‘Opgeruimd staat netjes’ – Schilder en schrijver Armando op bezoek bij de Universiteit van Amsterdam

ssersimg_1072Door Reinjan Mulder
Wat betekent de uitdrukking ‘Opgeruimd staat netjes’? Is daar ook een Duitse uitdrukking voor? En wat bedoelde de schrijver Armando toen hij dit zinnetje achteloos liet volgen op zijn mededeling dat alle SS’ers die hij (samen met Hans Sleutelaar) in 1967 voor het boek De SS’ers had geïnterviewd nu dood en begraven zijn? In het (Duitstalige) dinsdagmorgencollege Kulturelle Beziehungen Deutschland Niederlande aan de Universiteit van Amsterdam waarbij ik aanwezig was, leidde het zinnetje onder de studenten tot uiteenlopende speculaties.
Was meint der Schriftsteller? Is het een vorm van ironie? Of is het de schrijver ernst, en vindt hij echt dat elke SS’er maar beter dood kan zijn?
Over de achtergronden van zijn nog altijd geruchtmakende boek had Armando de studenten tijdens zijn gastcollege al verteld dat hij in de oorlog als schooljongen eerst nog een fysieke afkeer had gehad van die mensen die hij wel eens door zijn woonplaats Amersfoort zag marcheren, en ‘die Hollands praatten in Duitse uniformen’. Hij begreep niet hoe ze hun leven voor hun kennelijke idealen in de waagschaal konden stellen.
Volgens Armando moest het een soort geloof zijn geweest dat ze hadden, dat nazisme, al wist hij niet zo zeker wat de SS’ers dachten wanneer ze ‘s nachts droomden. ‘Mensen willen graag weten waarom ze leven,’ zo was zijn conclusie geweest. Ze willen daarvoor als enige levende wezens een reden hebben, en voor die reden brengen ze elkaar dan soms om het leven.
Maar wat die reden dan was bij de Nederlandse SS’ers, dat wist hij niet, zo kort na de oorlog. Daarom hadden Hans Sleutelaar en hij het plan opgevat om het dan maar aan henzelf te vragen. Niet om ze recht te doen, maar ‘uit nieuwgierigheid.’
Dat bleek wat minder eenvoudig dan ze hadden gedacht. Het had hun alleen al een jaar gekost om het vertrouwen van een aantal oud SS’ers te winnen, en hen tot medewerking aan hun boek te bewegen. Ten slotte kon dat alleen maar door hun duidelijk te maken dat ze zelf geen commentaar zouden toevoegen aan de uitspraken die de SS’ers in de interviews deden.

Maar, nogmaals, hoe is die registrerende, documenterende houding dan te rijmen met Armando’s opmerking tijdens het college dat opgeruimd netjes staat? Dat blijft ook de week daarop nog de vraag.
Was Armando bij het schrijven van het boek door meer dan alleen nieuwsgierigheid gedreven?
Zou die nieuwsgierigheid een doodswens niet in de weg moeten zitten?
Volgens Britta Bendieck, de inspirerende docente van het college die aan een proefschrift over Armando werkt, is kenmerkend voor de schrijver dat hij graag met ambivalenties speelt. Toen hij in haar college te gast was, had dat al tot meer intrigerende uitspraken geleid.
Was dat misschien ook de reden geweest dat openlijke confrontaties met de studenten uitbleven?

Bij de evaluatie, de week daarop, blijken de studenten vooral getroffen door Armando’s open, weinig betweterige houding. Had hij ons meteen al aan het begin niet duidelijk gemaakt dat hijzelf ook vaak geen antwoord heeft op de vragen die hem worden gesteld, zodat hij moeilijk met de studenten van mening kon verschillen?
Armando stelde ook zichzelf vaak vragen, zo had hij gezegd, en daarop krijgt hij ook geen antwoord, gelukkig: ‘Ik ben blij dat er nog altijd raadsels bestaan waar we geen antwoord op weten. Ik ben ook blij dat ik nog steeds zo weinig van de Umwelt begrijp. Waarom maak ik steeds van die idiote schilderijen? Geen idee. Waarom schrijf ik die rotzooi, dat is toch onzin? Toch doe ik het.’

