Over de IJssel – Fragment uit: ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’

Map-reinIn 2016 verscheen bij Nabij Producties het boek ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’ van Rein Mulder. Hieronder een fragment daaruit over zijn hongertocht naar Oost-Nederland. Na een moeizame voettocht door het Gooi en over de Veluwe is de 17-jarige Rein in december 1944 met zijn oudere broer Ton in Terwolde beland, tegenover Deventer, waar ze bij de plaatselijke postbode een ongelooflijk hoge stapel pannenkoeken met spek en stroop krijgen. Het plan is om door te lopen naar Deventer, waar een oom van de auteur woont. Maar hoe kom je ongezien de IJssel over?

Door Rein Mulder 
Rein brugDe bruggen over de IJssel, hoorden we in Terwolde, werden zwaar bewaakt en het zou zonder Ausweis of andere papieren niet mogelijk zijn om de andere kant te bereiken. De verkeersbrug werd permanent door fanatieke SS-ers bewaakt en iedereen die erover wilde werd door hen gecontroleerd, en de logge, zware spoorbrug werd zo mogelijk nog zwaarder bewaakt, want de Duitsers vreesden sabotage-acties van het Nederlandse verzet tegen deze belangrijke spoorverbinding. Bovendien was de spoorbrug voorzien van luchtdoelgeschut en zware mitrailleurs om de brug te beveiligen tegen Engelse of Amerikaanse luchtaanvallen. Aan beide zijden van de rivier waren wachtposten ingericht die werden bemand door soldaten van de Duitse Wehrmacht.
Het klonk allemaal niet erg vrolijk, maar voorlopig kon ik me er niet druk over maken. We waren goed uitgerust, onze magen waren volgegeten, en we konden tegen een stootje. (…)
We wisten dat er vlak voor de bebouwde kom van Deventer een kleine wegafzetting lag waar gecontroleerd kon worden dus we kozen voor de veiliger straatjes om deze afzetting heen en kwamen zonder moeilijkheden op de Worp, het deel van Deventer dat op de westelijke IJsseloever ligt. We lipen over een kade en zagen hoe breed de IJssel was. Het was winter en het water stond over de uiterwaarden heen.
Onder een grauw wolkendek was Deventer hiervandaan goed zichtbaar. We herkenden de karakteristieke Grote Kerk met zijn vierkante toren. Voor ons, nog op flinke afstand, lag de verkeersbrug. Ondanks het vroege uur waren er al veel mensen op de been.
Vlak voor ons speelde zich toen een komisch incident met een landwachter af. Landwachters waren NSB-ers die met de Duitsers heulden en allerlei hand- en spandiensten aan de bezettingsmacht verleenden, ze waren niet gewapend, maar doordat ze onderduikers opspoorden waren ze niet minder gevaarlijk. Met recht werden ze dan ook landverraders genoemd. Wat er aan het voorval vooraf was gegaan wisten we niet, maar opeens zagen we hoe zo’n landwachter een jongetje van een jaar of twaalf om de oren sloeg. Waarschijnlijk had het joch de landwachters iets beledigends toegeroepen of alleen maar zijn tong uitgestoken. De landwachter was een nog jonge man met een vreemde, krullende haardracht en een babysmoeltje. Zijn zwarte pet droeg hij niet gewoon op zijn hoofd maar bovenop zijn blonde wijvenkrulletjes.
Nadat hij de jongen geslagen had, werd hij aangesproken door een grote, zware man die in onvervalst Amsterdams zei: ‘Kan je wel, vuile slijmerd, moet je mij eens proberen…!’
De landwachter met het jongensmoeltje had hier niet van terug want dit gebeurde hem nooit. Stel je voor: een landwachter een grote smoel geven. Hij had zich onder bescherming van de Duitsers altijd zo sterk en zo flink gevoeld. Met grote klootogen keek hij de grote man beteuterd aan
Deze nam toen toch maar wat gas terug. Hij draaide zich om en en haalde vervolgens nog even uit met: ‘Vuile smerige poppenkop!’
We volgden het allemaal op korte afstand, en waren opgelucht dat er geen Duitse soldaten in de buurt waren, want dit soort onschuldige opstootjes konden nare gevolgen hebben. We moesten lachen om de uitdrukking ‘vuile smerige poppenkop’, maar besefte tegelijk dat dit de eerste keer sinds lang was dat er weer wat te lachen viel.
Bij het bereiken van de IJsselbrug begonnen de problemen voor ons pas goed. Hoe kwamen we daarover? Het water stond van dijk tot dijk en aan de overkant lonkte Deventer. Maar wat we hadden gehoord bleek maar al te waar: de toegang tot de brug was hermetisch afgesloten en het was onmogelijk om door de dubbele afrastering heen te komen.
We namen de situatie van een veilige afstand in ons op. SS-ers met het geweer onder de arm hielden toezicht bij het begin van de brug. Linke soep!
