PS ook mijn blauwe sokken – een brief van Annie Romein-Verschoor – reis door mijn boekenkast (59)

Door Reinjan Mulder
Annie R
Ik moet het boek omstreeks 1988 aan mijn moeder hebben gegeven. Ze had ons al zo vaak over Jan en Annie Romein verteld dat ik dacht: lees dan ook eens wat ze geschreven hebben. Mijn moeder hield ervan ons te overvoeren met verhalen over mensen die ze had gekend en die later beroemd waren geworden, maar dat ze, bijvoorbeeld, een boek als De Avonden van Gerard Reve had gelezen, waarin verschillende van die mensen voorkwamen, had ik nooit gemerkt. En daar wilde ik als bevlogen leespropagandist graag wat aan doen.
Nu komt Annie Romein’s Omzien in verwondering na de dood van mijn moeder weer bij mij terug in de kast, in de goedkope editie waarin de beide delen in één band zijn samengebracht.
Of mijn moeder het boek gelezen heeft, weet ik niet. Er staan geen streepjes in, wat in haar geval een veeg teken is.
Maar er vallen tot mijn genoegen wel een paar knipsels uit over Annie en Jan Romein, plus een onbekende foto van een goedgeklede Jan Romein aan de koffietafel (van mijn opa?), en een mooie brief. De brief is door ‘tante Annie’ in 1937 aan mijn oma, Suus Hulscher-Canté geschreven, die op dat moment met haar gezin op een kampeerterrein aan de Grensweg op Texel kampeerde. Die knipsels en die brief zaten nog niet in het boek, toen ik het 25 jaar geleden, bezorgd om haar leesgedrag, aan mijn moeder gaf.
Op de voorkant van de bedrukte enveloppe prijkt al prominent de naam ‘J.M. Romein – Zuider Amstellaan 194, Amsterdam – Z,’ een adres dat later met de hand veranderd is in: Blaricummerstr. 140, Blaricum. Zuinigheid is, zoals de Romeins wisten, een bekende Nederlandse deugd.
‘Beste Suus,’ zo begint Annie Romein op 26 juli haar brief aan mijn oma, ‘Even een seintje dat onze dochter [Annelies – R.M.] hier vanmiddag tot onze verrassing heelhuids kwam binnenstappen. Wij hadden ons n.l. juist zorgen gemaakt over een pas ontvangen brief kaart van Jan E. [Jan Erik, zoon van de Romeins – R.M.]: ik kom Dinsdagmiddag trein zoveel thuis. Alsof er niets met hem afgesproken was, dat hij over Texel zou reizen en daar zijn zus ophalen. Van Annelies hoorden we dat jullie helemaal geen bericht van hem hebt gehad. Ik ben benieuwd of hij jullie vandaag is komen overvallen of dat hij heel lauw weer op het Harlinger bootje is gestapt. Hij is er toe in staat!
Hartelijk bedankt voor de plezierige week, die jullie Annelies bezorgd hebben, ze kwam een beetje misselijk van de reis, waar ze slecht tegen kan, maar niettemin vol opgewekte verhalen thuis.
[…]
Heeft Annelies het goed, dat jullie in de 2e week van Augustus weer in Amsterdam zijn? Laat Hanna [Hulscher, mijn moeder – R.M.] dan, als ze daar zin in heeft, hierheen doorreizen. Er valt hier die week nog wel ergens een kermisbedje op te slaan.’
Annie Romein eindigt haar brief aan mijn oma met: ‘Annelies volgt hierachter. Hartelijke groeten ook van Jan en Bart, veel dank en beste wensen voor de verdere kampeertijd, je Annie Romein V.’
En dan volgt achterop het velletje eerst nog een PS van Annie Romein: ‘P.s. Als Hanna even laat weten, hoe laat ze in Amsterdam op de fiets stapt, rijden Annelies en de jongens haar tegemoet.’ En daaronder staat, in potlood, de brief die Annelies Romein aan haar ‘beste tante Suus’ schreef.
De brief van Annelies gaat onder meer over haar misselijkheid en haar mislukte fietstocht van Amsterdam naar Blaricum, met Chellie [Polenaar?], maar hij gaat al gauw over in een enorme opsomming van alles wat ze bij mijn oma op Texel heeft laten liggen: ‘een rooie ceintuur, de ceintuur van mijn regenjas, en van mijn blauwe jasje, mijn lepel, mijn blauw geruite broekje, [doorgestreept] mijn plastronnetje, het boek van Jan Trom en de twee brieven’.
En dat blijkt nog niet alles wat ze op Texel heeft laten slingeren: achter op de enveloppe heeft ze, toen hij al was dichtgeplakt, nog snel geschreven: ‘PS ook mijn blauwe sokken’.
Ik geloof niet dat met deze brief een geheel nieuw licht wordt geworpen op de levens van onze nationale historici Jan en Annie Romein, of het moet zijn dat ze in 1937 hun kinderen boeken van C. Joh. Kievit te lezen gaven. Jan Trom is de zoon van de bekendere Dik Trom.
Maar toch doet de brief me wat, merk ik. Ik zie het opeens vrij helder voor me. Mijn 37-jarige oma en opa, kamperend bij boer Lap op Texel, samen met hun drie kinderen, en daarbij dan nog de 12-jarige Annelies Romein, met haar eigen lepel, in haar blauw geruite broekje, haar blauwe sokken en haar plastronnetje.
En vervolgens zie ik ook mijn moeder wat beter, met Annelies Romein slapend in haar tentje op Texel, en later op haar ‘kermisbedje’ bij de Romeins in Blaricum.
Mijn moeder was die zomer al 15. Mooi hoe ze ook op die leeftijd kennelijk al een leeftijdsverschil van jaren kon overbruggen.

 

Geef een reactie