Het verlate optimisme van Czeslaw Milosz (1911-2004) – op bezoek bij de Poolse Nobelprijswinnaar

Door Reinjan Mulder
In Nederland is de Pools-Litouwse schrijver Czesaw Milosz bij het grote publiek nooit zo bekend geworden, en wie hem kende, kende hem aanvankelijk vooral als politiek auteur, van boeken over het communisme (De geknechte geest) en meer in het algemeen over de teloorgang van de Midden-Europese beschaving (Geboortegrond). Maar toen ik Milosz in 1997, kort voor zijn dood in Krakau bezocht, bleek hij zich zelf toch liever als de dichter te zien, die hij van jongs af aan was – al was dat de laatste jaren van zijn leven een dichter van steeds ijlere en lichtere poëzie.

Handtekening van Czeslaw Milosz in Geboortegrond, De Arbeiderspers, 1982

Maar wat voor een dichter! In onze onschuld willen wij nog wel eens denken dat de Nobelprijs het hoogste is wat een schrijver bereiken kan. Dat is niet zo. Boven, op de literaire Olympus, wordt opnieuw een strenge schifting aangebracht. De goden zelf onderscheiden in hun midden weer de grotere en kleinere godheden. Ik zat ooit in een taxi die de Russische dichter Joseph Brodsky van Schiphol naar Leiden reed, waar hij die week de Huizinga-lezing zou houden en hij maakte me dat verschil op subtiele wijze duidelijk. Joseph Brodsky kwam net uit Stockholm waar hij de jaarlijkse bijeenkomst van Nobelprijswinnaars had bezocht, en vertelde wie er niet allemaal waren komen opdagen. Het indrukwekkende rijtje dat hij daarbij opsomde, werd besloten met de naam van Czeslaw Milosz, de Nobelprijswinnaar van 1980. Na het noemen van die naam pauzeerde Brodsky even – en zei toen: “Maar ja, Milosz steekt natuurlijk wel mijlenver boven de rest uit. Vergeleken met hem zijn alle anderen…” Hij maakte een handgebaar dat voor zichzelf sprak.
Toen ik Czeslaw Milosz daarna in 1997 in zijn mooie oude woonhuis in Krakau opzocht, barstte de 86-jarige dichter meteen in een vrolijke lach uit bij het horen van deze anekdote. Nee, dat Brodsky zó positief over hem sprak, dat wist hij niet. Maar het verbaasde hem niets. De toen net overleden Russische Amerikaan behoorde al sinds hij zich in 1972 in Amerika vestigde tot zijn dierbaarste vrienden. En wanneer het vrienden betrof, kon Brodsky gul zijn in zijn bewondering.
Ik knikte. Achterop de vertalingen van Miosz’ poëzie werd inderdaad vaak een zeer lovende uitspraak van Brodsky geciteerd: ‘één van de grootste dichters van deze tijd, misschien wel de allergrootste’.
Milosz deelde met Brodsky ook veel dingen. In de eerste plaats zijn noordelijke afkomst. Czeslaw Milosz werd in 1911 geboren op het toen nog tot het Russische tsarenrijk behorende Litouwse platteland, niet zo ver van Brodsky’s latere Leningrad, en toen hij begon te schrijven, schreef hij, net als Brodsky, vrij traditionele, ja, zelfs lyrische poëzie.
Belangrijker was waarschijnlijk nog dat beide dichters in verschillende fasen van hun leven van nabij de gevolgen van zowel het nationaal-socialisme als het communisme ervoeren. En net als Brodsky ging Milosz halverwege zijn leven in ballingschap. Na enkele jaren in Europa, waar hij onder meer op de ambassade van de Poolse Volksrepubliek in Parijs werkte, vestigde hij zich in 1960 in het Amerikaanse Berkeley, waar hij de kost verdiende met het doceren van Poolse literatuur.
