Je bent wat je zegt – Bij het lezen van Marco Balzano’s roman ‘Ik blijf hier’

Recensie van: Marco Balzano, Ik blijf hier. Vert. Edwin Krijgsman. Uitg. De Arbeiderspers, {rijs €19,99. .
Door Reinjan Miulder
Hoe belangrijk is een landschap voor de mensen die er wonen? De locatie, de plek, de fysieke verbinding tussen de bewoners, met hun huizen, hun wegen, hun velden. In de verrassende roman Ik blijf hiervan de Italiaanse schrijver Marco Balzano (1978) maken we kennis met zo’n geliefde plek: een meerdal in Zuid Tirol, niet ver van het drielandenpunt tussen Oostenrijk, Zwitserland en Italië, dat onder water dreigt te verdwijnen door de bouw van een stuwdam.
‘Onze dorpjes zouden worden begraven onder het water,’ heet het in het begin van het boek. ‘De boerderijen, de kerk, de werkplaatsen, de weiden waar de dieren graasden: alles onder water.’ Door de stuwdam zouden de inwoners hun huizen, hun dieren en hun werk kwijt raken, waardoor er niets meer ‘van ons’ overblijft.
Met dat dubbelzinnige ‘van ons’ wordt al meteen de grondigheid van de vernietiging geaccentueerd. Niet alleen zal er na de bouw van de stuwdam niets meer overblijven van wat ‘van ons’ was, de bezittingen, ook de bewoners zelf zouden kunnen verdwijnen. In ieder geval verdwijnen de mensen zoals ze nu zijn.
In Ik blijf hier is de plek waar mensen wonen zo goed als alles voor de ouderen. De dorpen in het dal zorgen voor hun inkomsten, ze zijn de basis voor hun herinneringen, en ze geven hun vertrouwen in hun toekomst, en daarmee in henzelf, hun identiteit, in wie ze zijn – of in ieder geval denken te zijn. Als hun dorpjes eenmaal onder het water zijn verdwenen, kunnen ze misschien nog ergens anders verder leven, maar dan niet meer als zichzelf. Met de plek waar ze zijn opgegroeid, net als hun ouders en grootouders, zullen ook zijzelf verdwijnen, en worden ze onvermijdelijk iemand anders.

Het is een stellingname waar het nodige tegen in te brengen is. Ook in Nederland komen er mensen vaak in het geweer tegen nieuwe wegen door hun dorp, tegen windmolens in de wei en het kappen van oude bomen. Het antwoord op hun protesten is dan meestal een verwijzing naar de economie, die om verandering vraagt, en om vooruitgang. In het meerdal uit het boek is dat niet anders. Er moet een nieuwe fabriek worden gebouwd, en daarvoor is elektriciteit nodig.
Maar daarnaast speelt nog iets anders: de strijd tussen de grootmachten. Ik blijf hier speelt zich af in de jaren dertig en veertig, als het Duitstalige Tirol is toebedeeld aan Italië, en als daar de fascisten van Mussolini aan de macht komen, proberen zij de streek die vroeger in de dubbelmonarchie lag te italianiseren. Scholen moeten voortaan in het Duits gaan les geven, met het gevolg dat er clandestiene scholen ontstaan om de oorspronkelijk gesproken taal in stand te houden.
Als daarna in Duitsland de nationaal socialisten de macht overnemen, komen vooral veel jongeren in de ban van hun geloof in een nieuw groot rijk vol vooruitgang. De strijd tussen hen en hun ouders levert daarna de achtergrond voor het verhaal dat wordt verteld. In Duitsland kunnen ze weer de taal spreken waarin ze zijn opgegroeid, en maken ze wellicht weer deel uit van een wereldrijk in wording.

De spanning die dat oplevert, wordt mooi verwoord door Trina, een vrouw die aan het begin van de vorige eeuw in een van de drie dorpjes aan het meer is geboren. Ze heeft daar haar man, gevonden, een boer, ze is uit gewoonte met hem getrouwd en samen met hem heeft ze twee kinderen gekregen. Maar tot haar verdriet gaat haar dochter op een nacht met haar familie mee naar Duitsland, terwijl haar zoon zich vrijwillig voor de Wehrmacht aanmeldt. Zij kiezen voor de vooruitgang die Duitsland belooft, het land waar bovendien nog hun taal wordt gesproken.
Ook voor hun moeder is die taal van wezensbelang. Zij is niet voor niets in het boek de vrouw van het woord. Zij weet alles te verwoorden. Ze geeft les op de plaatselijke school, en als die op het Italiaans overgaat zoekt ze emplooi bij een clandestiene school waar nog Duits wordt onderwezen. Ze leest en schrijft de moeilijke brieven voor de mensen in haar dorp, waardoor ze meer doorziet dan anderen, en zij weet in haar relaas onder woorden te brengen hoe iedereen de veranderingen in het dorp ondergaat: de oorlog die over Europa trekt, de teloorgang van de traditionele landbouw, het uitvliegen van de jeugd en het verbod om voortaan nog Duits te praten.
Twintig jaar lang is haar Zuid-Tiroler dorp een speelbal voor de Italiaanse en Duitse machthebbers, totdat uiteindelijk na de oorlog de stuwdam wordt afgemaakt. Door het dorp onder water te zetten, zullen de bewoners hun huizen uit moeten en hun hechte sociale structuur verliezen, waardoor voor het naoorlogse bestuur des te makkelijker te manipuleren zijn.

Ik weet niet of ik de strekking van de roman helemaal onderschrijf. Mijn ervaring is dat je je ook goed ontwikkelen kunt door je ouderlijk huis te verlaten en elders in de wereld je weg te vervolgen. Als de dochter uit het boek haar ouderlijk huis verlaat, is haar moeder ontroostbaar, maar we zullen nooit weten of zij het daardoor niet beter krijgt.
Ook weet ik niet zo zeker of je je altijd tegen de komst van stuwdammen moet verzetten, wanneer de energievoorziening in je regio in de knel komt. In het boek wordt de dam als iets overbodigs voorgesteld, bedacht door mensen van elders die geen gevoel hebben voor wat er onder de bevolking leeft. In een tijd van zonnepanelen en windmolens zou je ook wel wat sympathie kunnen voelen voor ondernemers en technici die alternatieve energiebronnen aanboren.
Maar juist die dilemma’s maken dit boek zo interessant. Zelden heb ik het pleidooi voor het eigene van een streek zo mooi verwoord gezien, met zoveel aandacht voor de verschillende sentimenten die daarbij komen kijken. En dat het verlies van je eigen taal je noodlottig kan worden, spreekt me in deze tijd van gedwongen verengelsing wel degelijk aan.
Als vreemde (of eigen) mogendheden op het idee komen om je van bovenaf een andere taal op te leggen dan die waarin je geboren bent, ontnemen ze je soms het belangrijkste wat je hebt: de mogelijkheid om je uit te drukken, en daarmee om te zijn wie je bent.

De recensie van Marco Balzano, Ik blijf hier verscheen eerder op de literaire website Tzum.

 

Geef een reactie