De teloorgang van het Stedelijk Gymnasium in Tiel – een winterreis

Door Reinjan Mulder

Mijn zoon heeft in 2007 eindexamen gedaan. Maar toen hij nog op het Vossius Gymnasium zat, werd ik geregeld overvallen door herinneringen aan mijn eigen tijd op het Gymnasium, in het Tiel van de jaren zestig. Als hij thuiskwam met het laatste nummer van de Vulpes waarin een stuk van hem stond, moest ik onwillekeurig denken aan de verhalen en gedichten die ik vroeger voor de Pnyx schreef. En als ik met hem meeging naar het ‘Café Chantant’, zag ik weer even de gemoedelijke avondjes in onze oude gymzaal voor me, waar de muzikaalste jongens en meisjes van onze school ijverig het eerste pianoconcert van Tsjaikowski of iets van Telemann, ja vooral veel van Telemann, ten gehore brachten.

Het voormalig Tiels Gymnasium

Het voormalig Tiels Gymnasium

Waarom kon in Amsterdam overleven, wat in Tiel al kort na mijn eindexamen zo roemloos ten onder is gegaan? Wat ging er mis met dat Tielse Gymnasium, waar in mijn herinnering allerlei hoog gekwalificeerde en sterk gemotiveerde leraren een fraai, negentiende-eeuws ‘Bildungs’-ideaal wisten hoog te houden? Waarom moest in Tiel de  schoolshort verdwijnen die mij zo voorbeeldig op een wetenschappelijke loopbaan voorbereidde, en mij  het besef bijbracht in een lange, waardevolle traditie te staan?
Een van de antwoorden zou kunnen zijn dat Amsterdam nu eenmaal groter en kosmopolitischer is dan Tiel. Er waren aan het eind van de jaren zestig veel te weinig leerlingen op school om het Stedelijk Gymnasium in stand te houden. Er was geen aanwas meer.
Maar dat kan niet de enige oorzaak zijn geweest. Want Amsterdam heeft tegenwoordig niet alleen het Vossius Gymnasium, ook het Barlaeus Gymnasium bloeit als nooit tevoren, er is een Ignatius Gymnasium, dat net weer flink is uitgebreid, er zijn twee gerenommeerde categorale lycea, het Vossius heeft een dependance in West opgericht en inmiddels zijn er nóg twee nieuwe gymnasia bijgekomen, zodat in Amsterdam op een oppervlakte van enkele vierkante kilometers het aantal gymnasiasten nu in de tienduizenden moet lopen.
Waarom waren er in Tiel dan nooit meer dan honderd of tweehonderd leerlingen?

Op zoek naar een antwoord ben ik in het diepst van de winter op pad  gegaan. Met in mijn achterhoofd de woorden die mijn oud-schoolgenoot Chris van Esterik, auteur van Een jongen van het dorp, tegen me sprak toen we een keer over onze oude school praatten. Hij had het over een ‘rampjaar’ dat hij had meegemaakt, een jaar waarin de helft van zijn klas was blijven zitten.
Op zichzelf kan zitten blijven een probaat middel zijn om een noodlijdende school op peil te houden, maar in Tiel was het dat helaas niet. Want veel zittenblijvers gingen uit armoede naar andere scholen toe. Daarna werd het Gymnasium soms door hen gehaat.
Het  gymnasium voldeed niet meer, in Tiel. Het idee Gymnasium, om het op zijn oud-Grieks te zeggen, was op. De school liep niet zonder reden leeg, want noch de rector, dr. W.J. Scholte, noch het uit Tielse notabelen samengestelde college van curatoren kon daar veel tegen doen – of deed daar althans wat tegen.
Wie de lijsten met geslaagden uit de jaren zestig doorneemt, schrikt al meteen van de lage aantallen. In 1963, aan het begin van de geboortegolf, slaagden er slechts 2 alfa’s en 9 bèta’s, in 1964: 3 alfa’s en 4 bèta’s, in 1965: 4 alfa’s en 8 bèta’s, en in 1966, mijn eigen examenjaar: 4 alfa’s en 11 bèta’s.

Het prakje voor het voormalige Gymnasium in Tiel

Het prakje voor het voormalige Gymnasium in Tiel

Wat zich aan het Tielse Kalverbos moet hebben voltrokken, was, om het in historische termen te vatten, de ondergang van een cultuur. Toen de plaatselijke politiek daarna uit een verkeerd begrepen gelijkheidsideaal ook nog eens de aanval op het gymnasium als zelfstandig schooltype inzette, was er in de hele stad bijna niemand meer bereid om het tegenoffensief in te zetten.
In Amsterdam gaan er, zo lang ik me heugen kan, ook geluiden op dat het gymnasium een verouderde, elitaire instelling is die maar beter snel kan opgaan in andere schooltypen. Maar daar is altijd weer een sterke lobby actief, die dit linksige geluid steeds weer de kop weet in te drukken. Met het gevolg dat er in Amsterdam elk jaar weer honderden kinderen zijn die zich vol enthousiasme aanmelden voor de eerste klassen van een gymnasium.
Wat ik daarom op mijn ‘Winterreise’ wilde doen, was een paar oud-gymnasiasten opzoeken, van wie ik wist dat ze destijds halverwege naar de HBS of de MMS waren overgestapt, om te vragen: waarom?
En ook: hoe was het om het ene schooltype in te ruilen voor het andere? Een afgang, of juist een bevrijding? Ik herinnerde me dat er in mijn tijd altijd een gezonde competentiestrijd was tussen de Tielse middelbare scholen. Hoe was het om plotseling aan de andere kant van de scheidslijn te staan?

