De uitvinding van de ‘lichtfiets’ – Fragment uit: ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’

Map-reinDoor Rein Mulder
Omstreeks 1944 moet in Amsterdam Oost ook de spertijd begonnen zijn. Die kwam er op neer dat we ‘s avonds na acht uur niet meer de straat op mochten, ‘op straffe van de kogel’.
Daarin waren de Duitsers niet kinderachtig.
Gelukkig was het in de Laplacestraat waar we woonden ‘s avonds vaak erg stil, zodat  je meestal nog wel even naar de buren kon. Er zaten weliswaar Duitse soldaten ingekwartierd in het scholencomplex verderop, maar die kon je al van mijlenver horen aankomen op hun zware laarzen. Hun hakken waren met ijzeren hoeven beslagen en hun zolen waren van dikke kopspijkers voorzien tegen het slijten – en om wat meer indruk te kunnen maken met hun gestamp – zodat het nooit echt gevaarlijk werd.
Zelfs mijn vader, een uiterst plichtsgetrouw man, overtrad regelmatig het binnenblijfgebod. Soms gingen we met de hele familie ‘s avonds de straat over om ergens een clandestiene filmvoorstelling bij te wonen. Je botste dan wel eens tegen een andere avondlijke bezoeker op, maar dat was alleen maar even schrikken.
Als we thuis bleven, konden de avonden vervelender worden. De energietoevoer was inmiddels afgesloten, zodat er alleen nog maar kaarslicht was en wat kon je daar nog bij doen? Daarom knutselden mijn broers Piet en Ton op een gegeven moment van wat overgebleven hout een lompe stellage waarin een fiets gezet kon worden. Het achterwiel van die fiets hing dan een klein stukje boven de grond, zodat er een paar dynamo’s tegenaan konden, en het stuur werd vervangen door een plaat hout met een lampje erop.
Op die manier konden we om de beurt, al trappend, zitten lezen. Bovendien werden er meteen nog een paar andere lichtpunten in de huiskamer op de lichtfiets aangesloten.
Zo kreeg mijn vader zijn eigen, vaste zitplaats in de kamer, waar hij zijn boeken kon lezen onder een lampje dat door ons fietsen van stroom werd voorzien. (…)

Door de teleurstellende oorlogsresultaten begon de Duitse bezettingsmacht ondertussen de jacht op mensen te verhevigen. Overal in de stad werden nu razzia’s gehouden, en er werden steeds meer huiszoekingen uitgevoerd om mannen boven de zestien te vinden die konden worden ingelijfd in de Duitse oorlogsindustrie. Hoewel ons huis daar niet zo geschikt voor was, begonnen wij ook voorzieningen te treffen om bij zo’n huiszoeking uit handen van de Duitsers te kunnen blijven.
Om te beginnen werd er tussen het plafond en de volgende vloer een schuilplaats gemaakt waarin met veel pijn en moeite twee personen konden liggen.
Achteraf gezien had dat weinig zin, want bij een inval zou het veel te veel tijd hebben gekost om daar helemaal in te komen. Eerst moest je een tweepersoonsbed verplaatsen, dan het zeil oprollen en een onhandig luik opentrekken, vervolgens moest je je daarin laten zakken, en dan moest er ook nog een ander zijn om het luik weer te sluiten, het zeil terug te rollen en het bed er weer bovenop te plaatsen. Maar je doet wat in je vermogen is, en met het uitwerken van dit soort klusjes werd in ieder geval de tijd gedood.
Een beter idee bleek om bij onraad via het bovenste balkon op het platte dak van ons huizenblok te klimmen. Daar had je veel plaatsen waar je je kon verstoppen, maar je kon ook weer bij andere mensen, soms tientallen meters verderop, naar binnen gaan.
Deze ontsnappingsroute hebben we in het donker een aantal malen goed geoefend. Bij een grootscheepse razzia zouden we waarschijnlijk geen kans hebben gehad om zo te ontkomen, maar bij ander onraad hadden we op deze manier wel het huis uit kunnen komen.

Maar daarmee werd het er allemaal niet vrolijker op. Ook het voedselprobleem begon nu een steeds grotere rol te spelen. In de winkels was al praktisch niets meer te koop, en voor het voedsel dat er nog wel was, moest je vaak uren in de rij staan. En als je dan eenmaal aan de beurt was, hadden we ook nog speciale bonkaarten nodig. Voor wie niet weet wat een bonkaart is, dat was een distributiekaart waarop wekelijks etenswaren werden toegewezen. Ieder vakje van de kaart gaf recht op een bepaald soort voedsel. Zo had je een vakje voor suiker, hoewel je nergens suiker kon krijgen, of je kreeg per persoon een kilo aardappelen toegewezen, al was er nergens een aardappel te koop.
Iedere week werden er dan ook minder van deze bonvakjes benut, zodat er ook steeds minder in onze magen kwam. De later berucht geworden hongerwinter was begonnen.
Aanvankelijk was alles nog kinderspel vergeleken bij wat het vervolg zou brengen en hadden we nog geen echte honger, hoewel twee sneetjes brood en twee niet al te grote aardappelen ons hongerige gevoel niet altijd konden wegnemen. Maar de onderlinge sfeer werd er in ieder geval niet beter op, en we konden elkaar soms al figuurlijk én letterlijk het eten uit de mond zitten kijken. Mijn vader was een uiterst eerlijk en rechtschapen man di het als zijn taak zag om binnen ons gezin het voedsel zo eerlijk mogelijk te verdelen, maar hoe zorgvuldig hij dit ook deed, er braken regelmatig fikse ruzies uit over een vermeende oneerlijkheid bij zo’n verdeling. Achteraf denk ik dat we hem daar veel verdriet mee hebben gedaan.
Maar heel zelden kwam er langs geheimzinnige weg toch nog wel eens iets extra’s binnen. Vraag me niet waarvandaan, want dat weet ik nog steeds niet, en toen zeker niet. We hadden al gauw geleerd om niet teveel vragen te stellen, en niet al te nieuwsgierig te zijn.
Hoe minder we wisten, des te minder konden we verraden.

De memoires van Rein Mulder waaraan dit fragment is ontleend, zijn in 2016 uitgegeven door zijn kinderen Rein en Hanneke Mulder onder de titel ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd 1940-1945’. Uitg. Nabij Producties. In De Stentor van 12 april 2013 stond daaruit al een voorpublicatie onder de naam: de bevrijding van Hengforden

Eén reactie

  1. Hanneke Mulder

    Leuk om weer te lezen, Reinjan.

Geef een reactie