Connie Palmen over de dood van Ischa Meijer en ‘De Vriendschap’

Connie2foto

Interview met Connie Palmen na de dood van Ischa Meijer, CS Literair

Door Reinjan Mulder
Eerste interview met Connie Palmen na de dood van haar man Ischa Meijer over haar boek De vriendschap, Ischa en rouw.
Connie Palmen onderzoekt in haar tweede roman De vriendschap hoe mensen aan iets of iemand gehecht kunnen raken. Daarna had ze een volgend boek willen schrijven over liefde. Maar daar kwam onverwacht iets tussen. Haar man Ischa Meijer ging dood. Ze besloot daarom eerst te beschrijven wat ze na zijn dood allemaal meemaakte. Connie Palmen ‘Ik ben plotseling een specialist in verdriet geworden. Ik heb daardoor ook zo slecht afscheid genomen van De vriendschap. Het lijkt nu wel of dat boek mee de dood ingegaan is. Het is voor mij nu al iets uit een vorig leven geworden. Nadat het af was is er zo’n grote cesuur in mijn leven aangebracht. Alsof het boek meteen is meegesleurd in die dood.’
De vriendschap, het tweede boek van Connie Palmen (St. Odiliënberg, 1955) verscheen in het voorjaar van 1995 kortom onder een buitengewoon slecht gesternte. Op 14 februari, nog geen twee weken voordat het in een gigantische oplage in de winkel zou liggen, overleed Ischa Meijer.
Zijn dood maakte de normaal zo feestelijke verschijning van haar nieuwe roman tot een pijnlijke gebeurtenis, een drama.
Voorop stond dat de al zo lang van tevoren vastgelegde publikatie-datum niet moest worden uitgesteld. Connie Palmen: ‘Ik wilde het boek juist zo gauw mogelijk uitbrengen, om te voorkomen dat zijn dood en mijn boek met elkaar in verband zouden worden gebracht.’
Maar ‘de nazorg’ die een boek meestal krijgt, zeker als het van een zo bekende naam als die van Connie Palmen is, moest onvoorwaardelijk worden afgezegd. Dat betekende dat er geen interviews met de schrijfster zouden volgen, geen optredens van haar in televisieshows, geen signeersessies in boekwinkels en ook geen tournee langs literaire centra.
De drukpersen konden op het laatste moment nog net worden stopgezet om een zevenregelig gedichtje van Ischa Meijer als motto aan het boek toe te voegen (Soep op het vuur/ is/ als/ een extra goede vriend in huis/ extra lekkere soep/ is/ als nieuwe familie). Maar daarna was het wat Connie Palmen betrof voorbij.

Opdracht in Connie Palmen's 'De Vriendschap' na het winnen van de CPNB Publieksprijs

Opdracht in Connie Palmen’s ‘De Vriendschap’ na het winnen van de CPNB Publieksprijs

Een groot deel van de recensies van het boek, zegt ze, heeft ze zelf ook niet willen lezen. ‘Ik had wel wat anders aan mijn kop.’
En wat er met de verkoop gebeurde, zeven drukken in vier maanden tijd, met een oplage van bij elkaar boven de honderdduizend, is tot nu toe nauwelijks tot haar doorgedrongen. ‘Het kwam me allemaal als zo onbeduidend voor.’ Dat werd allemaal nog versterkt toen, tot overmaat van ramp, niet lang daarna, op 15 mei, ook nog haar vader overleed. Connie Palmen: ‘Ik ben me rot geschrokken. Ik wist niet dat er zoveel verschillende soorten verdriet bestonden.’

