Het Weense masker van Arnon Grunberg – De geschiedenis van Marek van der Jagt

Schliersee 1998. Reinjan Mulder ontmoet Arnon Grunberg alias Marek van der Jagt. Foto Claire Weeda – Bijzondere Collecties / Allard Pierson Museum

Twintig jaar geleden werd literair Nederland opgeschrikt door een opvallende, nieuwe schrijver die in één klap tot de voorste linies wist door te dringen: Marek van der Jagt. In het jubileumboek van De Geus (2008) beschreef Anneloes Timmerije hoe Arnon Grunberg en Reinjan Mulder in alle stilte hun geruchtmakende coup hadden voorbreid. Hier volgt haar tekst:
Door Anneloes Timmerije
‘Wie kent deze man?’ kopte het dagblad BN/De Stem in september 2000. De krant loofde een prijs uit aan degene die literatuurminnend Nederland het verlossende antwoord kon bezorgen. Maar de kans dat iemand de jongeling met het non-descripte gezicht zou herkennen, was miniem. Bovendien was de Amerikaan die zijn gezicht had geleend voor deze gelegenheid niet degene die wij wilden leren kennen – maar dat wist toen nog niemand. Wat lezers, en uitgevers, en krantenredacties wilden weten was: Wie is Marek van der Jagt?
`De manier waarop we De geschiedenis van mijn kaalheidin de markt hebben gezet, was een schoolvoorbeeld van hoe je een veelbelovende debutant pusht’, zegt Reinjan Mulder nu. `Alleen gaat dat meestal helemaal mis. Maar deze keer lukte alles, alles.’
Reinjan Mulder kende Arnon Grunberg al lang voor hij in maart 1998 van de krantenwereld overstapte naar uitgeverij De Geus. Hij kende de schrijver ook al voor die schrijver werd. Het moet rond 1992 zijn geweest dat Mulder, destijds literatuurredacteur van NRC Handelsblad, een persbericht aantrof over een nieuw opgerichte uitgeverij, genaamd Kasimir. De missie van de nieuwe uitgever was in het oog springend: `niet-arische literatuur’. Redacteur Lucas Ligtenberg werd erop uitgestuurd om de onbekende jonge uitgever te interviewen en zo leerde de redactie Arnon Grunberg kennen. Als uitgever. Later vroeg Mulder zijn medewerker Chris van Esterik nog een paginagroot stuk – de opening van het Cultureel Supplement – over een van Kasimirs eerste uitgaven te schrijven, een boek van Manès Sperber. Tijdens Vers voor de Pers vroeg Reinjan Mulder aan Grunberg of deze publiciteit nog iets voor de verkoop van het boek had gedaan. Die bleek verdubbeld: van zeventig naar honderddertig exemplaren.
`Dat schiep een band’, zegt Mulder.
Zijn tweede ontmoeting met Grunberg vond plaats op het Boekenbal van 1994. `Daar liep een klein jongetje rond met een zware bril, een beetje warrig. Hij zocht naar de mensen voor wie hij biertjes was gaan halen, maar die waren allang doorgelopen. Ik heb er toen een van hem gekregen.’

Reinjan Mulder overhandigt Arnon Grunberg in Wenen het eerste exemplaar van Marek van der Jagt’s ‘Gstaad 95-98’ (foto Martin Voigt)

