Hij was het! Hoe Arnon Grunberg opnieuw begon – als Marek van der Jagt

Door Reinjan Mulder

Nawoord in 'Ik ging van hand tot hand', met op de binnenflap een foto van Arnon Grunberg in Gstaad

Nawoord in ‘Ik ging van hand tot hand’ met op de binnenflap Arnon Grunberg in Gstaad

Even heb ik gedacht dat ik de geschiedenis in zou gaan als de laatste Nederlander die geloofde dat Marek van der Jagt niet – ik herhaal: niet – Arnon Grunberg was. Maar sinds 17 mei 2002 kan ik open kaart spelen. Die dag hield Arnon Grunberg om vijf uur in het Radisson Sas hotel in Wenen ‘De Eerste Marek van der Jagt Lezing’, een gebeurtenis die sindsdien als zijn coming out wordt beschouwd. Dezelfde avond nog toonde het Oostenrijkse TV-journaal een item waarin Grunberg zonder snor of baard een tochtje langs de verschillende locaties van De geschiedenis van mijn kaalheid maakte. En nog geen dag later werd een Nederlands gezelschap Grunberg-fans in de historische Rode Zaal van het Weense Stadhuis ontvangen, waar de socialistische burgemeester van de hofstad opgewekt uit handen van de auteur de Duitse vertaling van dit boek in ontvangst mocht nemen, het opzienbarende debuut van zijn vermeende jonge stadgenoot.
In mijn agenda van dat jaar zie ik nog op maandag 20 mei, tweede pinksterdag, staan: ‘Marek mailen’, en op 3 juni: ‘Pakje naar Van der Jagt’, maar daarna komt alleen nog maar de naam ‘Arnon’ voor.
Het spel was uit.
Hij was het.

Toch was het voor geen van ons beiden alleen maar spel.
In een stuk voor de Volkskrant, dat later is opgenomen in het boekje Sterker dan de waarheid, heeft Arnon Grunberg uitgelegd waarom hij er in 1999 voor koos een volgende roman onder pseudoniem bij De Geus te publiceren. Hij wilde zijn oude uitgever niet kwetsen, schreef hij, maar belangrijker was dat hij wilde ontsnappen aan zijn eigen geschiedenis. Zijn eigen noodlot misschien wel. Zoals zijn vader de oorlog overleefde met een vals Nederlands paspoort op naam van Piet Zondervan, zo wilde hij als Marek van de Jagt, met een Oostenrijkse identiteit, de ‘existentiële crisis’ overleven waarin hij zich op dat moment bevond.
Ook voor mij werd het project daarna al gauw bittere ernst. Wat aanvankelijk begon als een dienstwillig meewerken met een gewaardeerd auteur met afwijkende wensen, werd na wat heen en weer faxen de lastigste opdracht uit mijn loopbaan als uitgever.
Later is wel beweerd dat de keuze voor een pseudoniem een truc van de uitgeverij was, om extra aandacht te genereren. Er zijn in die dagen wel meer vreemde dingen beweerd. Het tegendeel was het geval. Ik wilde natuurlijk niets liever dan een boek van de auteur Arnon Grunberg uitbrengen. Met Grunberg als beproefd bestsellerauteur kon een grote publiciteitscampagne opgezet worden, boekverkopers konden overtuigd worden stapels boeken in huis te halen, recensies waren bij voorbaat gegarandeerd.
Met een debutant lukt dat meestal niet. Er verschijnen jaarlijkse tientallen debuten, vaak heel aardige boeken, en slechts één of twee daarvan dringen in de toptienen door.En dan moet zo’n auteur eerst nog een lange mars door de boekinstituties hebben gemaakt. Hij moet op ‘Vers voor de Pers’ aanwezig zijn, zijn biografie moet ruim worden verspreid, hij moet verhalen in literaire tijdschriften hebben staan, zijn foto moet in dure advertentietjes voorop de dagbladen komen, en elke verzoek om een interview moet worden ingewilligd.