Als ik Connie Palmen dan eindelijk spreek, is het vier maanden later. Ze geeft nog steeds geen interviews, hoor ik van intimi, maar voor mij heeft ze een uitzondering willen maken.
Ik heb op haar verzoek afgesproken in Excelsior, het hoofdstedelijke restaurant van Hotel de l’Europe, waar ze tot vorig jaar altijd met Ischa Meijer kwam eten. Het is de dag nadat ze namens hem de postuum toegekende Zilveren Reiss-microfoon in ontvangst heeft genomen en het is haar eerste interview sinds haar boek De vriendschap uitkwam.
Het onderwerp van gesprek zou, zo hebben we afgesproken, deze nieuwe roman zijn, maar die beperking blijkt als we eenmaal tegenover elkaar zitten, onmogelijk te handhaven. Zeker op dit moment, en in deze, beladen omgeving. Ik voel me in een vreemde situatie beland. Soms lijkt het of de dode Ischa Meijer tussen ons beiden in aan tafel meeëet. Of ben ik vandaag zijn stand-in? De ober die de schalen voor ons aandraagt, zegt Connie, was ook altijd de ober die Ischa en haar bediende, de copieuze maaltijd die op tafel staat, is als hun copieuze maaltijden, en de wijn, een Citran uit 1988, was, zo vertelt Connie Palmen, toen Ischa nog leefde, ook altijd hun favoriete wijn.

Tijdens het hele gesprek is er geen moment dat Ischa Meijer niet ergens, als schim of als gespreksonderwerp, bij ons aan tafel zit.
Hoe kan het ook anders, bedenk ik later, bij een boek dat de afhankelijkheid tussen mensen en de band tussen mensen en genotmiddelen tot thema heeft. In De vriendschap heeft Connie Palmen niets minder dan een poging ondernomen om uit te vinden waardoor mensen aan iets of iemand gehecht kunnen raken. Haar inzet is hoog. Wat maakt dat vriendschappen tientallen jaren kunnen duren? Wat maakt dat sommige mensen verslaafd raken aan alcohol, en anderen een eetverslaving hebben? En: wat maakt dat iemand die zich, zoals de hoofdpersoon van haar boek, aangetrokken voelt tot drank, valt op eters, op ‘dikke mannen’?
De vriendschap komt er op uit dat er een nauwe verwantschap bestaat tussen zulke uiteenlopende bezigheden als denken, vriendschap sluiten en het verslaafd raken aan eten en drank. Het maken van verbindingen, of dat nu in je hoofd gebeurt, tijdens het denken, of fysiek, in een café of restaurant, komt volgens Connie Palmen bijna op hetzelfde neer. Het zijn stuk voor stuk activiteiten die er voor zorgen dat we niet desintegreren. ‘Iedereen dreigt iedere dag volledig uit elkaar te vallen, maar met bepaalde eet- en drinkgewoonten en met denken kunnen we dit tegenhouden.’
De vorm waarin dergelijke stellingen in het boek worden uitgewerkt is echter karakteristiek voor Connie Palmen. De vriendschap combineert de vertelvorm van de roman met grote stukken essayistiek. Humoristische beschrijvingen van een vrolijke, sympathieke hoofdpersoon worden geroutineerd afgewisseld met overpeinzingen en geschriften van die hoofdpersoon. Dat maakt het lezen tot een prikkelende bezigheid. Het boek heeft tegelijk iets zwaars en iets lichts. Connie Palmen: ‘Als ik er vroeger tijdens lezingen wel eens fragmenten uit voorlas, kwam de zaal niet meer bij van het lachen.’

