Amsterdam 1940 – Fragment uit: ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd’

Map-rein

Geschiedenis Rein 1944-1945

Door Rein Mulder
In regelmatig terugkerende dromen zie  ik de oorlog in flarden aan me voorbij trekken. Steeds weer anders, maar altijd beangstigend. De intocht van de Duitsers in de stad, over de Middenweg, zie ik dan voor me. Ik was twaalf. Ondanks het verbod van mijn vader om te gaan kijken, was ik toch gegaan, met een paar vriendjes. En zo zag ik de verschillende onderdelen van het Duitse leger aan me voorbij trekken: grote vrachtwagens, motoren met zijspan, kleine gevechtswagens en zelfs paarden met wagens erachter.
Ook grote groepen infanteriesoldaten trokken lachend in de richting van de binnenstad. Voor het eerst zag ik de typisch Duitse helmen. Ze zagen er precies zo uit als ik ze kende uit de bioscoopjournaals.
Wat me bevreemdde, was dat sommige mensen langs de kant blij leken te zijn en zelfs bloemen naar de soldaten wierpen. Wist ik veel… Ademloos keek ik toe hoe de vreemde soldaten aan ons voorbij trokken.
Bij mijn late thuiskomst was mijn vader gelukkig niet al te boos toen hij hoorde dat ik toch op de Middenweg was gaan kijken. Vanaf die vier oorlogsdagen in mei leek alles en iedereen een beetje anders.
5 x ReinOok mijn leven veranderde snel. Naar school gaan hoefde niet meer, en dat was voor mij al reden genoeg om niet direct een hekel aan al die vreemde soldaten te hebben. In zekere zin hadden zij mij, in ieder geval voor het moment, van het schoolgaan bevrijd en dat kwam me goed uit, want een fanatieke leerling was ik nooit geweest.
In mij juichte het zelfs een beetje. Voorlopig niet naar school!
Hoewel de eerste maanden van de bezetting nog min of meer geruisloos voorbij gingen, hadden ze wel een grote invloed op mijn leven en dat van mijn omgeving. De Duitsers hadden bijna alle scholen in beslag genomen om daar hun soldaten onder te brengen en ook het scholencomplex bij ons om de hoek, wij woonden in de Laplacestraat, was omgetoverd tot een grote kazerne.
Tussen het Galileiplantsoen en de Copernicusstraat bevond zich een zestal scholen die plaats boden aan een grote hoeveelheid Duitse soldaten. Op het schoolplein stonden logge kookwagens opgesteld die er voor moesten zorgen dat er gegeten kon worden. De vreemde geur die ze verspreidden, kon je nog straten ver ruiken.
Het wemelde dan ook van de Duitsers in onze buurt. In hun grijsgroene uniformen trokken de soldaten zingend en stram in het gelid door de straten van de Meer. Nóg hoor ik het geluid van hun met ijzer beslagen laarzen en ruik ik de vochtige, zoete geur van hun uniformen.
Bij ons thuis was de komst van de Duitsers een belangrijk onderwerp van gesprek geworden en de stemming was bedrukt. Maar ik had als jong stinkie maling aan de negatieve opstelling van mijn familie. In stilte vond ik het prachtig. Eindelijk gebeurde er iets bijzonders. Dat kon iedere vezel van mijn lichaam voelen.
Als ik met vrienden op ons voormalige schoolplein stond, probeerden we gesprekjes aan te knopen met de Duitse soldaten, maar door ons gebrek aan woordkennis kwamen we niet veel verder dat het stellen van wat simpele vragen. Of we bietsten een Winger. Een Winger was een metalen afbeelding van een vliegende vogel die door eenheden van de Duitse luchtmacht werden gedragen.
Soms proefden we ook van het eten uit de veldkeuken, of verwonderden we ons erover dat het Duitse brood zuur smaakte. Net als veel volwassenen kon ik nog niet bevroedden wat voor helse machine er achter dit Duitse leger bleek te staan.
