Deportaties en luchtgevechten boven Amsterdam Oost – Fragment uit: ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’

Door Rein Mulder
Met het verstrijken van de tijd kwamen de geruchten. We hadden in de buurt al de verhalen gehoord over mensen die door de Duitsers waren opgepakt en weggevoerd naar Duitsland, om werkzaamheden te verrichten in de oorlogsindustrie, en in andere verhalen belandden er mensen in concentratiekampen, waarbij vooral joden het moesten ontgelden.
In het voorjaar van 1944 bleken al deze verhalen maar al te waar. We hadden zelf al kunnen vastellen dat mijn vrienden Salomon en Frenkel niet meer in hun huizen woonden, maar de afgrijselijkste geruchten werden pas bevestigd toen we zagen hoe onze joodse overburen in de Laplacestraat hardhandig door de Grüne Polizei uit hun huis werden gehaald. Hun kinderen werden letterlijk de gereedstaaande vrachtwagens ingeslagen.
Steeds vaker zagen we nu zulke gruwelijke toestanden, en niemand kon er iets tegen ondernemen, uit angst voor represailles. Die angst was er grondig ingehamerd. Alleen gewapende verzetsgroepen probeerden op hun manier wat te ondernemen om het voor de Duitsers zo moeilijk mogelijk te maken.
(…)
In de Watergraafsmeer voelden we elke dag de spanning toenemen. We bleven ook steeds vaker thuis, waar we aan den lijve ondervonden hoe de voedselschaarste toenam.
Voor mijn vader en moeder moet het een moeilijke tijd zijn geweest, met drie jongens in huis, van wie de oudste bij het uitroepen van de spoorwegstaking zou onderduiken en de middelste een gewild aas was om in Duitsland tewerk gesteld te worden. Bovendien was mijn broer Ton bij allerlei anti-Duitse activiteiten betrokken en was het maar hopen dat de Duitsers daar niet achter kwamen. Als zestienjarige was ik in 1944 nog de meeste vrije van ons drieën – al werd ook de omtrek waarin ik me kon bewegen steeds beperkter.
Na de invasie van de geallieerden in Frankrijk in juni 1944 kwam ook de oorlog weer dichter bij. De Engelsen en de Amerikanen waren in de lucht veel sterker geworden, en nog maar sporadisch zagen wij boven Amsterdam nog Duitse jachtvliegtuigen de strijd met hen aangaan. Afgezien van een paar bommen op Schiphol en Amsterdam Noord bleef de stad ook voor grote bombardementen gespaard. Maar we werden nu op andere manieren bij de oorlogsvoering betrokken. De geallieerde aanvallen op Duitsland begonnen steeds heviger en talrijker te worden en omdat hun vliegtuigen vaak over Amsterdam vlogen, raakten wij zozeer gewend aan loeiende sirenes dat we bij onraad niet langer meer bescherming op de trap zochten. Uit het raam van ons huis keek ik vaak samen met mijn broer Ton naar de overvliegende formaties zware bommenwerpers, en we genoten dan van het monotone gebrom van hun motoren.
Wat prezen we de Amerikanen! In Duitsland zouden ze straks wel weer hun portie krijgen.
In de nacht werd het werk van de Amerikanen meestal overgenomen door de Engelsen. Dan werd het schouwspel nog boeiender. Zodra de sirenes begonnen te loeien, was ik al uit mijn bed. Ik zag dan nog net hoe de zoeklichten aan de Zuiderzeedijk aanfloepten om de nachtelijke hemel af te tasten, en vanaf dat moment kwam het gebrom van de Britse Lancasters meestal snel dichterbij.
Nu en dan werd een bommenwerper gevangen in de bundels van de zoeklichten, en dan vervolgde hij hulpeloos zijn weg, overgeleverd aan een hevig, gericht spervuur, afkomstig uit het luchtafweergeschut dat om de stad stond opgesteld.
Op het dak hoorde je soms de granaatscherven neerkletteren. Die zouden de volgende dag een gewild verzamelobject voor ons zijn. Af en toe hielden we ook wedstrijden wie de grootste scherf kon vinden. De straten konden er na zo’n nacht mee bezaaid zijn, net als met de aluminiumstroken die de Engelse vliegtuigen afwierpen om de Duitse radar in de war te brengen.
Vanuit ons zolderraam keken keken we naar de opflikkerende lichten van de uiteenspattende granaten, en samen met de langs de hemel glijdende lichtbundels van de zoeklichten vonden we dit een groots tafereel.
Soms was er ineens een felle lichtflits, en dan hoorde je even later een heftige dreun, zoals bij een stevig onweer.  Je wist dan dat er weer een treffer was geplaatst, en je hield je adem in om te luisteren of je het gefluit kon horen van de neertstortende delen van het geraakte toestel.
(…)
Later stelden de Duitsers, in hun pogingen het aantal overvliegende bommenwerpers te reduceren, ook in de Watergraafsmeer luchtafweergeschut op. Ze kozen daarvoor een groot stuk braakliggend land uit, tegenover de Emmakerk. Daar, tussen de Middenweg en het Amstelstation, werd in razend tempo een Duits fort uit de grond gestampt. Hoge prikkeldraadversperringen bakenden het terrein af en op de hoeken werden grote zoeklichten geplaatst, die werden beschermd door hoge wallen van gestapelde zandzakken.
De hoofdmoot van het fort werd gevormd door zes zware stukken luchtdoelgeschut die dreigend met hun vuurmonden de lucht in staken. De munitie werd daar vlakbij opgeslagen, in veilige, betonnen kelders, en tussen het zware geschut kwam een groot aantal kleinere stukken te staan, die werden overspannen door enorme, wijdmazige camouflagenetten die het fort vanuit de lucht min of meer onzichtbaar moesten maken. (…)
Nu konden we helemaal onze lol op, want nu kon het ’s nachts in Oost heel erg gaan spoken. Het gegrom van de overvliegende bommenwerpers werd vaak nog overstemd door het dreunen van het afweergeschut. Als we zo met zijn tweeën uit het raam hingen, hoorden we de granaten huilen en zagen we hoe de lichtspoormunitie steeds maar weer nieuwe, kleurige strepen door de lucht trok. (…)
Wie zei er dat het leven tijdens de oorlog saai was?

2 Reacties

  1. Een mooi verhaal. Je schrijft dat er veel scherven vielen van het luchtafweergeschut. Wat ik me nu afvraag is of er door deze scherven nooit een brand uitbrak. Heb jij daarvan wel eens wat gehoord? Die scherven zijn toch loeiheet?
    Groet, Lein.

  2. Ik heb er nooit van gehoord, maar misschien een van de andere lezers?

Geef een reactie