De eerste die ik opzoek, is Anne Vellinga (1951). Ik ken haar, net als de meeste anderen die voortijdig de school verlieten, nauwelijks meer.  Ze is voor mij niet veel meer dan een naam. Dankzij Google weet ik alleen dat ze column in het Noordhollands Dagblad heeft.
Anne, zo hoor ik van haar in haar huis in Hoorn, kwam in 1963 bij ons op school omdat ze ‘dokter’ wilde worden. Ze kwam niet uit een typisch gymnasiumgezin, ze woonde bij de Prins Bernhardsluis in een eenvoudige buurt en ging daar naar de openbare Prins Bernhardschool. Maar ze kon goed leren, en om medicijnen te studeren was het in die dagen belangrijk om gymnasium te hebben.
Dat was even wennen, tussen de andere Tielse kinderen die van de wat chiquere school van Pa Wage kwamen. Anne herinnert zich nog hoe de rector tijdens de Latijnse les plotseling opkeek en tegen de klas zei: ‘Daar gaat de bal.’ Anne: ‘Ik dacht: wat leuk, en ik keek naar buiten om die bal ook te zien. Maar het was geen bal, het was de bel die was gegaan.’

We zitten in haar fraai verbouwde boerderij aan de rand van de stad, het pand waar tot tien jaar geleden het Hoornse popcentrum Troll gevestigd was. De naam ‘Troll’ staat nog groot op de gevel.
Anne vertelt dat het tot in de tweede klas duurde voor ze zich op haar gemak begon te voelen op het Gym. Maar toen lukte het ook! Ze was bevriend geraakt met kinderen van Tielse artsen, die haar zonder scrupules in een nieuwe, onbekende wereld binnenvoerden, waar met mes en vork werd gegeten en waar ’s middags bij de thee beleefd werd geconverseerd.
Ze kon inmiddels ook veel waardering voor haar leraren opbrengen. ‘Ze staan nog altijd in mijn hart gegrift, en op moeilijke momenten grijp ik weer op hun lessen terug. Juffrouw Barrau, in haar bruin glanzende jurk, alles bij haar was ordelijk en rustig. De herbaria van De Vries. Het had misschien iets elitairs, maar dat woord kende ik nog helemaal niet.’ Daar kwam bij: haar rapportcijfers waren goed. ‘Ik had alleen maar voldoendes, veel zevens en achten ook.’
Ze herinnert zich nog goed het moment dat aan deze wereld abrupt een einde kwam. In de derde klas. Ze was in de puberteit gekomen en tegelijkertijd verdwenen veel van de beste leraren van school, die of helemaal niet werden opgevolgd of door onervaren of veel te strenge leerkrachten. Juffrouw Bouma werd ziek, juffrouw Wentink ging met pensioen, juffrouw Barrau werd aan de universiteit benoemd.

Uitzicht uit het Stedelijk Gymasium te Tiel: het 'kalverbos'

Uitzicht uit het Stedelijk Gymasium te Tiel: het ‘kalverbos’

Het gevolg was dat bijna iedereen, ook Anne, bleef zitten. ‘Ik kwam plotseling in een veel intellectuelere klas terecht, ik kwam naast Heleen Pott te zitten die later hoogleraar geworden is, en bij Goert Giltay die over alles een eigen mening had en op alle docenten commentaar leverde.’
Toen ze daarna van haar nieuwe Griekse leraar Bloemsma ook nog haar eerste 2 kreeg, was ze ten einde raad. Op een dag stond haar vader na de lessen met zijn auto voor de school, en ze was nog niet buiten of hij zei: ‘Latijn en Grieks, dat wordt helemaal niet meer gesproken. Jij gaat naar de MMS, dan heb je ook nog een jeugd.’ Vanaf dat moment wist ze absoluut niet meer wat ze wilde worden: ‘Dan trouw je maar met een dokter, had mijn vader gezegd.’
In Anne Vellinga’s herinnering was in de wereld van het Gymnasium alles hoog geweest: de bomen van het Kalverbos voor de deur, de herenhuizen van de artsen rondom, de lokalen, de rector. Het was de cultuur van de jaarlijkse Grote Avond, waar de praeses het woord deed, en waar men deed aan beschaafde toneelstukken en cabaret.
Op de MMS was alles veel meer in de breedte. ‘We zaten daar in een laag, plat noodgebouw, en de meisjes waren ook heel anders. Op het Gym hoefde ik nooit over mijn kleren na te denken, daar had ik gewoon een geruit rokje met sokjes aan, maar nu zat ik tussen leerlingen die elke dag iets anders aantrokken, en die zich opmaakten. Ze lazen de bakvisboeken van Top Naeff, en reden op bromfietsen.’ Weer moest Anne zich aanpassen, maar dit keer ging dat een stuk gemakkelijker.
Nog één keer ging ze naar de verjaardag van haar oude Gymnasiumvriendinnetje Aleid Benders, maar ze merkte al gauw dat het niet meer klikte. Ze was weer een buitenstaander geworden. Toch is ze achteraf nog altijd blij dat ze op haar twaalfde niet meteen naar de HBS of de MMS is gegaan. ‘Nu heb ik tenminste beide werelden leren kennen.’