Schliersee 1998. Reinjan Mulder ontmoet Marek van der Jagt.

Schliersee 1999. Reinjan Mulder maakt kennis met de heer Marek van der Jagt.

Bij een debutant met een pseudoniem kan dat allemaal niet. Alles hangt dan af van een beperkt aantal middelen: de kwaliteit van het boek, de vormgeving, het vertrouwen dat de uitgever uitstraalt en de bekendheid die de auteur via andere kanalen heeft verworven.
Aan al die middelen is in het geval van Marek van der Jagt hard gewerkt. Arnon Grunberg was nog maar net aan zijn boek begonnen, of een eerste versie van het eerste hoofdstuk verscheen in Gezichten, een bloemlezing uit 1999 met nieuwe, jonge Geuzen-auteurs die ‘tussen twee culturen’ waren opgegroeid.
Later is ook nog gezegd dat iedereen meteen doorhad dat Van der Jagt een pseudoniem van Arnon Grunberg was. Maar dan had toch in ieder geval iemand naar aanleiding van dit literaire debuut een signaal in deze richting moeten geven. Er zijn duizend bloemlezingen verkocht en elke krant kreeg een gratis exemplaar toegestuurd, maar geen spoor van argwaan. Er verschenen een paar recensies van het boek, en in het blad Bijeen werd Marek van der Jagt als een grote ontdekking geprezen, maar de naam Grunberg viel niet.
Dat gebeurde al evenmin toen Marek van der Jagt zijn media-offensief zelf verbreedde tot de kolommen van de VPRO Gids en NRC Handelsblad. Het prominente stuk dat Van der Jagt op de Opiniepagina van deze laatste krant schreef, en dat in dit boek is opgenomen, wekte veel reacties op, er verschenen grote stukken over van Tommy Wieringa en H.J.A. Hofland, maar de naam van Grunberg viel niet.
Kort voor De geschiedenis van mijn kaalheid zou worden gedrukt stuurde ik ten slotte twee hoofdstukken naar De Gids en Nieuw Wereldtijdschrift. Wat is een veelbelovende debutant als hij niet in gerenommeerde literaire bladen heeft gestaan? Beide bladen reageerden enthousiast. De Gids, het oudste literaire tijdschrift van Nederland dat op elke literaire redactie van Nederland gelezen wordt, opende zelfs met Van der Jagt.
Weer klonk de naam van Grunberg nergens.
De eerste echte verwijzing naar Arnon Grunberg kwam pas voor in de (lovende) recensie van het boek die Vrij Nederland op 30 september 2000 publiceerde. Maar criticus Jeroen Vullings vond daar dat het boek alleen in zijn droogkomische passages aan Grunberg deed denken. Marek van der Jagt, ‘een volleerd romancier’, had volgens Vullings een ‘onmiskenbaar eigen stem’.

Arnon Grunberg of Marek van der Jagt?

Arnon Grunberg of Marek van der Jagt?

Onze opzet was geslaagd. Waar andere uitgevers er niet voor terug schrokken om diverse debuten aan te prijzen met het argument dat ze heel erg op Grunberg leken, daar moesten wij juist alles op alles zetten om elke verwijzing naar Grunberg uit de weg te gaan. En dat deden we ook. Afspraak was afspraak. Om een effectief dwaalspoor uit te zetten zijn we in het jaar dat verliep tussen Gezichten en de verschijning van De geschiedenis van mijn kaalheid, bijna tot het uiterste gegaan – waarbij de uitgever soms nog waakzamer was dan de auteur. Als Arnon Grunberg in zijn column in NRC Handelsblad argeloos schreef dat hij in Wenen zat, kwam er meteen uit Breda een waarschuwing: kijk toch uit!
Maar meestal bouwde Grunberg zelf al even actief mee aan de bescherming van zijn pseudoniem. Iedereen kende hem als die jongen met die grote bos haar? Dan zou Van der Jagt notoir kaal zijn. Hij een joodse jongen met een Duitse naam? Het pseudoniem zou een vaag aristocratische naam krijgen die naar oud-Nederlandse tradities verwees, en die het bovendien in Amerika goed kon doen. Amerikanen, schreef Grunberg, hielden van Nederlandse namen die met ‘Van’ begonnen.
En waarom kozen we Wenen als de stad waar de auteur met zijn Nederlandse vader woonde? Wenen was, toen het project begon, een van de laatste westerse steden waar Grunberg nog nooit was geweest. Ik moest hem nog net niet uitleggen waar het lag. Wenen wekte geen argwaan.
(Pas later schreef Grunberg me dat zijn in 1913 geboren vader nog een Oostenrijks Paspoort had gehad, uit de tijd van de Oostenrijks Hongaarse dubbelmonarchie. Dat toonde me de ernst van zijn spel. Piet Zondervans zoon was als Van der Jagt naar het ‘Kakanië’ van Robert Musil teruggekeerd.)