We kwamen nog wat dichterbij en nu viel ons op dat zich voor de afzetting zo nu en dan een kolonne vormde van burgers. Regelmatig stak zo’n kolonne dan  onder begeleiding van een tweetal SS-ers de brug over. Bij navraag bleken dit mensen te zijn die door de Duitsers gedwongen waren om aan de andere kant van de IJssel in de metaalwarenfabriek van Thomas en Drijver te werken. Zo waren er ook mensen die door de Duitsers werden begeleid naar de diverse vleeswarenfabrieken, om daar mee te werken aan het vervaardigen van voedselrantsoenen voor de Wehrmacht. Het waren vooral oudere mannen die zich opstelden, maar soms gingen er ook een paar jongens mee, die duidelijk jonger waren dan ik. Misschien lag hier een mogelijkheid…
Het beste leek ons als ik als eerste zou proberen me aan te sluiten bij zo’n groep. Voor mij was het risico minder groot dan voor mijn oudere broer. Ik was 17 jaar, klein van postuur, en kon makkelijk doorgaan voor een jongen van 15 en dat was nog een redelijk veilige leeftijd.
Ik zette mijn sneeuwmuts af, dan leek ik jonger, en nam mijn jas onder de arm. We hadden afgesproken dat we elkaar aan de overkant weer zouden ontmoeten, op het adres van oom Henk. Op hem hadden we al onze hoop gevestigd, want hij was per slot van rekening eigenaar van een timmerfabriek. We konden vanaf de overkant de hoge schoorsteen van zijn fabriek al zien, met daarop “De IJssel’ geschilderd.
Toen wensten we elkaar veel succes.
Met een uiterst nerveus gevoel in mijn lichaam naderde ik de plaats waar de geronselde arbeiders zich moesten verzamelen om een nieuwe kolonne te vormen.
Nu pas zag ik dat er ook enkele vrouwen bij waren, en toen ik dichterbij kwam kon ik zien dat iedereen bij de afzetting een papier moest tonen. Duidelijk kon ik de stempels op de papieren zien. Een SS-er controleerde iedereen die langs liep en hij was al angstig dichtbij.
Ik liep een eindje bij de groep weg. Foute boel. Ik zou ongetwijfeld door de mand vallen.
De groep werd al al snauwend in een soort peloton opgesteld en accuraat als de Duitsers zijn veranderden zij de overzichtelijke groep in keurige rijen van vier personen.
Het leek erop dat het controleren was afgelopen.
Rustig liep ik weer in de richting van de groep. Ik mocht nu niet blijven stilstaan, want dat zou te veel aandacht trekken.
Zo nonchalant mogelijk naderde ik de kolonne. Voor de groep stond een SS-er die een luide brul gaf dat iedereen hem moest volgen. Achteraan nam een andere SS-er plaats en de groep zette zich in beweging.
Sommige mensen leken nog niet geheel wakker. Of was het ongeïnteresseerdheid? In iedere geval was het keurig opgestelde groepje al na enkele passen een onregelmatig geheel en van het ‘vier op een rij’ klopte niets meer.
Ik versnelde mijn pas en liep nu bijna naast de groep.
Niemand scheen aandacht aan mij te besteden.
Schuin voor me was de kop van de optocht en uit mijn ooghoeken kon ik al de rug van de voorste SS-er zien.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Met grote, snelle passen schoof ik in de groep. Ik botste tegen een paar mannen op en kreeg een paar duwen.
‘Dit gaat fout’ spookte het door mijn hoofd. Door de zenuwen was ik niet meer in staat normaal te denken.
Totaal afwezig sjokte ik voort  in de groep.
Ik keek naar het wegdek.
Maar tot mijn grote verbazing gebeurde er niets. De mensen om mij heen beschouwden mij waarschijnlijk als een laatkomer, en daar werd niet moeilijk over gedaan. Er klonken geen afgebeten commando’s en er werd niet geschreeuwd door de SS-ers die we achter ons hadden gelaten.
Voorzichtig tilde ik mijn hoofd op. Ik kon zien dat we dat we al bijna halverwege de brug waren. Ik richtte mijn blik strak op de grijze jas pal voor me en durfde nergens anders naar te kijken.
Het lukt, juichte het in mij.
Maar deze gedachte drong ik snel naar de achtergrond, want de toestand was nog allesbehalve benijdenswaardig.
Ik overdacht de reactie van de groep op mijn onverwachte komst. Nu ik mij weer een beetje in bedwang had werd de situatie duidelijk. Waarom zouden al deze mensen die door de Duitsers gedwongen werden om te werken zich druk maken om een jongen die zich om wat voor reden dan ook bij hen aansloot?  Horen, zien en vooral zwijgen was een instinctmatig aangeleerd gevoel geworden, waarmee je in oorlogstijd ver kon komen. Deze regel was ons in Amsterdam al heel lang bekend, en verstandige mensen deden er ook hier hun voordeel mee.Aan de andere kant van de brug passeerden we een nieuwe afzetting maar hier vond geen controle meer plaats. De soldaten die hier de brug moesten bewaken, groetten onze begeleiders maar keurden ons geen blik waardig.