Hoofdpersoon van De vriendschap is Kit Buts, een uit een dorp afkomstig meisje dat tijdens haar lagere schooltijd een diepgaand gevoel van vriendschap ontwikkelt voor haar klasgenootje Ara Callenbach. Het is een verhouding zoals ze nooit meer met een ander zal hebben, ook niet met een man, en het hele boek door probeert ze uit te vinden hoe dat komt.
Een van de tegenstellingen waar ze op uit komt is die tussen familierelaties en vriendschappen, tussen relaties die worden bepaald door het lot en de vrije keuze. Palmen: ‘Ik heb de familie heel hoog staan. Maar de familie is een verbintenis waar je niet zelf over regeert. Die overkomt je. Dat is je lot. Je komt uit die vrouw met het zaad van die man. Het is het oefenterrein voor de dood, waar je ook niets over te zeggen hebt.’
Wat bij het lezen van Connie Palmen’s De vriendschap al meteen opvalt, is de manier waarop het meisje Kit wordt opgevoerd. Daar is iets vreemds mee aan de hand. Soms lijkt het of je rechtstreeks een meisje van tien hoort praten en denken (‘vind ik’), maar op andere plaatsen klinkt een wat oudere of zelfs een veel oudere stem. Het is daardoor niet zo makkelijk om de ik-figuur in de tijd te plaatsen. Af en toe klinkt ze eigenlijk te oud voor haar leeftijd. Sommige recensenten zijn er daarom al vanuit gegaan dat de jeugdige stem afkomstig moet zijn uit een schriftje van het meisje, terwijl anderen dachten dat de oudere stem uit een later geschreven brief moest komen.
Connie Palmen wil tijdens ons etentje over haar stijl niet veel meer kwijt dan dat ze er welbewust voor heeft gekozen. Ze had de toon die ze aanslaat naar haar gevoel nodig voor de roman die ze wilde schrijven. ‘Ik vind het niet zo spannend om een boek te schrijven zoals er al zo veel zijn, zoals ik ze ook niet spannend vind om te lezen. Ik vind dat je iets met de literatuur zelf moet doen, wil het literatuur blijven. Je kunt niet nog eens een nieuwe Homerus schrijven. Dat is geweest. Ik ga iets pas leuk vinden als ik denk: mijn god, wat leuk, wat gek, dat is wat anders. Dat geeft mij een extra genot.’
De stijl van De vriendschap beschrijft ze zelf als ‘autobiografisch’. Dat wil niet zeggen dat haar boek autobiografisch is, maar dat ze ‘stijlingrepen’ toepast die een autobiografisch effect hebben. ‘De stemmen van de ik-figuur en de schrijver vallen in De vriendschap bijna samen. Het ritme waarmee het meisje praat en denkt is bijna het ritme van mijn eigen stem. Dat drammerige, dat dreinerige kinderstemmetje van haar kan ik zo bij mezelf oproepen: een beetje boos, een beetje verontwaardigd.’
Sommige lezers hebben zich wat geërgerd aan het ‘meisjestoontje’. Carel Peeters noemde de roman in Vrij Nederland een ‘filosofisch meisjesboek’. Connie Palmen, die deze betiteling eerder als een compliment dan als een verwijt ziet, wijst er op dat de toon van de roman onlosmakelijk met haar opzet is verbonden. ‘Je moet in het eerste deel kunnen denken dat het een tienjarige is die alles bedenkt. Ik heb opzettelijk wat met de vertellersfunctie en de tijden gedaan zodat er een bepaalde kinderlijke stem gaat klinken.’ In het tweede en derde deel, als de ik-figuur twintig en dertig is, komen de stemmen van de hoofdpersoon en de verteller ook veel dichter bij elkaar. Kit leert nieuwe mensen kennen, ze gaat naar de pedagogische academie en de universiteit, en ze heeft een paar verhoudingen.
De vriendschap mondt uit in een 32 bladzijden lange brief aan de jeugdvriendin Ara waarin Kit alles uit de afgelopen twintig jaar op een rijtje zet. Het ooit zo levendige meisje is dan veranderd in een schrijfster die wordt geobsedeerd door woorden en kennis: ‘Het lichaam waarmee ik het moet doen,’ schrijft ze, ‘dat van vlees en bloed, dat stel ik blijkbaar niet graag bloot aan het oog van anderen en daarom maak ik mij een lichaam van woorden op papier.’