Om het risico van ontdekking zo klein mogelijk te houden had ik al in een vroeg stadium besloten dat ook op de uitgeverij de naam van de ware auteur verborgen moest blijven. Een oude wijsheid zegt dat de enige manier om overspel geheim te houden, is: niemand, maar dan ook niemand in vertrouwen nemen. Gedeeld geheim is geen geheim. Zo was het, dacht ik, ook met pseudoniemen. Zelfs bij een uitgeverij die honderd kilometer van de Grachtengordel aflag kon al te veel openheid dodelijk zijn voor Marek van der Jagt.
Voor me ligt een fax van 12 september 1999, om 11.04 uur op de receptie van De Geus binnengekomen.

Waarde Reinjan Mulder.

Het spijt mij zo dat onze afspraak niet door kon gaan, omdat u onverwacht naar New York moest. Ik begrijp dat best. Wie ben ik, vergeleken met een belangrijke Amerikaanse uitgever, een literair agent of een auteur uit Canada met Indiaans bloed?
Intussen leef ik nog steeds van de broodfabriek en wacht met smart op het door u beloofde voorschot.
Heeft u misschien oktober/november tijd naar Wenen te komen? Het zou zo prettig zijn u een keer echt te ontmoeten.
Mijn toestand hier wordt steeds lastiger, een van mijn katten is vannacht ziek geworden.
Denkt u er nog aan dat u mij vijfhonderd gulden hebt beloofd voor mijn bijdrage aan de Geuzenkrant?
Wij beleven in Wenen een mooie nazomer, maar de herfst woont al sinds enige tijd in mijn ziel, ik kan ook steeds minder goed tegen alcohol.
Vanochtend heeft mijn hospita wortels voor mij uitgeperst. Mijn lippen zijn nu oranje van de winterpenen. Soms heeft zij bevliegingen, en dan meent ze dat de dood op de deur klopt, en dan worden er wortels uitgeperst.
Ik reken op een spoedig antwoord, want zo kan dit echt niet langer doorgaan. U belooft naar Wenen te komen en een paar dagen van tevoren wijzigt u uw plannen, weet u wat voor gevoel ik daar aan overhoud? Alsof ik het vijfde wiel aan de wagen ben. Vergeeft u mij mijn openhartigheid, maar ik heb niemand, alleen u en had mij zo verheugd mijn hospita aan mijn uitgever voor te stellen en met u te wandelen.
Enfin, wij moeten ons neerleggen bij teleurstellingen.
Hopelijk bent u heelhuids teruggekomen uit New York.

Hoogachtend,
Vriendelijke groet,

Marek van der Jagt

Moet ik het nog uitleggen? Ik zou met onze debutant Marek van der Jagt een contract afsluiten, en zou daarvoor naar Wenen gaan. Iedereen in Breda wist dat. Maar om achteraf begrijpelijke redenen werd de bestemming op het laatste moment veranderd in New York. Hoe kon ik dat geloofwaardig aan de collega’s verkopen? Ik maakte gauw een paar afspraken met de New Yorkse agenten Linda Michaels en Cecile Barendsma en ik organiseerde een interview met de schrijfster Alice McDermott in Washington – en onderweg naar hen tekende ik in het diepste geheim een zwaar contract op het terras van een Italiaanse lunchroom aan Park Avenue.