Zo nu en dan moest ik van mijn vader toch maar wat huiswerk maken. Maar gelukkig niet al te veel. Zodat mijn vrienden en ik, als we waren uitgekeken op het Duitse gedoe in de buurt, nog tijd genoeg hadden om andere plezierige dingen te doen. Voetballen, slagbal, dieffie met verlos en andere spelletjes stonden op ons programma.
We beschouwden de eerste maanden van de bezetting als één heerlijke vakantieperiode. Maar goede tijden in een mensenleven duren zelden langer dan een paar maanden, en zo belandde er die winter een grote, bruine envelop in de brievenbus. De brief was afkomstig van de directeur van de HBS, en plechtig las mijn vader tijdens het avondeten de inhoud aan ons voor.
Die bleek een regelrechte ramp. Ik moest op korte termijn weer naar school. Het was begin 1941 en de leerlingen van de HBS aan de Mauritskade werden ingelijfd bij, of liever gezegd ze werden ‘gastleerlingen’ van het deftige Vossius Gymnasium in Zuid.
Er was een regeling gemaakt die inhield dat de leerlingen van het gymnasium ‘s ochtends naar school moesten en wij ‘s middags. En om de veertien dagen zou dit rooster worden gewisseld.
Dat het aantal uren dat we naar school moesten, tegelijk werd teruggebracht, was vergeleken daarmee maar een schrale troost. Het feit bleef dat ik weer naar school zou gaan, en weer pakken met huiswerk moest doorwerken. Het eind van een onbezorgd, vrij leventje was nabij.
Maar als een brave jongen aanvaardde ik mijn lot. Wat kon ik anders? Ook mijn vrienden moesten eraan geloven, en dapper stapten wij over de teleurstelling heen.
Maar toch…! Was er iets met ons gebeurd? Of lag het aan de nieuwe omgeving van het deftige gymnasium? In ieder geval was er iets veranderd, en we zullen wel nooit weten waar dat precies door kwam. Al spoedig drong tot mij door dat de Duitse bezetting ook minder prettige kanten had.
Steeds meer dingen werden nu ook schaars. Vrijheden waaraan ik gewend was, werden beknot, en gaandeweg begon ik steeds meer een hekel te krijgen aan de soldaten van het Duitse Rijk.
Dat werd natuurlijk ook beïnvloed door de gesprekken bij ons thuis. Met mijn vrienden bepaalden we gaandeweg een nieuwe houding tegenover de Moffen, en we werden het er over eens dat het hun schuld was dat wij bepaalde dingen niet meer konden krijgen en veel leuke dingen niet meer konden doen.
Naarmate de tijd verstreek en ik dingen beter kon bevatten, beving mij zelfs een gevoel van walging bij het zien van Duitse soldaten.
(…)
Er veranderde meer in ons leven. De ramen moesten worden afgeplakt met stroken gegomd papier zodat bij een luchtaanval de glasscherven geen ongelukken konden veroorzaken, en de huizen moesten worden verduisterd zodat er er geen enkel licht meer uit naar buiten kwam. Vanuit de lucht mocht Amsterdam niet meer zichtbaar zijn en in elke huiskamer werd al het mogelijke gedaan om het licht binnenskamers te houden.
Wat daar niet allemaal bij kwam kijken!
Regelmatig werden er nu ook luchtbeschermings-oefeningen gehouden. Dan dirigeerde mijn vader ons naar de kromming van de trap. Dat zou volgens de statistieken de meest veilige plaats in ons huis zijn. En hier wachtten wij dan de harde sirenetoon af die het monotone signaal gaf dat alles weer veilig was.
Toen pas hoorden we de eerste geruchten over wat er werkelijk gaande was. Er gingen steeds meer verhalen over mensen die door de Duitsers waren opgepakt om naar Duitsland te worden weggevoerd en gedwongen werkzaamheden te gaan verrichten in de oorlogsindustrie.
Volgens andere geruchten belandden er ook mensen in zoiets afgrijselijks als concentratiekampen, en zouden vooral de joden het daar moeten ongelden.

De memoires van Rein Mulder waaraan dit fragment is ontleend, zijn in 2016 uitgegeven door zijn kinderen Rein en Hanneke Mulder onder de titel ‘Een Amsterdamse jongen in oorlogstijd 1940-1945’. Uitg. Nabij Producties.     

 

Geef een reactie