Er ligt ijs op de vaarten van Noord Holland als ik vanuit Hoorn doorrijd naar Den Dolder, waar ir. Henk van Steennis (1946) net een nieuwe woning heeft betrokken. Hij werkt daar nu van huis uit als architect en stedenbouwkundige. Hoewel we beiden uit Geldermalsen komen, ken ik ook hem niet erg goed. Ik zat bij zijn broer Hans in de klas. Henk was altijd de oudere broer, op afstand. Bovendien verdween ook hij naar de HBS, omdat hij, zo hoor ik nu, zowel in de derde als in de vierde klas grote moeite met de klassieke talen had. Na zijn eindexamen ging hij Delft studeren.
We hebben de afgelopen dagen al wat gemaild en ik weet dat hij meer dan veel klasgenoten altijd het prototype van de oud-gymnasiast is gebleven. Hij beaamt het onmiddellijk. Hij bezocht als scholier vier keer met veel genoegen de intergymnasiale sportmanifestatie GOTA en zou later actief worden in de landelijke tennis- en hockeywereld. Met zijn witte kuif en choker zou hij nog altijd perfect passen in het clubje plaatselijke prominenten dat ik me van veertig jaar geleden herinner.
‘In de gymnasiumcultuur heb ik mij tijdens mijn schooltijd volledig ontplooid’, zegt hij als ik nog maar net binnen ben, ‘en dat is inderdaad later mijn wereld gebleven’. Ook toen hij noodgedwongen op de HBS belandde, bleef hij omgaan met dezelfde vriendengroep als daarvoor, mensen als Frank de Haas van Dorsser, die net als hij eerst op het Gym waren begonnen, of HBS’ers als Boudewijn Krijger en Franklin van Blijdesteijn, die uit hetzelfde kleine kringetje afkomstig waren.
Over zijn tijd op het Gymnnasium heeft Henk van Steennis al verschillende keren interessante stukken in het TOV bulletin geschreven en hij is zich scherp bewust van de sociale verschillen die destijds in de Betuwe bestonden. Maar dat is voor hem geen reden zijn afkomst te verloochenen. Voor hem zelf had het altijd vanzelf gesproken dat hij naar het Gymnasium zou gaan. Zijn vader, jurist en secretaris van het polderdistrict, bezocht zelf het gymnasium in Nijmegen, en bijna al zijn vrienden gingen automatisch naar het Gym, of ze dat nu konden of niet. Veel van hun ouders hadden ook zitting in het college van curatoren dat toezicht hield op de school: Van Lidth de Jeude, Van Nes, mevrouw Versteegh.
Hoe ver dat toezicht soms kon gaan, blijkt uit de anekdote die hij nu vertelt. Toen Henk voor de eerste keer was blijven zitten, werd er vanuit de curatoren spontaan actie ondernomen om hem toch te laten overgaan. En met succes. Toen hij na de zomer uit Zuid-Frankrijk van vakantie thuiskwam, lag er een brief op de mat met het bericht dat hij alsnog met een herexamen naar de vierde over was. ‘Wij zagen de rector dan misschien wel als een dictator die altijd de baas speelde op de school, maar ondertussen werd hij zelf door de ouders op het matje geroepen omdat hij de zoon van Van Steennis had laten zitten.’
Wat Henk zich van zijn HBS-tijd herinnert, is dat het contact met de leraren daar veel minder intensief was dan op het Gymnasium. Toen hij op het Gym kwam, was dat een school met 85 leerlingen, en iedereen kende elkaar, maar op de HBS kon het gebeuren dat een leraar je op de trap voorbij liep zonder je te groeten. ‘Dat was even wennen.’

Ik rijd door een aanzwellende stormwind verder naar het oosten, naar Deventer, waar John Schroër (1948) woont. Onderweg vraag ik me af waarom ik zelf (1949) in 1960 eigenlijk naar het Tielse Gymnasium ben gegaan. Mijn ouders waren geen oud-gymnasiasten. Mijn vader bezocht de HBS en later de HTS in Amsterdam. Wat ik me er van herinner is, dat ik op de lagere school in Geldermalsen een klas had overgeslagen, en dat mijn moeder hoopte me, door me naar het Gymnasium te sturen, een jaar langer thuis te kunnen houden. Het Gym telde een klas meer dan de HBS en dat voorkwam dat ik al met zestien het huis uit zou gaan. Ik zat ook in een klas waaruit een groot aantal kinderen naar het Gymnasium ging: mijn beste vriend Klaas Versteegh ging er heen, Richard Buyserd, Wim Muys van der Moer, die gelijk met mij een klas had overgeslagen, Louise Hazeu, Els Boudewijn. Het Gymnasium was in onze zesde klas eerder regel dan uitzondering. Ten slotte hadden mijn ouders in Amsterdam, waar ze tot 1945 hadden gewoond, vrienden die hadden gezegd: ‘Als hij het even kan, moet je hem op het Gymnasium doen. Dat is een zo veel leukere school dan de HBS.’
Die vrienden ben ik nog altijd dankbaar.
John Schroër moet in 1960 bij mij in de eerste klas hebben gezeten. Maar dat is al weer zo lang geleden, dat ik me hem nauwelijks nog herinner. Alweer. Na twee klassen, zo heeft hij me gemaild, stapte hij bovendien over naar de Tielse HBS en verdween hij helemaal uit het zicht.
Zijn herinneringen aan die twee jaar op het Gym zijn, zacht gezegd, ambivalent, op het pijnlijke af. Al door de telefoon heeft hij me gezegd dat hij in zijn tijd de enige in de klas was die nog echt dialect sprak en dat hem dat behoorlijk is opgebroken. Hij kwam uit het nabijgelegen Drumpt, dat toen nog een echt boerendorp was. Zijn vader had daar een metaalfabriek met meer dan zestig man personeel en geld was er thuis genoeg, maar kennelijk ging het daar niet alleen om op het Gymnasium. Je moest, zo herinnert hij zich, geaccepteerd zijn door de Tielse, veelal protestantse bovenlaag. En de Schroërs stamden af van Duitse katholieken die op weg naar Amerika in Tiel waren blijven hangen. Overheidsfuncties zaten er voor hen niet in, en daarom begonnen de slimsten maar voor zichzelf. Maar voor hun kinderen wilden ze wel het beste van het beste, en dat ging in Tiel niet zo makkelijk.
Hij heeft in ieder geval revanche kunnen nemen, denk ik als hij me in zijn prachtige, honderd jaar oude villa aan de IJssel binnenlaat. Het is een bouwwerk dat zo aan het Tielse Kalverbos zou kunnen staan, alleen is het uitzicht op de vlak onder de kade voorbij stromende IJssel aanzienlijk spannender dan het dode water van de Tielse stadsgracht.
Bij het weidse uitzicht op de eerste verdieping vertelt John me hoe juffrouw Wentink van Nederlands hem, om hem van zijn dialect af te helpen, in onze eerste klas elke les een stuk uit een boek liet voorlezen. Ik wist er niets meer van, maar er begint me iets te dagen.
Was dat hardop voorlezen naar zijn gevoel al een vrij pijnlijke ervaring voor een twaalfjarig jongetje uit een dorp, erger was dat er naar zijn stellige overtuiging leraren waren die hem openlijk lieten merken dat leerlingen als hij op het Gymnasium eigenlijk niet thuis hoorde. De naam Bloemsma valt, van Grieks en Latijn. En ook juffrouw Wentink ontpopte zich na haar aanvankelijke hulpacties tot een geduchte hindernis.