Reinjan Mulder overhandigt Arnon Grunberg in Wenen het eerste exmplaar van Marke van der Jagts 'Gstaad 95-98' (foto Martin Voigt)

De coming-out: Reinjan Mulder overhandigt Arnon Grunberg in Wenen het eerste exmplaar van Marek van der Jagts ‘Gstaad 95-98’ (foto Martin Voigt)

Een ander relict uit deze tijd. Een enveloppe van De Geus waarin de najaarsaanbieding van 2000 naar relaties werd verstuurd. De aanbieding waarin De geschiedenis van mijn kaalheid stond. De geadresseerde: Marek van der Jagt, c/o Simon Denkgasse 8-32, A 1090 Wenen.
De enveloppe is ongeopend teruggekomen, met het stempel ‘22 aug 2000′, en een oranje stikker Unbekannt/Inconnu.
‘Reinjan, heb je het juiste adres? Groet, Mieke’ heeft de receptioniste van De Geus erop gekrabbeld.
Wie aan een spel begint, moet dat afmaken, hadden we afgesproken. We speelden het tot het bittere einde, met alles wat we in ons hadden.

Hoe zou het met Van der Jagt zijn afgelopen, als niet Martin Ros zijn medejuryleden van de Anton Wachterprijs had overgehaald de debutantenprijs voor 1999 en 2000 aan Marek van der Jagt te geven?
In ieder geval zou de auteur waarschijnlijk nauwelijks veel later ontmaskerd zijn. Het zou hoogstens wat minder spektakel hebben veroorzaakt.
Op het moment dat ik van Ros een opgewonden fax krijg met het heugelijke nieuws over de Anton Wachterprijs, is NRC Handelsblad al hard op weg het raadsel definitief op te lossen, met behulp van Sjoerd de Jong, Arjen Fortuin en Jarin Jusek, de correspondent van het blad in Wenen. Jusek heeft zelfs al in de Simon Denkgasse aangebeld, en daar van Grunbergs ‘postmeester’ gehoord dat Van der Jagt naar Nederland zou zijn vertrokken. De bewoonster, een operazangeres die door Grunberg in het complot is betrokken, heeft, zegt ze, ‘geen zin om er verder nog over te praten’.
Het verslag staat op de voorpagina van NRC Handelsblad.
Vanaf dat moment staan de telefoon en de fax niet meer stil. Ik probeer Grunberg van uur tot uur op de hoogte van de ontwikkelingen te houden, maar word vanuit het in Wenen gesitueerde New York bedolven onder steeds weer nieuwe vragen.
Op 4 oktober krijg ik, onder andere, deze fax:

Wenen, 4 10 00

Waarde Reinjan

De Anton Wachter-prijs dat is mooi.
Maar hoe gaan we dit nu doen?
Moet ik nadat bekend is geworden dat ik de prijs heb gewonnen de prijs eervol weigeren?
Van wie verwacht NRC een exclusief commentaar, van mij of mijn vader (Mijn vader zal blijven ontkennen.)
Ben ik in overspannen toestand het huis uitgelopen, dat is nu wel goed mogelijk?
Wie is naar Wenen gegaan en hebben ze aangebeld bij mijn adres?
Moet ik wellicht, nadat het nieuws bekend is geworden, de prijs weigeren?
Zal ik wellicht de meneer op de [gefingeerde auteurs-, RjM] foto naar Harlingen sturen? Hij spreekt alleen geen Duits, maar we kunnen zeggen dat hij die taal niet wil spreken.
Ik ben nog steeds ziek. Telefoons staan uit. Fax staat aan.