Kort daarvoor had Mulder een voorpublicatie van Blauwe maandagen gelezen en in zijn rubriek `Boeken op komst’ voorspeld dat dit weleens de sensatie van het voorjaar zou kunnen worden. `Waarschijnlijk kreeg ik daarom dat overgebleven pilsje’, zegt Mulder.
Kort na zijn debuut schreef Arnon Grunberg een bijdrage in de bundel De olifant & het joodse probleem van Jessica Durlacher. `Dat boek had ik besproken’, zegt Mulder. `Daarop stuurde Grunberg een brief op poten naar de krant. Die vond ik zo goed dat ik er maar meteen een column van heb gemaakt. Vanaf dat moment is Arnon Grunberg blijven schrijven voor NRC Handelsblad.’
Inmiddels was er in het Literaire Supplement ook al een paginagroot stuk over Grunberg en Blauwe maandagen verschenen, met een foto van de auteur door Vincent Mentzel. `Die foto bleek moederlijke gevoelens op te roepen bij vrouwen. Sonja Barend en Hanneke Groenteman wilden hem allebei meteen in hun uitzending.’
Blauwe maandagen werd inderdaad het succes van 1994. De auteur vertrok naar New York, en nam Engelse les bij het Centrum voor Emigranten – als een arme sloeber in de Nieuwe Wereld. Daarover deed hij in `Brieven uit New York’ verslag in de krant.
`Sinds die tijd hebben we geregeld contact gehouden’, vertelt Reinjan Mulder. `Ik zocht hem weleens op in New York, en als hij in Amsterdam was, ontmoetten we elkaar daar.’

Rond de tijd dat De heilige Antonio verscheen, het door Grunberg geschreven Boekenweekgeschenk van 1998, nam Mulder afscheid van de krant om uitgever te worden bij De Geus in Breda. In de pers circuleerde toen het bericht dat Grunberg een dichtbundel wilde uitgeven bij Prometheus. `Ik heb Grunberg daarop een fax gestuurd met de mededeling: Volgens mij hoor jij bij Vic [van de Reijt, van Nijgh & Van Ditmar, at], maar als je toch een andere uitgever zoekt, kun je net zo goed naar De Geus komen.’
Dat wilde Grunberg wel, een boek maken met Reinjan Mulder, maar dan onder pseudoniem.

Geachte meneer Mulder

Het lijkt zo eenvoudig, zo passend bij de literatuur. Overal ter wereld bedienen schrijvers zich immers van een schrijversnaam, een pseudoniem, een nom de plume. Toch houdt iedere uitgever zijn adem in als een auteur aankondigt niet onder zijn eigen naam te willen publiceren, zeker als hij een bekend auteur is en zijn werkelijke identiteit geheim moet blijven. Anders ligt het als een schrijver bekend is bij het publiek, zoals bij Bernlef. Of Kader Abdolah, wiens echte naam (Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani) voor westerlingen moeilijk uit te spreken en te onthouden is. Maar zodra de persoon achter de gefingeerde naam niet bekend mag worden, hebben uitgevers een probleem. Want lezers en boekhandelaren willen weten wie de schrijver is, wat hij denkt, hoe hij eruitziet. Schrijvers zijn steeds meer publieke figuren geworden, zij mengen zich in het debat, of treden op als Bekende Nederlander. Zonder identiteit zijn de mogelijkheden voor publiciteit heel erg mager. Een auteur moet dan van goeden huize komen, wil de uitgever instemmen met zijn verzoek.
Grunberg kwam van goeden huize, en had bovendien goede redenen voor zijn verzoek. `Hij wilde zijn uitgever niet kwetsen. Hij dacht: dat doe ik gewoon tussendoor, en dat merkt niemand’, zegt Reinjan Mulder. Eric Visser, de enige die in het geheim werd gekend en aldus partner in crime, vult aan: `Arnon Grunberg had al een eigen publiek. Hij vroeg zich af of mensen zijn boeken kochten omdat zijn naam erop stond, of omdat zij het werk waardeerden. Het was voor hem ook een experiment.’
De making-of Marek van der Jagt kon beginnen.

Reinjan Mulder: ‘Hoe maak je een schrijver?’

