‘Slapen ging niet meer die nacht’ – Over ‘De Vertekening’ van F.B. Hotz

Door Reinjan Mulder
Recensie van: F. B. Hotz, De vertekening. Uitg. De Arbeiderspers. 1991. 135 blz. 

In De vertekening, het behoorlijk late romandebuut van de schrijver F. B. Hotz (69), wordt een langdurige loopgravenoorlog uitgevochten. De hoofdpersoon is een weinig succesvolle kunstschilder die zich tot zijn verdriet met onbenullige baantjes in het leven moet houden die vermoedt dat zijn vrouw, de dochter van een bemiddelde Wassenaarse familie, een verhouding heeft met een vroegere schoolgenoot. Hij wil daar iets aan doen. Maar wat? Iedereen in zijn omgeving weet het inmiddels al, maar de affaire komt maar niet aan de oppervlakte. Het sukkelt maar door.
De schilder is geen man van grote daden. Hij is daarvoor, vindt hij, te veel kunstenaar. Hij kan alleen maar observeren, afwachten en lijden. In plaats van beslissende veldslagen uit te voeren, graaft hij zich liever in een loopgraaf in. In 21 van de 24 hoofdstukken zien we hem voor zich uit staren, piekeren en broeden, ten prooi aan een breed gamma van stemmingen.
Toch wordt dat voor de lezer nooit vervelend. F.B. Hotz slaagt erin steeds weer met veel inventiviteit de terugkerende sombere stemmingen die de schilder kwellen te verwoorden. In bijzonder fraaie zinnen beschrijft hij de vele stiltes waar de schilder mee te maken krijgt:
Hij zweeg of hij niet bestond. Hij dacht dat met zijn zwijgen, ook tegenover de buitenwereld, een beloning binnengehaald kon worden… Zonder zwijgen zou hij zich… een lor gevoeld hebben.’

Ook het weer doet, broeiend, zijn werk.
En dan brengt F.B. Hotz ook nog eens heel mooi de vertwijfeling van de schilder onder woorden: rechtstreeks, en met zwaar geschut. Het is een genot om te lezen.

Opmerkelijk aan De vertekening is dit keer dat ook de vrouw die alle ellende veroorzaakt, niet overloopt van de strijdbaarheid. In vroegere boeken heeft Hotz vaak sterke, bazige vrouwen geportretteerd, maar daarvan is nu geen sprake. De vrouw van de schilder neemt weliswaar een paar kleine initiatieven, ze laat weten dat ze behoefte heeft aan enige zelfstandigheid, maar dat is dan ook alles. Ook zij lijdt zicht- en hoorbaar. En ook zij kan haar wensen niet goed onder woorden brengen. Als de twee zich weer eens aan weerskanten van het front in hun schutterputjes hebben ingegraven, schrijft Hotz, heel mooi:
‘Haar tranen waren zo vernietigend droef dat hij onmiddellijk dacht van alles de schuld te zijn.’ 

Het is niet zonder reden dat ik dit stuk begonnen ben met het beeld van een loopgravenoorlog. Het is een beeld van F.B. Hotz zelf. In De vertekening komen nogal wat loopgraven voor: symbolische, en ook echte. De schilder blijkt behalve door zijn schilderen geobsedeerd te worden door alles wat er tijdens de Eerste Wereldoorlog is gebeurd, zodat de beschrijvingen van zijn huwelijksmisere in het boek worden afgewisseld door beschrijvingen van wat hij allemaal leest en hoort over de gruwelen van het front.
Van de ene loopgraaf belandt hij in de andere.
Komisch is dat de schilder zelfs zijn dagelijks leven beschouwt in termen die aan veldslagen zijn ontleend. Zo wordt zijn rivaal consequent als De vijand aangeduid, en wanneer hij op zijn fietsje door de Leidse binnenstad gaat, verbeeldt hij zich in een oprukkend leger te zitten: ‘In een colonne fietsers draaide hij de Blauwpoortsbrug op onder dekking van een stadstram of het een Mark V-tank was.’