Dat is even slikken. Ik heb voor beide leraren altijd een groot zwak gehad. Johan  Bloemsma kon inderdaad soms grof tegen je zijn, maar ik vond dat, voor zover ik me herinner, eigenlijk alleen maar grappig. Als hij mij vroeg ‘zie je nu hoe dom je bent’, antwoordde ik altijd stralend en volmondig ‘nee’, waarna hij onze dialoog afsloot met de conclusie dat ik dan een hopeloos geval was, omdat ‘alleen mensen die hun eigen beperkingen inzien’ zich misschien nog eens verbeteren konden. Dolle pret.
Bij John Schroër moet dit soort opmerkingen aanmerkelijk harder zijn aangekomen. Wat ook niet zo gek is, omdat Bloemsma hem aan het eind van de tweede klas zonder veel aanleiding plompverloren liet zitten. Hij had, zegt hij nu, altijd voldoendes voor zijn proefwerken gehaald, maar op zijn overgangsrapport stond plotseling een onvoldoende. ‘Mensen als Wentink en Bloemsma gaven mij het gevoel dat je pas op het Gymnasium thuis hoorde als je ouders ook gymnasium hadden, en de rector heeft daar onvoldoende tegen gedaan.’
Hoe dan ook, zijn vader ontplofte toen hij erachter kwam hoe zijn zoon werd achtergesteld, en meldde zich meteen bij de rector aan. Het resultaat was dat John Schroër alsnog naar de derde overging, maar toen was het voor hem al te laat. Met veel ophef werd hij door zijn vader van de school afgehaald, en op de HBS ondergebracht. ‘Je kunt een gevecht wel winnen,’ zegt hij nu, ‘maar wat heb je daaraan, als je toch de strijd verliest?’

Op de HBS zag John voor het eerst dat leraren op een school ook coaches konden zijn. ‘Je kon daar gewoon naar ze toelopen, als je iets had. De directie was daar ook veel sterker. Op het Gymnasium was Scholte iemand die altijd erg op de achtergrond bleef, ik heb geen hoge pet van hem op, maar Campagne, de directeur van de HBS, was echt in je geïnteresseerd. Hem heb ik als een echte autoriteit leren kennen, die soms ook dingen voor je voor elkaar kon krijgen.’
Van de opvallendste verschillen tussen beide scholen die hem zijn bijgebleven, noemt John Schroër dat je op de HBS veel langer ‘kind’ bleef. ‘Op het Gymnasium zaten meteen jongedames en jongeheren, die in de pauzes netjes in het Kalverbos gingen wandelen. Op de HBS had je dat niet.’
Toch is hij blij dat ook hij even heeft kunnen kennismaken met het Tielse Gymnasium. ‘Het was met pijn in mijn hart dat ik daar ben weggegaan,’ zegt hij. Na zijn studie aan de TH in Eindhoven is hij in het bedrijfsleven terechtgekomen, waar hij diverse directiefuncties kreeg, en vaak naar vreemde landen werd uitgezonden, tot in Zuid Amerika en Japan toe. Dankzij het Gymnasium, denkt hij, was hij steeds in staat om overal snel met een breed perspectief naar andere gebruiken te kijken. ‘Ik kon meteen accepteren dat dingen ook heel anders kunnen lopen dan bij ons in Nederland. Die houding heb ik op het Gymnasium aangeleerd.’

