De dood van Jantje van Waveren – Rein Mulder’s kleine oorlog (4)

Door Rein Mulder
Het zal rond mijn 17de verjaardag zijn geweest, in november 1944, dat we met een bezoekje werden vereerd van een tante en een oom uit Hembrug, aan de overkant van het Noordzeekanaal. Mijn oom Piet werkte daar als machinist op het Hembrugse pontveer over het kanaal, en in zijn beroep kon er nog wel eens wat gerommeld worden. Het gevolg was dat die lieve mensen opeens allerlei etenswaren voor ons meebrachten, waaruit wel bleek hoe goed ze daar op de hoogte waren van het voedseltekort bij ons in Amsterdam.
De keuken werd tot verboden gebied verklaard, en mijn moeder en tante Sien sloten zich er meteen in op.
Korte tijd later vulde het huis zich met de prettige geuren van gebraden kip.
Ongeduldig wachten wij op de dingen die komen zouden.
Want al gauw moest er natuurlijk gegeten worden. Of gegeten? Nee, gevreten. Als uitgehongerde wolven stortten wij ons op de rijkelijke maaltijd die even later voor ons stond, en we propten ons zoveel we konden vol met de kip uit Hembrug.
Wat een overvloed aan eten! Even hoefden we niet te kijken op een stukje kip meer of minder.
We aten ons bijna letterlijk te barsten, zodat ons na de maaltijd niets anders overbleef dan maar apathisch op onze bedden te gaan liggen en daar te blijven liggen, totdat het overvolle gevoel verdwenen zou zijn.

5 x Rein

5 x Rein Mulder, uit het fotoalbum van zijn dochter Hanneke

Helaas, de overgetelijke dag die oom Piet en tante Sien ons hadden bezorgd, was sneller voorbij dan we dachten, en al spoedig keerden we weer terug in de werkelijkheid. De kachel brandde weer heel af en toe, en dan nog heel erg laag. We hadden thuis nog steeds de grote, lompe kolenhaard die veel te onvoordelig was voor de kleine hoeveelheden brandstof die we nog hadden, en het ding kon dus maar beter verdwijnen om plaats te maken voor noodkacheltje. Dat was een simpel ijzeren kacheltje van een soort dun blik, waarin je letterlijk alles kon stoken. Je mag het gerust de perfecte oorlogsuitvinding noemen, want het was verbazend wat dat ding allemaal kon verwerken en omzetten in warmte.
Het enige probleem was wel dat onze houtvoorraad nu al heel snel opgestookt was, zodat we gauw naar iets anders op zoek moesten om te stoken.
Eerst maakten we proppen van natte kranten, die we vervolgens lieten drogen. Die hardpapieren bollen brandden nog best aardig, maar je kon ze wel in het vuur blijven gooien, zo snel brandden ze op, zodat we al snel ook door onze voorraad papierballen heen waren. Van heel veel kranten en ander papier kreeg je maar heel kort een beetje warmte, en de hoeveelheid papier die we nog hadden was niet eens meer genoeg om ons nog één dag te verwarmen.
In het kolenhok op de waranda lag nu alleen nog een restje steenkool, maar daarvan had mijn vader al veel eerder besloten dat dit voor de Kerstdagen gereserveerd moest blijven. En dat duurde nog even.
De dagen werden korter, de nachten langer, het hongerige gevoel groter, en onze lijven kouder.
Bij de heldere nachten die nu volgden werden de bombardementsvluchten van de Geallieerden steeds groter in aantal. Maar het vuurwerk van het afweergeschut en alle bijkomende verschijnselen konden ons niet meer zo boeien als daarvoor, en we hoopten eigenlijk vurig dat de Geallieerde legers nu snel zouden doorstoten naar het noorden om ons van het Duitse juk te bevrijden.
Maar vooralsnog zag het er niet erg rooskleurig uit. We markeerden de vorderingen van de Engelse en Amerikaanse legers met gekleurde kopspelden op een grote kaart van Europa die in de huiskamer hing, maar veel meer dan een hoop ellende in de Belgische Ardennen konden de binnenkomende berichten ons niet brengen.
We moesten creatiever worden in het vinden van oplossingen voor de dagelijkse problemen. Daarom had mijn broer Piet de hele buurt al eens verrast door als eerste met behulp van een paar vrienden een huizenhoge populier op het Galileïplantsoen te lijf te gaan. Hij had ergens een grote trekzaag en ander zwaar materiaal op de kop getikt, en na een behoorlijke inspanning en veel zaagwerk lag er in ons huis ineens een respectabele hoeveelheid brandhout.
Nou ja, brandhout was niet direct het goede woord want het brandde in het geheel niet, en we stikten in de kamer van de rook. Het verse hout was natuurlijk nog veel te vochtig en het moest eerst nog een tijd drogen voordat we ons noodkacheltje ermee konden laten branden.
In ieder geval deed goed voorbeeld goed volgen, want enkele dagen later waren alle grote bomen van het Galileïplantsoen verdwenen.
Daarna werd de jacht op hout zo groot, dat de mensen ook spontaan de houten balustrades van de waranda’s begonnen te slopen. In ruil voor een paar warme avonden werd alles wat brandbaar was verwijderd en in kleine stukken gehakt.
Op het grote spoorwegemplacement achter ons huis zochten wij ondertussen naar kolen en sintels tussen de kiezelstenen. Met koude handen en een tas probeerden we daar in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk kooltjes te verzamelen. Dit moest in heel hoog tempo gebeuren, want  het rangeerterrein was verboden gebied. Zo lang er niet te veel kolenzoekers waren, was het gevaar daar nog niet zo groot, maar hun aantal werd groter en groter. Daardoor duurde het kolenrapen niet langer dan enkele weken, want, jawel, we hadden het al zien aankomen. Dit kon niet lang meer goed blijven gaan. Op het spoorwegemplacement werd opeens Jan van Waveren door de Duitsers doodgeschoten, en vielen er bij de schietpartij ook nog een aantal geworden.
Jantje van Waveren woonde pal bij ons om de hoek, in de Copernicusstraat. Hij was een aardige, goeie jongen die bij spelletjes in de straat altijd als laatste werd gekozen.
Na dit incident verbood mijn vader ons de toegang tot het spoorwegemplacement.

Eén reactie

  1. Lekker makkelijk te lezen, prima.

Geef een reactie