Als ik Czeslaw Milosz bezoek, heeft hij inmiddels weer sinds een paar jaar een huis in Polen. In een van buiten sterk verwaarloosd apartementengebouw halverwege de oude binnenstad en het voormalige getto van Krakau heeft hij een flat gekocht waar hij met zijn Amerikaanse vrouw de zomers doorbrengt. ‘Het is de stad die me nog het meest aan het vroegere Vilnius herinnert,’ zegt hij. Na een leven vol verhuizingen, waarvan hij in zijn boeken verslag uitbrengt, is de dichter hier aan zijn laatste etappe begonnen. ’s Winters ontsnapt hij nog graag naar de warmte van Californië, maar de rest van het jaar woont hij hier. Hij schrijft artikelen voor een liberaal katholiek Pools weekblad en probeert te volgen wat er aan literatuur verschijnt. Twee jaar eerder was hij nog de grote promotor van het romandebuut Meisje Niemand van Tomek Tryzna. En samen met zijn mede-Nobelprijswinnaar Wislawa Szymborska was hij die zomer erevoorzitter van het plaatselijke poëziefestival van Krakau.
De meer dan twintig jaar die Milosz op de campus in Berkeley heeft doorgebracht, hebben geen Amerikaan van hem gemaakt, merk ik. Hoewel hij lachend de deur opent, in een fel blauw jeans-shirt en een ribfluwelen mouwloos vest, heeft zijn Engels nog steeds een duidelijk slavisch accent. Hij wijst erop dat zijn gehoor slecht begint te worden, en dat hij misschien niet alles zal verstaan. Maar dat kan kan mede een kwestie van taal zijn. “Waarom zegt u het niet in het Frans,” oppert hij na enige tijd. En plotseling is het of hij een verjongingskuur ondergaat. In een prachtig accentloos Frans, dat nog van voor de oorlog moet stammen, geeft hij ineens op elke vraag uitvoerig antwoord.
Het duidt erop dat Milosz zich vermoedelijk meer in de Franse dan in de Amerikaanse cultuur thuis voelt. In zijn autobiografische werk beschrijft hij hoe hij in 1934 met een beurs naar Parijs vertrok, waar zijn oom woonde, de destijds bekende schrijver Oscar Vladislas de Lubicz Milosz (1877-1939). Onder zijn invloed en leiding heeft zich naar zijn zeggen zijn wereldbeeld en poëtica gevormd.
Als dichter is Czesaw Milosz in Nederland voornamelijk bekend als de dichter van verzen over de crisis en de ondergang en als schrijver door enkele ernstige boeken over de teloorgang van de Midden-Europese beschaving. In 1953, twee jaar nadat hij tot ontsteltenis van het communistische regiem gedesoriënteerd zijn functie als cultureel attaché op een Poolse ambassade had opgegeven, publiceerde hij zijn studie De geknechte geest (The captive mind). In dit nog altijd lezenswaardige boek analyseerde hij waarom het communisme direct na de oorlog zo’n vruchtbare voedingsbodem voor goedwillende intellectuelen kon zijn. Daarna verscheen onder meer zijn – later in het Nederlands vertaalde – autobiografische roman Het dal van de Issa (1955), een poëtische evocatie van zijn geboortestreek. Van dit boek zei Milosz tiujdens mijn bezoek dat hij het schreef als therapie. ‘Ik dreigde in die tijd vergiftigd te raken door gewichtige woorden, de geschiedtheorieën van Hegel, en vond dat ik me weer meer op de kleine details van het leven moest gaan richten.’ In 1959 verenigde Milosz toen de verschillende kanten van zijn persoonlijkheid in wat ik nog altijd een van zijn mooiste boeken vind: het in de reeks Privédomein opgenomen autobiografische essay Geboortegrond. Hierin gaat hij uitvoerig in op de geschiedenis van zijn familie in Litouwen en op zijn eigen wederwaardigheden voor en na de Tweede Wereldoorlog. Sindsdien verschenen in Amerika en later ook Polen met enige regelmaat nog essay- en poëziebundels.
In een van de laatste bundels in deze laatste reeks, Beginning with my streets, haalt hij een aantal persoonlijke herinneringen op, onder meer aan zijn moeizame haat-liefde verhouding met de Poolse schrijver Witold Gombrowicz.
Dat maakte me nieuwsgierig naar hoe Milosz de recente veranderingen in Oost- en Midden-Europa zag. Gaven het einde van het communisme en de terugkeer van de persvrijheid hem geen aanleiding tot een optimistischer houding?