Het vlees is woord geworden. Aan het eind vallen de twee stemmen samen.
Connie Palmen: ‘Ik heb voor De vriendschap naar een vorm gezocht waarbij ik in de roman een essay kon opnemen dat er organisch in paste, zich niet als een essay verraadde en alles met die roman te maken had. De vorm van een brief had daarbij nog het voordeel dat ik kon laten zien wat het betekent als je iets opschrijft en dat aan anderen toestuurt.’
Palmen vertelt ruim twee jaar geleden aan De vriendschap te zijn begonnen, anderhalf jaar na het verschijnen van haar debuut De wetten. Het idee voor het boek is echter ouder. Net als bij De wetten heeft ze eerst het thema en de opzet uitgedacht waarna ze in een twee jaar durende schrijf-fase alleen nog maar de zinnen hoefde te bedenken.
Later zegt ze dat de eerste plannen voor het boek al meer dan tien jaar oud moeten zijn. Ze herinnert zich hoe een medestudent haar, toen ze nog Nederlands studeerde, vroeg waarom ze geen boek schreef over het probleem van lichaam en geest. Ze moet toen hebben geantwoord dat ze daar al over nadacht.
Uitgangspunt was dat De vriendschap, net als De wetten, over het denken zou moeten gaan. Connie Palmen: ‘Het denken is wat ons van het dier onderscheidt. Als wij iets willen is dat willen door het denken veroorzaakt en als we iets voelen wordt dat voelen door het denken veroorzaakt. Zo ervaar ik mijn bestaan, en ik kan dan ook alleen maar daar over schrijven.’ Ze vertelt over de verbintenis tussen haar liefde voor Ischa Meijer en het denken: ‘Ik dacht altijd aan Ischa en ik dacht altijd over hem na, over hem en mij. En hij dacht na over mij. Zoiets is liefde.’
De vriendschap kan volgens Connie Palmen worden gezien als een rechtstreeks vervolg op haar eerste boek. De wetten liet zien hoe het denken in de geschiedenis is ontstaan. ‘Het gaat over hoe mannen de wetten maken en dat wetten voortkomen uit het leggen van verbintenissen tussen uiteenlopende zaken: hemel en aarde bijvoorbeeld. Denken is verbinden.’ Het boek begint met het denken van de astroloog die alles herleidt tot de wetten van de sterrenhemel, en gaat dan verder met het denken van de filosoof, de priester, de fysicus, de filosoof, tot en met het denken van de psychiater. In De vriendschap wordt vervolgens beschreven hoe zich het denken van één persoon in de loop van twintig jaar ontwikkelt.
Connie Palmen vertelt hoe De vriendschap aanvankelijk ook was opgezet als een onderdeel van De wetten. Het verhaal over de meisjesvriendschap had in een eerdere opzet ‘de as’ moeten zijn die het boek over de zeven mannen zou laten ‘kantelen’. Toen ze aan De Wetten begon, had Palmen oorspronkelijk een heel groot boek in haar hoofd, ‘een levenswerk’, dat De Wetten zou gaan heten en dat alles zou bevatten wat ze te zeggen had. “Ik had een enorm plan waarbij in het midden van het boek een vriendschap met een vrouw zou worden beschreven die alle wetten van de mannen zou omvergooien. De vriendschap had in die opzet de andere kant van het verhaal moeten zijn.”
Het plan was op dat moment echter te hoog gegrepen. ‘Ik kon het volstrekt niet aan. Het was te veel. Ik kon de verschillende elementen van het tussenverhaal ook niet bij elkaar krijgen. Ik wist niet hoe ik het verhaal van de vriendschap tussen de twee meisjes moest combineren met de gedachte die er achter zat. Ik stel me zoiets altijd heel ruimtelijk voor: hoe moet ik de gedachten achter het boek op de grond zetten? Hoe moet ik het denkwerk dat ik verricht naar beneden krijgen?’ Toen dat bij De wetten mislukte werd het middendeel weggelaten en bewaard voor een volgend boek.
Connie Palmen pleegt haar boeken, zoals uit dit voorval blijkt, lang van te voren te plannen. ‘Ik ben niet iemand om nu eens dit aan te pakken, dan weer dat. Ik kan heel goed en heel lang zonder bevestiging. Een boek waar je aan werkt is een geheim en ik kan goed een geheim bewaren. Ik twijfel veel aan mezelf, maar niet aan mijn vak. Ik weet dat ik het beste geef wat ik heb en ik hoef tussendoor geen kopjes te gaan halen, en te vragen: vind je me lief, vind je me goed, vind je me aardig?’
