Een brief uit 1966

In de roman in wording ‘Zwavelwater’ beschrijft Reinjan Mulder hoe hij vijftig jaar geleden door een vreemd toeval voor het eerst in Duitsland belandde, bij hem thuis bekend als het land van het kwaad. Een week lang logeerde hij in een mysterieus, groot chalet aan de Tegernsee dat ‘Haus Jungbrunnen’ heette. Wat was dat voor een huis? En wat gebeurde er allemaal in Tegernsee? Een voorpublicatie. 

Haus Jungbrunnen

Haus Jungbrunnen

Door Reinjan Mulder
In het najaar van 2014 ga ik met mijn zusje terug naar ons ouderlijk huis in G*. Voor het laatst. Het huis is verkocht, eindelijk, Het moet in december worden opgeleverd. Nadat mijn moeder twee jaar eerder in een verzorgingsflat was opgenomen en daar gestorven is, moet haar huis alleen nog worden leeggehaald. In de zomer hebben we al een open huis gehouden, zodat vrienden en familieleden konden langskomen om nog een aandenken uit te kiezen en als ze dat wilden, een schilderij van mijn vader. En daarna was er nog een grote kunstveiling in Arnhem geweest, met driehonderd van zijn nagelaten schilderijen. We hoeven nu alleen nog maar de laatste persoonlijke spullen uit de nalatenschap door te kijken – om ze daarna zoveel mogelijk weg te gooien.
Mijn moeders zeventig Betuwse jaren schieten tijdens ons laatste bezoekje voorbij. Foto’s, kinderspeelgoed, schaaltjes, kostuums van haar balletuitvoeringen.
Dan vind ik in een ingebouwde kast in de overdadig met schrootjes betimmerde achterkamer, tussen de stapels fotoalbums, kasboeken en ordners met bonnetjes, een kartonnen map met een verschoten, vaal roze kleur.
‘Suus Hulscher’ staat op het omslag. De naam van mijn oma, de moeder van mijn moeder.

Mijn moeder blijkt nog tot kort voor mijn oma’s dood in 1992 geregeld met haar over het wel en wee van haar gezin in het Betuwse dorp te hebben geschreven. En omdat mijn oma die brieven tijdens haar lange leven altijd netjes heeft bewaard, vullen zij nu een bijna vergeten map in de kast.
Aarzelend sla ik de flappen van de map open en na enig schiften valt mijn blik op een lange, uitvoerige brief die mijn moeder op 19 juni 1966 aan mijn opa en oma moet hebben geschreven. De datum staat erop. Ze woonde toen al meer dan twintig jaar in ons dorp, en ze probeerde zich nog steeds zo goed mogelijk aan de soms wat merkwaardige Betuwse gewoonten aan te passen.
Ik haal de brief uit de map en bekijk de drie met groene vulpeninkt beschreven velletjes van een gelinieerd, houthoudend bloknoot. Wanneer schreef ik voor het laatste met de hand een brief?
Boven aan het eerste vel is naast de gebruikelijke aanhef ‘Lieve papa en mama’ een vergeeld, vierregelig krantenknipseltje geplakt met de kop: ‘Een zeldzame prestatie’.
Voor iemand die lang in landelijke kranten heeft geschreven is het een merkwaardig en ook wat gênant nieuwsbericht dat mijn moeder in 1966 uit ons plaatselijke sufferdje moet hebben geknipt:  ‘Aan het Stedelijk Gymnasium te T* legde onze plaatsgenoot, de 17 jarige Rein Jan Mulder met goed gevolg het eindexamen B af. Onze welgemeende gelukwensen.’
Gouden jaren, zou de dichter zeggen. Gezegend de tijd waarin een met goed gevolg afgelegd eindexamen op jonge leeftijd nog goed was voor een eigen nieuwsbericht voorop de plaatselijke krant.
Of niet? Bang voor wat komen gaat en ook een beetje geneerd begin ik de brief te lezen.
Wat een mooi, regelmatig handschrift had mijn moeder, ik kan er, met mijn eigen hanenpoten, nog jaloers op worden.
Ook de rest blijkt voor een groot deel over mij als veelbelovende jongeman te gaan. Maar niet alleen daarover.
‘Hier is een klein krantenknipseltje uit ’t Nieuws en Advertentieblad,’ begint haar verslag van die beslissende week. ‘Mooi hé!’
En dan vervolgt ze haar brief met het verhaal over de dagen die direct op mijn zo glorieuze eindexamen in 1966 gevolgd moeten zijn: ‘Mama, reuze bedankt voor je gezellige brief, hoor!
Ik ben maar niet naar Groet gekomen met dat hete weer. We hebben weer een abonnement op ’t zwembad in Beesd, en daar hebben we ook heerlijk gezwonnen. ’t Weer is nu een stuk frisser geworden, maar ik zit toch weer in de zon te schrijven.’

