben – en opgezocht.
    En ik hoorde pas vrij kort voor de samenvoeging van de plannen. Binnen het CS was daar toen meteen vrij veel verzet tegen, maar zoals de toenmalige adjunct Laura Starink in onze redactievergadering zei: ‘wij van de hoofdredactie zijn er om plannen voor jullie te maken, en jullie mogen ons daar achteraf op af rekenen.’ Ik weet dat nog zo goed, omdat ik me toen vertwijfeld afvroeg: afrekenen, hoe dan? Mogen we na vier jaar soms een andere hoofdredactie kiezen, als het mislukt?
    In de politiek noemen ze zoiets: ‘achterkamertjes’.

  13. sjoerd de jong

    Na de correctie nog een kleine aanvulling. De ,,versobering” die oud-collega Mulder vanaf 1996 ziet in de ,,literatuurrubriek” van de krant, staat – in kwalitatieve zin – toch enigszins haaks op de ,,amechtige” toon die hij sindsdien in die rubriek ook meent te ontwaren. Ik heb het niet opgezocht, maar amechtig en sober lijken me moeilijk samen te gaan.
    Kwantitatief gesproken ontbeert de term een feitelijke basis. Het aandeel literatuur en non-fictie in de nieuwe bijlage Boeken was grosso modo gelijk (2/2 pagina’s broadsheet vast + 50%/50% aandeel in 3 ‘vrije’ pagina’s + conjunctureel 1 extra). In vergelijking met het verleden was het aantal pagina’s (7) er weliswaar 1 minder dan LS en Zaterdag Boeken (non fictie) samen (4+4), maar daar stond tegenover dat door een iets kleinere letter het volume aan tekst gelijk bleef of zelfs toenam. Zie gewogen berekeningen door Pieter Steinz, redacteur literatuur sinds 1997 en chef Boeken van 2005-2011. Voor het gehanteerde rekenmodel en de exacte aantallen verwijs ik naar het Nederlands Letterenfonds.
    Wat het contact met de lezers betreft: in het lezersonderzoek van de krant dat Smeets aanhaalt, uit 1997, riep Boeken inderdaad ,,spontaan de meest enthousiaste reacties op”. Ondanks de ernst, kennelijk.

  14. Het grootste verschil was natuurlijk dat CS Literair elke week een grote, royaal geïllustreerde literaire opening had, met drie literaire ‘ankeilers’, plus daarna nog een bijzonder opvallende pagina 3 met literatuur, inderdaad in een royale, aantrekkelijke leesletter, en dat dit aantal dragende pagina’s in ‘Boeken’ ongeveer gehalveerd werd, omdat daar ook veel non-fictie in moest. Het voorbeeld van TLS had juist kunnen leren dat het in de literatuurjournalistiek niet alleen om aantallen woorden gaat, maar zeker zo veel om de presentatie.

  15. sjoerd de jong

    Een boekenbijlage moet royaal en goed gepresenteerd openen, geheel eens met oud-collega Mulder. Het is tenslotte een krant. Al zijn aantallen woorden heden ten dage wel degelijk een punt voor boekenbijlages – laten we nu even de onderbouw niet vergeten. De versoberde, gepolitiseerde en kennelijk te ernstige bijlage Boeken van 1996 opende vaak met een royaal stuk van 2700 woorden – kom daar maar eens om, anno 2012.
    Overigens betroffen die openingen even vaak literatuur als non-fictie. Ook dat heeft de latere directeur van het Letterenfonds berekend.

  16. Precies! Even vaak, dus in de helft van de gevallen, en niet meer in alle gevallen zoals in de jaren daarvoor. Een halvering noemen wij dat.
    Mijn indruk was overigens wel dat de stukken van Heijne over Thomas Mann, van Etty over ’t Hart en van Krielaars over de nu al beste roman van de eeuw, waar ik recent over schreef, weer behoorlijk op lengte waren. Maar als de ombudsman zegt van niet, wie ben ik dan om daaraan te twijfelen?

  17. sjoerd de jong

    Halvering: om die reden had de nieuwe bijlage Boeken destijds op de ‘vrije’ pagina 3 dan ook wekelijks een tweede stuk dat zich in omvang en kwaliteit moest kunnen meten met het stuk op de voorpagina. Zo konden we elke week fictie en non-fictie royaal combineren.
    De ombudsman zal eens op de lengte van de huidige stukken gaan letten, die lijkt hoe dan ook nog gunstig af te steken tegen die in boekenbijlages van andere Nederlandse kranten; hoewel oud-collega Mulder natuurlijk gelijk heeft, dat het allereerst gaat om de kwaliteit van die stukken, mechtig of a-mechtig.

Geef een reactie