Het geallieerde front nadert Deventer en Hengforden – Rein Mulder’s Kleine oorlog (6)

Map-reinBij een bezoek aan zijn ouderlijk huis vond Reinjan Mulder een nooit eerder gepubliceerd manuscript over de Tweede Wereldoorlog van zijn oom Rein Mulder (1927-2007). In onderstaand fragment is de 17-jarige Rein na een voettocht uit Amsterdam in Deventer aangekomen, waar zijn oom Henk hem uit angst voor de Duitsers naar een boer in Hengforden, bij Olst doorstuurt. Daar mag Rein voorlopig blijven. Hij krijgt een overall en klompen, en werkt onopvallend op het land. Ook wordt er een plan gesmeed om Rein’s oudere broer Ton ’s nachts met een bootje over de IJssel te laten komen. Maar dat is al niet meer nodig, Ton heeft zich in vloeiend Duits bij de SS’ers op de brug in Deventer naar de overkant gebluft en staat opeens ongedeerd voor de boerderij. Dan nadert in maart 1945 uit het zuiden het geallieerde front…  

Oom Rein

Voorpublicatie van het laatste deel in De Stentor / Deventer Courant van 12 april 2013

Door Rein Mulder
In maart 1945 hoefden we niet langer af te gaan op de geruchten die ons bereikten. In de verte konden we nu zelf het dreunen van de kanonnen horen, en ’s avonds zagen we steeds vaker lichtflitsen tegen de hemel. Het was duidelijk dat het front nu heel snel dichterbij kwam. We hoopten allebei dat dit nu ook maar snel gebeurde, want alles was beter dan afwachten, en het moest toch een keer afgelopen zijn.
Door een klein raam keek ik naar buiten en ik zag de IJsseldijk en een klein iets oplopend pad dat naar de boerderij liep. Aan het eind van dit weggetje begon een bos en aan de rand lagen een paar boerderijen vrij dicht bij elkaar en nog een paar kleine huisjes. Dit was Hengforden. Zonder kerk en zonder kroeg behoorde het tot de gemeente Olst en het was zo klein dat

het woord dorp niet eens op zijn plaats was. Olst lag op een kilometer of zeven en je kon het bereiken via de IJsseldijk of binnendoor. (…)
De boerderij van Gertjan Panhuis waar ik zat, behoorde tot de categorie kleine boerderijtjes. Hij hield een tiental koeien, een paar varkens en een hele smak kippen. Zijn land was ongeveer 12 hectare groot en het grootste deel was direct rond de boerderij gelegen. Vaak kwamen er mensen langs die om voedsel vroegen en dat gaf Panhuis altijd aan ze mee. Geld wilde hij er niet voor hebben, omdat de meeste van deze mensen totaal berooid waren.
Tegen de IJsseldijk aan lag het kleine arbeidershuisje van De Jager, waar mijn broer Ton was ondergebracht. Achter zijn woninkje had hij zijn ‘werkplaats’. Het hing daar altijd vol met bossen koperdraad en visnetten. En helemaal achter in de tuin lag verstopt onder een groot zeildoek zijn roeiboot. Dit was de roeiboot waarmee regelmatig Engelse vliegers over de IJssel werden geroeid en waarmee ook Ton overgeroeid zou worden.  (…)

Ten zuiden van Deventer, hoorden we om ons heen, werd nu ook al flink gevochten, en aan het geluid van de kanonnen konden we horen hoe snel de Geallieerde troepen naderden. We konden soms zelfs al de frontzoeklichten zien.
Inmiddels bleek er ook gevochten te worden in Schalkhaar. Achter een smalle rivier hadden de  Duitsers daar een verdedigingslinie aangebracht, die ze hadden bezet met keurtroepen die hevige tegenstand aan de Geallieerden boden.
Hoewel het leven op de boerderij nu elk moment kon omslaan in een hel, hoopte ik vurig dat onze bevrijders nu heel snel vorderingen zouden maken. Alleen de gedachte al aan de naderende Geallieerden deed mijn hart sneller kloppen, en we maakten steeds weer nieuwe schattingen hoever het mitrailleurvuur en het kanongebulder nog van ons verwijderd was.