Wat volgde was een jaar van zorgvuldig voorbereiden, plannen en bekonkelen. Grunberg koos de naam Marek van der Jagt, en samen met Reinjan Mulder werkte hij aan een personage. Grunberg in New York en Mulder in Breda. Zij schreven elkaar via de fax aan met `Geachte meneer Van der Jagt’ en `Geachte meneer Mulder’.
`Ik vervulde steeds de rol van de interviewer’, zegt Reinjan Mulder. `Ik wilde weten hoe oud hij was, en wat hij deed, wat zijn achtergrond was. Hij leed honger, werkte in een broodfabriek in Wenen, kreeg ik als antwoord. Maar hoe kan het dat hij in Wenen woont en toch Nederlands spreekt en schrijft? vroeg ik.
‘Zo gingen die faxen heen en weer. Om te voorkomen dat het project zou uitlekken, moest dit alles verborgen blijven voor de andere collega’s op de uitgeverij. Soms liet ik een “normale” fax, bijvoorbeeld over de onderhandelingen over het voorschot van Van der Jagt, expres ergens liggen waar iedereen het kon zien. Het mocht niet te geheimzinnig worden. Marek van der Jagt bestond, en dat moest zo blijven.’
Mulder en Grunberg gingen zelfs zover dat zij tijdens een verblijf in het Duitse Schliersee ansichtkaarten naar de uitgeverij stuurden, getekend door Van der Jagt, met de boodschap: `We zijn hard aan het werk.’
`Ik geloof dat sommige collega’s bij De Geus vonden dat er wel heel erg veel werk werd gemaakt van deze totaal onbekende auteur’, zegt Reinjan Mulder.

Verzinsels moeten soms ook gestoeld zijn op realiteit. Grunberg zat met het praktische probleem dat hij nog nooit in Wenen was geweest, terwijl hij Marek van der Jagt daar had laten opgroeien. Dus bezocht hij de stad om onderzoek te doen voor de achtergrond van zijn personage en zijn boek. `Later hoorden we wel van mensen uit de stad dat hij allerlei dingen had beschreven die heel typisch waren voor Wenen’, zegt Reinjan Mulder. `Maar er zaten ook fouten in, en daardoor wist men dat hij geen echte Wener kon zijn.’

Pessoa

Terwijl Grunberg schreef en daarnaast stapje voor stapje met Mulder de persoon Van der Jagt gestalte gaf, bereidden de – onwetende – medewerkers van vormgeving, marketing en publiciteit de uitgave van het boek voor. Mulder en Grunberg moesten er in de tussentijd voor zorgen dat de auteur een gezicht had. Een foto van een toevallige Nederlander volstond niet. De kans dat iemand die zou herkennen, was te groot. Grunberg kwam op het idee de broer van zijn vroegere vriendin daarvoor te vragen. Die woonde veilig ver weg, in Californië.
`Omdat het boek de toon had van een autobiografie, wilde ik een Privé-domeinachtige omslag’, zegt Mulder. `Ik vond een mooie foto in de biografie van Pessoa. Het was een opname uit 1900. Pessoa droeg van die hoge schoenen. Dat vond ik wel passen bij Marek van der Jagt.’

Alle, niet geheime, inspanningen van de uitgeverij waren gecentreerd rond de vraag: Hoe push je een debutant; hoe gaan we meneer Van der Jagt beroemd maken? Een beproefd middel is voorpublicatie. `Ver voor De geschiedenis van mijn kaalheid verscheen, hebben we een bloemlezing uitgegeven met het werk van jonge, aankomende auteurs bij De Geus, waaronder een fragment uit het debuut van Van der Jagt. Het viel bijna niemand op. Alleen in het blad Bijeen, een voormalig missieblaadje, zat een criticus die zijn werk deed. Hij schreef: “Dit is zó ontzettend goed!”‘
`Vlak voor het boek uitkwam stuurden we ook twee fragmenten naar Het Nieuwe Wereldtijdschrift (NWT) en De Gids‘, zegt Mulder. `Beide bladen publiceerden ze, en nergens kon je uit afleiden dat men bedenkingen koesterde.’
Reinjan Mulder raadde Marek van der Jagt aan ervoor te zorgen dat mensen zijn naam leerden kennen voor het boek uitkwam. `Zoals je dat altijd doet bij debutanten. Je adviseert aankomende schrijvers zich in het debat te mengen, stukken in kranten te schrijven. Arnon Grunberg schreef vervolgens een stuk over Proust in NRC Handelsblad. Marek van der Jagt heeft dat meteen flink aangevallen.’ Dat viel op.

