Terug naar Pforzheim – op zoek naar de Amsterdamse diamantslijper Albert Canté

foto

Suus en Mien (r.) Canté aan de piano

Door Reinjan Mulder
Pforzheim, ik kon me niet herinneren de naam ooit eerder te hebben gehoord, tot mijn moeder overleed en ik in haar trouwboekje ‘Pforzheim – Dld’ tegenkwam als de plaats waar haar grootvader van moederszijde geboren zou zijn.
Ik had die grootvader, Albert Canté, nooit gekend. Hij werd in 1875 in Duitsland geboren, weet ik nu, kwam in 1897, 22 jaar oud, naar Amsterdam en overleed daar in 1943, twee jaar voor mijn moeder trouwde en zes jaar voor ik geboren werd. Als kind van de jaren zestig was ik nooit zo in mijn voorvaderen geïnteresseerd geweest. Wat telde, was wie je zelf was. Het enige wat ik tot dan toe van mijn overgrootvader wist, was dat hij diamantslijper en dansleraar was geweest en op de Weesperzijde woonde, vlak bij waar ik nu woon. Vanwege zijn naam was ik er altijd vanuit gegaan dat zijn familie uit Frankrijk kwam, Hugenoten misschien, of anders uit België.
Bij mijn moeders dood vond ik in haar nalatenschap ook nog een fotootje van haar moeder als kind, mijn oma Suus Canté, en haar zusje Mien. Het moet ergens aan het begin van de twintigste eeuw in hun ouderlijk huis zijn gemaakt. De meisjes zijn beeldig aangekleed, in witte jurken met plooien en ruches, en mijn moeders tante, de latere pianiste Mien Kuyper-Canté, zit vol zelfvertrouwen aan de piano. Een teken dat de familie tot de wat betere kringen moet hebben behoord. Paupers hadden geen piano in die dagen, en woonden ook niet aan de Weesperzijde in Amsterdam.

Ik was de naam Pforzheim al bijna weer vergeten toen wij deze zomer besloten naar het Duitse Kurort Baden-Baden te gaan, en meteen een nieuw stuk van de ‘Westweg’ te lopen. De Westweg is een romantische, eeuwenoude wandelroute die dwars door het Zwarte Woud loopt, van Pforzheim, achter Baden-Baden langs, via de Feldberg naar Basel. Waarom zouden we niet eerst naar Pforzheim gaan, en daar onze wandeling beginnen? Volgens een gidsje waren er een paar interessante musea in het oude Duitse bergstadje. Vol goede moed namen we de trein naar Basel, en ergens onderweg, in Karlsruhe, stapten we over op een grappig, lokaal treintje dat ons slingerend mee de bergen in nam. Eindelijk zou ik zien waar mijn grootmoeders familie vandaan kwam.

Het werd een kennismaking die ik nog lang zal heugen. Op het eerste gezicht is er aan Pforzheim weinig te beleven. Een snelle Duitse bus bracht ons naar de beboste rand van de stad, waar ik op internet een voormalig Luftkurort had gevonden dat nog altijd als hotel dienst deed en onderweg kwamen we door het drukke centrum van Pforzheim, dat uit brede, rechte winkelstraten leek te bestaan die ons maar weinig aantrokken.
Daarna besloten we vanuit ons recent gerestaureerde Luftkurort de stad te verkennen. De kans dat ik hier ooit nog eens terug zou komen was klein. Er zijn in het Zwarte Woud leukere plaatsen om je vakantie te beginnen, ik moest nu mijn kans grijpen en nog snel iets van m’n roots, mijn Duitse Wurzeln, zien terug te vinden.
Over een heuvel ten zuiden van de stad waar een paar mooi opgeknapte Jugenstilvilla’s stonden, daalden we af, Pforzheim in, maar dan… Wat een deceptie! Waar bleef de stad? De hele binnenstad bestond uit weinig meer dan de saaie, rechte straten met grote, goedkope modehuizen en supermarkten die we al eerder uit de bus hadden gezien, de een nog lelijker dan de andere. Het kostte nog de grootste moeite om ergens een enigszins dragelijk restaurant te vinden.
Via mijn iPhone kwam ik er die avond achter waarom de stad zo tegenviel. Op 23 februari 1945, nog geen drie maanden voor het eind van de oorlog, toen Hitler al zo goed als verslagen was, hadden 379 vliegtuigen van de Engelse Royal Air Force een massale luchtaanval op het stadje uitgevoerd die als een van de zwaarste bombardementen op een civiele bevolking ooit de geschiedenis in zou gaan. Daarbij vielen nog net niet zoveel doden als in Hamburg (25.000) of Dresden (40.000), maar die steden waren dan ook aanzienlijk groter. In verhouding werden in één nacht waarschijnlijk nergens in Europa zoveel burgers gedood als die 23ste februari in Pforzheim. Van de 60.000 inwoners die de stad die dag telde, waren er na een luttele 22 minuten nog maar 42.000 over. De andere 18.000 waren in één klap door bommen, vuur en vallend puin gedood.

In Pforzheim is nog maar weinig te zien dat herinnert aan de aanval die de stad in 1945 bijna een derde van zijn inwoners kostte. Het centrum is weer aardig vol gebouwd, al zijn de straten waarschijnlijk stukken breder dan vroeger. Er is alleen nog een groot, leeg plein dat naar de datum van de aanval is vernoemd. In een paar zinnen staat daar op een klein bordje dat hier op 23 februari 18.000 mensen zijn omgekomen.
En dat is het dan. Waarom dat gebeurde, wie het waren, en wie er  verantwoordelijk voor waren, daarover wordt diplomatiek gezwegen.
Kennelijk zijn de mensen die de herinnering aan de grootste ramp uit hun geschiedenis levend willen houden het tot op de dag van vandaag niet eens geworden over de bewoordingen daarvan.