Met mijn broer Ton had ik al eens overlegd of we onze bevrijders niet tegemoet moesten gaan. Hij vond van niet. Hij vond dat we beter op onze onderduikadressen konden blijven want er was volgens hem voor de Duitsers nog maar weinig te verdedigen.
Dat zou best zo kunnen zijn, maar ik vond dat we beter nu al richting Deventer konden gaan, de Geallieerden tegemoet.
Uiteindelijk besloten we nog vijf dagen geduld te hebben, en als er dan nog niets veranderd was, zouden we het font tegemoet gaan.
De Duitse Organisation Todt die de afgelopen dagen loopgraven rond onze boerderij had gegraven, was inmiddels klaar met zijn werkzaamheden zodat ik me gelukkig weer vrij bewegen kon in en om het huis. Voor het eerst kon ik gaan kijken hoe degelijk de loopgraven waren aangelegd.
Langzaam kropen de dagen voorbij. Maar iedere dag moesten we vaststellen dat het geluid van het front weer anders klonk. Nog maar twee dagen geleden konden we de kanonnen horen rommelen als onweer op tien kilometer afstand, maar nu hoorden we ook het geluid van lichtere wapens, zoals anti-tankgeschut en mitrailleurs. De lichtflitsen werden feller en we hoorden zelfs al af en toe het geratel van automatische handwapens.
De bevrijders moesten nu wel heel dichtbij zijn. Aan de mensen om me heen kon ik zien hoe gespannen iedereen was.
Gertjan, de boer, had in de kelder al een paar provisorische slaapplaatsen gemaakt zodat zijn gezin met de kinderen in geval van nood een veilige schuilplaats zou hebben. Niemand wist wat ons nog te wachten stond.
Met het naderen van de Geallieerden verscheen er ook een ander soort vliegtuigen in de lucht. We zagen nu ook vaak dikke bromvliegen overkomen die veel minder slank waren dan de Engelse Spitfires. Het waren Mustangs, wist ik, die uitermate geschikt waren om als jachtbommenwerper dienst te doen. Ik kende deze toestellen tot dan toe alleen maar uit de verhalen en ik wist dat ze de bommenwerpers beschermden die naar Duitsland vlogen. Ze verzamelden zich dan boven de Zuiderzee en wachtten daar op de eskaders B-15’s of vliegende forten. De Mustangs konden veel meer vlieguren maken en dus ook langer in de lucht blijven dan gewone jachtvliegtuigen en ze hadden bommen aan de onderkant. (…) Maar nu zag ik ze in het echt.
Een van deze Mustangs had in die laatste dagen voor het front kwam de grote pech gehad een trein aan te vallen die zich achter het bos in noordelijke richting verplaatste. Nog voordat hij zijn bommen op de trein had laten vallen leek het of de trein al in vuur en vlam stond en spoog hij grote hoeveelheden granaten in de richting van het vliegtuig.
Met een daverende klap was de Mustang op een veldje te pletter geslagen.
Een rookwolk markeerde plaats waar hij de grond had geraakt, dicht bij de onbewaakte overweg.
Ton werkte hier vlak bij op het land en hij was de eerste geweest die bij het rokende vliegtuigwrak aankwam. Maar hij kon al niets meer uitrichten, hoorden we later, de piloot moest op slag dood zijn geweest. Hij was, zei Ton, toen hij aankwam al niet meer te herkennen.
Het enige wat mijn broer aan het ongeluk had overgehouden, was een stevig kompas aan een leren riem. Hoe dat ding tussen de uit elkaar geslagen brokstukken van het vliegtuig was terechtgekomen, was wel een raadsel, want normaal wordt zo’n kompas rond het bovenbeen van de piloot gedragen.
Toen Ton eenmaal had gezien dat hij niets meer kon doen, vertelde hij, was hij niet te lang meer bij het wrak blijven rondhangen, want de Duitsers zouden er nu ook wel snel bij zijn.
Wij op de boerderij hadden de duikaanval van de Mustang alleen maar vanuit de verte gezien, en we hadden ons vooral verbaasd over de grote hoeveelheden flag-geschut die waren ingezet. (…) Maar toen Ton kwam, vertelde hij wat er precies was gebeurd.
Hij had ook eerst de trein voorbij zien komen, wat hij al erg vreemd vond want er liepen al bijna geen treinen meer. Het moest de allerlaatste trein zijn geweest die vanuit Deventer in noordelijke richting voor de Geallieerden troepen op de vlucht was.
Maar wat het voor een trein was? Een trein met gejatte kunstschatten? Waren het hoge jongens die met de trein de vlucht namen?
Of was het een munitietrein?
We konden er op de boerderij alleen maar naar gissen. (…)

De memoires van Rein Mulder waaraan dit fragment is ontleend, zijn in 2016 uitgegeven door zijn kinderen Rein en Hanneke Mulder onder de titel ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd 1940-1945’. Uitg. Nabij Producties. In De Stentor van 12 april 2013 stond daaruit al een voorpublicatie onder de naam: de bevrijding van Hengforden

 

 

Eén reactie

  1. Wat ‘leuk’ om te lezen!
    Gertjan Panhuis was mijn opa. Ik heb wel eens een light-versie van deze verhalen gehoord, maar nooit het hele gedetailleerde verhaal.

Geef een reactie