Arnon Grunberg of Marek van der Jagt?

In enkele recensies over De geschiedenis van mijn kaalheid werd wel gezegd dat het Grunbergachtig was, maar dat Grunberg een betere schrijver was. Argwaan was er nog niet. Wilfred Takken (NRC Handelsblad) zei tegen de fotoredactie: `Zet er maar een foto bij van Grunberg, want daar lijkt het op, maar dan van mindere kwaliteit.’
Daardoor moet toch het zaadje van twijfel tot ontkiemen zijn gekomen, want binnen de kortste keren wilde de gehele literaire pers weten wie er schuilging achter Marek van der Jagt. Dat een debutant met dergelijke kwaliteiten zomaar uit het niets kon komen, weigerde men te geloven. De geschiedenis van mijn kaalheid zorgde voor een buzz in de media die iedere uitgever en iedere auteur zich zou wensen. Literaire en nieuwsredacties sloegen aan het speculeren en wezen in de richting van Arnon Grunberg.
De vragen van de pers aan de uitgeverij leverden niets op. Reinjan Mulder en Eric Visser ontkenden, zij waren immers gebonden aan hun afspraak met de auteur. Natuurlijk werd Arnon Grunberg ook door iedereen gebeld, maar daar vingen zij eveneens bot. Zijn standpunt was: als je een spel speelt, moet je het volhouden.

Anton Wachterprijs 

Maar Arjen Fortuin van NRC Handelsblad deed iets slims. Hij toog naar de systeembeheerder van de krant, en die ontdekte dat de mails van Van der Jagt uit de tijdzone van New York kwamen.
Mulder bleef ontkennen. `Het pseudoniem was een verzoek van de schrijver, daar moet een uitgever zich aan houden. Wij gingen gewoon door met de campagne: we gaven stapels boeken weg op Vers voor de Pers. Martin Ros kwam langs, en ik drukte hem op het hart dit boek vooral snel te lezen. Ros bleek toen in de jury van de Anton Wachterprijs te zitten. Naar verluidt heeft hij na lezing meteen gezegd: “Dit moet de winnaar worden”‘, vertelt Mulder.
Niet lang daarna kondigde Arjen Fortuin aan dat hij zijn ontdekking ging publiceren. De uitgeverij was toen juist op de hoogte gebracht van een blije tijding: de jury van de Anton Wachterprijs had Marek van der Jagt als winnaar voorgedragen aan de Vestdijk-kring. Mulder: `Ik heb toen tegen NRC Handelsblad gezegd: Als jullie de publicatie nog één dag uitstellen, wordt het een veel spectaculairder verhaal.’
Zo geschiedde.

Doordat de auteur en zijn uitgever bleven volharden, kon Van der Jagt zijn prijs niet persoonlijk in ontvangst nemen. Heel even circuleerde het idee om de broer van Grunbergs vroegere vriendin te sturen, maar het was overduidelijk dat de jury hem om zijn paspoort zou vragen. Van der Jagt liet per mail weten geen Ausweisste zullen tonen.
De Anton Wachterprijs werd niet uitgereikt. Mieke Vestdijk vond dat de uitgeverij te kwader trouw had gehandeld door Grunberg in te sturen. Mulder: `Ik heb het toen al vaak gezegd, en ik zeg het nu weer: De Geus heeft het boek níét ingestuurd.’