Mijn laatste bezoek is aan Marjan Bannink (1943). Zij woont als enige van de vier overstappers nog steeds, of eigenlijk nu weer, in Tiel. Met haar tweede man heeft ze een nieuwbouwwoning in de buurt van Ziekenhuis Rivierenland, waar ze werkt als informatie-adviseur. Onderweg door Drumpt kom ik langs het bedrijf van de gebroeders Schroër. Een mooie, grote loods tussen de griezelig nette bungalows.
Voor Marjan lijkt de overstap naar de MMS eigenlijk het minst beladen van de vier. Ze ging in 1956 als vanzelf naar het Gymnasium, omdat haar vader, een arts, ook een gymnasium bezocht, en bleef in de vierde zitten op wiskunde. Omdat ze ook al in de tweede was blijven zitten, ging haar dit te lang duren en stapte ze over naar de MMS. Hoewel ze dat als een ‘afgang’ beleefde, veranderde er voor haar persoonlijk maar weinig. Ze bleef rustig hockeyen en tennissen, en wilde vooral snel haar school afmaken.
De meisjes op de MMS waren wel wat anders dan die op het Gym, maar Marjan vond ze daarom zeker niet onaardiger. ‘Ze waren veel gewoner dan de gymnasiasten, ze hadden minder poeha.’ Ook de leraren waren volgens haar wat prozaïscher. ‘Op het Gymnasium had ik een goede band met juffrouw Wentink, die me negens gaf voor mijn opstellen. Op de MMS zat een lerares die opeens niets meer van mijn eigenzinnige proza begreep. Ik kreeg alleen nog maar zessen.’ Aan de andere kant vond ze het een  verademing niet meer met Scholte, de rector, te maken te hebben. ‘Die man torende zo huizenhoog boven iedereen uit, met zulke wenkbrauwen. En zo sprak hij ook, er kwam geen normaal woord Nederlands bij hem uit. We waren allemaal bang voor hem.’
Ook Marjan Bannink is er, het wordt eentonig, nog steeds erg dankbaar voor dat ze een tijd op het Gymnasium heeft gezeten. ‘Het heeft me erg geholpen in de rest van mijn leven. Ik kan dank zij mijn kennis van het Latijn nog altijd goed teksten analyseren en ik weet van veel woorden meteen wat ze betekenen. Tegelijk besef ik ook dat het toch wel een erg elitaire school was. Als je er niet bij hoorde, dan besefte je ook echt dat je daar niet hoorde. Daar heb ik me wel eens aan geërgerd.’

Mijn ‘Winterreise’ zat erop. Het had me meer gedaan dan ik verwachtte. En ik had een antwoord op bijna al mijn vragen.
Ik denk dat ik heel wat had gemist als ik tussen mijn elfde en mijn zeventiende  niet had kennisgemaakt met de wonderlijk mooie wereld die het Tielse Stedelijk Gymnasium was.
Aan de andere kant zie ik ook dat het sommige van mijn medeleerlingen misschien wel nodeloos moeilijk is gemaakt. Iemand die zonder veel problemen tot de derde klas weet door te dringen, hoor je niet zomaar, van het ene op het andere moment, te laten vertrekken met het argument: dan trouw je maar met een dokter.
En als de curatoren het dan zo nodig vonden om in te grijpen in het overgangsbeleid van de school, hadden ze dat, voorzover ik het kan overzien, misschien beter bij de letterlijk weggepeste John Schoër kunnen doen dan bij Henk van Steennis.

Bij mijn thuiskomst in Amsterdam vind ik een vers geschreven lange mail van Henk van Steennis, die met een mooi en treurig verhaal ingaat op het zich kruisende lot van onze twee vaders. Hij geeft een goede karakteristiek van de naar binnen gekeerde wereld die het Gymnasium in onze tijd soms was.
Met Anne Vellinga blijf ik nog langer mailen. Zij stuurt me onder meer een ontroerende beschrijving van de dag dat alles anders werd. Ik lees het met een brok in mijn keel.
Als ouders mij nu om advies vragen naar welke school ze hun kinderen het beste kunnen doen, zal ik nog steeds aanraden het gymnasium te kiezen, als ze dat aankunnen. Maar ik zal ze ook aanraden om goed op te letten om welk gymnasium het gaat. En in te grijpen als dat nodig is. Want als deze reis me één ding heeft geleerd, dan is het dat er ook op een gymnasium soms heel erg veel buitengewoon mis kan gaan.

(wordt vervolgd)

De ondergang van het Tielse Gymnasium verscheen eerder in het TOV-bulletin

9 Reacties

  1. Rien van Keulen

    Interessant om je verhaal te lezen Reinjan.
    Ik heb de eerste twee jaar van mijn Tielse Gymnasium een jaar later dan jij en kan me enigszins terugvinden in de beschrijving van John Schroër.
    Pa Wage’s school chique? Nou voor mij was dat niet zo. Ik kom uit een niet-Gymnasium achterground (vader ULO, moeder HBS) en ik moest naar het Gym omdat Pa Wage het aan mijn ouders voorhield. Ik voelde me ook een vreemde eend in de bijt omringd door al die “deftige” artsen-, predikants- en burgemeesterskinderen (Heleen Pott). Aan het eind van mijn tweede jaar werd mij vader overgeplaatst naar Delft en daar op kwam ik op een veel moderner Gymnasium terecht. Nu ook verdwenen, maar dat is een ander verhaal. Interessant is wel, dat ik met een flinke achterstand op mijn nieuwe klasgenoten geconfronteerd werd, vooral in Grieks en Nederlands.
    Vier jaar later deed ik met succes eindexamen dus de Tielse ervaring heeft me niet achtergesteld. 🙂

    Met hartelijke groeten.