Milosz liet toen ik hem daarnaar vroeg meteen weten dat er de laatste jaren inderdaad veel ten goede was veranderd. ‘Ik ben een optimist geworden!’, zegt hij. ‘Voor het eerst in mijn leven.’
Niet dat hij nu helemaal geen kritische kanttekeningen meer bij de actualiteit plaatste. Zo zag Milosz, net als in het Amerika van de jaren zestig en zeventig, in Polen een ‘institutionalisering van de bohemiens’ optreden, waar hij vraagtekens bij plaatste. ‘Het type van de all-round negentiende-eeuwse intellectueel begint hier steeds meer te verdwijnen. In zijn plaats komt er een soort schrijver op die op de universiteit zijn uitwijkplaats vindt. Niet dat ze daar zoveel verdienen, de Poolse universiteiten zijn erg arm. Maar het gevolg is dat de Poolse schrijvers gedwongen worden om specialismes te ontwikkelen om les in te kunnen geven. Dat zorgt voor een heel ander soort schrijver dan vroeger.’
Ook in de internationale politiek was er nog wel het een en ander dat beter kan. Opmerkelijk aan Milosz werk is dat hij er steeds weer in terugkeert naar zijn geboortestreek, ‘het dal van de Issa’ en naar de stad Vilnius, waar hij de universiteit bezocht. Dat gebeurde ook weer in zijn toen net in Duitsland verschenen Die Strassen von Wilna. In dit kleine literair reisboek schrijft Milosz, in een briefwisseling met de Litouwse dichter Tomas Venclova, dat hij in Vilnius nu eenmaal zijn puberteit heeft beleefd. Vilnius staat voor hem daardoor voor ‘de tijd waarin ik nog geloofde dat mijn leven, hoe dan ook, ooit normaal zou verlopen – pas daarna is alles doorelkaar geraakt, zodat Vilnius een ijkpunt bleef, in die zin dat het staat voor het in potentie normale.’
Met Die Strassen van Wilna heeft Milosz, naar hij zei, een ereschuld willen inlossen tegenover de stad die hij in 1935 op 25-jarige leeftijd verliet. ‘Ik wil hiermee als verzoener tussen Polen en Litouwen optreden. Als verbindingsman. Juist nu de relaties tussen beide landen iets beter beginnen te worden, is dat erg nodig.’
Zoals hij in het boek heeft uitgelegd, is de verhouding tussen de Pools sprekende bovenlaag in Litouwen en de Litouws sprekende, minder geletterde bevolking in de loop van de geschiedenis vaak erg vertroebeld geweest. De in Litouwen wonende Polen (of Pools sprekende Litouwers) die vaak van adellijke afkomst waren, werden, ook als ze al vele generaties in de streek woonden, door de nationalistische Litouwers als koloniale macht gezien. Litouwen maakte in de loop van de geschiedenis een paar keer deel uit van de Poolse staat, het laatst tussen de beide wereldoorlogen, en in die tijd was Pools de taal van de officiële cultuur. Mede als reactie daarop werd het land met steun van de Duitsers aan het begin van de Tweede Wereldoorlog verregaand ‘ontpoloniseerd’. Pools sprekende politici en intellectuelen werden het land uitgezet, en het Pools werd een omstreden minderheidstaal.
Deze geschiedenis verklaart, naar Milosz zei, waarom hij, nu het communistisch regime in Litouwen verdwenen was, voor zijn gevoel nog steeds niet naar zijn ‘geboortegrond’ terug kon. ‘In Litouwen is men op dit moment erg overgevoelig voor ‘polonisering’. Er is daar nu wel een Poolse minderheid, maar die is, zoals steeds in zulke situaties, erg zelfbewust. Er heerst daar nu een situatie zoals in Ierland. In Litouwen zou ik als een Ier zijn die in het Engels schrijft.”