Op internet vind ik na enig zoeken meer informatie over de achtergronden van het bombardement. Pforzheim, lees ik, was al sinds de Middeleeuwen befaamd als de Zuid-Duitse stad van edelsmeden en klokkenmakers. De stad van de Schmuck. Dat verklaart meteen waarom mijn diamanten slijpende overgrootvader nu juist hier vandaan moest komen. Hier moet hij zijn vak hebben geleerd. Maar de Schmuck-industrie zorgde meteen ook voor de ondergang van Pforzheim. De geallieerden vermoedden in 1945 – waarschijnlijk terecht – dat veel sieraadmakers op de productie van ontstekingsmechanismen waren overgeschakeld. Op de oorlogsindustrie dus, en dan niet in grote fabrieken aan de rand van de stad die met een paar zware bommen weggevaagd zouden kunnen worden, maar in honderden, kleine werkplaatsen, die over de hele stad verspreid lagen. Reden genoeg, zo wordt nu aangenomen, voor een totaal, alles en iedereen vernietigend bombardement op de oude, Middeleeuwse stad.

De Duitse schrijver W.G. (‘Max’) Sebald (1944-2001) is vreemd genoeg een van de weinigen die lang na de oorlog weer aandacht hebben besteed aan het enorme bombardement op Pforzheim. In zijn postuum verschenen Luftkrieg und Literatur (2003) laat hij met een klein fotootje zien hoe in de stad zelfs in 1950 nog vele houten kruisen op de puinhopen stonden.
Het moet het er in dat jaar ook nog steeds vreselijk gestonken hebben: ‘Maar kennelijk,’ schrijft Sebald,  ‘is dat niet doorgedrongen in het sensorium van de overlevenden die nog steeds op de plaats van de ramp leefden’. Waarna hij Hans Magnus Enzensberger citeert, en Alfred Döblin, die in 1945 had gezien hoe de Pforzheimers zich kort na de oorlog tussen de ruïnes bewogen alsof er niets was gebeurd en ‘de stad er altijd zo uit had gezien’.

Op internet typ ik vandaag, zonder al te veel verwachtingen, de woorden ‘Albert Canté Pforzheim’ in, de naam en de geboorteplaats van mijn, vermoedelijk, Duitse overgrootvader. Na enig zoeken kom ik terecht in de Nederlandse ‘Militieregisters’, handgeschreven lijsten van ver voor de Tweede Wereldoorlog.
Daarop zie ik dat er inderdaad een Albert Canté is geweest die diamantslijper en koopman in Amsterdam was en die geboren is in Pforzheim, in wat toen nog het Groothertogdom Baden heette.
Deze Albert Canté, lees ik, was 1632 millimeter lang, niet veel langer dan mijn moeder later was. Hij had een ovaal gezicht, een hoog voorhoofd, blauwe ogen, een grote neus en mond, een ronde kin en blonde haren en wenkbrauwen.
Langzaam komt mijn onbekende overgrootvader in beeld. Zijn vader heette Ferdinand Canté, lees ik nog, en kwam ook uit Pforzheim, net als zijn moeder, de in 1850 geboren Mina Ochse. Dat alles wijst erop dat ook zijn ouders Duitsers zijn geweest – en ik dus voor een heel klein stukje ook.

Het kan niet anders of bij het verschrikkelijke bombardement van 1945 moet ook familie van mijn onbekende overgrootvader Albert Canté zijn omgekomen. Mijn moeder vertelde ons vaak dat ze in de hongerwinter 1944-1945 soms nachtenlang lag te genieten van het ‘heerlijke’ geluid van Britse bommenwerpers die hoog boven Amsterdam op weg naar Duitsland waren: ‘een monotoon, zacht gebrom dat uren kon duren’.
Het is een raar en ook wel pijnlijk idee dat die heerlijke vliegtuigen van mijn moeder nauwelijks een paar uur later tientallen in Duitsland achtergebleven familieleden van haar kunnen hebben gedood.

2 Reacties

  1. Beste Reinjan,

    Ik onderzoek voor mijn schoonmoeder de stamboom van de familie Canté. In het stadsarchief van amsterdam kun je een gezinskaart vinden van Mina Ochse, weduwe van Ferdinand Canté, en de kinderen Canté:

    https://archief.amsterdam/indexen/overgenomen_delen_1892-1920/zoek/query.nl.pl?i1=1&a1=Ochse&x=25&z=b#OGDA00038000192

    Daaruit kun je opmaken dat Ferdinand Jacob Canté geboren is in Amsterdam, op 11-02-1845, zoon van Cornelis Balthus Hermanus Canté, op zijn beurt geboren in ’s Hertogenbosch op 08-01-1810.

    Ik heb vooralsnog niet kunnen vinden wanneer Ferdinand en Mina getrouwd zijn (en waar), maar ik vermoed dat dat in Pforzheim geweest is. In de Amsterdamse archieven heb ik ook nog niet ontdekt wanneer Mina is overleden. Ze heeft in elk geval Ferdinand overleefd, hij stierf op 02-10-1884 in Amsterdam.

    vr gr Rob Koch, Amsterdam

  2. Dank je zeer, Rob Koch. Dat betekent dus dat de vader van Albert Canté een Nederlander was, die pas later naar Duitsland is gegaan, en daar een Duitse vrouw heeft gevonden.

Geef een reactie