  2. George J. Winter

    Een mooi stuk, maar jammer dat rector Scholte niet in een wat gunstiger licht wordt gesteld. Ik heb Scholte een maal ontmoet en hij heeft toen een onuitwisbare indruk op mij gemaakt. Het was op een zomeravond in 1969 en ik solliciteerde, zoals later bleek vergeefs, naar een betrekking als leraar klassieke talen aan het gymnasium. Van alle sollicitatiegesprekken die ik heb gehad was dit het aangenaamste. De toekomst van het Tiels gymnasium liep volgens de rector geen gevaar: burgemeester en gemeenteraad stonden onvoorwaardelijk achter het zelfstandig voortbestaan. Over de plaats van de klassieke talen na invoering van de Mammoetwet was Scholte somber en ook verder bleef hij zeer ernstig. Pas bij het afscheid, toen het gesprek terloops kwam op zijn zoon die ook in Leiden studeerde, was er even een glimlach op zijn gezicht. Scholte belichaamde in voorkomen en optreden het ideaalbeeld dat mijn romantische fantasie had gevormd van de volmaakte Rector Gymnasii. Mijn enige troost voor de teleurstelling de baan mis te lopen was de wetenschap dat Scholte op het punt stond met pensioen te gaan.

  3. Mooi dat er ook nog goede herinneringen aan Scholte leven. Maar of het nu zo verstandig was om in 1969 te denken dat het Gymnasium geen gevaar liep? Ik herinner me hem zelf vooral als een zeer kille, afstandelijke man. Ik heb een keer belet bij hem gevraagd omdat ik een paar tegenkandidaten wilde voorstellen voor het door hem samengestelde schoolbestuur. Hij moest daar, zo stond te lezen, zijn fiat aan geven. Hij reageerde toen heel formeel en liet aanzienlijk later weten dat hij op grond van de gemeentelijke regelgeving verantwoordelijk was voor alles op de school en dat dus geen van mijn zes kandidaten, van wie sommigen zeer populair waren, in het bestuur kon plaatsnemen. Discussie gesloten. Tegenwoordig zouden we dat dictatoriaal noemen. In Moskou deden ze het toen niet anders.

  4. Jans Vellinga-de Vries

    Beste Reinjan,
    Leuk dit verhaal, ik heb samen met Wim M.vd.M.en jou het eerste lagere schooljaar overgeslagen, bij verschillende dames in huis leerden wij lezen etc., elke ochtend, ’s middags waren we vrij. Daarna heb ik vijf jaar bij je in de klas gezeten, en verhuisde na de zesde klas van meneer Belder naar de Randstad.
    Sinds twee jaar woon ik weer in de Betuwe. Ik heb contact gehouden met Louise Hazeu en ik heb Els en Boudewijn Krijger weer opnieuw ontmoet.
    Ik heb nog vage herinneringen aan onze bijlessen, we waren 5 jaar oud en ‘te laat jarig’, maar wat ik me nog wel heel goed herinner zijn de balletlessen van je moeder, waar ik heel veel mooie muziek hoorde, vaak voor het eerst!
    met vriendelijke groet,
    Jans Vellinga