Gezellig, reuze, heerlijk, leuk, ik herinner me het weer. Dit zijn de adjectieven waarmee ik de eerste 17 jaar van mijn leven ben opgegroeid.
Dan pas komt het echte nieuws: ‘Van Reinjan hebben we al 3 kaarten uit Bad Wiessee gehad. De familie Van H* heeft daar (…) een groot Kuuroord, waar allemaal schatrijke mensen geneeskrachtige baden komen nemen, tegen rheuma, hart- en bloedvatenziekten, bronchiën, enz. Ze hebben daar hotels en ook een groot chalet met een echtpaar erin dat voor alles zorgt, en verder eigen zwembaden, tennisbanen, een eigen orkest met leren broekjes, enfin, van alles en nog wat.
En daar heeft Reinjan nu gelogeerd! Ze hebben het enorm gehad.’
‘Enorm’. Zou ik zulke enthousiaste kaarten naar huis hebben gestuurd? En dan drie binnen een week? Dat zou daarna niet zo lang meer volhouden.
Ook over de lotgevallen van mijn zusje in de Betuwe vermeldt het verslag het een en ander.
‘Els (…) heeft nu allemaal fuiven, vanavond weer. Een deftige fuif, bij Leo S* (van de chirurg), voor ’t slagen van Kees  en Leo samen.
Er mochten alleen mensen komen die Leo z’n moeder goed vond, maar Kees heeft Els nu toch uitgenodigd, want hij vond het niets leuk als zijn vrienden niet mochten komen.
Er komt een dure pianist, en er mogen geen Beatle-platen gedraaid worden. Enz.
Een boel kak dat ze daar hebben! Reinjan sliep daar al eens (de ouders zaten in het buitenland) in een hemelbed.
Schrijf hier maar niet over terug. Dat vinden de kinderen niet leuk.
(…) Kusjes van ons drieën,
Hanna.’ 

Achter de brief zit, vastgehouden door een paperclip, nog een tweede brief, die op 7 juni 1966 is gedateerd, 12 dagen voor de vorige.
Ik moet dan net eindexamen hebben gedaan. De tweede brief is, anders dan de eerste, in blauwe vulpeninkt geschreven, en begint zo:
Lieve mama en papa, Gefeliciteerd met jullie kleinzoon, hoor!
En wij maar denken dat hij een twijfelgeval was. Kwart over 12 gingen ze vergaderen en pas om 4 uur was de uitslag. En wij voor de school maar wachten…
Een half uur zijn we met een ander ouderpaar maar naar D* gegaan om daar een kopje thee te drinken. En ja hoor, kwart over 4 kwam Reinjan als eerste met een grote bos bloemen en een lauwerkrans om z’n hoofd de school uit zetten.
Toen was het handen schudden van iedereen met iedereen…’
Langzaam komen die rare, verwarde weken in juni 1966 bij me terug.

 

Geef een reactie