Niemand had kunnen voorspellen wat Marek van der Jagt teweeg zou brengen. `We hadden er rekening mee gehouden dat we misschien maar drieduizend boeken zouden verkopen als de ware identiteit niet zou uitkomen. Maar dat was all in the game‘, zegt Mulder.
Van De geschiedenis van mijn kaalheidzijn sindsdien eenenveertigduizend exemplaren verkocht. Grunberg kreeg, voor een deel, antwoord op zijn vraag of lezers zijn boeken kochten voor zijn naam of voor de inhoud. In Nederland gingen er van Marek van der Jagt minder exemplaren over de toonbank dan van de boeken van Arnon Grunberg. In Duitsland, waar Grunberg nog niet zo’n grote bekendheid had, was De geschiedenis van mijn kaalheid echter het eerste boek van Grunberg dat succes had.

Gstaad 95-98

Van der Jagt was bedoeld als eenmalige actie, maar toen kwam Gstaad 95-98. `Grunberg hield vol, en wij ook’, zegt Mulder. Marek van der Jagt was uitgegroeid tot een soort gezelschapsspel voor lezers en critici. Iedereen wist eigenlijk wel wie zich schuilhield achter het pseudoniem, maar men speelde mee omdat het zo leuk en zo anders was. Bij de publicatie van Gstaad 95-98organiseerde De Geus een promotiereis naar Wenen, waaraan recensenten, boekverkopers en trouwe fans deelnamen.

`De NS waren toen net sponsor geworden van de CPNB’, zegt Reinjan Mulder, `en ze wilden flink meebetalen aan de reis. De “Van der Jagtexpress” kreeg een eigen wagon, en er gingen drie begeleiders mee. Alle deelnemers kregen een kamer in het Radisson SAS Hotel.’
Frederike de Raat, correspondente voor NRC Handelsblad te Wenen, werd voor die gelegenheid betrokken in het complot. Zij zette een route uit langs de bekende punten uit het boek: een juwelier, een bloemenwinkel, een café, een ijssalon, een Chinees restaurant en het huis waar Marek van der Jagt had gewoond. `Het was net een echte literaire reis’, zegt Mulder. `We liepen met een hele horde door de stad.’
Arnon Grunberg had aangeboden om in Wenen de `eerste Van der Jagtlezing’ te houden, waarin hij onder andere aandacht zou besteden aan de Habsburgse cultuur. De tekst van de lezing werd dezelfde dag gepubliceerd in NRC Handelsblad.
Het Parool publiceerde een week later op de omslag van pseen grote foto van de presentatie van de Duitse vertaling van De geschiedenis van mijn kaalheid in de Rode Zaal van het Weense stadhuis. Daarop was Grunberg te zien, met op de achtergrond een enorme kroonluchter.

`De bekentenis van Arnon Grunberg dat hij inderdaad Marek van der Jagt was, kwam op het achtuurjournaal’, zegt Reinjan Mulder, na zo veel jaren nog steeds breed grijnzend. `Primetime.’
De stunt van Marek van der Jagt oogstte niet alleen veel publiciteit, waardoor het tevoren gecalculeerde verkoopcijfer van drieduizend ruimschoots werd overschreden, hij bezorgde De Geus eveneens een zekere roem. Zover in de persarchieven valt na te gaan, viel er geen onvertogen woord over het feit dat literatuurminnend Nederland geweldig was gefopt, met uitzondering van Mieke Vestdijk. Voor de toen nog onbekende Annelies Verbeke was het zelfs een van de redenen haar manuscript van Slaap! naar de Bredase uitgever te sturen.

Werd eerder gepubliceerd in: Anneloes Timmerije, De wereld begint in Breda – Uitgeverij De Geus 1983-2008, Breda 2008, pagina 87-96. Met dank aan Anneloes Timmerije en uitgeverij De Geus.
Zie voor meer informatie over deze zaak: De geboorte van Marek van der Jagt. 

 

 

Geef een reactie