Uit de eerdere boeken van F.B. Hotz en uit enkele schaarse interviews wist ik al dat de grote aandacht die de schilder in De Vertekening voor de jaren aan het begin van deze eeuw heeft geen toeval is. In de ogen van de schrijver behoort deze tijd tot de interessantste perioden uit de geschiedenis. Er was nog vertrouwen in de vooruitgang van de wetenschap en de kunst bevond zich in voortdurende vernieuwing. Voor de schilder zijn de jaren tijdens en kort na de Eerste Wereldoorlog zonder twijfel de belangrijkste die hij kent. De schilders, schrijvers en musici van wie hij het meeste houdt, zijn in deze periode actief geworden. En sommigen van hen zijn er ook in gesneuveld.
Met weemoed denkt hij terug aan de avant-garde, de ‘werkelijke europeanen’, de expressionisten en de abstracten, en al die mensen die de ‘schijnwereld van keizerdom en techniek’ lieten zien.
In het eerste interview dat F.B. Hotz gaf, in de Haagse Post van 26 juni 1976, vertelde de toen nog ‘geheimzinnige meneer’ F. B. Hotz dat hij lang voor hij zijn succesvolle eerste verhalenbundel Dood Weermiddel publiceerde, al eens een volledige roman had geschreven. Het zou een boek zijn ‘in de trant van Van Oudshoorn’ dat echter nooit was verschenen. De schrijver had het zelfs nooit aan iemand willen laten lezen. Hij had, zo bleek, de gewoonte om jaren lang in stilte aan een verhaal te blijven schaven. Zo ook hier.
De roman had kennelijk nooit het stadium van volledige rijpheid bereikt.
Het zijn intrigerende opmerkingen voor wie nu De vertekening leest. Hoewel het voor mijn grote waardering van het boek niet veel uitmaakt, vraag je je toch af of dit nu het boek is waar de schrijver vijftien jaar geleden al naar verwees.
Zou hij de roman die toen al zo lang lag te rijpen nu eindelijk hebben afgemaakt?
Ik ben geneigd die vraag met ja te beantwoorden. Een eerste aanwijzing, maar ook niet meer dan dat, is te vinden in de prijzen die in De vertekening voorkomen. Deze liggen op het peil van de jaren zestig. De hoofdpersoon van het verhaal heeft geen telefoon en elke keer dat hij in een cel opbelt, kost hem dat een dubbeltje.
Zegt dit op zichzelf nog niet zo veel, zeker niet bij een schrijver die er om bekend staat zijn verhalen graag in een verder teruggelegen tijdperk te situeren, een tweede aanwijzing is dat het verhaal nadrukkelijk als een oud verhaal gepresenteerd wordt. In drie hoofdstukken, aan het begin, aan het slot en in het midden, laat Hotz een klassieke verteller optreden, een anonieme schrijver die het uiteindelijke verhaal optekent uit de mond van de schilder. Op de voorlaatste bladzijde vraagt de schilder hem echter om toch maar niets met de geschiedenis te doen. Hij zegt: ‘Schrijf maar niet over me; of in ieder geval de eerste tien jaar niet.’ En F.B. Hotz laat zijn verteller opmerken: ‘Ik zou me daar ruimschoots aan houden.’
Het sterkste argument voor de veronderstelling dat De vertekening al vele jaren eerder is opgezet, is te vinden in de stijl. De vertekening is, net als de roman waar Hotz in het interview over sprak, geschreven in een stijl die sterk aan Van Oudshoorn doet denken. Ik ben niet de eerste die een verwantschap constateert tussen Hotz en Van Oudshoorn, maar ik heb de indruk dat deze verwantschap in geen van zijn boeken zo sterk is als hier, in De vertekening.
Als voorbeeld een paar zinnetjes waarmee Hotz zijn hoofdstukken opent: ‘Tegen de avond, na lang lesgeven bij Ars, stond Lucas in zijn erker en keek naar buiten. In zijn buurt leek een regenlucht altijd laag en drukkend, misschien door de bescheiden bebouwing.’
En: ‘Slapen ging niet meer die nacht. Lucas schoof langzaam een been uit bed, daarna het andere. Hij ademde geluidloos en stond op.’
En, aan het begin van het vijfde hoofdstuk‘Op maandagmorgen douchte Lucas zich haastig. Hij was laat. Hij had weinig geslapen en gaapte voortdurend. Vaag zelfverwijt, na dat geblader in zijn blauwe schrift, wekte opnieuw onrust.’
Dat ‘vaag zelfverwijt’, zonder een lidwoord, en die ‘onrust’: het is of Van Oudshoorn uit de dood is opgestaan.
Voor de waardering van het boek maakt dat weinig uit. De vertekening is juist door de verwerking van de typische Hotz-motieven een oorspronkelijk en indrukwekkend boek geworden. Het kan ook geen kwaad nog een tweede, zij het halve Van Oudshoorn in ons midden te hebben.

Verscheen eerder in NRC Handelsblad van 8 maart 1991. 

Geef een reactie