Een miniatuur in drukletters – Over ‘De vrouw met de parasol’ van A. Alberts

Door Reinjan Mulder
Recensie van: A. Alberts: De vrouw met de parasol. Uitg. G.A.van Oorschot, 1991. 79 blz. 

De schrijver A. Alberts is, waar het om fictie ging, nooit een man van veel woorden geweest, maar in zijn novelle De vrouw met de parasol is hij wel op zijn allerkortst. En, laat ik dat er meteen maar bij zeggen, zeker niet op zijn allerslechtst. Hoewel de novelle een gecompliceerd familiedrama weergeeft, met veel personages, veel plaatsen van handeling en een vrij lang tijdsverloop, is Alberts er in geslaagd alles in een opvallend kort bestek op te schrijven, zonder dat je als lezer het idee hebt ook maar iets van belang te missen. Als je de 75 bladzijden uit hebt, heb je meer meegemaakt dan in menige roman van driehonderd dichtbedrukte bladzijden.

Een miniatuur in drukletters is dit boekje, nog het best te karakteriseren als een verhaal over ontsnappingen. Alberts beschrijft een opeenvolging van kleine bevrijdingsrituelen die de hoofdpersoon uiteindelijk, op de laatste bladzijde, tot de laatste ontsnapping leiden die nog denkbaar is, de ontsnapping door de dood. De vrouw met de parasol, naar wie het boek vernoemd is, komt om.
De tekst eindigt met een zin die slechts uit één woord bestaat: ‘Stil.’

De achtergrond waartegen de reeks ontsnappingen zich afspeelt is aanvankelijk tamelijk concreet en uiterst Hollands. In een hardwerkende koopmansfamilie, die in de vorige eeuw een klein vermogen heeft vergaard met de handel in ‘drogerijen en comestibles’, maakt de kleinzoon van de oprichter zich los uit het bedrijf. Hij verwaarloost zijn werk en uiteindelijk wordt hij door zijn beide broers aan de kant gezet. Hij krijgt het recht zich uit te kopen. Tegelijkertijd komt zijn vrouw, de vrouw met de parasol, tot het besef dat zij maar weinig met haar schoonfamilie op heeft. Ze heeft er nooit echt bij gehoord. Waarom werd haar naam nooit genoemd, vraagt ze zich af, als ze bij het raam zou staan, naar buiten zou kijken en de mensen in de kamer iets tegen haar wilden zeggen? De mensen hadden haar blijkbaar niets te zeggen of te vragen.
Na de ontworsteling aan het familiebedrijf verhuist het echtpaar voor onbepaalde tijd naar Parijs. Daar vindt dan een heel andere ontsnapping plaats. Niet aan een bedreiging van buiten, of aan de familie en het geld, maar aan elkaar. Het echtpaar gaat tijdelijk uiteen. Ieder van beiden gaat een andere kant op, de man naar het lang begeerde Zuid-Duitsland, de vrouw komt in Engeland terecht.

Daar ontsnappen de twee ten slotte aan zich zelf. De man komt tijdens een bergwandeling terecht in een onheilspellend donker dal, zonder dat hij daar waarschijnlijk al te veel schade oploopt.
Met de vrouw loopt het slechter af. Zij gaat aan boord van een vrijwel verlaten veerboot op de Noordzee, die plotseling in een vliegende storm belandt. Het schip vergaat.

In een interview vertelde A. Alberts dat hij de ramp heeft gebaseerd op een werkelijk gebeurde ramp met het passagiersschip de Berlin. Net zoals in het boek wordt beschreven sloeg dit schip in 1906 in stukken op de pier bij Hoek van Holland.

Belangrijker dan de fysieke ontsnappingen van het echtpaar zijn echter nog de geestelijke ontsnappingen waarover A. Alberts schrijft. Dit zijn ontsnappingen uit de saaie werkelijkheid die op het kantoor heerst. Tegelijk met hun vertrek uit de familieclan blijken de man en de vrouw ook het contact te verliezen met het al te heldere en alledaagse bewustzijn van deze omgeving.
Alberts laat zien hoe het echtpaar steeds meer begint te twijfelen aan wat ze zien en voelen. ‘Nu zit ik hier,’ schrijft de man vanuit Freiburg aan zijn vrouw, ‘ik weet nog niet voor hoe lang. En jij zit in Parijs en weet ook niet voor hoe lang.’ En hij voegt er, ten overvloede, aan toe: ‘Jij weet het niet en ik weet het niet.’
Het boek raakt zo langzaam in een sfeer van hallucinaties. Je leest meer over wat er onzeker is en onbekend voor het echtpaar dan over dat wat voor hen vaststaat. Een mooi voorbeeld daarvan is het gedeelte waarin A. Alberts ingaat op de achtergrond van de vrouw. Hoewel ze degeen is met wie het boek begint en eindigt, lezen we over haar niet veel concreets. Haar familie is overleden, schijnt het, en ooit moet haar man iets in haar hebben gezien. Maar daar blijft het bij.
Heel voorzichtig schrijft Alberts: ‘Hij zei het anders: dat ze elkaar moesten beschermen, maar ze begreep het wel, dat het vooral van haar kant zou komen en dat vond ze niet erg, naderhand ook niet, wel van tijd tot tijd wat irriterend.’

Het is een citaat dat kenmerkend is voor de stijl van A. Alberts. Meestal gebruikt hij korte en eenvoudige zinnetjes, die afkomstig zouden kunnen zijn uit het leesboek van Ot en Sien, maar dan opeens worden ze onderbroken door zo’n mooi, teder stukje dat het alleen maar van hem afkomstig kan zijn: ‘…ze begreep het wel, dat het vooral van haar kant zou komen en dat vond ze niet erg, naderhand ook niet, wel van tijd tot tijd wat irriterend.’

Verscheen eerder in NRC Handelsblad van 11 november 1991.

Geef een reactie