  5. Henk van Steennis

    Beste Reinjan,
    Vanavond mailde mijn zoon Otto bovenstaand artikel uit Das Zahngold, je eigen nieuws- en advertentieblad – is dat een grap? En is de foto die erbij staat niet “gefotoshopt”, of staat het woord GYMNASIUM nog steeds op de gevel?
    Uit je interview met mij ontstaat de indruk dat ik het Gym “alles” vond en de HBS duidelijk minder. De werkelijkheid is echter genuanceerder. Wat mij op het Gym erg aansprak was de aandacht voor maatschappij, cultuur en kunstgeschiedenis (m.n. Knijtijzer en Wentink), waarbij mij de beeldende kunst (waaronder architectuur) het meest aansprak. Knijtijzer kon geschiedenis messcherp dicteren – en nagelscherp krassen trekken over het schoolbord, als hij de klas stil wilde hebben.
    Op de HBS vond ik er wat dat betreft Vaags, Hekkelman, Wattèl (jonge docent Frans; groot gevoel voor humor; getrouwd met bloedmooie jongedame, maar dat doet er hier natuurlijk niet toe) en Wieringa, docent Hand- en lijntekenen, uitspringen. Wattèl was een echte francofiel en liefhebber van franse (hoe kan ’t anders) beeldende kunst, wat me erg aansprak (m’n mondelinge eindexamen Frans liep als een trein). Hekkelman (zeer gedreven, op diverse vlakken) bracht mij belangstelling bij voor moderne Nederlandse poëzie.
    Wieringa vond dat ik aardig tekende, had de indruk dat ik daarmee later wat mee zou kunnen gaan doen en hij stimuleerde mij ook tot het analyseren van ruimten en kleuren. Van dat stimuleren en inspireren heb ik bij die HBS-leraar meer gemerkt en geleerd, dan bij Tjomme de Vries, docent Handtekenen op het Gym (die tijdens de les vaak bezig was met het schrijven van zijn zoveelste boek over astronomie).
    In m’n studententijd bezocht ik Knijtijzer in Amsterdam enkele keren. En als ik in die tijd eens een weekendje bij m’n vader in Geldermalsen logeerde, ging ik na het vertellen van sterke studentenverhalen weleens “buurten” bij docenten die in Tiel of Kerk-Avezaath woonden. Dat waren Wattèl, Hekkelman (inmiddels duidelijk minder fanatiek pacifistisch-socialistisch geworden) en Melis (immer bescheiden, rustig, uitgebalanceerd en genuanceerd). De eerste twee waren full time HBS-leraren en Melis gaf op beide scholen gymles – wij speelden enkele jaren samen in Heren II van De Kromhouters.
    Doordat ik in de vierde klas het lustrum van de HBS-club zonder enige bestaande voorziening, dus bijna letterlijk uit de grond moest stampen, had ik regelmatig overleg met directeur Campagne. Dat contact tussen Campagne en mij ging altijd uitermate soepel en met hem kreeg ik een goeie band die tot na m’n HBS-tijd doorliep.
    Wat een contrast met de gymnasium-rector Scholte. Dat kwam niet alleen door zijn besluit om Eugène Buyserd en mij in de 2e klas een dag van school te sturen, nadat hij er achter was gekomen dat wij de daders waren van het op de voorgevel ophangen van een levensgrote en erg mooie – vonden wij- advertentie van dameslingerie: “Jullie hebben het blazoen van het Gymnasium bezoedeld. Jullie zijn het Gymnasium onwaardig. Dus . . . [snuivend, brede borst opzettend, achterhoofd in de nek leggend, afwisselend op zijn hakken en tenen balancerend, gestekte arm met priemende wijsvinger naar de deur wijzend en de spanning ten top drijvend] . . . verdwijnnnn!”
    Campagne zag de analytisch meetkundige en ruimtelijke hoek als mijn toekomst. Onder andere door de verhalen van Knijtijzer en Wentink, mijn contact met Wattèl en Wieringa, door de zienswijze van Campagne, omdat ik tekenen, beeldjes maken en modellen bouwen leuk vond en ik een vak wilde, waarbij je niet de hele dag op een kantoor zit en ik iets van mezelf uit de grond wilde zien komen, waar ook anderen iets aan hebben, koos ik voor de studie Bouwkunde in Delft. Ja, behoorlijk elitair maar het barst(te) daar – en helemaal bij Bouwkunde – van niet-elitaire HBS-ers.
    Van samenwerking tussen leerlingen, het samen letterlijk de handen uit de mouwen steken, heb ik op de HBS – met name tijdens het jaar, waarin ik dat lustrum organiseerde – veel meer gemerkt dan op het gymnasium.
    Op het gymnasium proefde ik meer individualiteit en het accent op iets samen doen lag daar volgens mij meer het elkaar stellen van (slimme) vragen, het analyseren, redeneren en discussiëren, dan concreet iets doen met de uitkomst daarvan.
    Indertijd baalde ik er natuurlijk van dat ik van het gymnasium af moest, dat voelt toch als een nederlaag. Maar met de oude talen zou het zeker een lijdensweg geworden zijn.
    Tijdens mijn langdurige, “dubbele” middelbare schooltijd op gymnasium en HBS heb ik veel geleerd: meer van alles wat je buiten de lessen doet, dan van de lesstof zelf. Tot nu toe heb ik geen moment spijt van die “dubbele” middelbare schooltijd gehad. Ik heb toen een breed spectrum kunnen bekijken, aan veel dingen kunnen ruiken en veel kunnen ondernemen. Ik denk dat ik daardoor in Delft sterker kon beginnen, daardoor ook veel verschillende dingen heb aangepakt en met succes heb afgerond.
    Die spectrumbreedte trekt me kennelijk, want ik “doe” niet architectuur òf stedebouw, maar beide. Die twee horen volgens mij als zwaluwstraarten in elkaar te grijpen, waarbij stedebouw de structureel leidende rol moet vervullen, waarin architectuur zich harmonisch voegt. En zo werk ik ook, gelukkig tot tevredenheid van opdrachtgevers en mezelf. Voeg daarbij het schilderen en beeldhouwen, dat ik erg graag doe, en de cirkel is rond, want de ontwikkeling van die vier soorten bezigheden is onder andere mogelijk geworden door mijn tijd op het gymnasium en de HBS in Tiel.
    Je schreef dat ik mij scherp bewust was van de sociale verschillen, die destijds in de Betuwe bestonden, en dat dat voor mij geen reden was om m’n afkomst te verloochenen. Al vanaf m’n vroegste jeugd werd ik met die verschillen geconfronteerd en heb ik geleerd daarmee en met respect voor de mensen in m’n omgeving om te gaan. Mijn ouders voedden mij ook tot dergelijke opstelling op. Zo’n opstelling pastte ook vanwege het fruitteelt- en landbouw-familiebedrijf, dat m’n vader bestierde naast z’n baan bij het polderdistrict Tielerwaard. Mijn broer Hans en ik hielpen zo nu en dan in dat bedrijf en trokken dus regelmatig op met het personeel, dat – om jouw woorden te gebruiken – een andere sociale afkomst had. Mijn vader zal wellicht (ook) als prototype van oud-gymnasiast, als elitair en wellicht dorpsnotabele gekenschetst worden, maar hij was oprecht betrokken bij het wel en wee van mensen van andere afkomst (zoals jij dat uitdrukt) en erg (naar later bleek soms tè) behulpzaam en hij behandelde iedereen met respect. Dat wist ik al wel, maar verschillende mensen, die in zijn bedrijf werkten of met wie hij samenwerkte, hebben dat verklaard.
    Conclusies van dit natuurlijk veel te lange verhaal:
    1. Met bepaalde leraren van gymnasium, resp. HBS is een (erg) goede verstandhouding mogelijk en/of zij kunnen inspirerende invloed op een leerling hebben, dus: geen structurele verschillen tussen gymnasium en HBS.
    2. Erg generalistisch gesteld: de lesstof, de wijze van lesgeven en de cultuur (vul maar in) tussen gymnasium en HBS verschillen duidelijk, waardoor een gymnasiumleerling in het profiel van de karakteristieke gymnasiast kan groeien en een HBS-leerling in dat van de karakteristieke HBS-ser, dus: al dan geen structureel verschil tussen gymnasium en HBS, want afhankelijk van de mate, waarin een leerling het ene of andere profiel als het zijne/hare wenst, kan ontwikkelen en kan bereiken.
    3. Opvoeding en opleiding (ouders, vrienden/vriendinnen en typen van school en leraren), afkomst (vul maar weer in) en materiele omgeving (ook in te vullen) kunnen de ontwikkeling van een leerling in sterke tot zwakke mate sturen, dus: het verschil tussen gymnasium of HBS speelt een bescheiden rol.
    4. Vooral door wat een leerling in zich heeft (genen, geestelijke en lichamelijk kwaliteiten en mogelijkheden) wordt gaandeweg duidelijk wat hij kan, wil en doet, dus: het verschil tussen gymnasium en HBS speelt een bescheiden rol.
    5. Laat een leerling zo veel mogelijk zelf zijn leven vormen, begeleidt hem\/haar daarbij en zorg dat er een breed scala aan schooltypen en andersoortige opleidingen bestaan, opdat hij/zij keuzen kan maken, die het best bij zijn/haar leven passen.
    Hartelijke groet,
    Henk van Steennis

