Steeds rooier of steeds rechtser – De Tamar-columns van Renate Rubinstein

Renate Rubinstein: werk in uitvoering

Door Reinjan Mulder
Recensie van: Renate Rubinstein, Namens Tamar, Met verschuldigde hoogachting, Jood in Arabië, Goi in Israël, Sta ik toevallig stil – Tamarkolommen en andere berichten. Uitg. Meulenhoff, 1993, 842 blz. 
In de zomer van 1963 schreef de toen 33-jarige Renate Rubinstein in het weekblad Vrij Nederland een column over de ziekenverpleging. Zoals op de eerste bladzijde van haar nu verschenen Verzameld Werk, deel 1 is na te lezen, was dat een sympathiek en grappig stukje. Ze vertelt hoe een vriend vakantiewerk doet in een ziekenhuis en daar op het vooroordeel stuit dat boenen en verzorgen vrouwenwerk is. Rubinstein noemt dat “kinderachtig’. Ze vindt schoonmaken juist een hele mooie bezigheid en ze ziet niet waarin het verschilt van de meeste mannenberoepen. Schoonmaken, schrijft ze opgewekt, geeft de schoonmaker de gelegenheid om na te denken. Het is goed voor zijn scheppende vermogens.
Eén van de laatste stukken uit de nu verschenen verzamelbundel, daterend uit 1973, gaat eveneens over de verpleging. Maar meteen valt er een verschil op. In de tien jaar die sinds het grappige stukje uit 1963 zijn verstreken, is de schrijfster haar goede humeur volledig kwijtgeraakt. In 1973 deugt er niets meer van de verpleging. Met de artsen is alles mis, de verpleegsters doen maar wat, het ziekenhuis deugt van geen kant, ja, zelfs op de mede-patienten is nog heel wat aan te merken.
Wat is er in die tussenliggende tien jaar met de schrijfster gebeurd?
Ik weet dat wel, maar het gekke is dat je daar op grond van de nu verschenen bundeling van Rubinsteins eerste vijf boeken niet achter komt.
Wat alleen duidelijk wordt, is dat de schrijfster inmiddels zelf patiënt is geworden, ze heeft in die tussentijd veel gereisd, veel gepraat en veel geschreven, ze is twee keer terug in Israël geweest, ze is de nodige keren verliefd geworden,  en in 1973 maakt ze toespelingen op een boedelscheiding. Maar voor wie op het boek is aangewezen, blijft het gissen.
Dat je verder nergens achter komt in deze bundel, is erg jammer, temeer omdat ook de uitgever niets heeft gedaan om de latere lezers wijzer te maken dan ze misschien zijn. Het boek mist een flaptekst, er is geen inleiding, geen nawoord, en er zijn geen verklarende aantekeningen of noten toegevoegd.
Het enige wat de lezer van nu nog te lezen krijgt is dat de selectie die Rubinstein zelf maakte van haar stukken uit Vrij Nederland, precies dezelfde selectie is die de lezers in respectievelijk 1964, 1966, 1970, 1973 en 1988 kregen voorgezet.
Dat doet een zo degelijk opgezette reeks als deze geen goed. Bij Renate Rubinstein gaan veel stukken over actuele gebeurtenissen. Meestal zijn ze geschreven in de wetenschap dat de lezer, de lezer van toen, de schrijfster al kende en volgde.
Dertig jaar na dato gaat dat niet meer op. Er is inmiddels een groeiende groep lezers gekomen die niet precies meer weet wie de personen zijn die in het boek bij naam worden genoemd.
Belangrijker is nog dat wij nu soms ndere accenten zouden leggen dan toen. Onderwerpen die in hun tijd belangrijk waren, kunnen nu, terecht of niet, vergeten zijn. En andere thema’s kunnen weer belangrijker zijn geworden.
Wat nu in de twee stukken over de verpleging opvalt, is dat Renate Rubinstein het beide keren voor dezelfde groep opneemt: het lagere mannelijke ziekenhuispersoneel. Weten de patiënten volgens haar in 1963 de hulp van haar aardige werkstudent niet naar waarde te schatten, in 1973, als Rubinstein zelf patiënt is, worden de gastarbeiders die de vloeren boenen beklaagd. Blijkbaar leidt dat boenen bij hen niet tot meer creativiteit. Rubinstein ziet er eerder moderne slaven in.
Ook elders in het boek neemt Renate Rubinstein het bij voorkeur op voor de mannen. Ze heeft het niet zo op ‘de luipaardvrouwen achter het stuur, de balsemdruppelaarsters in de boutiques, de bridgende klessebessen met de gespoelde pruikebollen, de mevrouwen die op hun rechten staan en de poesjes die ze per flirt wel af zullen troggelen’.