Armando was in het college over de Culturele betrekkingen tussen Nederland en Duitsland uitgenodigd omdat de schrijver als weinig anderen in de jaren tachtig heeft bijgedragen aan het wederzijds begrip tussen Duitsland en Nederland. In 1979 had hij als beeldend kunstenaar een DAAD-beurs voor een verblijf in Berlijn gekregen, waar hij achteraf  gezien aan een nieuwe fase in zijn werk was begonnen. Maar toen hij op hetzelfde moment ook nog een column in NRC Handelsblad kreeg over de stad en haar bewoners, werd die zo mogelijk nog populairder dan zijn beeldende werk. Ik kan dat  uit eigen waarneming bevestigen want ik was in die tijd als eindredacteur van het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad zijn vaste aanspreekpunt op de krant. Ik kan me nog goed onze tweewekelijkse gesprekjes herinneren als ik hem had verteld dat zijn stuk weer goed was aangekomen en bij ons in de smaak viel. ‘Dat moet ik natuurlijk weer meemaken,’ was dan een van zijn vaste uitdrukkingen, als hij ergens in de stad weer eens een verdwaasde, oude Duitser had ontmoet die hem over de oorlog had onderhouden.
Na afloop van het college had Armando mij in het naastgelegen Zeezicht bij een uitsmijter ham en een kop koffie nog verteld dat hij die column in NRC Handelsblad aanvankelijk alleen maar had gekregen op voorwaarde dat hij niet over de oorlog zou schrijven. ‘Ik schrijf alleen maar over de oorlog,’ had hij  daarop geantwoord. Waarna adjunct-hoofdredacteur Max van Rooy hem lachend had laten weten dat dat natuurlijk ook goed was.
Of geen oorlog of alleen maar oorlog.

Wat dat schrijven over de oorlog betreft, heeft Armando in ieder geval woord gehouden.
Van de studenten van nu kennen maar weinigen het effect van zijn stukken ‘Uit Berlijn’ (1979-1989) uit eigen ervaring, maar zijn optreden tijdens het college heeft dat gemis meer dan goed gemaakt. Armando is ondanks zijn 87 jaar nog altijd uitstekend in vorm. Onvermoeibaar geeft hij op elke vraag antwoord. Zo vertelt hij uitvoerig hoe hij bij het maken van zijn schilderijen te werk gaat: altijd naar thema’s, nadat hij eerst met ballpoint heel veel schetsen heeft gemaakt. ‘Af en toe dringt zich dan een schets op die geschilderd wil worden.’
Eenzelfde Schaffenszwang zou Armando ook bij het dichten overkomen. ‘Ik doe het liever niet,’ zegt hij tegen de studenten. ‘Het liefste doe ik niets, maar de gedichten komen. Ze dienen zich aan, en dan ga ik door tot ik tevreden ben.’

Bij de evaluatie de week daarna zijn veel studenten onder de indruk van de open houding van de schrijver. Armando blijkt, anders dan veel leeftijdgenoten, absoluut niet vooringenomen te zijn.
Hij weet zelf ook vaak niet hoe het zit. Hij wilde het vreemde, het onbekende onderzoeken, zonder daarbij met eigen meningen te komen.
Maar waar komt dan zijn opmerking over al die dode SS’ers vandaan dat ‘opgeruimd’ ‘netjes’ staat? We komen er niet helemaal uit.
Voor de zekerheid kijk ik na afloop mijn eigen aantekeningen van de 11de oktober nog maar eens door. Dan zie ik dat hij het bewuste zinnetje heeft laten volgen door een tweede, al bijna net zo clichématig zinnetje: ‘Dat mag je niet zeggen, natuurlijk.’
Britta Bendieck heeft gelijk gehad. Armando houdt van meerstemmigheid, zo heeft ze ons verteld. Zijn specialiteit is om met ambivalenties te spelen.

 

Geef een reactie