Voor het overige wilde Czeslaw Milosz nog wel graag bezwaar maken tegen mijn veronderstelling dat hij tot voor kort alleen pessimistische boeken schreef. ‘Dat is een vertekend beeld, dat is ontstaan door wat er van mij in andere talen is vertaald. Ik ben bang dat ik in de loop der jaren veel te veel boeken heb geschreven. Ik heb op teveel piano’s gespeeld. Ik heb poëzie geschreven, poëzie vertaald, ik heb een bijbel-vertaling gemaakt, essays geschreven, kritieken, romans, een literatuurgeschiedenis. Van al die boeken zijn mijn politieke essays het bekendst geworden. Ik ben gebrandmerkt als politiek schrijver, maar zelf heb ik heel andere voorkeuren. Ik ontken niet dat ik die politieke essays geschreven heb, en ik heb er ook geen spijt van, maar het zijn wel net de boeken die me zijn opgedrongen door de omstandigheden. Soms voelde ik me genoodzaakt om mijn lezers iets uit te leggen, om ze in een gegeven situatie in een bepaalde richting te duwen.’
Zijn studie De geknechte geest schreef hij bij voorbeeld om uit te leggen waarom zoveel Poolse schrijvers die hij wel degelijk serieus nam aanvankelijk met het communistische regime meewerkten. Milosz bestempelde het boek nu als een analyse van het “klassieke, stalinistische gezicht van het communisme”. Het beschrijft de sfeer kort na de oorlog, toen Polen nog niet van een ‘totalitaire staat’ in een ‘ordinaire politiestaat’ was veranderd. “Poolse intellectuelen wilden in die tijd hun gedrag nog met allerlei theorieën funderen. Later werd iedereen daarin veel praktischer en cynischer.”
Op dezelfde manier schreef hij Geboortegrond, uit een van buiten komende noodzaak. Na zijn vestiging in West Europa had Milosz gemerkt dat niemand in zijn omgeving hem als een uit Litouwen afkomstige, Pools schrijvende, West Europeaan kon plaatsen.
Milosz wees er nog eens op dat hij zichzelf in de eerste plaats als dichter zag en stond toen op om een recente Amerikaanse tweetalige bloemlezing van zijn werk uit de zitkamer te halen. ‘Een deel van mijn gedichten heb ik, zoals hier, met hulp van vrienden in het Engels kunnen vertalen, zodat men daar nog enigszins weet wat ik schrijf. Maar voor andere talen kan dat niet. Ik ben daar afhankelijk van selecties en interpretaties.”
Voorzover er gedichten van Milosz in het Nederlands of het Duits zijn vertaald, hebben deze misschien vaak een zware, sombere ondertoon. In de bloemlezing Zeichen im Dunkel van de Duitse vertaler en literatuurpromotor Karl Dedecius zijn bij voorbeeld relatief veel gedichten op genomen die Milosz in de donkere jaren dertig en veertig schreef. Lange gedragen verzen over de naderende crisis en de daarop volgende ondergang. In een van zijn bekendste gedichten, ‘Campo di Fiori’ (1943), vergelijkt Milosz het sterven van joden in het getto van Warschau met het sterven van Giordano Bruno op het Romeinse Campo di Fiori. Niet eens het sterven is zo schokkend, schrijft hij, maar dat het gebeurt bij heldere hemel, terwijl rondom het drama het dagelijks leven gewoon doorgaat. ‘Ook deze slachtoffers zijn eenzaam, / Nu al vanaf de weg vergeten, / En vreemd is ons hun taal, / Alsof deze van een andere planeet kwam. Maar uit Milosz’ laatste Amerikaanse bundels, zoals Bells in Winter, blijkt dat hij juist de laatste jaren steeds lichtere poëzie is gaan schrijven. In Californië is hij onder invloed van Amerikaanse dichters als Walt Whitman geleidelijkaan tastbaarder en kosmischer geworden. Commentaar op historische gebeurtenissen maakte steeds vaker plaats voor reflecties op het leven, op de beschaving en de vergankelijkheid, en voor ingehouden beschrijvingen van de Amerikaanse natuur. In een van zijn laatste bundels heeft hij zelfs een groot aantal korte gedichten bijeengebracht over de fysieke, zintuiglijke aspecten van de werkelijkheid: over kleuren, vormen en geluiden.