  6. Dank, Henk voor je uitvoerige reactie. Nee, er is niets gefotoshopt, de foto is gemaakt in 2007, en die naam ‘Nieuws en Advertentieblad’ heb ik natuurlijk ontleend aan het Geldermalse sufferdje uit die dagen. Dat bracht ook veel nieuws, maar nooit zonder bepaalde particuliere of commerciele bijbedoelingen. Ik ontdekte later nog dat ook Multatuli in Indië al in een ‘Nieuws en Advertentieblad’ scheef. En aan hem spiegel ik, zoals je misschien ziet, me soms een klein beetje.

  7. Henk van Steennis

    Onlangs is in Tiel het boek No satisfaction van Chris van Esterik uitgegeven, waarin allerlei verhalen over het Tielse gymnasium in de tijd, dat hij daar leerling was, ca. 1963-1970.
    De Vereniging Oudheidkamer Tiel en omstreken organiseert daarom op donderdag 10 november, 20.00 uur, Drumptse Hof te Drumpt/Tiel een (voor)lezing door Chris van Esterik over zijn boek.
    ’t Zal er daar dan wel rustiger aan toe gaan, dan in de roerige ‘sixties’.
    Henk van Steennis

  8. Hans Bonnet

    Beste Reinjan,
    Toevallig hier op het web terecht gekomen. Eigenlijk de eerste keer dat ik een analytische benadering van het gymasium van de 60er jaren lees. Voor mij was het de school waar ik op mijn 11de (te laat geboren, dus de eerste overgeslagen na een half jaar bijles van de vrouw van de heer Wage) terecht kwam.
    Pas later kwam ik erachter dat ik bij mijn toelatingsexamen erg hoog had gescoord en dat heb ik geweten ook.
    Mijn eerste twee jaren was ik eigenlijk te speels voor het gymnasium en haalde ik na een redelijk kerstrapport een enorme lijst onvoldoendes met Pasen.
    Ik werd deze jaren vanaf Pasen intensief begeleid door mevrouw Later (moeder van Gerda en Jan Hildo) die mij net zo lang liet zwoegen tot ik de zaken foutloos kon afdraaien.
    30 woorden Engels leren en er maar 29 kennen betekende een half uur extra studeren en er dan 30 kennen.
    Tijdens de overgangsspeech van de heer Scholte werd gewag gemaakt van “een leerling die veel beter zou moeten kunnen, maar er nu voor het tweede jaar in slaagde een lijst met voldoendes te produceren voor de overgang. Mocht deze leerling het 3e jaar een onvoldoende scoren, dan zou hij dat zeker merken.”
    En ja, aan het eind van het 3e jaar had ik een 5 voor Aardrijkskunde en kreeg vervolgens een taak Latijn.
    Seneca’s De Bello Gallico leren en begrijpen was mijn opdracht.
    Teruggekeerd van vakantie belde ik de heer Bloemsma op om hem te vragen hoe dat nu verder ging met die taak.
    Ik mocht direct bij hem thuis langs komen.
    Zijn eerste vraag was: “Leuke vakantie gehad?”. En op mijn positieve antwoord reageerde hij met: “Foto’s bij je?”
    Die had ik niet. “Jammer,” zei hij nog. “En dat Latijn ken je waarschijnlijk inmiddels wel. Ik zie je over twee weken op school.”
    Binnen 5 minuten stond ik weer buiten.
    De heer Scholte werd onze buurman in Kerk-Avezaath en meende keer op keer dat ik teveel voetbalde en te weinig studeerde.
    Toch zijn mijn leraren en leraressen mij bijgebleven als inspirerend.
    Knijtijzer levend op koffie en sigaretten, Wentink die vertelde dat je een boek het best kon beoordelen op de laatste bladzij. Fuhri Snetlage die de Maagdenburger bollen kapot trok en Van Haselen, die toen ik hem na mijn eindexamen in het ziekenhuis opzocht meldde dat ik een te grote mond had want dat ik mijn schriftelijk met mijn mondeling had verpest.
    Al met al was het voor mij een stimulerende tijd, zeker ook omdat ik vaak samen studeerde met de broers Sijsma die op de HBS zaten. Daar werd vaak over andere zaken gesproken dan de school zelf.
    Toen ik de school verlaten had, werd ik door mijn ouders een jaar weggestuurd naar de VS om wat groter te worden voor ik ging studeren. Dat ik genoeg geleerd had bleek op de High School waar ik een aantal keren ingevallen ben voor zieke leraren.
    Hoe gek kan het gaan.
    Kortom, van het elitaire heb ik weinig meegekregen, waarschijnlijk meer door de opstelling van mijn ouders dan door het gymnasium.

    Vriendelijke groet,
    Hans Bonnet

  9. Dank voor je reactie, Hans. Maar ‘De Bello Gallico’, dat was toch Caesar?

Geef een reactie