Oostwaarts, de stad uit – Fragment uit: ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’

Map-reinDoor Rein Mulder
Hoe het precies is gegaan weet ik niet meer, maar het plan om Amsterdam te verlaten was al verschillende keren ter sprake gekomen voor we het uiteindelijk ten uitvoer brachten. We wisten allebei hoe gevaarlijk het kon zijn, omdat alle wegen door de Duitsers werden gecontroleerd. Vooral bij de verschillende afzettingen aan de stadsgrenzen was er een strenge controle. Zonder geldige papieren was daar geen doorkomen aan.
Er deden ook veel griezelige geruchten en verhalen de ronde, waar of niet maar. Toch stond dat najaar vast dat er iets moest gebeuren. Dan moesten we maar wat risico nemen. Na een korte voorbereiding had mijn oudere broer Ton de knoop doorgehakt. Hij legde mijn vader een uitgewerkt plan voor om de stad te verlaten en elders in het land onder te duiken.
Ik was in november net 17 geworden en vond dat een goede reden om me bij hem aan te sluiten en ook het hongerige Amsterdam vaarwel te zeggen.
Aanvankelijk vond mijn vader het geen goed idee dat ik mee zou gaan, en moest er nog heel wat gepraat worden, totdat hij uiteindelijk instemde met ons plan de reis gezamenlijk te maken. Onze tocht zou in oostelijk richting gaan, we wilden proberen via de Veluwe te voet de rivier de IJssel te bereiken. In Deventer woonden twee broers van mijn vader, die ons mogelijk verder konden helpen.
Toen eenmaal de dag was vastgesteld waarop we zouden vertrekken, maakte zich een verlossend gevoel van me meester. Weg met al dat gezeur over het noodkacheltje. Weg met het staren in een lichtpitje, weg met dat hongerige gevoel. De risico’s die aan een dergelijke tocht kleefden nam ik daarvoor graag op de koop toe.

De avond voor ons vertrek lichtte ik mijn vrienden in, en we spraken af dat we elkaar zouden terugzien als de moffen verslagen waren.
Gewapend met twee jampotten, gevuld met gekookte bruine bonen begonnen wij daarna die zaterdagochtend in november al vroeg aan onze tocht. Het was nat en koud weer, maar we hadden redelijk warme kleren, en wat misschien nog belangrijker was: behoorlijk schoeisel.
Op ons akkertje en onopvallend liepen wij de Middenweg af richting Amersfoort. In het voorbijgaan wierpen we nog een laatste blik op het afweergeschut bij de Emmakerk. Bij het Fort naast Frankendael was het een drukte van belang, maar de Duitse soldaten van de Wehrmacht hadden daar heel andere dingen te doen en zij konden zich niet druk maken over een tweetal jongens dat voorbij liep.

We passeerden het Ajax-stadion dat er verlaten bij lag op deze grauwe herfstdag en Betondorp, en ik prentte deze beelden goed in mijn geheugen want het kon wel eens lang duren voor ik hier weer terug zou komen.
Een gevoel van heimwee overviel me, nu al, want wat had ik een goede herinneringen aan deze hoek van de Watergraafsmeer. Achter het Ajax-stadion lagen de twee velden van mijn voetbalclub DEC, maar of dat nog bestond wist niemand. Het verenigingsleven was volledig naar de knoppen geholpen.
Veel tijd om verder te mijmeren had ik niet, want bij het naderen van Diemen drong de harde werkelijkheid zich op. We waren nog maar net aan onze tocht begonnen of de eerste moeilijkheid was al in zicht. Even voor Diemen was de hele weg afgesloten met een afrastering van prikkeldraad, met veel ruitertjes, en, wat erger was, veel Duitse soldaten van de Feldgendarmerie. Alleen in het midden van de afrastering was een opening uitgespaard, waardoor het weinige verkeer dat er was kon passeren.
Zonder papieren was het onmogelijk om hierdoor te komen. Er restte ons dus niets anders dan om om te keren en onze weg te vervolgen over de Kruislaan, naar het noorden, om zo, langs de Diemerzeedijk, te proberen de stad te verlaten.
Met het pontje van Gerrit staken we de Ringvaart over en liepen we liepen al langs het toenmalige Merwedekanaal in de richting van Diemen.
We hadden er nog maar weinig vertrouwen in, en het mag een godswonder heten dat we via wat landweggetjes en stukje door het dorp ineens toch achter de Duitse afzetting zaten.
Dat was een hele opluchting. Niet zo goochem van de Duitsers om met zoveel materiaal een wegblokkade op te richten waar je gewoon omheen kon lopen.
We besloten nu maar niet de grote weg naar Amersfoort te nemen, omdat ook daar het risico te groot was. In plaats daarvan kozen we ervoor de brug in Diemen over te steken, en vandaar de weg naar het Gooi en Bantam te volgen.
Vanaf hier kende ik de weg heel goed. Hier had ik altijd veel met mijn vrienden gefietst om op onze vrije dagen in de bossen van Bantam en ‘s-Graveland te vertoeven.
Zonder verder oponthoud bereikten we de eerste dag al Hilversum en konden we de nacht doorbrengen bij onduidelijke kennissen van Ton. Wat oudere mensen die de hoop op een beetje lol zo te zien al lang hadden opgegeven. We kregen zelfs nog wat eten van ze en met behulp van een kaart zetten we een voorlopige route uit voor de volgende dag.
Ons doel was duidelijk, we wilden oostwaarts, en zoveel gebruik maken van kleinere wegen, of liever nog kleine binnenweggetjes. We wilden proberen om voor de volgende avond de Veluwezoom te bereiken omdat we in bebost gebied wat meer kans zouden hebben om ongestoord onze gang te kunnen gaan.
Wat kleine en overbodige dingen die we niet beslist meer nodig zouden hebben lieten we op ons logeeradres achter. Maar de twee potten met gekookte bruine bonen gingen met ons mee!

4 Reacties

  1. Hanneke Mulder

    Spannend verhaal.

  2. Je zit gelijk in het verhaal, begrijpelijke taal, dus lekker leesbaar.

  3. Eva Mulder

    Heel leuk om te lezen!!

  4. Ik heb zelf als negenjarige jongen de hongerwinter meegemaakt. Dat is
    iets wat nooit meer weg gaat.Toen ik dit las, zag ik die zo weer voorbijkomen. Honger doet de mens veranderen in een wild dier, bereid
    om alles te eten wat een beetje op eten lijkt. Dan praat ik over suikerbieten,
    aardappelschillen, waar ik erg ziek van ben geweest, en tulpenbollen.
    Ik hoop zo iets nooit meer mee te maken. En wat dat vluchten betreft, mijn vader, mijn moeder en ik moesten tijdens een razia in de joodse buurt waar we woonden, ook ons huis ontvluchten. Mijn vader was van joodse afkomst en als de duitsers ons toen gepakt hadden, had ik het misschien niet meer
    na kunnen vertellen.
    Uiteindelijk hebben ze mijn vader toch opgepakt en is hij overleden in auschwitz.
    Met vriendelijke groet,
    J.de Boer

Geef een reactie