Nu werden de SS-ers die ons hadden geflankeerd afgelost en vervangen door twee soldaten van de Wehrmacht.
Onder hun begeleiding liepen we Deventer in.
Nu moest ik mijn ogen goed gebruiken, want binnen afzienbare tijd zouden we de fabriek naderen waar gewerkt moest worden.
We staken de Grote Markt over. Voor mij was dat al bekend gebied, maar het was er veel te open om weg te kunnen lopen. Het plein was ook vol Duitse soldaten. Ik moest nog even geduld hebben.
We naderden de oude binnenstad en de straatjes werden smaller. De voorbijgangers letten in het geheel niet op ons. Ze waren kennelijk aan dergelijke groepen arbeiders gewend geraakt.
Opletten nu, bij de eerstvolgende gelegenheid moest ik de groep verlaten… We passeerden een smal steegje.
Te laat!
Daar was nog een smal straatje, links…
Oom ReinDe groep passeerde het straatje, en ik stapte snel opzij. Zo hard ik kon rende ik het schuin oplopende straatje in. Daar gooide ik mijn jas op de grond want die hinderde me.
De zenuwen gierden door mijn keel.
Achter me bleef het echter rustig.
Maar ik holde toch maar voort.
Pas een paar straten verder durfde ik weer gewoon te lopen. Ik dook in een portiek en wachtte in spanning af wat er zou gebeuren.
Er gebeurde niets.
Toch wachtte ik nog een paar minuten. Toen zei ik tot mezelf: zo Muldertje, dat ziet er goed uit. En snel ging ik op zoek naar het huis van mijn oom.

In het dagblad De Stentor van 12 april 2013, editie Deventer, werd een rijk geïllustreerde voorpublicatie van fragment afgedrukt.  

   

3 Reacties

  1. Hanneke Goede - Mulder

    Trots om dit weer te lezen, zo vaak gehoord, die spanningen toen in de
    oorlog, beleefd vanuit een jonge jongen, echt ontroerend.

  2. Heel begrijpelijk hoe de oorlogssituaties zijn beschreven. Je zit meteen in het verhaal. Knap.

  3. In mei 2016 verscheen het boek ‘Amsterdamse jongen in oorlogstijd’, waaruit dit verhaal een fragment is (Uitgeverij Nabij Productie). Dank voor het plaatsen van wat hoofdstukken. Wij kinderen waren blij dat Neef Reinjan wat publiceerde.
    Rein Mulder Junior

Geef een reactie