Het gevolg is dat Milosz met het stijgen van zijn leeftijd steeds relativerender en jeugdiger is geworden. In 1936, toen hij pas 25 was, haalde hij in een gedicht nog herinnerining aan een tocht met vrienden door de kou, terwijl ze een haas zien. Hij schrijft, ouwelijk voor zijn leeftijd: ‘Dat was lang geleden. Nu is geen van hen nog in leven, / Noch de haas, noch de man die het gebaar maakte.’ Zelfs in de jaren veertig, wanneer de catastrofale gevolgen van de oorlog duidelijk zijn, klinkt hij minder somber dan in de jaren dertig. Nadat de onheilsvisioenen eerst heel zwaar zijn aangezet, wordt de toon later terughoudender. Alsof de directe confrontatie met zoveel dood Milosz tot inkeer en bezinning brengt.
De suggestie dat zijn leeftijd een paradoxale rol speelt beantwoordt Czeslaw Milosz weer met een instemmende lach: ‘Nu ben ik oud.Maar ik vind het leven ny prettiger. Ik ben minder gauw geïrriteerd. Denk serener over de wereld. Ik zie de neiging van de Poolse bevolking om altijd over alles te klagen, maar ik heb daar zelf geen reden meer toe.” Hij vertelt dat er onlangs werk van hem is opgenomen in een bloemlezing met boeddhistische poëzie. “Ik ben geen boeddhist, ik voel me nog steeds katholiek, maar mijn werk heeft kennelijk dezelfde intentie.”
Met zijn eerste gedichten, uit de jaren dertig, wordt Czesaw Milosz in de handboeken meestal ondergebracht bij de groep van de ‘catastrofisten’. Anders dan de experimentele dichters uit die tijd die zich op de internationale avant-garde oriënteerden, voelde de in Vilnius geconcentreerde catastrofisten zich sterk bedrukt door wat ze zagen als een naderende morele crisis. Ze moesten weinig van esthetische vormexperimenten hebben. In plaats daarvan streefden ze naar een zo groot mogelijke helderheid en toegankelijheid. In 1936 dichtte Milosz (in de Duitse vertaling van Karl Dedecius): ‘Oh, finstrer Mob auf grünendem Getreide, / die Krematorien sind wie weisse Felsen / und Rauch quilt aus den Nestern toter Wespen.’
Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat Milosz, net als in Nederland een schilder als Carel Willink, de ondergang van de beschaving voorzag. Maar de dichter beseft hoe vrijblijvend zo’n constatering is. Het vooruitzicht van ten ondergaande beschavingen is van alle tijden. Ook in jaren van voorspoed kunnen dichters dagelijks aan de dood denken. “Ik denk dat je het persoonlijke en het maatschappelijke van zo’n onheilsgevoel niet van elkaar kunt scheiden,” zegt hij. “Ik ben als schrijver ontwaakt op het moment dat Hitler aan de macht kwam. Ik was in die jaren heel pessimistisch. Mensen zijn gecompliceerde wezens. Ze steunen onbewust op collectieve angsten, maar tegelijk kan ik niet ontkennen dat mijn pessimisme mede voortkwam uit een ontregeling van mijn eigen gevoelsleven. Onder de avant-garde-dichters zaten in diezelfde tijd veel mensen die in de vooruitgang en in het socialisme geloofden. Wij voelden juist een vreemde mengeling van aan de ene kant een afkeer van het kapitalisme en aan de andere kant een groot wantrouwen tegenover de Sovjet-Unie. In mijn poëzie heb ik geprobeerd tussen die twee polen door te manoeuvreren, zonder me aan het een of het ander over te geven.”
Opeens komt mevrouw Milosz het zijkamertje binnen waar we zitten. Het gesprek loopt ten einde. Ze vraagt hoe alles is verlopen, strijkt haar man liefkozend over zijn rug, en zegt: “I guess you were brilliant. As usual.” De dichter laat nog één keer zijn tevreden lach horen.
Ik vraag hem waarom hij, als hij altijd zo intens van Vilnius is blijven houden, daar in 1935 vrijwillig is weggegaan. Hij antwoordt: “Het was me te benauwd geworden. Ik verlangde ernaar de wijde wereld in te trekken. Ik werkte in Vilnius voor de Poolse radio en was daar een politiek obstakel voor het lokale bestuur geworden. Mijn superieuren besloten me daarom over te plaatsen naar Warschau en dat wilde ik wel. Ik wilde daar weg. Maar niet voorgoed!”
Ik doe mijn opschrijfboekje terug in mijn koffer, en zie daarin de stapel boeken van Milosz die ik bij me heb, liggen. Ik besluit er een te laten signeren, als aandenken, en houd hem Beginning with my streets voor, een mooie gebonden editie van het Amerikaanse Farrar, Straus & Giroux.
Czeslaw Milosz schrijft met stevige streken zijn naam erin, en als ik het boek terug in het koffertje wil doen, vraagt hij ongeduldig: ‘En de rest?’ Hij staat erop alles te signeren wat ik meegenomen heb.
Ik zwicht.

Gedeelten uit dit artikel verschenen eerder in NRC Handelsblad van 5 september 1997

 

Eén reactie

  1. Mooi stuk… graag was ik er bij geweest met mijn stapeltje vertaalde boeken van Milosz 😉

Geef een reactie