Uw MvdJ

Schliersee in Beieren omstreeks 1900

Schliersee in Beieren omstreeks 1900

Het zal duidelijk zijn dat met ‘mijn vader’ Van der Jagts primaire ego, Arnon Grunberg wordt bedoeld. In de vele faxen die ik nog heb uit die tijd, komt hij veelvuldig voor.
Mijn advies aan Van der Jagt is om de prijs beslist niet meteen te weigeren. Wie weigert, bekent. Pseudoniemen bekennen niet.

Inmiddels is ook Grunbergs eerste uitgever Vic van der Reijt van Nijgh & Van Ditmar geconfronteerd met de nieuwsberichten. Hij moet zich dood geschrokken zijn. Twee dagen na de ontdekking door NRC Handelsblad krijg ik uit New York een fax waarin de verwarring tot in de persoonsvormen compleet is.

Wenen, 6 10 00

Waarde uitgever,

Vic belde mijn vader vanochtend in paniek op.
Ik heb hem verteld dat ik niet Marek van der Jagt ben en geenszins van plan ben de uitgeverij te verlaten.
Wat is het toch een kleine wereld. En een kleinzielige.
Hij vroeg zich bezorgd af of er nog meer boeken van Van der Jagt zouden volgen.
Hoe kan ik dat weten?
Heeft u de mail van [Arjan, RjM] Peters nog gezien? Op die mail, heb ik, Marek van der Jagt, alsnog besloten te antwoorden.
Vic vertelde nog dat hij het boek, de kaalheid, in de stationskiosk zag liggen.
Wat is er verder voor nieuws?

Uw MvdJ

Hoe heb ik daarna nog anderhalf jaar in het openbaar kunnen volhouden dat Marek van der Jagt niet Arnon Grunberg was?
Ik herinner me dat ik op de stoep voor mijn huis Henk van Ulsen tegenkwam, die in Harlingen op de feestelijke bijeenkomst rond in het water gevallen prijsuitreiking gedichten van Vestdijk had voorgedragen.
‘Weten ze nu al wie het is?’ vraagt Van Ulsen.
‘Nee, nog steeds niet,’ antwoord ik.
‘Daar zullen ze dan wel nooit meer achterkomen,’ is zijn inschatting.

Arnon Grunberg in de tijd van De olifant en het joodse probleem (foto Koos Breukel)

Arnon Grunberg omstreeks 1993. Foto (van Koos Breukel) op de Zahngold-redactie

De wonderlijke geschiedenis van Marek van der Jagt – die het tegendeel werd van een geschiedenis van een kaalheid – verdient het om ooit nog eens in extenso uitgezocht en opgeschreven te worden. Bij die gelegenheid zou dan ook ingegaan moeten worden op nog altijd niet opgeloste vragen als:
– wat gebeurde er rond de afgelaste Anton Wachterprijsuitreiking in Harlingen,
– waarom wist de Italiaanse hoogleraar linguïstiek op grond van een computerprogramma voor 99% zeker dat Grunberg de auteur van De geschiedenis van mijn kaalheid was,
– waarom zijn er in Duitsland zulke verschillende reacties op Grunberg en Van der Jagt,
– wat is de filosofie van Van der Jagt in zijn columns voor Filosofie Magazine,
– waarom werd Van der Jagts tweede roman Gstaad 95-98 door sommige critici tot een van de belangrijkste boeken van een tijdsgewricht uitgeroepen, en hebben zij gelijk gekregen.

Dit artikel verscheen eerder in: Marek van der Jagt, Ik ging van hand tot hand – Verzameld werk, bezorgd en van een nawoord voorzien door Reinjan Mulder. Uitgeverij De Geus, Breda, 2008.
Lees over de latere boeken van Marek van der Jagt: De monogamie van Arnon Grunberg, in Das Zahngold.
Meer over Arnon Grunberg en het verschijnsel opnieuw beginnen onder een andere naam is te vinden in: Marli Huijer en Reinjan Mulder, Opnieuw Beginnen. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009.
De meeste foto’s en archiefstukken uit de tijd van Marek van der Jagt die in dit stuk voorkomen zijn in 2012 overgedragen aan de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam.    

 

Geef een reactie