Wat mij in de nu verschenen selectie nog het meest verbaasde, is het feministische geluid dat er uit opklinkt. Ik moet Renate Rubinstein in het begin van de jaren zeventig in Vrij Nederland zijn gaan volgen, en ik kan me niet anders herinneren dan dat haar meningen in die tijd ingingen tegen alles wat er uit de vrouwelijke hoek kwam. Uit de nu herdrukte stukken blijkt echter dat ze vóór die tijd nog een soort feministische periode heeft gekend.
Datzelfde gaat op voor haar houding tegenover links. Ik kan me de schrijfster alleen maar herinneren als een rechts iemand die met de jaren steeds rechtser werd. Maar in 1964, toen ik haar nog niet las, schrijft ze: ‘Ik ben in de loop der jaren steeds rooier geworden’.
Dat is wennen.
Het geeft, merk ik, ook aanleiding tot misverstanden. Als Rubinstein ergens schrijft dat haar mening over de oorlog in Vietnam enorm is ‘geradicaliseerd’, ga ik er automatisch van uit dat ze steeds pro-amerikaanser wordt. Dat blijkt een vergissing. Onder invloed van Amerikaanse intellectuelen keert ze zich aanvankelijk juist tegen de Amerikaanse inmenging in Vietnam, en dat verzet wordt die eerste jaren steeds sterker.
Het is dit element, de omslag van populair links naar dwars rechts, die de nu verschenen bundeling interessant maakt. Het laat zien hoe iemand zich omstreeks het midden van de twintigste eeuw kan ontwikkelen van een provo en anarchist tot de Carmiggelt-adept en hof-biografe die ze op het eind van haar leven werd.

Het nu verschenen eerste deel van het Verzamelden werk geeft op de vraag hoe dat precies in zijn werk gaat,  geen antwoord. Ik weet ook niet of dat in één van de volgde drie delen wel gebeurt. Renate Rubinstein heeft, voor zover ik weet, haar eigen ommezwaaien nooit echt tot thema gemaakt. We zien hoe haar ideeën in de loop der jaren veranderen, maar de oorzaak daarvan geeft ze, naar ik me herinner, niet prijs.
Heeft ze andere vrienden gekregen? Andere vijanden? Is ze andere kranten en boeken gaan lezen? Of was het de in dit eerste deel beschreven aankoop van een eigen huis, die haar steeds behoudender maakte?
De nu verschenen bundeling geeft in ieder geval een kleurig beeld van wat er in bepaalde kringen in de jaren zestig speelde. Renate Rubinstein heeft in haar columns van begin af aan altijd een zeer breed spectrum bestreken.
Misschien zou ze zelf ook wel heel gelukkig zijn geweest bij het idee dat het nageslacht geen duidelijk beeld van haar zou kunnen krijgen. Niet voor niets koos ze als titel voor haar vierde boek de bekende dichtregel ‘Sta ik toevallig stil’ van Jan Emmens:

Want een wiel,
dat draait. Ik niet,
ik stuntel op twee benen
en noem dat
Lopen,
Gaan.
Sta ik toevallig stil, dan heet dat
het standpunt dat ik inneem.

Naschrift: Deze recensie van Renate Rubinstein, Namens Tamar verscheen in iets andere vorm eerder in NRC Handelsblad van 30 juli 1993, onder kop ‘Luipaardvrouwen achter het stuur’.

Geef een reactie