We praten nu over Connie Palmen’s leven met Ischa Meijer. ‘Met Ischa was ik nooit alleen. Hij was er altijd, en dat ging goed. Ik werkte in mijn eigen huis, maar dan belde hij me om het kwartier op, of hij kwam bij me binnenvallen. Sterker: als hij niet om het kwartier belde, kon ik niet werken. Ik zat dan zo naar hem te verlangen dat ik uit verlangen niet schrijven kon.
Onze verhouding was er een van mensen die alleen zijn en die veel van elkaar gaan houden. In andere verhoudingen wil iemand vaak niet dat de ander iets allenigs heeft. Je wilt erbij horen. Je wilt erin. Je wilt alles hebben. Maar wij hadden een liefde waarin je van elkaar wist: dat laat ik je, die eenzaamheid daar kom ik niet aan. Dat doe je alleen maar als je de ander bewondert. Ik bewonderde Ischa.’
Na deze lofzang is het verwarrend in De vriendschap te moeten lezen dat de vrouwelijke hoofdpersoon aan het eind van het boek haar verhouding met de dikke, eetlustige Thomas ziet stuklopen. Het tweetal gaat naar Amerika, waar de dikke man werk heeft te doen, maar daarna wordt het niets meer tussen hen. ‘Thomas heeft niks met Ischa van doen. Het boek was vóór Ischa, dat is iets anders.’
Als ik tegen Connie Palmen zeg dat de afloop van het boek mij geen pleidooi lijkt voor diepgaande, duurzame liefdesverhoudingen, antwoordt ze dat het boek daar ook niet over gaat. ‘Het gaat over een vriendschap, en die is heel duurzaam. Over liefde had mijn volgende boek moeten gaan.’
Voorlopig zal daar volgens de schrijfster echter niet veel van terecht komen. ‘Ik zal eerst iets moeten doen met wat ik nu meemaak. Met deze onbarmhartige tijd. Ik ben plotseling een specialist in verdriet geworden. De eerste weken na Ischa’s dood heb ik me suf gezocht naar boeken die me konden helpen, en die me iets vertelden over het verloop van verdriet – maar zo’n boek vond ik niet. Dat zal dus mijn boek moeten worden.
De eerste weken na de dood van een geliefde ben je in een constante staat van paniek. Je voelt je ziek. En hebt het idee alsof je met een open ruggetje over straat gaat. Alsof hij daar is weggehaald, zo gewond ben je.
Rouw zou wat mij betreft met ‘au’ geschreven mogen worden. Dat is precies zoals het voelt, het is allemaal rauw.
Dat monomane van verdriet, dat je niets anders kunt voelen dan dat, met het gevolg dat je dus niets anders denkt dan dat wat je verdriet is. Het denken doet zeer. Voortdurend weet ik dat mijn man dood is. Ik kan het niet meer niet denken.’
Twee weken na Ischa Meijers dood is Connie Palmen begonnen met het maken van de eerste aantekeningen. ‘Ik kon niet schrijven, ik kon geen pen vasthouden. Ik schreef volstrekt onleesbaar. Maar ik was bang dat ik het vergat. En dan zou ik Ischa nog een keer kwijtraken. Op een gegeven moment loop ik over. Dan past het niet meer in mijn hoofd, als een te grote rekensom.’
Ze heeft het gevoel dat ze iets gaat maken wat, alweer, nog nooit eerder is gedaan. ‘Ik weet nog niet op welke manier ik het aanpak, maar Ischa wordt de co-auteur. Ik ga het boek schrijven dat hij niet kon schrijven. Het wordt mijn eerste echte autobiografische boek en daar moet ik veel voor verzinnen.’

Verscheen eerder in een iets andere vorm NRC Handelsblad van 6 juni 1995. Ruim een jaar later werd ‘De Vriendschap’ door de lezers van Nederland uitverkozen tot boek van het jaar. Bij de bekendmaking van die bekroning, in het Betty Asfalt Complex, werd aan iedereen de 19de druk van het boek uitgereikt. Die druk heeft ze toen voor mij gesigneerd, onder de opdracht aan Ischa Meijer (1944-1995), zodat hij ook daar weer als ‘Dritte im Bund’ aanwezig was.   

Geef een reactie